Skip to main content

Full text of "Taal en letteren"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automatcd querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any speciflc use of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



'33^.3 

Tm 



Tm \ 



TAAL EN LETTEREN. 



êA» A4a« ê*é» ll.« liiUé U lm U MAé^é ÈèUAéU4AéfSê 1 1 J««i«««iM««« 1*4 é é4é» Al hièètê 44«*« •*«4«> • 



leiden: frrOONBOEKDRURKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK HZ. 



JAAL EN LETTEEEN 



REDAKTEUREN: 

Dr. F. Buitenrust Hettema te Zwolle^ J. H. yan den Bosch te Chuda^ 

AüG. GiTTÉE te Pepinster^ Dr. B. A. Eollewijn te Amsterdam^ 

J. KOOPMANS te Dordrecht^ Prof. Dr. H. Logeman te Qtnt^ 

J. G. Talen te Zwolle en Prof. Dr. W. de Yreese te QenU 



4 ( 



12* JAABeAXe. 



LEIDEN. - J. M. N. KAPTEUN. — 1902. 



:/ 



'V 



/ - / - ^ /C 

m 

V 

V 



INHOUD. 



Bladz. 

J. F. D. Bllfte, De Brabantsche Zwaanridder 1 

Dr. R. A. KoUewgn, Een jongen van Jan de Witt ..... 26 
H. M. Eleerkooper, De „Prgsvraag van de Nederduytsche Aca- 
demie" (1630) 72 

R. A. K., Een eigenaardige fout 82 

J. A. F. L. Baron Tan Ueeckeren, Iets over Rhijjnvis Feith . 98, 537 

Prof. Dr. E. T. Kniper, Wilhelmus van Nassouwe 107 

J. Koopmans, Heyns' Sinne-spel van de Dry Hooft-Deuohden . . 138 

Prof. Dr. H. Logeman, Klanken en klanksymbolen 166 

J. KoopmanSy Een abel spel van Lanseloet van Denemarken . . 205 
J. H. van den Boseh, Potgieters Jan en Jannetje, Vervolg van de 

Aanteekeningen 248 

J. Koopmans, Theophilus 358 

„ Seghelijn van Jeruzalem 385 

y, Mevrouw Kooistra haar Gidsstuk 411 

M. M. Kleerkooper, Engelsche Gedichten, door Starter nagevolgd . 421 

Prof. Dr. H. Logeman, De beste uitspraak 429 

Dr. D. €. Hesseling, Tureluurs 478 

Dr. B. A. KoIIewiJn, Een onuitgegeven samenspraak van Bil- 

derdijk 481 

K. Poll, Uit Potgieter's Proza 493 



VI INHOUD. 



Boekaankondigingen. Dr. J. B. Schepere* Bragi (Jakob Ek) Eerete 
Boek blz. 31. Tweede en Derde Boek blz. 326. — F. E. Goere Fzn., 
Liederboek yan Groot-Nederland, deel I, II, III (J. B. Schepen) blz. 
121. — Dichterleed in leven en school: W. Kloos, N. Gids V 592 vgl., 
J. B. Meerkerk, Van, over en voor de school blz. 86 vlg. (J. B. Sche- 
pers) blz. 188. — Wilh. Wondt, Völkerpsychologie I: Die Sprache. B. 
Delbriick, Grundfragen der Sprachforschung. Wilh. Wnndt, Sprachge- 
sohichte nnd Sprachpsychologie (J. G. Talen) blz. 231. — Otto Haoser, 
Die Niederlandische Lyrik (B. H.) blz. 298. — T. Pluim, Gids bq de 
studie voor de Hoofdacte (J. K.) blz. 303. — J. Verdam, Uit de Ge- 
schiedenis der Nederl. Taal (J. Koopmans) blz. 376. 

Indiese Letterkuide. S. Kalff, Oost-Indiesch Landjuweel (J. L. G. A. 
Meijer) blz. 418. — Jan Ligtkart, Letterkundige Studiën I (Jakob Ëk) 
blz. 472. — Dr. J. A. Stoett, Nederl. Spreekwoorden, Spreekwazen, Uit- 
drukkingen en Gezegden II (F. P. H. Prick) blz. 497. — P. J* v. Mals- 
sen Jr., Het Leven der Taal (B. H.) blz. 507. 

Kleine Mededelingen over boekwerken. J. O. Kummer, Nederland- 
sche Spraakkunst, blz. 87; Flandria's Novellenbibliotheek, blz. 87 ; S. Kalf^ 
Oost-Indisch Landjuweel, blz. 313; Nederl. Klassieken, uitgeg. door H. 
Beckering Vinckers, blz. 313; Prof. Dr. Jan ten Brink, Geschiedenis der 
Noord-Nederlandsche letteren in de XIX^« eeuw, blz. 814; A. de Cock 
en Is. Teirlinck, Kinderspel en kinderlust in Zuid-Nederland, blz. 314; 
Nederlandsche Volksboeken, blz. 319; Dr. H. Hirt, Handbuch der grie- 
chischen Laut- und Formeniehre (Dr. D. C. Hesseling) blz. 437; Dr. F. 
Sommer, Handbuch der lateinischen Laut- und Formeniehre (N. J. Bever- 
sen), blz. 438 ; Jan, Jannetje en hun jongste kind, Zwolsche herdrukken, 
blz. 441 ; A. Rauwerda, Het Aauschouwingonderw^'s in de Lagere School 
en op de Bewaarschool, blz. 442 ; Aangename uurtjes, blz. 489 ; Frans 
Bastiaanse, Natuur en Leven, blz. 532; P. J. Kloppers, „Alles sal rech 
kom'', blz. 558; Vlaanderen, Maandschrift, blz. 558; Stamperius, Nieuwe 
Bibliotheek voor de Jeugd, blz. 560; Van Nouhuys, Uren met schr^'vers, 
blz. 561. 

Kleinigheden: XVIII, blz. 30; XIX, blz. 81; XX, blz. 84; XXI, blz. 
85; XXII, blz. 485; XXIII, blz. 486; XXIV, blz. 530; XXV, blz. 554; 
XXVI, blz. 555. 



INHOUD. VII 



Allerlei: O. Kossina, Archaeologie, blz. 487. 

Yerbeterlng: blz. 857. 

Tragen: blz. 86, 657. 

Inhoud Tan TQdselirlften: blz. 88, 208, 820, 444, 490, 583, 661. 

menwe Boeken: blz. 90, 208, 822, 446, 491, 584, 662. 



REGISTER. 



TAAL. 



Ablaut. 441. 

accent ft — ) i. de taal. 487. 

accent: Cupido en Cupido. 249. 

actionsart (de — ). 511. 

adjektief (geen sterk en zwak — )in 
't Nederlands. 526. 

alfabet ('t Latgnse — ) en de Euro- 
pese talen. 178—179. 

analogie, werkende in de Spelling. 183. 

analogie-formatie. 516. 

Bakvis. 499. 

berderen (een — ) aenscbijn. 500. 
betekenisleer (over de — ). 238--289. 
bocht (in de — ) springen. 499. 
boekdrukkerij (invloed v. de — ) op 

de Spelling. 181, 182. 
bollebuizen en broeders. 253. 
botslopen. 500. 
bravo. 292. 
broedertje. 258. 
brouwen. 265. 
brummel. 59. 

C-cedille: oorsprong. 177. 
ch (het teken — ). 172. 

Dadelik: door daden. 321. 
dialekten (dissertaties over — ). 510 — 

512. 
dijnen en douwen. 294. 



direkte en indirekte rede, en de tus- 
senvorm. 82 — 88. 

dissertaties (lyst van de — ) over 
Nederl. Taal en Letteren. 508 — 
512. 

dodijnen, doudijjnen. 294. 

doldijnen, doUedqnen, doUemedgnen 
etc. 234. 

dufheid (iets over Akademiese — ). 
378—383. 

Flapper. 265. 

fluit. 265. 

fonetiek v. 't Noord-Bevelands. 328. 

fonetiese oefeningen. 184 — 187. 

G (het teken — ). 174. 
godshuizen. 292. 

H's (de drie — ) op de rug. 280 — 

281. 
Here en Heer. 281. 
hoQe. 292. 

I en j (de tekens — ). 177. 
\j (het teken van de lange — ). 178. 
ingewikkeld: implicite. 262. 
intensiefformatie. 294. 

Jan de Wit (een jongen van — ). 
26—30. 



BEQ18TE&. 



Janklaassen. 506. 

Kandeel. 265. 

kanseiarq (de — ) en de Spelling. 182. 

kienhout. 67. 

Kiliaen's Woordenboek. 509. 

kindertaal: Meumann. 586. 

klank en teken. 166—187. 

klankleer van 't Noord-BeTeland8.323. 

klankverschuiving (Wundt's verkla- 
ring V. de — ). 245. 

kloddertje. 80. 

komparatief (i. de tekst): wilder 
woester. 521. 

koppeling (i. de tekst): wild woest. 
521. 

Letters en klanken. 166 — 187. 
letterkombinatie (de — ) n^ogh*' in 

't Engels, 171. 
letters (stomme — ). 182. 
letters (beoordeling v. 't stelsel 

der — ). 175—178. 
letterteken (de verschillende waarden 

V. een zelfde — ). 169—175. 
loof maken (het iemand — ). 296. 
loor (te — ) gaan. 603. 

Maerte. 503. 

malloot. 274. 

„ (de Goudse — ). 274. 

Middelnederlands : Maerlants taai- 
mengelen. 524. 

Middelnederlands (de dissertaties 
over — ). 509—511. 

minnelgmer. 260. 

mutsaard. 508. 

Navenant (i. de tekst). 386. 

nabobsleven. 282. 

Nederlands" (de oude onjuiste denk- 
beelden omtrent „Het — ). 878, 
379—383. 

Nederlands (Koopmans over het Al- 
gemeen Beschaafd — ). 879—380, 
381—882. 

Nederlands (de kriteria voor Be- 
schaafd — ): Logeman. 457 — 465, 
470. 



Nederlands (waar is het Be- 
schaafd — ) aan te treffen? 46 6 — 
468. 

Nederlands (hoe ontstond het Al- 
gemene Beschaafde — )P 467, 
468. 

Nederlands ('t levende — ) door 
de wetenschap verwaarloosd. 508 — 
512. 

Nederlandsche taal" (tweede drukv. 
Verdam's „Geschiedenis v, de — ) 
876—884. 

Nederlandsche Taaistudie (v. den 
Weghe: Geschiedenis der — ) in 
Vlaanderen. 204. 

nood breekt wet. 504. 

noorderzon (met de — ): midder- 
nacht 504» 

Oei. 266. 

Pal (een — ) zetten tegen (i* de 
tekst). 882. 

paradoxaal 296. 

Paul's Prinzipien en Wundt's Psy- 
chologie. 281—247. 

pijpen (naar iemands — ) dansen. 260. 

pof bier. 265. 

poffertjeswangen. 252. 

prins (met de — ) over de Maas ge- 
weest. 26. 

Psalmen (de „Wachtendonkse" — ) 
Borgeld. 511. 

Psalmen (de „Wachtendonkse^' — ) : 
nieuwe uitgaaf. 822, 491. 

Psychologie (de — ) v. Uerbart, en 
van Wundt. 283. 

Riem (een — ) onder 't hart. 288. 
ringvinger (de — )? 485. 
ronzebons. 294. 
ruintje ('t — ) v. stal. 84 — 85. 

Schrijftaal (Koopmans over de kunst 
V. het woord en de akademiese — ) 
382—888). 

schnjftaal (de oude denkbeelden om- 
trent — ) en „Volkstaal" 378, 
379—888. 



BE6I8TEB. 



XI 



schrijftaal : de betekenis v. het letter- 
beeld 381—382. 

sohryftaler^j (ontwikkeling v. de — ): 
verschillende oorzaken daarvan. 
182—183. 

slabbakken. 527. 

sollemed^nen. 296. 

spelling en taal. 166—187. 

„ (invloed v. de boekdruk- 
kunst op de —). 181, 182. 

spelling (de — ) v. 't Frans. 171—172. 
„ (de ~) v. 't Engels. HO- 
UI. 

spelling (de — ) v. 't Duits. 172—173. 

spelling (de — ) v. 't Noords 173. 

spelling (de — ) v. 't Italiaans en 
't Fins. 178. 

spelling uiteraard konservatief. 179 — 
182. 

spreekwijzen met tweeledige koördi- 
natie: met omgekeerde volgorde. 
500—501. 

spreekwazen en spreekwoorden aan 
verschillende talen gemeen. 497 — 
507. 

spreekwoorden (Griekse en Neder- 
landse — ): Gids 490. 

spreekwoordenboek v. Stoett. 497. 

spreken en spraakgebreken: L. van 
Lier. 534. 

stade (te — ) komen. 504. 

Statenb^bel (de taal v. de — ): Hein- 
sius. 510. 

stok (de — ) in 't Leger vroeger. 266. 

stoop. 265. 

syntax (de — ) v. 't levende Ne- 
derlands. 526. 

Taal (over Algemeene — ). 523 — 525. 

„ (hoe ontstaat een Algemene — ) ? 

465—467, 468. 
taal ('t richtsnoer voor wat Beschaafd 

is in — ) 457—463. 
taal (de oude onjuiste denkbeelden 

van spreek- en schrijftaal — ) 378, 

379—382. 
taal (Logeman's verdediging van de 

oude opvatting van Beschaafde — ) 

564—463, 470. 



taal (de kringtalen en de Algemene — ) 
519—520. 

taal (wordt ^ abstrakter. 519. 

taal (op welke wijze — ) weten- 
schappelik beschouwd wordt. 185. 

taal : de eerste woordbetekenissen bij 
't kind. 536. 

taal" (van , Malssen's „Het Leven 
der — ) beoordeeld. 507 — 529, 

taal en taalpsychologie : Paul en 
Wundt. 231—347. 

taal begrippen (voor juiste — ) aan te 
bevelen : Henry, Antinomies lin- 
guistiques: vertaald als: „Tegen- 
strijdigheden in de Taalkunde". 
436. 

taalvorm (twee verschillende opvat- 
tingen van de — ) ; Koopmans en 
Logeman 379—383, 463 — 464, 
470. 

taalonderw^'s (het — ) in Z.Afrika. 323. 

taalr^kdom. 518—520. 

taaistudie (de — ) bij de onderwij- 
zers. 304—312. 

taai-theorie (Jespersen's oer — ). 521. 

taaltuin ierderij (de oude — ) weer in- 
gevoerd? 451, 453. 

taalverandering (is er bewuste, ge- 
wilde — )P 242. 

taalwetenschap een sociale weten- 
schap. 470. 

taalwetenschap en botanie. 449 — 452. 
„ (uit de vergelijken- 

de — ): Hirt, Griech. Laut- u. 
Formenlehre. 436. 

taalwetenschap (uit de vergelijken- 
de — ): Sommer, Laut- u. Formen- 
lehre. 438. 

ten Kate's (Lambert — ) werken. 511, 

traditie in spelling. 179 — 180. 

tureluurs worden: oorsprong 478 — 
480. 

ü (het teken — ). 174. 
„uitspraak" (de beste — ) 449 — 471. 
umlaut (de — ) 511. 

V en u (de tekens — ) 177. 
veelvraat. 528—529. 



xu 



&BG1STJEB. 



vau een (een beest — ) vent e. d. 506. 
V. MaUsen, Het Leven d. Taal. 607. 
veld (ait het — ) geslagen. 505. 
Verdam, Geschiedenis der Nederl. 

Taal, 2de dr. 376—384. 
verkorting van woorden. 502. 
Vlaams ('t — ) als Algem. Taal 524. 

„ (officieel — ) 554. 
voornaamwoord ('t) „je" (in de 

tekst) 180. 

Walzen en waltzen. 274. 
werkwoord: konjunktief. 510. 

„ ('t — ) in de XVI^e 

eenw. 510. 
werkwoord: A. W. T. T. 1»*» pers. 

E. op— 0. 282. 



werkwoord : intensieve formaties : 
dollemedgnen, doldemedgnen, dol- 
derdemedgnen. 294. 

werkwoord : overchinezen. 498. 

„ (in de tekst): hutspot- 

ten. 507. 

werkwoordelike formaties als „lieve- 
moederen". 503. 

werkwoordelike- ('t) praefix ge-. 506. 

wol (in de — ) geverfd. 506. 

Wundt's Taalpsjchologie 231—247, 
92. 

IJ" (de «lange — ) als teken. 174. 

Z (het teken — ) 174. 
zeevlam. 350. 



LETTEREN EN ONDERWIJS. 



Aanschouwingsonderwijs (ons slech- 
te — ). 413—415. 

Aanschouwingsonderwijs (Het — ) in 
de L. S. en op de Bewaarschool : 
Rauwerda. 442. 

allitteratie. 64. 

archaeologie en taalwetenschap. 
487—488. 

Asen en Wanen. 57 — 58. 

Balder. 354, 64. 

Bastiaanse, Natuur en Leven. 532. 

Bilderdijk (onuitgegeven samenspraak 

van — ). 481—484. 
Bilderdijkiana : Navorscher. 89. 
Biografiese Naamlijst v. tijdgenoten 

(„Wie is dat?"). 323. 
Boekzaal der Geleerde wereld: N. 

en Z. 445. 
Bragi van Schepers. 31—72, 325 — 

357. 841. 
Bredero's Klucht van de Koe : Leidse 

Tijdschr. 561. 



Coers z'n Liederboek 1 — III. 121. 
Concordaat ('t — ) van 1827. 285— 

287. 
Oester (Dr. Samuel — ) : N. en Z. 321. 

De Génestet en Heine. 486. 

De Kantelaar. 543—544. 

De Castelein (Matthijs — ). 509. 

De Neufville (Jufvr. — ). 511. 

drama (het nieuwere — ) uithetker- 

kelike? 139—141. 
Duym (Jacob-). 509. 

Edda's (de — ). 33. 

Emblemata (de — ). 509. 

emblematiek (de — ) der Renais- 
sance 140 — 141. 

Engelse (betrekkingen tussen de — ) 
en de Nederl. Lett. : De Hoogh. 
447. 

Peith (Rhijnvis — ). 93—106, 537— 
553. 



REGISTER. 



XIII 



Eeith's Sophie. 93—106. 
Penrir (Wolf -). 845. 
Freya en Prigg. 59. 
Preyr en Odin. 68. 
Friese (Gesch. v. d. — ) Litteratuur. 
824. 

Germaanse (Aantekeningen over — ) 
Mythologie. 56—72, 344—357. 

Geuzenlied ('t — ) „Ras seventien 
provinciën". 115 — 116. 

Handelsmaatschappij (de — ). 282. 

Heimdallr. 70, 350. 

Heine en De G^nestet. 486. 

Heinsz (Zacharias — ): z'n Zinne- 
spel V. de Hooftdeuchden. 138 — 
165. 

Helene Swarth (lyriek van — ). 188 — 
194. 

hoofdakte" („Gids bij de studie voor 
de — ). 303—312. 

Hooft: uitgaaf van de Erotiese Ge- 
dichten. 447. 

Hooft als historieschrijver. 509. 

Hooft (W. D. — ). 508. 

Huet en Van Vloten : XX»*® eeuw. 
444. 

Idoena. 347. 

imitasie-poëzie. 1 02 — 104. 
Indiese (onze — ) Letterkunde. 418. 
intuisie (over — ). 412, 416-— 417. 

Jan Hen en Jan Gat. 298. 
Jan Klaassen. 293. 

Karel en Elegast. 321. 
kinderlektunr. 489, 491. 

„ (Mevr. Kooistra over — ). 

414. 
kinderspel in Z.-Nederland : de Cock. 

314. 
klassieken'' („Nederlandsche) v. Bec- 

kering Vinckers. 313. 
Kloos, Verzen. 323. 
Klopstock en Feith. 98. 
•Kooistra (Mevr. — ^) over de Fantazie 

i. ons onderwas. 411. 



kritiek : Uren met schrijvers : v. Nou- 

huys. 561. 
Krul (J. H. — ). 508. 

Langendijk. 508. 

Lanseloet v. Denemarken. 205 — 223, 

223—230. 
lezen (over — ): N. en Z. 321. 
lied (het Nederlandse — ). 121—137. 
lied (de melodie van het — ) en 

haar rythmiese vormen : van Duyse. 

204. 
lied: Starters beurtzangen. 434. 
lied: Valerius' Liederen uitgegeven. 

425. 
lied en melodie. 126—127. 
lied: Chappell's Popular Music. 421. 
liedboek (het oud-Hollandse — ). 

276—278. 
Liedekens (de Schriftuerlijke — ). 509. 
Ligthart, De kleine Johannes. 472. 
litteratuur (een werk over onze 

nieuwste — ). 298. 
Lohengrin (de naam — ). 24. 

„ (Wagner's — ). 22—25. 

Loke. 344—346. 
luit (de — ). 275. 
luite („de — ) v. Hooft". 272. 
Lyrik" („die Niederlandische — ): 

van O. Hauser. 298—303. 

Marieken v. Nijmegen. 90. 
Meerkerk, Van, over en voor de 

school. 194—202. 
metriese verzen (de — ) bij ons en 

Feith. 537—538. 
middeleeuwen: de Christelike Bid- 
der. 387. 
middeleeuwen: de Christenen en de 

anders gelovenden, 387—388, 396. 
middeleeuwen : fantaserende en ratio- 

nalistiese historie-schrijving. 13 — 

19. 
middeleeuwse dramatiese kunst 

223—230. 
middeleeuwse drama ('t — ): de 

„lustige Person". 448. 
middeleeuwse bibliotheken: K. O. 

Meinsma. 535. 



XIV 



BEOISTER. 



Middelnederlands : SeghelQ a (de — ) 
van Jeruzalem. 386 — 410. 

Middelnederlands: Theophilu8.868 — 
875. 

Middelnederlands: Beatrys: uitgaye. 
492. 

Middelnederlands (de dissertasies 
over — ). 609—511. 

Middelnederlands ; faosimile van Lan- 
seloet en Sandr^'n. 447. 

Middelnederlands : facsimile van Dat 
Leven van Kunera. 447. 

Middelnederlands proza : 't Biënboec. 
22. 

midzomer- en midwinterfeest, 65, 67. 

Mjölnir. 62. 

mopsje (het Oud-Hollandse — ). 
276—278. 

Mythologie (Aantekeningen over 
Noordse — ). 66—72, 344—357. 

Nederduytsche Akademie (de Prijs- 
vraag van de — ), 73—81. 

Noordse (Aanteekeningen over de — ) 
Mythologie. 56—72, 344—357. 

noordse balk. 344. 

Nomen (de — ). 66. 

Onderwijjs (ons slechte — ). 416. 

„ (de fantazie in het — ), 411. 
Ora et Labora. 493. 
oud-Hollandse tafelrechten. 276. 

Paradox (de — ). 295. 
Perk (Jacques — ): Gids. 534. 
poëet, dichter, en rijmer. 249. 
poëzie (de oorsprong van de — ). 244. 

f^ (retoriese — ). 258. 
poëtiek (een — ): v. Rötteken. 324. 
politiek gedicht uit de XVII^^ eeuw. 

556. 
Potgieter: Aantekeningen op „Jan 

en Jannetje". 248—297, 493— 

494. 
Potgieter : plaats uit „Het weeuwtje". 

81. 
Potgieter : plaatsen verklaard. 494 — 

496. 
Potgieter en Van Haren 256. 



Potgieter (Kloos over — ). 81. 

Psalmen (de „Wachtendonkse" 

nieuwe uitgaaf. 322, 491. 



-); 



Refereinen: nieuwe bundel: Leidse 

Tjjdschr. 446. 
Beinaert I en II. 509. 
retoriese poëzie. 258. 
r^melar^ (de doedel als symbool v. 

de — ). 260. 
rijmer, poëet en dichter. 2^9. 
ringvinger (de — )? 485. 
Rodenburg (bibliografie van — ). 609. 
Roemer Visscher's tafelrecht. 276. 
romantiek (de — ): 't proza +1840. 

250—251. 
romantiek (de — ) : „bokkesprongen". 

260—262, 263—264. 
romantiek (de — ): het oud-Hol- 
landse lied. 272—274. 
rondedansen. 317. 
„Roomsche woorden" : Stellwagen. 

492. 
rythme en poëzie. 244. 

„ (het — ) in z'n oorsprong : 

Gids. 445. 

Saxo Grammaticus. 33. 
Schepers' Bragi. 31—72, 325—357. 
„ „ : over *t ontstaan : 

Gulden Winokel. 341. 
Schepers over poëzie in school. 

188—202. 
schoolstrgd (de — ) van 1840. 287. 
Sleeckx. 88, 91. 
spel ('t Abel — ) v. Lanseloet. 

205—223, 223—230. 
Spieghel : Leidse T^jdsohr. 446. 
Staring's (bron van — ) Pankrates : 

N. en Z. 490. 
Staring's Verschqnsel : N. en Z. 490. 
Starter: de twee uitgaven van de 

Lusthof. 425. 
Starter gewijzigd door van Vloten. 

422. 
Starter : Navorscher. 445. 
Starter's naar 't Engels gevolgde ge- 
dichten. 421—435. 
stok (de — ) bij 't Legervroeger. 266. 



REGISTER. 



XV 



Taaistudie (de — ) bq de onder- 
wigzere. 304—312. 

Tacitas' Germania ; nieuwe verta- 
ling. 448. 

Thomas a Kempis' „Imitatio". 203. 

tijdschrift „Vlaanderen". 568. 

Tours (de oude heer — ). 321. 

treurspel : Floris V : van Oordt. 204. 

Yan Eeden, De kleine Johannes: 
Ligthart's boek. 472. 

Van Eeden, Over Woordkunst: XX»*« 
eeuw. 533. 

Van Looy. 530. 

„Vlaanderen" (het t^dschrift — ). 558, 

Volksboeken (Nederlandse — ) uit- 
gegeven. 319. 

Völuspa. 70. 

Vondel: ter verklaring van de He- 
keldichten. 73—75. 

Vondel : de Prijsvraag van de Aka- 
demie. 75 — 81. 

Vondel : Leeuwendalers : uitgaaf. 447. 

Vondel : Maria Stuart : Leidse Tijd- 
schrift. 561. 

Vondel (dissertaties over — ) 508, 509. 

Vos (Jan — ). 509. 



Walhalla. 62. 

Walkyren. (de — ). 60. 

Wallis' Gerda. 58. 

Wilhelmus (Marnix en het — ): kri- 
tiek van de meningen van J. W. 
Enschedé. 107—120. 

Wilhelmus (de gewone datering van 
't — ) 114—116, 119—120. 

Wilhelmus : gezongen in de XVI^^' 
eeuw? 111, 112, 116,119-120. 

Wilhelmus (de melodie Fan 't — ). 
107, 116—117. 

Wolff en Deken's romans. 509. 

Wolff en Deken's samenwerking : 
Tijjdschr. 88. 

Wundt's Psychologie: Eisler: 324. 

Yggdrasil (wereldboom). 71 — 72. 

Zinnespel (wezen van 't — ), 139 — 

141. 
Zinnespel. (een XVIId« eeuws — ). 

138—165. 
Zuid- Afrikaans : Logeman, How to 

speak Dutch. 91. 
Zwaanridder (de Brabantse — ). 1 — 

25. 



DE BRABANTSCHE ZWAANRIDDER *). 



Wie op zich neemt het een en ander mee te deelen over 
den Brabantschen Zwaanridder, loopt gevaar, dat hij poëtisch 
aangelegde naturen in hunne verwachtingen te leur stelt. 

Met het begrip 'Brabantsche Zwaanridder' toch verbindt 
de moderne mensch geen anderen naam dan Lohengrin, en 
met het woord Lohengrin verrijst voor ons oog, gedragen 
door Wagnersche accoorden en rythmen, een reeks van 
tooneelen, waarin de goddelijke macht van eene bovennatuur- 
lijke wereld ons denken en voelen met onweerstaanbare 
klanken gevangen houdt. Verplaatst worden we naar de 
Scheldestad, naar Antwerpen. Hendrik de Vogelaar houdt 
rijksdag. Om hem heen de groeten des lands. Een schaar van 
nieuwsgierig volk verdringt zich om te vernemen, hoe de 
kwestie, die alle gemoederen bezig houdt, zal worden beslist. 
Want voor den koning verschijnt de hoogste vrouw van het 
land, de jeugdige hertogin van Brabant, beschuldigd van niets 
minder dan van moord op haar eigen broeder, en niet bij 
machte zich te verantwoorden tegen de tartende uitdaging 
van den machtigsten man van het hertogdom, graaf Frederik 
van Telramund. In het onoplosbaar conflikt tusschen onschuld 



1) Den kern van dit opstel vormt een voordracht, gehouden te 's-Hertogenbosch 
in de jaarlij ksche algemeene vergadering van het Provinciaal Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant op 6 Nov. 1901. — Het bewijs- 
materiaal vindt men in eene uitvoerige studie van den Schr. ^Das Aufkammen 
der Sage von Brahon Silvius^ dem brahantischen Schwanriiter' Deze studie is 
nog niet verschenen. 

T. EN L. XII. 1 



De Brabantsche Zwaanridder. 



en aanklacht, waar de boosheid schijnt te zullen zegevieren, 
daagt onverwachts eene redding, zooals ze nooit ter wereld 
is aanschouwd : in strijd met de wetten der natuur trekt een 
met menschelijk verstand begaafde zwaan een bootje, waarin 
zich een ridder bevindt, die straks de valschheid der beschul- 
diging door zijn zwaard zal aantoonen, den aanklager zal 
overwinnen, om dan de gemaal te worden van de jonge her- 
togin. Het geluk van Zwaanridder en hertogin is echter van 
korten duur. Na weinige uren reeds moet de Ridder weer 
heen van waar hij gekomen is, weggevoerd door denzeltden 
zwaan, die hem bracht. Niet vrijwillig. De jonge vrouw heeft 
gevraagd naar hetgeen haar verboden was, naar naam, familie 
en land van haar gemaal. Maar voor hij heengaat, openbaart 
de Ridder, dat hij terugkeert naar het land, van waar hij 
kwam. Daar ligt in afgesloten majesteit, ongenaakbaar voor 
den oningewijde, een burcht, waar ridders en edel vrouwen 
van vlekkelooze reinheid een kleinood bewaken, den Graal, 
hun toevertrouwd door den hemel. Parzival, de vader van 
den Ridder, is koning in dien burcht, de Ridder zelf, Lohen- 
grin geheeten, is gezonden door den Graal. 

De Zwaanriddersage, zooals ze zich in het hertogdom Bra- 
bant ontwikkelde, weet van al die Wagnersche tooneelen niets 
af, zelfs niet in een vorm, die tot de voorstelling, zooals 
Wagner ze geeft, had kunnen leiden. Geen Graal, die een 
ridder uitzendt; geen zwaan, die een bootje voorttrekt; geen 
Lohengrin, die als helper in den hoogsten nood optreedt; 
geen Elza, beschuldigd van broedermoord; geen rijksdag te 
Antwerpen of waar ook; geen verbod naar iets te vragen; 
geen verdwijnen van den Ridder naar eene onbekende sprook- 
jesachtige wereld; zelfs de namen, voorkomende in Wagner's 
meesterwerk, zijn onbekend aan de Brabantsche traditie : geen 
Lohengrin en geen Elza, geen Telramund en geen Ortrud, geen 
keizer of koning Hendrik; kortom geen enkel motief van 
Wagner's geniale kunstschepping vindt men terug in de tra- 
ditie, zooals ze in Brabant totnöntwikkeling kwam, ja, men 



r 



De Brabantsche Zwaanridder. 



ZOU bezwaar kunnen maken tegen de benaming van Bra- 
bantschen Zwaanridder, ware het niet, dat de Brabantsche 
traditie een bepaald stadium of veeleer een bepaalden tak 
vertoonde aan het groote veeltakkige sagencomplex van den 
Ridder met den mysterieusen zwaan. 

. Want de sage van den Brabantschen Zwaanridder is het 
verhaal van Brabon Silvius, een vorstenzoon van Pan- 
nonische en Sycambrische afkomst, een boezemvriend van 
Julius Cesar, den bekenden Romeinschen veldheer. 



I. 

In het jaar 70 voor Christus regeerde er over Brabant, dat 
toen nog niet Brabant genoemd werd en veel uitgestrekter 
was dan thans, een vorst, Karel geheeten, die te Nijmegen 
woonde en daarom als Karel van Nijmegen bekend was. Deze 
Karel bezat een zoon, die eveneens den naam Karel had. De 
jonge Karel had eene onweerstaanbare neiging voor vrouwen 
en meisjes en vergreep zich herhaaldelijk zoowel aan gehuw- 
den als aan ongehuwden, zoodat zijn vader hem ten slotte 
uit het land verbande. Hij zwierf nu door verschillende landen 
en kwam eindelijk in Griekenland bij den hertog van Arkadië, 
die de vader was van Julius Cesar, den beroemden aanvoerder 
der Romeinen. 

Julius Cesar bevond zich toentertijde niet in Arkadiê. Hij 
was met zijn boezemvriend Brabon Silvius uitgetogen, om op 
last der Romeinen de landen ten Noorden der Alpen te ver- 
overen. En zoo was Karel van Nijmegen een aangename gast 
voor den vader van Julius Cesar. Maar spoedig was hij een 
nog aangenamer gast voor Swana, de dochter van den hertog 
en eenige zuster van Julius Cesar, zoodat die beiden niet meer 
zonder elkaar konden. En het duurde niet lang, toen 'ginq 
die edele vrouwe, die bloeme jonge, groot met kinde', zooals 



De Brabantsche Zwaanridder. 



Hennen van Merchtenen, een rijmkronist van 1414, zich uit- 
drukt. Earel deed onder deze omstandigheden aan Swanahet 
voorstel, met hem mee te vluchten naar zijn vaderland, waar 
hij zich dan met zijn vader wilde verzoenen; hij zwoer haar, 
dat hij haar steeds zou beschouwen als zijne wettige vrouw. 

Op hunnen tocht kwamen zij in het land tusschen Schelde 
en Maas, en niet ver van Leuven, op een plek ^De zeven 
Tonmien' geheeten, bracht Swana een zoon ter wereld, die 
den naam Octavianus ontving en naderhand de beroemde 
keizer werd, onder wiens regeering God de Heer menschelijke 
gedaante zou aannemen. Karel vernam, dat zijn vader ge- 
storven was, zoodat hij nu heer van het land werd. Hij wik- 
kelde zich in oorlogen en sneuvelde kort daarop. Swana, die 
haar man nog een dochter, naar haar Swana genoemd, ge- 
schonken had — volgens een later bericht waren het twee 
dochters en heette de tweede Octaviana — , zonderde zich 
daarop geheel en al van de wereld af en leefde voortaan in 
het kasteel te Nijmegen, zich geheel aan de opvoeding van 
hare kinderen wijdende. 

Julius Cesar, de broeder van Swana, was intusschen zege- 
vierend door Duitschland en Frankrijk getrokken, had zijn 
boezemvriend Brabon Silvius tot koning van Agrippina, d. i. 
Keulen, en van Thuringen verheven en bevond zich nu met 
zijn leger te Boulogne aan de Noordkust van Frankrijk, om 
van daar uit Engeland voor de Romeinen te veroveren. Hij 
was in eene mismoedige stemming. Reeds tweemaal hadden 
hem de Britten teruggeworpen. Geen wonder, want hij had 
Brabon Silvius, die hem anders trouw ter zijde stond, niet 
bij zich. Hij zond dus de drie (twee) aanzienlijkste ridders, 
die zich in zijn leger bevonden, naar Keulen, om Brabon te 
smeeken, hem de Britten te helpen overwinnen. Brabon geeft 
gehoor aan de uitnoodiging. Zijn weg leidt door eene moeras- 
sige vlakte in de nabijheid der Schelde. Als Brabon over de 
rivier wil, waarschuwt hem een der dienaren, dat bij den 
overgang in een kasteel een reus woont, die niemand over 



De Brabantsche Zwaanridder. 



de Schelde laat gaan, tenzij men zijn rechterhand tot pand 
geeft of om zijn leven strijdt. Toen Brabon nu bij de plek 
aankwam, waar hij de Schelde over moest, en hij zijn rechter- 
hand niet wilde geven, riepen de knechten van den reus 
hunnen meester ten strijde. Als deze voor den dag komt, 
zegt hij, dat hij nog juist een aantal handen gebruiken kan. 
De makkers van Brabon stellen voor, den reus gemeenschap- 
pelijk aan te vallen, maar Brabon verkiest den strijd alleen. 
Met eenige gelukkige slagen werpt hij den geweldenaar neer, 
hakt hem nu zelf de hand af en slingert die hand midden 
in de Schelde. De knechten van den reus moeten zich over- 
geven. — Na dit avontuur trekt Brabon naar Cesar, waarop 
deze Engeland op nieuw aanvalt en het met behulp van 
Brabon verovert. 

Toen Cesar weer naar het vaste land teruggekeerd was, 
bezocht hij met Brabon de plek, waar de reus gedood was, 
en noemde ze Handwerpen. Hij liet er een kasteel bouwen, 
dat hij aan Brabon Silvius toevertrouwde. Daarop nam Cesar 
rust te Kamerijk, tegenwoordig een stad aan de Schelde, toen- 
maals een wildernis, waar hij eerst roevers uit te roeien had. 

En thans eerst krijgen we een verhaal, dat aan den Zwaan- 
ridder herinnert. 

Op zekeren dag gaat Brabon van Eamerijk uit spelevaren 
en komt daarbij in een dal, dat vol zwanen is en daarom 
Zwanendal, in het Fransch Valenciennes, d. i. Val aux Cygnes, 
heette. Hij kiest er een uit, dien hij schieten en Cesar ten 
geschenke wil geven. Maar de zwaan ontsnapt hem en Brabon, 
die het dier hebben wil, vervolgt het door de verschillendste 
rivieren en beken tot voor het kasteel van Nijmegen. Daar 
hij ook thans nog niet van de jacht aflaat, opent de edel- 
vrouw, die daar woonde — het was Swana, de weduwe van 
den jongen Karel van Nijmegen — het venster en spreekt 
Brabon aldus aan: ^Ridder, ik smeek u, dat gij den zwaan, 
dien gij vervolgt, met rust laat, ter wille van mij.' Brabon 
voldoet oogenblikkelijk aan het verlangen der dame, waarop 



.V .t^^ii^ifMmp- Z'^'isatri'i'jf^ 



'//;/</. '/-^/^ «^''Z. .'-^ ^-.'- v-.i: zi; -wïii. ajï Sr^cc r::: at 
v-" -j^^ ^^^^^y\ Trt^4/*iriö^*^*c.^'ji^^r. X Gesar i^rri^^trn rc 

^fM"^', .^- > /--^-^ ;r/»",*^ ^r. ^>'^»^. t,h atan be^ z^lrerrs bEtCr-e 
^;^/;a ^/ ^,/r/> /.v'.T^/^ *,,^i)iXHu\ ^^ r:^ii s:: tien sp»:eiïgste i:*:»- 
V/f^^//h ff'^A.'f .'^;,v.^rf. .-^-^ ^.^fJ-i^rj, Hwasa onrsrangt bein met 
^/v/A y/' vy>// ^/?^*^w r/;///ft YV>r haar en hare Jóüieren te 
'/,t,,ru y/ft'//tf. y,r\u u^^^if h'MyhxnvA^ hj^ju tod Eard van Xij- 
//r/y/.o '//^ y^>/^ J/'//*r»^*, y'?rhi^ hj tot den grootsten vorst, die 
//v^*. f!^ f'/it/y^'f^ U^^/^tK^ v/^rit bij rriaakte hem tot keizer der 
\ViUit^)u»U) H'^iiU% '1'? ')'/;bt/?r, gaf hij aan Brabon tenhuwe- 
l!j^^ /Jii*o fr/j >!<?//< y/i'jnv'MUf Ui beloonen boven alle stervelin- 
^hh, Vis\)\mi^\m mmkU*. hij Brabon ook tot koning over het 
J4^t/1<»/1 Ufl mu tU iWM\fU) on beval, dat het land naar Brabon 
Mhil^iMl/ /OU fMiM^iri, Mot kJiHtr^ol te Nijmegen liet Gesar ge- 
||mm| VMfhoiiw^wi, /or^lat hot voortaan niet meer M^en maar 
HlMiiw Mm^mii, (IJ, NljrrirjKon, heette. Toen Gesar eenigen tijd 
IuJmi iimmI' ll'M-llft t'ï'ok, ruun hij den jongen Octavianus mee en 
iMih ItHiliiill, vvniil» ïln/iCi niooHt hom helpen tegen Pompejus. — 
lil \\\m^\\ iMM'loK wnril Hrabon vermoord door de drie mannen, 
\\\\\ \\\m iHMm In tuiain van (Jonar waren komen halen, om 
^!\\|\olrtU\t U^ liolpon vnrovcM'on. Hot waren Gassius, Brutusen 
^^«^\\^o^^r^,^ \tOï^oU\lou, titn hitor ook Gesar van het leven zouden 
\ss^nn>nviM\. Nji l^ri^l^onV dood word de jonge Swana moeder 
V.i\N ^SNU vaNxn^\, \\\t^ y\<'\\ tuuun Karel ontving naar zijn groot- 
Vj^xIiM". Vj^^^ xU^9,n^^ ?*tA^ut hot gi^^lacht der hertogen van Brabant. 
^^v xN>^^ann^> <k hoh voi>ïohoidone dingen, die voor ons 
t}^^*^>!H vnM .VaAI >vsv\w^kol\)^ «Ü»i weggelaten - verhaalde 



De Brabantsche Zwaanridder. 



men omstreeks 1326 in Brabant de geschiedenis van den 
Zwaanridder, in verband met de afkomst der hertogen en met 
den oorsprong van den naam Brabant. In dit verhaal is niets, 
zooals men ziet, dat aan Wagner's Lohengrin herinnert. En 
in de plaats van een bovennatuurlijken Zwaanridder, uitge- 
zonden door den Graal, vinden we in Brabon Silvius een 
Romeinsch veldoverste van Griekschen oorsprong, die opeen 
zwanenjacht toevallig naar Nijmegen komt. 

Wil men weten, hoe die traditie is ontstaan, en welke 
plaats ze inneemt onder de andere sagen van den Zwaan- 
ridder, dan dient eerst de vraag te worden beantwoord, hoe 
men er toe gekomen mag zijn, de hertogen te beschouwen 
als nakomelingen van den Zwaanridder. 



II. 

De sage van Brabon Silvius verlegt de gebeurtenissen in 
de eerste eeuw voor Christus. Uit deze tijdsbepaling zou men 
allicht de gevolgtrekking maken, dat de legendarische oor- 
sprong der hertogen in het verre verleden is te zoeken, al 
is het ook niet in den voorchristelijken tijd, dan toch in eene 
periode, waarin geen methodisch onderzoek thans meer kan 
doordringen. Maar hoe verlokkend zulk eene conclusie ook 
moge wezen, er zijn een aantal omstandigheden, die er op 
wijzen, dat de afkomst der hertogen van een Zwaanridder 
omstreeks 1325 nog tamelijk recent was. We kunnen op 
genealogische en andere gronden aantoonen, dat tot diep in 
de 12e eeuw de graven van Leuven, die sedert 1106 hertogen 
van Neder-Lotharingen waren, of, zooals ze langzamerhand 
sedert het midden der 12^ eeuw heeten, de hertogen van 
Brabant, geen Zwaanridder van welk soort ook tot hun voor- 
vader rekenden, en ook anderen hen niet van die afkomst 
beschouwden. In de 18e eeuw echter gelden ze als zoodanig. 
En in dien tusschentijd heeft er zich slechts eene gebeurtenis 



8 De Brabantsche Zwaanridder. 

voorgedaan, die de hertogen tot nakomelingen van een Zwaan- 
ridder kon maken: in 1179 huwt Hendrik I van Brabant, 
sedert 1190 hertog, de jonge Mathilde van Boulogne, in wier 
huis de Zwaanridder in dien tijd als voorvader werd be- 
schouwd. De kinderen uit dit huwelijk konden dus terecht 
nakomelingen van den Zwaanridder genoemd worden, even 
als de hertogen van Brabant en andere geslachten zich van 
het bloed van Karel den Grootèn en van Troja noemden en 
dit niet anders konden doen dan door de vrouwelijke lijn. 
Dus ten eerste kon er vóór het einde der 12^ eeuw geen 
sprake zijn van een afkomst van den Zwaanridder in het 
Brabantsche huis en ten tweede kan men zich in Brabant 
den oorsprong aanvankelijk niet als autochthoon gedacht heb- 
ben, d. w. z. dat de Zwaanridder in het bijzonder voor de 
hertogelijke familie zou zijn verschenen en een huwelijk zou 
hebben gesloten met een Brabantsche vorstin, ofschoon zulks 
volgens de Brabonsage wel het geval zou zijn geweest. 

Nu bestond er in de 12^ eeuw van den Zwaanridder geen 
andere traditie, dan die, die hem tot een grootvader maakt 
van Godfried van Bouillon en zijne beide broeders, Boudewijn 
en Eustachius van Boulogne, wier namen ten nauwste met 
den eersten kruistocht van 1096 en volgende jaren verbonden 
zijn. En het is zeer natuurlijk, dat er in de 12© eeuw geen andere 
traditie van den Zwaanridder in omloop was. De legende toch is, 
zoover ik heb kunnen nagaan, feitelijk niets anders dan eene 
transformatie der wederwaardigheden van een Normandisch edel- 
man, den grootvader van de vrouw van een der genoemde Bou- 
lognische broeders, eene transformatie, die ten tijde van den 
eersten kruistocht plaats had en omstreeks 1150 in een vrij uit- 
voerig Fransch gedicht behandeld werd, om dan kort daarop met 
het sprookje vati de zeven Zwaankinderen te worden verbon- 
den, dat daarbij de rol van voorgeschiedenis vervulde*). De 



1 ) Z. over deze punten Schr. in Zeitschrift f, romanische Philologie, Dl. XXV, 
p. 1-44. 



De BrabantBche Zwaanridder. 9 

hertogen van Brabant kunnen dus in den eersten tijd ten 
opzichte van de voornaacQSte trekken geene andere voorstel- 
ling van den Zwaanridder gehad hebben, dan gelijk ze in de 
Fransehe bewerkingen gegeven werd. En volgens deze was 
de Ridder een van de zeven kinderen, die met een gouden 
of zilveren kettinige aan den hals geboren werden, en in 
zwanengestalte moesten leven, toen men hen van hunne 
kettinkjes beroofde ; een van de kinderen kon later niet meer 
in zijne menschelijke gedaante terugkeeren, daar een goud- 
smid zijn kettinl^e beschadigd of omgesmolten had; deze zwaan 
bracht den Zwaanridder, zijn oudsten broeder, in een bootje naar 
Nijmegen en voer daarop weg ; de door den zwaan gebrachte rid- 
der trad in tegenwoordigheid van keizer Otto als strijder op voor 
de hertogin van Bouillon en hare dochter tegen den machtigen 
hertog van Sachsen, die hun land in bezit had genomen; de 
Zwaanridder nam de dochter tot vrouw, moest echter na zeven 
jaar wegtrekken met den zwaan, toen zijne vrouw hem naar 
naam en herkomst vroeg, hetgeen haar verboden was; uit 
het huwelijk was een dochter gesproten, Ida geheeten, die de 
gemalin werd van graaf Eustachius van Boult^ne en moeder 
van Godfried van Bouillon en zijne broeders. Mathilde van 
Boulc^e, de gemalin van Hendrik I van Brabant, was dus 
volgens deze overlevering een echte nakomeling van den Rid- 
der, die een tijdlang een zwaan was en later, door een zwaan 
naar Nijmegen gebracht, de hertogin van Bouillon met hare 
dochter van hunnen tegenstander bevr^dde. 

Dat de hertogen van Brabant zich zelf als nakomelingen 
van den Zwaanridder beschouwden, daarvan is ons, zoover 
ik weet, geen enkel uitdrukkelijk getuigenis uit hun eigen 
mond en van hunne hand bewaard gebleven, en ook van 
een lid der hertogelijke Êimilie is geen woo'-'' "*" •^"='1 
oi^teekend, waaruit zou kunnen blijken, dat h 
die afkomst noemde. Oeen zwaan in het wapei 
gedenkteeken, geen tournooi, waarin de afetamn 
lisch werd voorgesteld, geen opdracht aan een si 



10 De Brabantsche Zwaanridder. 

het hertogelijk huis naar waarheid omtrent den oorsprong in 
te lichten, gelijk men dit bij andere families in Engeland of 
Duitschland aantreft. Maar van groote beteekenis zijn de 
woorden van Maerlant, wanneer deze omstreeks 1286 in zijnen 
Historischen Spiegel verklaart, dat er geen vrouw of man 
ooit van te voren een zwaan geweest is, waarvan Godfried 
van Bouillon afstamde, al is het ook dat de hertogen 
van Brabant zich beroemen, dat ze van den 
zwaan zijn gekomen*). Deze woorden zijn daarom van 
beteekenis, omdat ze bewijzen, dat de Boulognesche voorstel- 
ling van den Zwaanridder in de 13© eeuw inderdaad in Bra- 
bant heerschte. En zeker tot 1320 was er in het hertogdom 
geen andere voorstelling van den Zwaanridder opgekomen en 
doorgedrongen. Nog 1322 zegt Jan Boendale in zijne Korte 
Kroniek, uitdrukkelijker zelfs dan in zijne Yeesten omstreeks 
1316, naar aanleiding van de afstamming der hertogen van 
Brabant, dat het nooit gehoord was, dat een zwaan mensch 
kon worden; die zoo lezen bederven het volk. 

We leeren uit het ontstaan der afkomst bij de Brabantsche 
hertogen, dat de traditie van Brabon Silvius met de zwanen- 
jacht een voortbrengsel is, dat eerst ontstond, nadat reeds 
meer dan een eeuw eene andere opvatting van den Zwaan- 
ridderoorsprong der hertogen had bestaan. We kunnen deze 
opvatting de Boulognesche periode der afkomst der her- 
togen van den Zwaanridder noemen. 



IIL 
We bezitten gegevens, die het mogelijk maken, den tijd, 



1) Woordelik aangehaald T. & L. VIII, 292 in ^lels over de zwaanridder*, 
waarin ik een overzicht gaf van de onderzoekingen van Blote over de zwaanrid- 
der, zover als ze toen (1898) waren gevorderd. [T.] 



De Brabantscbe Zwaanridder. 11 

waarin de traditie van Brabon Silvius opkwam, vrij nauw- 
keurig te bepalen. 

Jan Boendale, de rijmkronist der Brabantscbe Yeesten, sluit 
zich zoowel 1816 als 1322 voor de oudere vorsten en voor- 
gangers der hertogen van Brabant geheel en al aan bij Maer- 
lant en die kronieken, die hun stofuitSigebertvanöembloux 
(t 1112) ontleenen, begint dus bij Troja, laat de koningen der 
Franken daarvan afstammen en de hertogen van Brabant van 
dezen. Had Boendale bij de uitwerking zijner beide kronieken 
geweten, dat men de hertogen niemand minder dan keizer 
Octavianus en Julius Cesar tot voorvaders gaf, dan had hij, 
die zooveel woorden zegt over den Zwaanridder als voorvader, 
die zich beklaagt over de lieden, welke de afkomst van een 
Zwaanridder uitpeinzen, zich moeten uitlaten over Brabon, 
dien de sage als eersten hertog van Brabant en als bloedver- 
want van de beide Romeinen opstelde. En hier acht ik vooral 
de kroniek van 1322 van beteekenis. Juist Boendale, die door 
zijn groot werk, de Yeesten, sedert eenige jaren de aandacht 
op zich gevestigd had, die door dat groote werk meer dan een 
ander op ieder bericht acht moest geven, dat het zijne weer- 
sprak, had over Brabon niet kunnen zwijgen, had hij er van 
gehoord. De sage bestond dus 1322 nog niet, of was in dat 
jaar nog zoo recent, dat Boendale er evenmin iets van ver- 
nam, als Maerlant er van had kunnen vernemen, die in zijn 
Spiegel toch breedvoerig bericht levert over Octavianus en 
Cesar, zonder Brabon te vermelden, den naasten bloedverwant 
dezer personen der oudheid. 

Na 1320 is de sage van Brabon Silvius opgekomen en nog 
voor het jaar 1355, het sterflaar van hertog Jan III, is ze 
minstens viermaal geboekt geworden. Reeds vóór 1330 bestond 
ze in haar geheel. 

Tot den termijn 1330 komen we door een ander werk van 
Boendale. In zijn Leekenspiegel brepkt voor de eerste maal 
een motief door, dat we steeds met de sage van Brabon Sil- 
vius verboilden vinden. In het derde boek, ontstaan in 1329 



De BrabantBche Zwaanridder. 



en aanklacht, waar de boosheid schijnt te zullen zegevieren, 
daagt onverwachts eene redding, zooals ze nooit ter wereld 
is aanschouwd: in strijd met de wetten der natuur trekt een 
met menschelijk verstand begaafde zwaan een bootje, waarin 
zich een ridder bevindt, die straks de valschheid derbeschul- 
diging door zijn zwaard zal aantoonen, den aanklager zal 
overwinnen, om dan de gemaal te worden van de jonge her- 
togin. Het geluk van Zwaanridder en hertogin is echter van 
korten duur. Na weinige uren reeds moet de Ridder weer 
heen van waar hij gekomen is, weggevoerd door denzeltden 
zwaan, die hem bracht. Niet vrijwillig. De jonge vrouw heeft 
gevraagd naar hetgeen haar verboden was, naar naam, familie 
en land van haar gemaal. Maar voor hij heengaat, openbaart 
de Ridder, dat hij terugkeert naar het land, van waar hij 
kwam. Daar ligt in afgesloten majesteit, ongenaakbaar voor 
den oningewijde, een burcht, waar ridders en edel vrouwen 
van vlekkelooze reinheid een kleinood bewaken, den Graal, 
hun toevertrouwd door den hemel. Parzival, de vader van 
den Ridder, is koning in dien burcht, de Ridder zelf, Lohen- 
grin geheeten, is gezonden door den Graal. 

De Zwaanriddersage, zooals ze zich in het hertogdom Bra- 
bant ontwikkelde, weet van al die Wagnersche tooneelen niets 
af, zelfs niet in een vorm, die tot de voorstelling, zooals 
Wagner ze geeft, had kunnen leiden. Geen Graal, die een 
ridder uitzendt; geen zwaan, die een bootje voorttrekt; geen 
Lohengrin, die als helper in den hoogsten nood optreedt; 
geen Elza, beschuldigd van broedermoord; geen rijksdag te 
Antwerpen of waar ook; geen verbod naar iets te vragen; 
geen verd wij nen van den Ridder naar eene onbekende sprook- 
jesachtige wereld; zelfis de namen, voorkomende in Wagner's 
meesterwerk, zijn onbekend aan de Brabantsche traditie : geen 
Lohengrin en geen Elza, geen Telramund en geen Ortrud, geen 
keizer of koning Hendrik; kortom geen enkel motief van 
Wagner's geniale kunstschepping vindt men terug in de tra- 
ditie, zooals ze in Brabant tot-ontwikkeling kwam, ja, men 



De Brabantsclie Zwaanridder. 



ZOU bezwaar kunnen maken tegen de benaming van Bra- 
bantschen Zwaanridder, ware het niet, dat de Brabantsche 
traditie een bepaald stadium of veeleer een bepaalden tak 
vertoonde aan het groote veeltakkige sagencomplex van den 
Ridder met den mysterieusen zwaan. 

Want de sage van den Brabantschen Zwaanridder is het 
verhaal van Brabon Silvius, een vorstenzoon van Pan- 
nonische en Sycambrische afkomst, een boezemvriend van 
Julius Gesar, den bekenden Romeinschen veldheer. 



I. 

In het jaar 70 voor Christus regeerde er over Brabant, dat 
toen nog niet Brabant genoemd werd en veel uitgestrekter 
was dan thans, een vorst, Karel geheeten, die te Nijmegen 
woonde en daarom als Karel van Nijmegen bekend was. Deze 
Earel bezat een zoon, die eveneens den naam Karel had. De 
jonge Karel had eene onweerstaanbare neiging voor vrouwen 
en meisjes en vergreep zich herhaaldelijk zoowel aan gehuw- 
den als aan ongehuwden, zoodat zijn vader hem ten slotte 
uit het land verbande. Hij zwierf nu door verschillende landen 
en kwam eindelijk in Griekenland bij den hertog van Arkadië, 
die de vader was van Julius Gesar, den beroemden aanvoerder 
der Romeinen. 

Julius Gesar bevond zich toentertijde niet in Arkadië. Hy 
was met zijn boezemvriend Brabon Silvius uitgetogen, om op 
last der Romeinen de landen ten Noorden der Alpen te ver- 
overen. En zoo was Karel van Nijmegen een aangename gast 
voor den vader van Julius Gesar. Maar spoedig was hij een 
nog aangenamer gast voor Swana, de dochter van den hertog 
en eenige zuster van Julius Gesar, zoodat die beiden niet meer 
zonder elkaar konden. En het duurde niet lang, toen 'ginc 
die edele vrouwe, die bloeme jonge, groot met kinde', zooals 



Tm BfftbftJiiiKbé 



Uf^nfm van M^?rchteiïeii, een lijmkronist van 1414, zich aitr 
drukt Karel rJeerl onder deze omstandigheden aan Swana het 
yf}^)rHU3\^ met hem mee te vluchten naar zgn vaderland, waar 
hij zich dan mf5t zijn vader wilde verzoenen; hij zwoer haar, 
dat hij haar hU*Mh zou beschouwen als zijne wettige vrouw. 

Op hunnen tocht kwamen zij in het land tusschen Schelde 
en MaaMf en niet ver van Leuven, op een plek ^De zeven 
Tornrnen' geheet^m, bracht Swana een zoon ter wereld, die 
don naam Octavianus ontving en naderhand de beroemde 
kelz(5r Wfjrd, onder wiens regeering God de Heer menschelijke 
Kodoanto zou aannemen. Karel vernam, dat zijn vader ge- 
Htorven wan, zoodat hij nu heer van het land werd. Hij wik- 
l(ol(lo zich in oorlogon en sneuvelde kort daarop. Swana, die 
haar tiian nog een dochter, naar haar Swana genoemd, ge- 
Mclionkon had — volgens een later bericht waren het twee 
d()ohi(ïrH en heette de tweede Octaviana —, zonderde zich 
daarop Kohcuü en al van do wereld af en leefde voortaan in 
hot kastool to N^megen, zich geheel aan de opvoeding van 
Imrn kinderen wadende. 

JullUH Cosar, do broeder van Swana, was intusschen zege- 
vtorond door Duitschland en Frankr^k getrokken, had zijn 
boosnonivrtond Brabon Silvius tot koning van Agrippina, d. i. 
Kouion, on van Thuringon verheven en bevond zich nu met 
»yu logor to Roulogno aan de Noordkust van Frankrijk, om 
van {\mt uit Kngeland voor de Romeinen te veroveren. Hij 
wtu^ in oono mismoedige stemming. Reeds tweemaal hadden 
hom do Hritton U^ruggeworpen. Qeen wonder, want hy had 
Urubon Silvius^ die hem andei^s trouw ter zqde stond, niet 
by Kiolu liy aond dus do drie (twee) aanzienlqkste ridders, 
vUo »ioh in »yn legor bevonden, naar Keulen, om Brabon te 
v'^nuvkon^ hom do Biitten te helpen overwinnen* Brabon geeft 
Ki^hiH>r ^n do uitiuxMJiging* Z\]n weg leidt door eene moeras- 
vsi)i^ vlnkU^ \n do nabljhoid dor Schelde* Als Brabon over de 
rivitxr wil^ w^r^^huwt hem eexi der dienaren, dat bq den 
vA^M'^ii^ in ^^tt kast^N^i ec^n reus woont, die niemand over 



De Brabantsche Zwaanridder. 



de Schelde laat gaan, tenzij men zijn rechterhand tot pand 
geeft of om zijn leven strijdt. Toen Brabon nu bij de plek 
aankwam, waar hij de Schelde over moest, en hij zijn rechter- 
hand niet wilde geven, riepen de knechten van den reus 
hunnen meester ten strijde. Als deze voor den dag komt, 
zegt hij, dat hij nog juist een aantal handen gebruiken kan. 
De makkers van Brabon stellen voor, den reus gemeenschap- 
pelijk aan te vallen, maar Brabon verkiest den strijd alleen. 
Met eenige gelukkige slagen werpt hij den geweldenaar neer, 
hakt hem nu zelf de hand af en slingert die hand midden 
in de Schelde. De knechten van den reus moeten zich over- 
geven. — Na dit avontuur trekt Brabon naar Gesar, waarop 
deze Engeland op nieuw aanvalt en het met behulp van 
Brabon verovert. 

Toen Gesar weer naar het vaste land teruggekeerd was, 
bezocht hij met Brabon de plek, waar de reus gedood was, 
en noemde ze Handwerpen. Hij liet er een kasteel bouwen, 
dat hij aan Brabon Silvius toevertrouwde. Daarop nam Gesar 
rust te Kamerijk, tegenwoordig een stad aan de Schelde, toen- 
maals een wildernis, waar hij eerst roevers uit te roeien had. 

En thans eerst krijgen we een verhaal, dat aan den Zwaan- 
ridder herinnert. 

Op zekeren dag gaat Brabon van Kamerijk uit spelevaren 
en komt daarbij in een dal, dat vol zwanen is en daarom 
Zwanendal, in het Fransch Valenciennes, d. i. Val aux Gygnes, 
heette. Hij kiest er een uit, dien hij schieten en Gesar ten 
geschenke wil geven. Maar de zwaan ontsnapt hem en Brabon, 
die het dier hebben wil, vervolgt het door de verschillendste 
rivieren en beken tot voor het kasteel van Nijmegen. Daar 
hij ook thans nog niet van de jacht aflaat, opent de edel- 
vrouw, die daar woonde — het was Swana, de weduwe van 
den jongen Karel van Nijmegen — het venster en spreekt 
Brabon aldus aan: ^Ridder, ik smeek u, dat gij den zwaan, 
dien gij vervolgt, met rust laat, ter wille van mij.' Brabon 
voldoet oogenblikkelijk aan het verlangen der dame, waarop 



De firabantsohe Zwaanridder. 



deze hem uitnoodigt, binnen te komen. Swana ontvangt hem 
hartelijk en vraagt, van waar hij komt en in wiens dienst 
hij is. Brabon antwoordt, dat hij in den dienst van Julius 
Cesar staat. Bij deze woorden verzoekt Swana hem, haren 
groet aan Cesar over te brengen en hem een kistje van ivoor, 
waarin een zilveren beeldje is, te overhandigen, dat vroeger 
aan de moeder van Julius Cesar behoorde; zag Cesar dit 
beeldje, dan wist hij wel, wie zij was. Als Brabon nu na 
eenige andere wederwaardigheden bij Cesar terugkeert en 
mededeeling gedaan heeft van wat hij onderweg beleefde, 
geeft hij het kistje aan Cesar, die aan het zilveren beeldje 
dadelijk zijne zuster herkent en zich nu ten spoedigste door 
Brabon naar Nijmegen laat leiden. Swana ontvangt hem met 
groote vreugde. Cesar belooft voor haar en hare kinderen te 
zullen zorgen. Zijn neef Octavianus, zoon van Karel van Nij- 
megen en van Swana, verhief hij tot den grootsten vorst, die 
ooit geregeerd heeft, want hij maakte hem tot keizer der 
Romeinen ; Swana, de dochter, gaf hij aan Brabon ten huwe- 
lijk, daar hij hem wenschte te beloonen boven alle stervelin- 
gen. Buitendien maakte hij Brabon ook tot koning over het 
gebied tot aan de Schelde en beval, dat het land naar Brabon 
Brabant zou heeten. Het kasteel te Nijmegen liet Cesar ge- 
heel verbouwen, zoodat het voortaan niet meer Megen maar 
Nieuw-Megen, d. i. Nijmegen, heette. Toen Cesar eenigen tijd 
later naar Italië trok, nam hij den jongen Octavianus mee en 
ook Brabon, want deze moest hem helpen tegen Pompejus. — 
In dezen oorlog werd Brabon vermoord door de drie mannen, 
die hem eens in naam van Cesar waren komen halen, om 
Engeland te helpen veroveren. Het waren Cassius, Brutusen 
Eclypeus, dezelfden, die later ook Cesar van het leven zouden 
berooven. — Na Brabon's dood werd de jonge Swana moeder 
van een zoon, die den naam Karel ontving naar zijn groot- 
vader. Van dezen stamt het geslacht der hertogen van Brabant. 
Zoo ongeveer — ik heb verscheidene dingen, die voor ons 
thema niet direkt noodzakelijk zijn, weggelaten — verhaalde 



De Brabantsche Zwaanridder. 



men omstreeks 1825 in Brabant de geschiedenis van den 
Zwaanridder, in verband met de afkomst der hertogen en met 
den oorsprong van den naam Brabant. In dit verhaal is niets, 
zooals men ziet, dat aan Wagner's Lohengrin herinnert. En 
in de plaats van een bovennatuurlijken Zwaanridder, uitge- 
zonden door den Graal, vinden we in Brabon Silvius een 
Romeinsch veldoverste van Griekschen oorsprong, die opeen 
zwanenjacht toevallig naar Nijmegen komt. 

Wil men weten, hoe die traditie is ontstaan, en welke 
plaats ze inneemt onder de andere sagen van den Zwaan- 
ridder, dan dient eerst de vraag te worden beantwoord, hoe 
men er toe gekomen mag zijn, de hertogen te beschouwen 
als nakomelingen van den Zwaanridder. 



IL 

De sage van Brabon Silvius verlegt de gebeurtenissen in 
de eerste eeuw voor Christus. Uit deze tijdsbepaling zou men 
allicht de gevolgtrekking maken, dat de legendarische oor- 
sprong der hertogen in het verre verleden is te zoeken, al 
is het ook niet in den voorchristelijken tijd, dan tochineene 
periode, waarin geen methodisch onderzoek thans meer kan 
doordringen. Maar hoe verlokkend zulk eene conclusie ook 
moge wezen, er zijn een aantal omstandigheden, die er op 
wijzen, dat de afkomst der hertogen van een Zwaanridder 
omstreeks 1325 nog tamelijk recent was. We kunnen op 
genealogische en andere gronden aantoonen, dat tot diep in 
de 12e eeuw de graven van Leuven, die sedert 1106 hertogen 
van Neder-Lotharingen waren, of, zooals ze langzamerhand 
sedert het midden der 12e eeuw heeten, de hertogen van 
Brabant, geen Zwaanridder van welk soort ook tot hun voor- 
vader rekenden, en ook anderen hen niet van die afkomst 
beschouwden. In de 13® eeuw echter gelden ze als zoodanig. 
En in dien tusschentijd heefb er zich slechts eene gebeurtenis 



8 De Brabantsche Zwaanridder. 

voorgedaan, die de hertogen tot nakomelingen van een Zwaan- 
ridder kon maken: in 1179 huwt Hendrik I van Brabant, 
sedert 1190 hertog, de jonge Mathilde van Boulogne, in wier 
huis de Zwaanridder in dien tijd als voorvader werd be- 
schouwd. De kinderen uit dit huwelijk konden dus terecht 
nakomelingen van den Zwaanridder genoemd worden, even 
als de hertogen van Brabant en andere geslachten zich van 
het bloed van Karel den Grootèn en van Troja noemden en 
dit niet anders konden doen dan door de vrouwelijke lijn. 
Dus ten eerste kon er vóór het einde der 12e eeuw geen 
sprake zijn van een afkomst van den Zwaanridder in het 
Brabantsche huis en ten tweede kan men zich in Brabant 
den oorsprong aanvankelijk niet als autochthoon gedacht heb- 
ben, d. w. z. dat de Zwaanridder in het bijzonder voor de 
hertogelijke familie zou zijn verschenen en een huwelijk zou 
hebben gesloten met een Brabantsche vorstin, ofschoon zulks 
volgens de Brabonsage wel het geval zou zijn geweest. 

Nu bestond er in de 12« eeuw van den Zwaanridder geen 
andere traditie, dan die, die hem tot een grootvader maakt 
van Godfried van Bouillon en zijne beide broeders, Boudewijn 
en Eustachius van Boulogne, wier namen ten nauwste met 
den eersten kruistocht van 1096 en volgende jaren verbonden 
zijn. En het is zeer natuurlijk, dat er in de 12^ eeuw geen andere 
traditie van den Zwaanridder in omloop was. De legende toch is, 
zoover ik heb kunnen nagaan, feitelijk niets anders dan eene 
transformatie der wederwaardigheden van een Normandisch edel- 
man, den grootvader van de vrouw van een der genoemde Bou- 
lognische broeders, eene transformatie, die ten tijde van den 
eersten kruistocht plaats had en omstreeks 1150 in een vrij uit- 
voerig Fransch gedicht behandeld werd, om dan kort daarop met 
het sprookje vati de zeven Zwaankinderen te worden verbon- 
den, dat daarbij de rol van voorgeschiedenis vervulde*). De 



1) Z. over deze ponten Schr. in Zeitschrift f.romanische PhilologiefDLXXW, 
p. 1-44. 



De Brabantsche Zwaanridder. 9 

hertogen van Brabant kunnen dus in den eersten tijd ten 
opzichte van de voornaamste trekken geene andere voorstel- 
ling van den Zwaanridder gehad hebben, dan gelijk ze in de 
Fransche bewerkingen gegeven werd. En volgens deze was 
de Ridder een van de zeven kinderen, die met een gouden 
of zilveren kettinkje aan den hals geboren werden, en in 
zwanengestalte moesten leven, toen men hen van hunne 
kettinkjes beroofde; een van de kinderen kon later niet meer 
in zijne menschelijke gedaante terugkeeren, daar een goud- 
smid zijn kettinkje beschadigd of omgesmolten had; deze zwaan 
bracht den Zwaanridder, zijn oudsten broeder, in een bootje naar 
Nijmegen en voer daarop weg ; de door den zwaan gebrachte rid- 
der trad in tegenwoordigheid van keizer Otto als strijder op voor 
de hertogin van Bouillon en hare dochter tegen den machtigen 
hertog van Sachsen, die hun land in bezit had genomen; de 
Zwaanridder nam de dochter tot vrouw, moest echter na zeven 
jaar wegtrekken met den zwaan, toen zijne vrouw hem naar 
naam en herkomst vroeg, hetgeen haar verboden was; uit 
het huwelijk was een dochter gesproten, Ida geheeten, die de 
gemalin werd van graaf Eustachius van Boulogne en moeder 
van Godfried van Bouillon en zijne broeders. Mathilde van 
Boulogne, de gemalin van Hendrik I van Brabant, was dus 
volgens deze overlevering een echte nakomeling van den Rid- 
der, die een tijdlang een zwaan was en later, door een zwaan 
naar Nijmegen gebracht, de hertogin van Bouillon met hare 
dochter van hunnen tegenstander bevrijdde. 

Dat de hertogen van Brabant zich zelf als nakomelingen 
van den Zwaanridder beschouwden, daarvan is ons, zoover 
ik weet, geen enkel uitdrukkelijk getuigenis uit hun eigen 
mond en van hunne hand bewaard gebleven, en ook van 
een lid der hertogelijke familie is geen woord of daad 
opgeteekend, waaruit zou kunnen blijken, dat het zich van 
die afkomst noemde. Geen zwaan in het wapen of op een 
gedenkteeken, geen tournooi, waarin de afstamming symbo- 
lisch werd voorgesteld, geen opdracht aan een schrijver om 



10 De Brabantsche Zwaanridder. 

het hertogelijk huis naar waarheid omtrent den oorsprong in 
te lichten, gelijk men dit bij andere families in Engeland of 
Duitschland aantreft. Maar van groote beteekenis zijn de 
woorden van Maerlant, wanneer deze omstreeks 1286 in zijnen 
Historischen Spiegel verklaart, dat er geen vrouw of man 
ooit van te voren een zwaan geweest is, waarvan Godfried 
van Bouillon afstamde, al is het ook dat de hertogen 
van Brabant zich beroemen, dat ze van den 
zwaan zijn gekomen*). Deze woorden zijn daarom van 
beteekenis, omdat ze bewijzen, dat de Boulognesche voorstel- 
ling van den Zwaanridder in de 13e eeuw inderdaad in Bra- 
bant heerschte. En zeker tot 1820 was er in het hertogdom 
geen andere voorstelling van den Zwaanridder opgekomen en 
doorgedrongen. Nog 1322 zegt Jan Boendale in zijne Korte 
Kroniek, uitdrukkelijker zelfs dan in zijne Yeesten omstreeks 
1316, naar aanleiding van de afstamming der hertogen van 
Brabant, dat het nooit gehoord was, dat een zwaan mensch 
kon worden; die zoo lezen bederven het volk. 

We leeren uit het ontstaan der afkomst bij de Brabantsche 
hertogen, dat de traditie van Brabon Silvius met de zwanen- 
jacht een voortbrengsel is, dat eerst ontstond, nadat reeds 
meer dan een eeuw eene andere opvatting van den Zwaan- 
ridderoorsprong der hertogen had bestaan. We kunnen deze 
opvatting de Boulognesche periode der afkomst der her- 
togen van den Zwaanridder noemen. 



III. 
We bezitten gegevens, die het mogelijk maken, den tijd, 



1) Woordelik aangehaald T. & L. VIII, 29*2 in *Iels over de zwaanridder*, 
waarin ik een overzicht gaf van de onderzoekingen van Blote over de zwaanrid- 
der, zover als ze toen (1898) waren gevorderd. [T.j 



De Brabantscbe Zwaanridder. 11 

waarin de traditie van Brabon Silvius opkwam, vrij nauw- 
keurig te bepalen. 

Jan Boendale, de rijmkronist der Brabantscbe Yeesten, sluit 
zich zoowel 1316 als 1322 voor de oudere vorsten en voor- 
gangers der hertogen van Brabant geheel en al aan bij Maer- 
lant en die kronieken, die hun stofuitSigebertvanGembloux 
(t 1112) ontleenen, begint dus bij Troja, laat de koningen der 
Franken daarvan afstammen en de hertogen van Brabant van 
dezen. Had Boendale bij de uitwerking zijner beide kronieken 
geweten, dat men de hertogen niemand minder dan keizer 
Octavianus en Julius Gesar tot voorvaders gaf, dan had hij, 
die zooveel woorden zegt over den Zwaanridder als voorvader, 
die zich beklaagt over de lieden, welke de afkomst van een 
Zwaanridder uitpeinzen, zich moeten uitlaten over Brabon, 
dien de sage als eersten hertog van Brabant en als bloedver- 
want van de beide Romeinen opstelde. En hier acht ik vooral 
de kroniek van 1322 van beteekenis. Juist Boendale, die door 
zijn groot werk, de Yeesten, sedert eenige jaren de aandacht 
op zich gevestigd had, die door dat groote werk meer dan een 
ander op ieder bericht acht moest geven, dat het zijne weer- 
sprak, had over Brabon niet kunnen zwijgen, had hij er van 
gehoord. De sage bestond dus 1322 nog niet, of was in dat 
jaar nog zoo recent, dat Boendale er evenmin iets van ver- 
nam, als Maeriant er van had kunnen vernemen, die in zijn 
Spiegel toch breedvoerig bericht levert over Octavianus en 
Gesar, zonder Brabon te vermelden, den naasten bloedverwant 
dezer personen der oudheid. 

Na 1320 is de sage van Brabon Silvius opgekomen en nog 
voor het jaar 1355, het sterfjaar van hertog Jan III, is ze 
minstens viermaal geboekt geworden. Reeds vóór 1330 bestond 
ze in haar geheel. 

Tot den termijn 1330 komen we door een ander werk van 
Boendale. In zijn Leekenspiegel breekt voor de eerste maal 
een motief door, dat we steeds met de sage van Brabon Sil- 
vius verboilden vinden. In het derde boek, ontstaan in 1329 



12 De Brabantsche Zwaanridder. 

of 1380, dus circa 8 jaar na de Korte Kroniek van 1322, be- 
handelt hij in cap. 15 de vraag, hoe dichters zullen dichten 
en wat ze zullen behandelen. Weer maakt hij zich druk over 
de leugenaars, thans over zulke, die Karel den Groeten en 
keizer Octavianus en anderen braven lieden dingen toeschrij- 
ven, die hun nooit overkomen zijn. Zoo vertellen ze ons, zegt 
Boendale, dat keizer Octavianus bij Leuven werd geboren, op 
de plaats 'De Zeven Tommen' geheeten. De moeder van Octa- 
vianus was de zuster van Julius Gesar, geboortig uit Rome: 
wat had die vrouw van noode, dat ze 400 mylen van die 
stad midden op de heide in koude en wiüd ging bevallen van 
een kind? Hopelijk oogsten zij, die zulke dingen uitdenken, 
slechts ondank er voor. Het is waar, dat zij, die zulks ver- 
zinnen, den hoorders iets nieuws brengen, omdat deze het 
gaarne hooren ; en allicht hebben ze er winst bij of maken 
hun naam bekend. 

Uit Boendale's vraag, hoe de moeder van Octavianus er 
toe kwam, zoo ver van huis van haar zoon te bevallen, zien 
we, dat in 1330 het verhaal van de geboorte van Octavianus 
bij Leuven voor Boendale iets nieuws was. Zijn vraag bewijst, 
dat hij den samenhang met Karel van Nijmegen niet kent, 
waardoor de vlucht als iets noodzakelijks verschijnt. Het is 
hem verder onbekend, dat ook in de Brabonsage de moeder 
van Octavianus de zuster van Julius Gesar was. Hij heeft de 
sage klaarblijkelijk niet zelf gelezen, maar slechts daarvan 
gehoord. 

Ik zal er hier niet verder over uitweiden, dat de man, die 
het Octavianusmotief uitdacht, ook de vervaardiger is van een 
reeks van andere motieven der Brabonsage: Brabon Silvius 
als metgezel van Gesar; de beide Karels van Nijmegen, vader 
en zoon ; het verblijf van den jongen Karel bij Gesar's vader 
in Griekenland; zijne vlucht met Swana, Gesar's zuster; de 
geboorte van den lateren keizer Octavianus bij Leuven; de 
afzondering van Swana met hare kinderen na den dood van 
haren man; het ingrijpen van Gesar in de aangelegenheden 



De Brabantscbe Zwaanridder. 13 



van het land; het huwelijk van Brabon met de jonge Swana; 
Brabon als vorst in het gebied tusschen Schelde en Maas of 
Rijn; zijn gewelddadigen dood. En wat ons het naast aangaat, 
ook van de zwanenjacht. 



IV. 

Het is niet moeilijk de krachten aan te wijzen, die in Bra- 
bant eene sage als die van Brabon Silvius moesten voortbrengen. 

De tijd, die de Brabonlegende te voorschijn riep, heeft zijn 
diepe sporen in deze sage achtergelaten. De Brabonlegende en 
de bijval, dien ze vond, getuigt van een omgeving, waarin 
labelen groot geloof vonden, mits slechts hun inhoud binnen 
de grenzen van het algemeen mogelijke besloten bleef. Het 
bovennatuurlijke, dat niet door erkende autoriteiten, zooals 
de Schrift, de Kerkvaders, Vincentius van Beauvais en soort- 
gelijke mannen van gezag bekrachtigd was, werd boudweg 
geloochend of met een naïef rationalisme zoo vervormd, dat 
een gewoon menschenverstand er geen aanstoot aan kon 
nemen. Houdt men de strenge eischen van een Maerlant en 
een Boendale, die van den geschiedschrijver waarheid ver- 
langden, naast de methode van de door Boendale gegispte 
schrijvers, die steeds iets nieuws wilden brengen en zonder 
schroom geschiedenissen van eigen vindsel ineen vlochten, 
zoo ziet men, hoezeer zulke waarschuwende stemmen noodig 
waren, maar ook, hoe weinig zulke stemmen feitelijk iets 
vermochten. Want er werkte eene geestelijke strooming, die 
reeds sedert eeuwen haar invloed had doen gelden, waaraan 
Maerlant en Boendale zich zelf ter nauwer nood konden ont- 
trekken. Het was de strooming, die de Frankische konings- 
sagen had te voorschijn doen komen, die zoo menige schoone 
kloosterlegende schiep, zoo menige stad aan de verklaring van 
haar oorsprong hielp, en het begin van vorstelijke families 



14 De Brabantsche Zwaanridder. 



in de verre oudheid verlegde. De tijd had een behoefte, een 
werkelijk feit of eene denkbeeldige gebeurtenis op te smukken, 
te verbinden met groote namen, te motiveeren, af te ronden, 
opdat het feit helder en zoo onbetwijfelbaar mogelijk mocht 
zijn en den luister zou verkondigen van land, van stad, van 
klooster, van vorst of wat het was. En dat alles niet op 
grond van nauwgezette studie in oude bewijsstukken; die 
waren niet voorhanden. De fantasie, door geen begrenzing 
gebonden, greep in, waar het gold het onweetbare te weten, 
de leemten in kennis aan te vullen of door nieuwe combina- 
ties de glorie te verkondigen van zaak of persoon. 

Deze zucht te verklaren, gapingen aan te vullen, personen 
te verhoogen, vond in de eerste helft der 14^ eeuw in Bra- 
bant een vruchtbaar objekt in de traditie van den oorsprong 
van het regeerend huis. Van oudsher stond het onwrikbaar 
vast, dat de hertogen van Trojaansche afkomst waren, niet 
rechtstreeks maar als afstammelingen van de koningen der 
Franken. Karleman, omstreeks 500 n. C. vorst in Brabant, 
van onbekende voorouders, had een kleindochter Begga, die 
de gemalin werd van Angisus, den zoon van den hlg. Arnulf, 
nakomeling der Merowingers. En van dit echtpaar kwamen 
de hertogen. Zoo leerden de kronieken der 13e eeuw, zoo 
leerden Maerlant en Boendale, zoo leerden in de 15^ eeuw 
Dynter en Thimo. Welke voorouders Karleman had, wist en 
weet men niet. Maar nog voor het midden der 14e eeuw, 
kort na het ontstaan der Brabonsage, gehoorzaamt een fantast,, 
die niet de vervaardiger der Brabonsage was, om een ver- 
moedelijk adulatorische reden, aan den drang van den tijd 
en schept eene nieuwe verbinding met Troja, die de hertogen 
ook zonder de Frankische koningen van Troja doet stammen 
en ze zoo met een dubbele keten aan Troja vasthecht. 

Maar nog eene andere kracht werkte voort in de periode, 
die ons bezig houdt. Overgenomen had men haar uit de grijze 
oudheid : de opvatting, dat de naam van een land of stad of 
volk steeds te verklaren zou zijn uit den naam van een 



De Brabantsche Zwaanridder. 15 



stamvader. Men zag er niet het minste in, uit den naam van 
het land den naam van een stichter vast te stellen. Zoo schiep 
men voor Tongeren een stamvader Turgontus, voor Trier, het 
'oppidum Trevirorum' der Romeinen, een Trebeta, stiefzoon 
van Semiramis; zoo kwamen de Franken van Francus, de 
Vriezen van Friso, de Turken van Turcus, de Hunnen van 
Hunnus; Gent stamde van Gayus, den voornaam van Cajus 
(Gajus) Julius Cesar, Cassel in België van Cassius, een bloed- 
verwant van Cesar, enz. enz. Het was eene opvatting, die 
haar hoogsten bloei bereikte omstreeks 1500 in Lemaire's 
'lUustrations de Gaule et Singularitez de Troye', waarin ieder 
volk van den rondtrekkenden Noach na den zondvloed een 
bij zon deren stamvader ontvangt, steeds met een naam, die 
aan het land herinnert. Wat wonder dus dat men tusschen 
1320 en 1330 een Brabon uitvond, naar wien Brabant zijn 
naam ontvangen had. 

In een tijd, waar deze en soortgelijke opvattingen iieersch- 
ten, opvattingen, die hunne bijzondere kracht ontleenden aan 
den nuchteren geest van den opkomenden burgerstand, kon 
de afkomst der hertogen van een bovennatuurlij ken Zwaan- 
ridder niet op dezelfde trap blijven staan : ook aan haar moest 
den een of anderen dag de rationalistische drang van den tijd 
zich doen gevoelen. 

Maerlant had (z. blz. 10) in 1286 in scherpe woorden de 
voorstelling gegispt, als of de hertogen ooit van een mensch 
konden zijn gekomen, die vroeger een zwaan was. Deze 
woorden vonden 1316 en 1322 een krachtigen weerklank bij 
Boendale. Maar zulke legendarische voorstellingen lieten zich 
door geen machtwoord van wien ook onderdrukken. Sedert 
de 13e eeuw bestond bij de hertogen en hunne omgeving de 
meening van deze afstamming. Daarbij kwam, dat in Duitsch- 
land sedert het begin der 13e eeuw de Zwaanridder als 
een hertog van Brabant werd voorgesteld. Wel had voor het 
conflikt tusschen traditie en gezond verstand Boendale in 
1816 de formule gevonden, dat de hertogen van Brabant dik- 



16 De Brabantsche Zwaanridder. 

wijls bedrogen waren geworden ten opzichte van hunne 
afkomst. Maar deze oplossing bevredigde een deel zijner tijd- 
genooten niet. Ze verlangden eene oplossing, waarbij de af- 
stamming bewaard bleef. En tusschen 1320 en 1830 vond een 
tijdgenoot van Boendale eene eigenaardige oplossing, rationa- 
listisch gelijk de tijd wilde, conservatief zooals verschillende 
Brabanders het begeerden, werkelijk scherpzinnig, zoo men 
tijd, doel en stof in aanmerking neemt. Niet van een mensch, 
die eens een zwaan was, stamden de hertogen, maar van 
een mensch, die zwaan heette. Slechts zoo kunnen we het 
ontstaan van den naam Swana verklaren, een naam, waar- 
voor zich nergens eene aansluiting vindt in de Brabantsche 
geschiedenis. Maar daarmede was het geheimzinnige der af- 
komst niet opgelost, want ten tijde van Boendale, zagen we, 
heerschte van den Zwaanridder in Brabant de voorstelling, 
die er in de Boulognesche 3age van gegeven werd. Dezelfde 
tydgenoQt van Boendale — want er is er slechts éen aan het 
woord geweest, we zien het o. a. aan de keus van Swana als 
vrouwelijk wezen, we moesten anders een mannelijk wezen 
verwachten — ging verder. Hij rationaliseerde de sage van 
den Zwaanridder, want we stoeten in de Brabonsage bijna bij 
iedere schrede op trekken, die alleen in de Fransche gedaante 
der sage hunne verklaring vinden. In de meest verbreide gestalte 
der sage gaat de Zwaanridder van Lillefort uit, dat ergens aan 
eene rivier in het Zuiden van Belgiö of Noord-Frankrqk te 
zoeken is. De vervormer houdt rekening met deze aanduiding 
van plaats, maar kiest voor het hypothetische en onvindbare 
Lillefort het oude Kamerijk, d. w. z. Brabon, want zoo noemt 
hij den man, dien hij tot Zwaanridder maakt, begint zijn 
vaart bij de eerste stad van beteekenis aan den loop der 
Schelde, en zoo wordt de zuidelijke grens van het gebied der 
hertogen van Brabant in het oog gehouden, dat zich eens 
volgens de sage tot Vermandois uitstrekte. Een zwaan, die 
in een bootje een ridder naar Nijmegen leidde, was onnatuur- 
lijk, en niet zonder geest maakte de bewerker er een zwaan 



De Brabantsche Zwaanridder. 17 

van, die door zijn voortdurend ontvluchten den vervolger 
prikkelt, hem niet met rust te laten tot voor Nijmegen: uit 
de vaart werd dus een jacht. Nijmegen werd als plaats der 
aankomst bewaard, ten deele omdat als eene werkelijk be- 
staande stad er geen verandering voor noodig was, ten deele 
wel omdat de stad, waarop de hertogen van tijd tot tijd hunne 
aanspraken lieten gelden, als bewijs opgevat kon worden, 
hoever ten tijde van Gesar het oorspronkelijk gebied der her- 
togen naai' het Noorden reikte, — zooals Kamerijk in het 
Zuiden — deels ook omdat Nijmegen reeds met Gesar ver- 
bonden voorkwam, gelijk we uit Maerlant vernemen. Zooals 
in de sage van Boulogne vindt de Ridder in Nijmegen eene 
weduwe, wier dochter hij huwt. Plaats voor een hertog van 
Saksen, die de weduwe van haar gebied berooven wil, en 
voor het tweegevecht van Brabon was er niet; het is echter 
mogelijk, dat de strijd met den reus als zoodanig is op te 
vatten, waarmee niet gezegd zal zijn, dat de reus van Ant- 
werpen en de geschiedenis met de hand van den vervaardiger 
der Brabonsage zou stammen. Van Gesar werd de stichting 
van verscheidene steden bericht, van Octavianus meende men 
in Brabant herinneringen te vinden, Brabon zou thans als de 
eerste hertog gelden : om den glans van het Brabantsche huis 
te verhoogen, verbond, men dezen Brabon met Gesar en Octa- 
vianus. En ten slotte verdwijnt Brabon, niet verdreven door 
een verboden vraag, niet meegevoerd door een zwaan, maar 
wegtrekkende met Gesar tegen Pompejus, om dan te worden 
vermoord door dezelfde samenzweerders, die kort daarna ook 
Gesar om het leven brachten! 

Welk een brillant resultaat! ledere bovennatuurlijke trek 
der afkomst omgezet in een parallelen trek, die, zoo we geen 
rekening houden met de historische overlevering, op zich zelf be- 
schouwd niets onmogelijks bevat! De afkomst der hertogen van 
den Zwaanridder bevestigd en de aanvallen van een Maerlant 
en een Boendale afgeslagen ! Aan de bestaande twijfelzucht een 
oplossing geboden in den geest van den tijd! Het hertogelijk 

T. EM L. XII. 2 



18 De firabantsche Zwaanridder. 

huis omstraald met den luister van een eigen Zwaanridder en 
van een bloedverwantschap, waaraan zich zelfs de Fransche 
koningen niet konden meten: keizer Octavianus gesproten 
uit het Brabantsche huis, onder hem de Heiland geboren, en 
Brabon Silvius gevallen door de hand der moordenaars van 
Cesarl 

Het is een van de vermetelste en willekeurigste grepen 
geweest in het bestaan der sage van den Zwaanridder, waar- 
tegen al de andere veranderingen, die de sage doormaakte, 
van betrekkelijk geringe beteekenis zijn. Wel mogelijk, dat 
in onzen tijd esthetisch aangelegde naturen of mannen, die 
in de strenge tucht van nauwgezet onderzoek hun geest ge- 
staald hebben, of anderen, die in het leven eener sage slechts 
natuurlijke ontwikkeling willen zien, bij zulk eene willekeurige 
daad voor een historisch doel bedenkelijk het hoofd schudden : in 
Brabant vond die daad bijval. Kort na 1330 nam een in het 
Latijn schrijvende historiograaf het verhaal over en verzon er 
eene geheele vorstenrij van Brabon tot op Karleman bij, waarvan 
allen vóór Karleman over Brabant zouden hebben geregeerd. 
En na dezen een tweede, eveneens het Latijn bezigende, die 
de rij completeerde van Adam tot Brabon, zoodat voortaan 
eene genealogie bestond van Adam tot op Jan IH, van vader 
op zoon, nergens eene gaping latende. Nog vóór 1355 be- 
proefde een erbarmelijk rijmelaar zijne krachten aan een be- 
werking van deze produkten in de volkstaal, ter eere van 
Godfried I, den eersten hertog van Neder-Lotharingen uit het 
huis Leuven, en droeg zijn werk op aan hertog Jan HL Of 
de uitvinder der Brabonsage door Jan Hl beloond werd, weten 
we niet; Boendale, zagen we boven, liet 2Jich 1330 schamper 
over hem uit. Zijn naam is niet bewaard gebleven. Maar wel 
mag het als zijn grootste triumf gelden, dat de 16© eeuw in 
'Jan de Klerk van Antwerpen' den auteur der Brabonsage 
zag: Jan de Klerk, Boendale, de ijveraar voor waarheid, in 
zijne werken opkomende voor het historisch gestaafde, moet 
een eeuw na zijn dood met zijn naam de verzinsels dekken 



De Brabantsche Zwaanridder. 19 

van zijn voor niets terugdeinzenden tijdgenoot, opdat ze als 
werkelijke geschiedenis tegen de op nieuw ontwaakte twijfel- 
zucht der 15« eeuw kunnen stand houden 1 



V. 

In de tijdruimte van 1350 tot 1500 heeft de Brabonsage, 
hoe herhaaldelijk ook overgenomen, geen noemenswaardige 
veranderingen doorgemaakt. Ze wordt afgeschreven, overgezet 
in de volkstaal, in rijm gebracht en zelfs eenmaal gedrukt in 
1497/98 in de 'Alderexcellenste Cronyke van Brabant*. Maar 
evenals de Boulognesche traditie het materiaal leverde voor 
de Brabonsage, om dan door deze te worden verdrongen, zoo 
ondergaat ook de Brabonsage op haar beurt kort na 1500 een 
vervormingsproces, en de lezing, die daaruit ontstaat, ver- 
dringt daarop harerzijds de traditie van de 14^ en 15© eeuw; 
want de hernieuwde Brabonsage, geschreven in het Fransch, 
vereenigd met een aantal andere vreemdsoortige afstammin- 
gen, gesteund door den stelligen toon en den naam van den 
auteur, vindt eene gemakkelijke verbreiding door den druk 
en geldt ten slotte tot op onzen tijd als de Brabonsage bij 
uitnemendheid. 

De ondernemer van die omwerking is Jean Lemaire. 
Hij versmelt de Brabantsche traditie met de sage van den 
Kleefschen Zwaanridder en noemt het resultaat van deze ver- 
smelting, waarbij de Brabonsage het hoofdbestanddeel blijft, 
^la vraye histoire du Gygne de Claves*, Lemaire was een Hene- 
gouwer van geboorte^ een tijdlang secretaris der uit de vader - 
landsche geschiedenis bekende aartshertogin Margaretha van 
Oostenrijk (van Savooie), en sedert 1507 geschiedschrijver van 
Anna van Bretagne, koningin van Frankrijk. 'La vraye histoire 
du Cygne de Cleves' is te lezen in zijn straks reeds (blz. 15) 



20 De Brabantsche Zwaanridder. 

genoemd uitvoerig werk ''lUustrations de Gaule ei SinguUtrüeB 
de Troye\ dat Lemaire met de beslist uitgesproken bedoeling 
schreef, eene juiste voorstelling te geven van het Trojaansche 
koningshuis en de dames van het Fransche hof aangenaam 
bezig te houden, en waarin hij o. m. aantoonen wil, dat bq na 
alle westelijke volkeren van Troja afstammen. Bij het zoeken 
naar Trojaansche afstammingen had de Brabonsage met de 
genealogieön, welke laatste hij overigens verwaarloost, groote 
waarde voor hem, want Brabon was van Trojaanschen oorsprong. 

Het verhaal van Lemaire vindt men naverteld in de sagen- 
collectie der gebroeders Grimm en in die van J. W. Wolf, 
bij de eersten als ^Earel Ynach, Salvius Brabon en vrouwe 
Zwaan', bij Wolf als ^Vrouwe Zwana'. 

Ik kan mij hier beperken tot hetgeen Lemaire verhaalt van 
de wijze, waarop Salvius Brabon — deze naam komt, zoover 
ik heb kunnen nasporen, het eerst bq Lemaire voor — de 
weduwe Swana ontdekte te Nijmegen of volgens den auteur 
te Megen aan de Maas. Gesar rust uit van zijne ondernemin- 
gen en bevindt zich met ben klein gevolg niet in Eamerijk, 
maar te Kleef. Salvius Brabon is de drager van het hoofd- 
vaandel in Cesars leger. Hij is niet, zooals bij Pseudo-Boen- 
dale, met Gesar opgegroeid, maar streed reeds onder Gesars 
vader. Salvius Brabon verkeert in een iet of wat sentimen- 
teele stemming: op eene wandeling vraagt hij de Goden om 
een weinig rust in zijn tot dusver avontuurlijk geleid leven. 
Zoo droomend komt hij aan den Rijn, waar hij een zwaan ont- 
waart, die met zijn snavel in een bootje hakt en hem schijnt uit 
te noodigen, in het bootje te stappen. Brabon voelt zich aange- 
trokken door het doen van den vogel. Hij stapt in en vaart den 
zwaan achterna, die als wegwyzer voorop zwemt. Van een jacht 
is dus hier geen sprake en evenmin daarvan, dat de zwaan het 
bootje trekt. De zwaan — een oude beschermeling van Swane, ^ 
die hem eens het leven redde — brengt Brabon tot voorden 
burcht van zij ne meesteres. Daar aangekomen vliegt de zwaan 
in de richting der woning van de hertogin. Brabon gelooft, 



De Brabantsche Zwaanridder. 21 

dat hij bedrogen is, en wil thans eerst op den zwaan schieten. 
Ook hier verzoekt Swane den ridder, den vogel met rust te 
laten, en noodigt zij Salvius Brabon uit, in het kasteel uit 
te rusten. Zij vertelt nu breedvoerig, wie zij is. Aan een 
Jupiterbeeldje zal Gesar haar herkennen. Brabon keert zonder 
verdere avonturen naar Kleef terug en bericht Gesar, wat hij 
beleefd heeft. Gesar trekt naar zijne zuster, geeft Salvius 
Brabon zijne nicht Swane tot vrouw en maakt hem tot hertog 
over het land van af Noorwegen tot aan Henegouwen, en 
van de Schelde tot aan de Gette, de grensrivier tusschen 
Brabant en Luik. Sedert heet het land Brabant. De zoon van 
de weduwe Swane is niet de latere keizer Octavianus: hij 
heet Octavius en wordt door Gesar verheven tot koning van 
Agrippina (Keulen). Keizer der Romeinen wordt een zoon van 
eene andere zuster van Gesar, want Gesar had twee zusters. 
Salvius Brabon werd in het jaar 46 v. G. door Brutus en 
Gassius vermoord, die ook Gesar doodden. Een ander Romeinsch 
ridder, öravius geheeten, de stichter van Grave, versloeg den 
reus te Antwerpen. 

De redactie van Lemaire verdrong de vroegere opvatting. 
De eigenaardigste wijzingen, die nu verder weer met de nieuwe 
redactie plaats hadden, maar geen bijval schijnen gevonden 
te hebben, vermoedelijk omdat ze in een werk voorkwamen, 
dat minder aantrekkelijken onzin bood dan de lUustrations 
van Lemaire, zijn van Marcus van Vaernewiick, ^ex- 
cellent Poet ende Historiographe Moderne', uit het midden 
der 16e eeuw. Salvius Brabon is volgens Vaernewiick de z o o n 
van Karel van Nijmegen en Gesars zuster, en . . . daardoor 
vervalt de geheele zwaanhistorie. 

De Zwaanriddertraditie heeft dus in Brabant drie perioden 
doorgemaakt. Eene Boulognesche gedurende de 13e eeuw 
en reikende tot circa 1325: de Zwaanridder was volgens dien 
tijd eerst een zwaan, en werd later in een bootje, getrokken 
door een zwaan, in het land gebracht. De tweede periode 



22 Do Brabantsohe Zwaanridder. 

• 

is die der Brabantsche Brabonsage: karakteristiek 
zijn de afwezigheid van bovennatuurlijke trekken, de invoe- 
ring der namen Swana en Brabon Silvius en de verandering 
van een trekkenden zwaan in een zwaan, waarop jacht wordt 
gemaakt; de Zwaanridder, gaat volgens deze opvatting van 
Kamerijk uit; ze gold van circa 1325 tot omstreeks 1500. De 
derde periode is die der Lemairesche Brabonsag'e: 
uitgangspunt van Brabon is Kleef, de jacht is weer een vaart 
geworden, de zwaan verschijnt echter niet als trekker van 
het bootje maar als wegwijzer; de Zwaanridder heet Salvius 
Brabon. 



VI. 

Ik wees er in den aanvang op, dat de voorstelling, die 
Wagner van de sage geeft, geheel en al afwijkt van de tra- 
ditie, gelijk ze zich van een bijzonderen Zwaanridder in Bra- 
bant gevormd had. Wel biedt Wagner's Lohengrin eenige 
overeenkomst met de traditie in de eerste, in de Boulognesche 
periode: de Ridder wordt door een zwaan gebracht, overwint 
in een tweegevecht en wordt verdreven door een verboden 
vraag. Maar de Boulognesche traditie wist niet van een Graal, 
wist niet, dat er maar éene vrouw in nood verkeerde, wist 
niet, dat de Ridder te Antwerpen aankwam en dat hij de 
gemaal van eene hertogin van Brabant werd; ze wist van 
geen doodgewaanden broeder en de Wagnersche namen zijn 
haar vreemd. 

Wagner ontleende zijn stof in hoofdzaak aan een Duitsch 
verhalend gedicht van omstreeks 1290. Hij, de man van den 
nieuwen tijd, heeft met het oog op zijn bepaald doel de motieven 
versterkt en de handeling van vele jaren samengetrokken op 
twee dagen, alles met het talent van den echten dichter. 
Nieuw is bij Wagner de beschuldiging van broedermoord 



De Brabantsche Zwaanridder. 23 

tegen de hertogin Elza : geen enkele redactie van den Zwaan- 
ridder kent een broeder van de gemalin van den Ridder. Uit 
het gedicht van 1290 putte Wagner de namen Lohengrin, 
Elza, Frederik van Telramund; in dit gedicht vond hij, dat 
de Graal Lohengrin, den zoon van den Graalkoning Parzival, 
uitzond naar Antwerpen, naar de hertogin van Brabant, en 
andere motieven. Dus het gedicht van 1290 was reeds in 
tegenspraak met de traditie, zooals ze in dien tijd in Brabant 
bestond. Maar deze karakteristieke afwijkingen van den Bou- 
logneschen sagenvorm had het gedicht van 1290 toch niet 
alle zelf ingevoerd. De gewichtigste bestonden reeds lang in 
Duitschland. De gevierde Zuid-Duitsche dichter van den Par- 
zival, Wolfram van Eschenbach, is de eerste geweest, die in 
het begin der 13^ eeuw verhaalde, dat de Zwaanridder Lohe- 
rangrin heette, dat de Graal hem uitzond, dat hij in Ant- 
werpen landde en de gemaal werd van de jonge hertogin van 
Brabant. Een beetje over het midden van zijn bijna 25000 
regels lang gedicht laat Wolfram een kluizenaar, die vroeger 
zelf Graalridder geweest is, de geheimen van den Graal aan 
Parzival mededeelen, en bij deze gelegenheid vernemen we 
eigenaardigheden, die tot nog toe alleen bij Wolfram en zijne 
navolgers gevonden worden. Onder andere ook deze : wanneer 
een Graal jonkvrouw naar een ander land trekt, zoo ge- 
schiedt dit in.het openbaar ; Graal ridders daarentegen wor* 
den door God op verborgen wijze naar een land zonder vorst 
geleid, om daar de regeering op zich te nemen, Parz. 494, 
7 vlgg. 495, 1/2. We kunnen aantoonen, dat Wolfram bij 
het aangeven van deze eigenschappen niet aan den Zwaan- 
ridder dacht *). Tegen het eind van het gedicht wordt nu in 
der daad eene Graalmaagd in het openbaar uitgehuwelijkt: 
de draagster van den Graal aan den halfbroer van Parzival. 
Voor den geheimzinnigen tocht van een Graalridder naar een 



1) Zie Schr. ia Zeitschrift f, deutsches Altertum u. deutsche Litteratur^ 
Dl. XLII, p. 26. 32. 



24 De Brabantsclie Zwaanridder. 

land zonder vorst kiest Wolfram daarop den zoon van Par- 
zival, dien hij van te voren reeds herhaaldelijk Loherangrin 
genoemd had. Het woord ^Ijoherangrin' schijnt niets anders te 
zijn dan 'Lotharinger Garin', d. w. z. eene Duitsche schrijfwijze 
van de uitspraak van ^Loheren Qarin\ dat de naam is van 
den held der Geste des Loherains^ een Fransch gedicht, waarin 
van een Zwaanridder en van een Graal niet gerept wordt. 
Wolfram neemt nu voor de vaart van Loherangrin de traditie 
van den Zwaanridder, maar gebruikt slechts die motieven, 
die hem voor den Graalridder het meest geschikt voorkomen. 
Het tweegevecht, dat het gedicht van 1290 weer invoerde, 
komt bij Wolfram, als onnoodig, niet voor : hij laat de jonge 
hertogin van Brabant, wier beide ouders gestorven z^n, door 
de groeten van haar land gedwongen worden, een gemaal te 
kiezen ; de hertogin legt alles in Gods hand, en dit is oorzaak, 
dat de Graal den Ridder zendt, om het land als gemaal der 
jonge hertogin te besturen. Wie met de overlevering zulke 
veranderingen voorneemt, voor dien is het gemakkelijk ook 
Brabant voor Bouillon in te voeren. Het komt mij voor, dat 
Wolfram door eene bepaalde gebeurtenis tot Brabant is gekomen. 
Het einde van den Parzival valt namelijk in 1207 of later. In 
dit jaar nu haalde de jonge erf hertog van Brabant, de zoon van 
Mathilde van Boulogne, in Gelnhausen, niet ver van Frank- 
fort a. d. M., zijne bruid, de dochter van Filips van Zwaben, 
af. Bij de feesten, die plaats vonden, mag bij het prijzen van 
den bruidegom de dichter of een ander vernomen hebben, dat 
de jonge erfhertog niet alleen van Karel den Groeten en 
Troja afstamde, maar ook van den Ridder met den Zwaan. 
Wolfram heeft dan, zonder den samenhang te kennen, de 
afkomst ook op de voorafgaande hertogen overgedragen. De 
dichter legt overigens de verschijning van den Graalridder in 
een vaag verleden: Parzival en zijn zoon Loherangrin zijn 
tijdgenooten van koning Artus. — Door Brabant en door de 
jonge hertogin, die te midden van hare groeten haren gemaal 
van den Graal ontving, verviel Nijmegen als plaats van aan- 



De Brabantsche Zwaanridder. 25 

komst. Wolfram koos daarvoor Antwerpen, d. w. z. de voor- 
naamste stad aan de Schelde, waarover de hertogen van 
Brabant markgraven waren. — De dichter van 1290 heeftal 
die voorstellingen uitgebreid en nieuwe motieven er aan toe- 
gevoegd, maar Brabantsch waren deze niet, en vonden, zooals 
de Brabonsage toont, in Brabant wel nauwelijks ingang. — 
Dat Wagner dus afwijkt van de traditie, gelijk ze zich in 
Brabant ontwikkelde, ligt in den aard van het werk, dat hij 
als hoofdbron gebruikte. 

Naast Lohengrin, zooals deze uit de vergetelheid herrees en 
door den modernen genius gekleed werd in zeldzaam schoone 
klanken en rhythmen, naast Wagner's meesterwerk is de 
sage van Brabon Silvius eene overlevering, wier dagen geteld 
schijnen te zijn. Maar daarom is toch de berinnering aan 
Brabon Silvius in het land der oude hertogen nog niet uit- 
gedoofd. Voor het stadhuis te Antwerpen staat een fontein, 
opgericht in 1887, daarboven als dekoratieve figuur een jonge 
forsche man, in voorover gebogen houding, een breede hand 
willende wegslingeren. Waar door de afbeelding van dieeene 
daad van Brabon eene zwijgende hulde gebracht wordt aan 
de denkwijze der burgers van weleer, daar zijn de andere 
daden nog niet tot vergetelheid gedoemd. En wie weet? Al 
mag ook Brabon Silvius en alles, wat van hem verhaald wordt, 
tot een verouderd tijdvak der fantasie behooren, er is — 
Wagner 's Lohengrin bewijst het — slechts de tooverstaf van 
een kunstenaar toe noodig, om hem op te roepen tot een 
nieuw leven, waarin ook hij de geheele beschaafde menschheid 
door de macht van zijne persoonlijkheid aantrekt en door de 
genialiteit van zijn herschepper met de edelste gewaarwor- 
dingen vermag te bezielen. 

Tilburg. J. F. D. Blote. 



EEN JONGEN YAN JAN DE WITT. 



De vraag of men bij deze uitdrukking wel te denken heeft 
aan de Raadpensionaris, zal menigeen bevreemden. 

Wie zou er bedoeld kunnen zijn, zo niet Jan de Witt, de 
bekwame, scherpzinnige staatsman? Alleen reeds om wat hij 
deed voor de vloot, verdiende zijn naam spreek woordelik te 
worden. 

En toch is twijfel niet buitengesloten. 

Vooreerst is het opmerkelik, dat de uitdrukking „Jongen 
van Jan de Witt" niet in geschriften van de 17^ en 18^ 
of zelfs uit het begin van de 19e te vinden schijnt. 

Dr. F. A. Stoett schrijft in zijn Spreekwoorden^ Spreekwijzen^ 
Uitdrukkingen en Gezegden (blz. 265) : ,j Jongens van Jan de WiW\ 
d. i. ferme, flinke jongens, als een matroos tijdens het bestuur 
van den raadpensionaris Jan de Witt. Terecht merkt C. Bus- 
ken Huet in Het Land van Rembrand IP, 251 op: „„Hij 
(Jan de Witt) en de Zwijger zijn van alle personen, die in 
den ouden tijd over Nederland geregeerd hebben, het popu- 
lairst gebleven: Willem I bij het leger, hij bij de vloot. Met 
den Prins over de Maas geweest of een jongen van Jan de Witt 
te gljn^ geldt nog heden in de volkstaal voor de omschrijving 
van een beproefd karakter. Beter hollandsche soldaten of 
hoUandsche matrozen, wil men zeggen, zijn er niet."" 

Aan dr. Stoett waren blijkbaar geen oude bewijsplaatsen 
van de uitdrukking bekend. 



t 



Een jongen van Jan de Witt. 27 

Dr. G. J. Boekenoogen was zo vriendelik mij mee te delen 

dat „in het apparaat van het Wdb geen enkel oud citaat 

(van jongens van Jan de fVitt) te vinden is. „Dit is natuurlijk 
geen bewijs dat de uitdrukking niet oud is," vervolgt de heer 
B., „maar het feit dat de uitdrukking blijkbaar niet voorkomt 
bij WoliF en Deken, wier romans zeer nauwkeurig zijn ge- 
excerpeerd, en dat noch Harrebomee, noch Stoett een bewijs- 
plaats heeft, maakt het lang niet onwaarschijnlijk dat de 
uitdrukking niet oud is." 

Ook prof. dr. Kernkamp kwam de zegswijze „nooit tegen 
in stukken uit de 17de of de 18de eeuw." 

En dit pleit m. i. sterk tegen de mening dat we aan de 
Raadpensionaris te denken hebben. 

Bij de matrozen, dus voornamelik bij Hollanders en Zeeu- 
wen, zou de uitdrukking het eerst in zwang zijn geweest. 
Maar door hoUandse auteurs uit die tijd — zelfs door anti- 
Oranjelui — wordt-ie, voor zover men kan nagaan, niet gebezigd ! 

Er is meer dat doet twijfelen. Wat Busken Huet vermeldt 
van de Witt's populariteit, is fantasie, die juist in dat „jon- 
gens van Jan de Witt" z'n oorsprong vindt. 

„De Raadpensionaris was impopulair", schrijft mij prof. 
Kernkamp, „sterker nog, gehaat bij het volk". 

Dat de matrozen zich liever Jongens van Jan de Witt" 
zouden noemen dan jongens van Tromp of de Ruyter — het 
klinkt al biezonder onwaarschijnlik. 

En — legt ook dat van niet enig gewicht in de schaal? 

Wij verwachten dat op „een jongen van ", „een ma- 
troos van . . . .", „een dragonder van " de naam van een 

kapitein, een veldheer, een vlootvoogd volgt. Een jongen van 
van Speyk, een matroos van Piet Hein, een ruiter van de 
Prins, een jager van van Dam — dkt gaat. Maar een jongen 
van (de raiadpensionaris) de Witt klinkt bijna even vreemd 
als een jongen van Thorbecke of van Groen. 



28 £en jongen van Jan de Witt. 

Een jongen cds Jan de Witt zou een beter zin gegeven 
hebben *)• 

Maar dit daargelaten. 

Zou de uitdrukking soms dateren uit de Kezetijd? 

Hij komt, zoals we van dr. Boekenoogen vernamen, niet 
voor bij de volbloed patriottiese dames WolflF en Deken, die 
meer dan iemand van hun tijd uit de rijke volkstaal putten. 

Van nog later? 

Maar hoe kon onder Lodewijk of Napoleon, of nè. 't herstel 
van de onaf hankelikheid, deze zegswijze opduiken en populair 
worden ? 

Ik geloof dan ook niet dat de uitdrukking één of ander- 
halve eeuw na de moord op de Witt is ontstaan, maar dat-ie 
dateert van de éérste helft van de 17e eeuw en dus oorspron* 
kelik niets met de Raadpensionaris te maken heeft. 

Die mening berust op een plaats uit de Abenteuerliche Sim- 
plicissimus van Griromelshausen ^) (1669): „Also brachte ich 
meine Beute und Gefangene den andern Morgen glücklich in 
Soest, und bekam mehr Ehre und Ruhm von dieser Partey, 
als zuvor nimmer, jeder sagte : Disz gibt wieder einen jungen 
Joh. de Werd!^) Welches mich trefïlich kützelte" (u. s.w.). 

Dat Johan de Werd een spreekwoordelike vermaardheid 
bezat, is ook op te maken uit SimpUcissimus blz. 48 *). 

Hij was geboren in 't Gulikse, te Büttgen, westelik van Neuss, 
niet ver van onze grenzen, in 1592 of 1602. Van gemeen soldaat 
klom hij op tot veldmaarschalk (1634). Hij was een van de 
stoutste en gelukkigste keizerlike ruitergeneraals in de 30- 



1) Ik geloof niet dat uitdrukkingen als : een jongen van stavctst, een kerel van 
Jan KaJébaSy van Uk-me-veaifije dit betoog ontzenuwen. Op van volgt hier niet 
de naam van een bekend persoon maar de aanduiding van een type. 

2) In Neudrucke deutscher Litteraturwerke des XVI und XVIIJahrhunderts, 
n». 19—25. Halle, 1880, blz. 223. — Van de oorspr. druk blz. 290. 

3) Door my gecursiveerd. 

4) Van de Neudrucke. Daar heet hy Johann von Werd. Op blz. 279 weer 
Johann de Werd. 



Een jongen van Jan de Witt. 29 

jarige oorlog; en kreeg van Ferdinand III de titel van rijks- 
graaf, en een heerlikheid in Bohème *)• 

Nu komt het mij verre van onwaarschijnlik voor, dat 
Johann de Werd(t) in het Oosten van ons land in hoog aan- 
zien stond bij de Katholieken. 

Dat wij de uitdrukking niet in geschriften aantreflfen, laat 
zich dan wél verklaren: de schrijvers uit de laatste helft van 
de 17e en uit de 18e eeuw, voor verreweg 't grootste ge- 
deelte thuishorend in de westelike provincies, en bovendien 
Protestant, waren niet met de zegswijze vertrouwd. 

Dat „ein junger Johann de Werdt" kon worden vervormd 
tot ^een jongen van Jan de Witt" ligt voor de hand. Men 
lette op de overeenkomst tussen de namen, op het vooraf- 
gaande Jongen", ook op gelijke zinsrythmiek : 

„een jonge Johann de Werdt," „een jongen van Jan de Witt". 

In welke eeuw — gesteld dat mijn gissing juist is — de 
naam de Werdt door de Witt vervangen werd, is voorlopig 
niet uit te maken. 

Dat men nog lang heeft gezegd : de Werdt, zonder te weten 
wie werd bedoeld, zou niets biezonders zijn. Evenmin dat 
men later het niet meer begrepen de Werdt door de Witt 
vervangen ging: velen spraken van „praten als Brugman" 
(ook: als de bruggeman) zonder te weten wie Brugman was. 
En 't onbegrepen : Een kerel als Kas (of Kars) werd verbas- 
terd tot „een kerel als Cats"^). 

Toen men niet langer wist wie bedoeld werd met Jan de 
Werdt, stond aan de verbreiding (en verbastering) van de 
uitdrukking, ook onder Protestanten, niets in de weg. Maar 
velen in de 18^ eeuw zullen hebben vermoed of geweten. 



1) De monografieën over Johann de (of von) Werdt door Barthold (Berlin 1826) 
en Teicher (Augsburg 1876) stonden mij niet ten dienste. 

2) Stoett, t. a. p. 290. 



30 Een jongen van Jan de Witt. 

dat met de de Witt, wiens jongens tot voorbeeld werden 
gesteld, niel de Raadpensionaris gemeend kon zijn. 

Ik geef liet bier meegedeelde slecbts voor een gissing. Maar 
die gissing scbynt mij belangrijk genoeg om een ogenblik de 
aandacht te vragen van onze historici en taalkundigen. 

R. A. K. 

KLEINIGHEDEN. 
XVIII. 

ELODDERTJS. 

In Van Effen 's Spectator staat het verhaal vanThysbuurs 
os. De schoenmakers meesterknegt is geen dronkaard, wel 
drinkt hij nu en dan bier, maar zelden meer dan „een half 
pintje jenever op eene reis." Zaterdags gaat hij zich wat 
„verdiverteren", en „binnen of buiten de stad eens onder een 
kloddertje, dat tog 't beste koop is, en 't verste strekt," 
speelt hij een of ander kaartspelletje. Er wordt gevraagd wat 
of „een kloddertje" is. 

In Jan Los of den Bedroegen Oostindies Vaer, van Alewijn 
(1721) komt het volgende gesprek voor tussen Platte Jas en 
Claar *) : 

„Wel Claer waar blijft de wijn, 

En klodder, daar wij lens van zijn. 

Cl. 'k Heb een steekannetje besprooken 

Van 't laatste. 

PI. J. Heb je wel gerooken 

Of 't kooren goedje was? 

Uit deze plaats blijkt het best dat brandewijn, en hier wel 
„kooren-brandewijn" 'klodder' heette: „een kloddertje" is dus 
een glaasje brandewijn. 

De heer Molenaar haalt in de Navorscher '87, blz. 375, uit 
de Herstelde Uitgelezen Gedichten (blz. 243) dit woord in den 
vorm k lettertje, aan: 

Mijn vrek heeft noyt half so mildadig 
U op een klottertje genood. 
B. H. 

1) Blz. 13. 



Dr. SCHEPERS' BRAGI. 



BragL Eerste Boek^ door Dr. J. B. 
Schepers, üitgegeyen door S. L. 
van L o o y , Amsterdam, 1900, 
f 1.25. 



„Zonder liefde leefde nooit 'en lied''. 



INLEIDING. 

Wie in Dordrecht zo gelukkig is 's zomers eens een dag 
te kunnen uitbreken en zich niet voelt aangetrokken door 
het stijve Den Haag en het drukke Scheveningen, trekt naar 
de overzijde van het Hollands Diep, waar hij in korte tijd 
Brabant's heerlike dennenbossen kan bereiken. Het mooist 
zgn ze bij Oisterwijk, omdat daar het terrein enigsins golvend 
is en zware eiken, hier-en-daar, het altijd-ietwat-ijle loof der 
mastbomen aangenaam afwisselen; maar bovenal zijn ze mooi 
om de waterpartijen, om de vennen. Het ty pies- Hollandse 
rivier-gezicht, waaraan wij gewoon zijn, met z'n schepen en 
verre kerktorens en z'n dijken, waar rode daken boven uit 
steken — het schilderachtigst, wanneer gouden zonlicht valt 
op een fijne nevelsluier, die het verschiet verwazigt — geeft 
ons een eigenaardig genot van de vrije, losse, natuurliker 
vormen van het ven, dat zich nu eens spiegelend e ven. tus- 
sen de struiken door laat zien, dan weer zich wijd voor u 
uitstrekt, en dat door z'n bossige omgeving een geheel eigen 



32 Jacob Ëk. 



karakter krijgt^ sterk bekorend ons, die uit het lage, vlakke 
Holland komen. 

Wanneer ge u op het donkere, donzige mos aan de oever 
uitstrekt met de brede plompenbladeren en het ruisende riet 
vóór u, even terzijde, en het zware hout een schaduw op het 
water ziet werpen, die de oeverlijn uitwist, terwijl verderop 
het zand van de heide een helwitte zoom om het ven legt, 
en een enkele boomgroep, grijs staande tegen de blauwe hemel, 
de horizont aMuit, dan geeft dit alles, zonder weelderig te 
zijn, u heerlike sensaties van licht en kleur. Maar bovenal 
is het dominerende gevoel dat van te zijn in oorspronkelike 
natuur, die tot rust stemt. Deze stilte wordt door het licht- 
bewegende en fluisterend-ruisende riet vergroot en de indruk 
van rust versterkt. 

Is het wonder, dat zulk een streek doet terugdenken aan 
de tijden toen in ons héle land gans-ongecultieveerde natuur 
gevonden werd, toen die afschuwelike opeenhopingen van 
huizen, die men steden noemt, de bewoners noch niet van 
de natuur hadden vervreemd % maar toen zij integendeel 
met haar meeleefden, z5 innig, dat zij zich haar niet anders 
konden voorstellen dan denkend en voelend en dat zij de 
opgemerkte krachten en opeenvolgingen in haar leven, zich 
in hun sagen gingen denken als personen! 

Die terugblik bevolkte deze streken opnieuw, bracht weer 
te binnen de zorgen en moeiten van die oude bewoners, hun 
vreugde en geluk, maar herinnerde ook aan hun, aan 't ger- 
maanse Walhalla. En als vanzelf, omdat hiervan zo weinig 
bekend is, voerde dit terug tot het volk met een Walhalla, 
dat het meest nabij kwam aan dat van de oude bewoners 
van ons land: tot de oude Noormannen en IJslanders, van 



1) Dit zoeken van de natuur komt weer boven ! Let eens op het intellekt, dat 
een afkeer heeft van Amsterdam en daarom verblijf houdt in het Gooi : Van 
Eeden, Gorter, Van Rees, Roland Holst, De Clerq, e. a. 
Er bestaat daar, meen ik, zelfs een bepaling, dat de woningen er minstens 50 
meters van elkaar verwQderd moeten zijn. 



Dr. Schepers' Bragi. 33 



wie de godsdienstige voorstellingen en de maatschappelike 
verhoudingen vrij volledig bekend zijn uit een tiental oude 
wetboeken, verschillende geschiedkundige werken, de Oudere 
en de Jongere Edda ^), Saxo örammaticus' werk ^) Histariae 
Banka libri XVI en de oud-ijslandse sagen. 

Onder die indrukken en herinneringen kwam in de dichter 
van „BragV\ eerst onbewust, maar allengs klaarder het 
groot verlangen die tijd te doen herleven en „met behulp van 
een paar voorstellingen uit de mythologie van de Noren een 
volledige Walhalla-voorstelling te scheppen, zooals die ver- 
moedelik wel nooit bestaan heeft, maar zooals die (hem) het 
mooiste voorkwam'**). 

Dat er in ons land te veel is geborgd bij de Grieken en de 
Romeinen en dat hun mythologie uitstekend werd — en noch 
wel wordt — gekend, behoeft niet te verwonderen, wanneer 
men er slechts aan denkt, dat alle vroegere beschaving uit 
het zuiden is gekomen, en dat vooral de Renaissance in plaats 
van te leiden tot een krachtig, èigen nationaal geestelik leven 
is ontaard in lijdelik overnemen van Grieken en Romeinen. 
Men vergat, dat de Ouden in hun werken niet gaven een 
voorbeeld ter eeuwige kopieöring, maar dat zijzelfin de eerste 
plaats nationèè,l waren en dat wie ze wilde navolgen, voor 
zijn eigen volk moest zijn, wat zij waren voor het hunne. 

Waarom verdient nu dit nationale in de kunst zo zeer de 
voorkeur? Niet natuurlik, omdat wat speciaal- Hollands is 



i) Een handschriA van de Oudere Edda werd in 1643 ontdekt en ontving de 
tietel van Edda Stiemundar hins froda, d.i. Edda van Saemundr de Wijze, 
een geschiedschrijver (1056 — 1133) aan wie men de gedichten van deze verzame- 
ling toeschreef. De onbekende verzamelaar bracht ze bijeen in de elfde eeuw. — 
De jongere Edda (Edda Snorra Sturlusonar), d. i. Edda van Snorri — geschied- 
schrijver, 1178—1241 — zoon van Sturla, werd ontdekt in 1625. Enkele gedeel- 
ten van deze verzameling zijn van Snórri zelf. 

2) Sazo Grammaticus (gest. 1204) schreef een Deense geschiedenis, lopende tot 
1185, die hij opbouwde uit oude liederen, runenopschriften etc. Hij zoowel als 
Snorri — behandelt de oude mythen in euhemeristiese geest (stelt deoude^od^n 
als ïeaningen voor uit de oude tgd). 

3) ^lnUiding'\ pag. VIL 

T. EN L. XII. 3 



34 Jacob £k. 



zoveel voortreffeliker zou zyn dan het uitheemse, of, scherpe 
noch gezegd, omdat het uit ons ,vaderland' komt. De kunst 
stoort zich gelukkig niet aan grenzen, maar spreekt tot de 
zielen en de begrippen ,vaderland' e. d. hebben meer aanlei- 
ding gegeven tot onzinnige, bombastiese ,verzen', dan tot 
goede — gezwegep nu noch van hoge — kunst 01 Terecht 
spotte Multatuli indertijd met „de god van Nederland" en het 
is algemeen bekend, wat prulverzen zelfs Willem Kloos schreef, 
toen ook hij zich aan orapj^-poezie waagde *). 

Maar wanneer van kunst gezegd kan worden dat zy een 
,nationaar karakter heeft, dan blykt daaruit, dat er iets in- 
dividueels, iets aparts in ligt, dat zij een uiting is van wat 
in heel een volk leeft; ook dat de kunstenaar goed waarge- 
nomen heeft, wat hij uitbeeldde. De realiteit van z*n schep- 
ping wordt daardoor groter en moet daarom beter tot anderep 
spreken en zuiverder, juister indrukken geven *). 

Zo heeft men dus in „Bragi" te zien „de zucht om ook 
'en nationale Olympus te hebben, 'en nationale ApoUo; in 
plaats van de ons zo vreemde Griekse Goden hemel moesten 
wij onze eigene hebben en die moest zo mooi worden, als 
het in m'n macht was die te maken" *). 

In ^Bragt* hebben wij dus voor ons een gedicht, ds^t 
ons terugvoert naar de tyden, toen de maatschappij O minder 



1) „Blaar de geuzenliederen dan !" zal men opmerken. Die zijn onbevooroor-' 
deeld, psychologies beschouwd niets anders dan uitingen van re&éZZer^mftf geesten, 
die zich al te sterk verdrukt voelden. 

2) Zie nu weer van de laatste tijd het door De Telegraaf bekroonde prijs- 
gedicht van Priem, die toch wel goede verzen schreven kan 1 Hoe zullen de 
tweehonderd-en-zooveel niet-bekroonde er uit gezien hebben 1 1 

3) Een sterk-sprekend voorbeeld van dit on-na tionale is Poots' pAkkerleven*\ 
Eigenaardig is *t, dat daarover juist geschreven is door dr. Schepers. Zie Taaien 
Letteren VI, pag. 1—7. Dat artiekel is gedateerd November 189^ jfBragf' 
April — Desember 1894. 

4) Zie de Inleiding^ pag. VIII. 

5) Van maatschappy kan uit histories oogpunt noch haast geen sprake zijn in 
dit Eerste Boehy want het handelt in voorhistoriese t\jd. Maar dit laatste doet 
hier niets ter zake, omdat de dichter mensen en verhoudiqgen ondertitelt, die nu 
niet zo biezonder van het begin der historiese tgden afwijken. 



Dr. Schepers* Bragi. 35 



gecompliceerd was dan nu en toen de doorzichtige maatschap- 
pelike verhoudingen aan de mensen een levensvrede en een 
levensmoed gaven, die nu al minder en zwakker schijnen te 
worden. 

Als vanzelf zal bij mensen als in „JBra^i", die leven in het 
koele deel der wereld en die ten opzichte van de kunst-hand- 
nij verheid niet bizonder ontwikkeld zijn, de aandacht der 
individuen minder getrokken worden door de diepe, zinnelike 
Schoonheid-derStof, maar wel zich bijna uitsluitend richten 
op de Daad. Uitvoerige beschrijving van natuur-indrukken, /ï;n 
uitgesponnen psychologiese verhoudingen mogen wij evenmin 
in dit gedicht aantreffen. Maar wel mogen wij verwachten 
een indruk, met lichte perseelstreek even getoetst en ook wat 
in die oude tijden als in de onze de mens bewogen en tot 
in z'n fijnste vezels beroerd heeft, n.l. de liefde. 

Staat voor dit laatste het motto van 't gedicht ons borg, 
wij hopen te laten zien, dat ook aan de voorwaarden, die wij 
boven noemden, is voldaan en dat de dichter, wat hij te zeg- 
gen had, ons komt meedelen in daartoe vereiste, dat is hier : 
sobere^ taal. 



INHOUD. 
I. Jeuod. 

Bragi werd geboren in een kleine hut, 

„Waar sparren rijzen met de heuvelen 
'En wal om vennen blauw als zomerlucht. 



>> 



De eerste dingen, die zijn ogen trokken, gaf Natuur hem : 
het zachte bladergewuif, de drijvende wolken, vlinders en 
bijtjes en bloemen. In blijde jeugd groeide hij in 't bos op, 
spelende in moeders nabijheid. 

Maar soms liet die hem wel alleen in -t grote woud. £n 



36 Jacob £k. 



dan hoorde hij als zachte nachtegalenzang, die uit de verte 
aanklonk en hem tot droomens toe bekoorde, 't Was moeder, 
die als 'n arme vrouw met haar liedren de mensen troostte 
en sterkte. En dat hadden zij nodig, de armen, wier teerste 
leven door de strijd om het bestaan wreed werd verstoord. 
Van trouwe opofferende liefde zong zy en haar stem klonk 

Over 't gehucht, eenvoudig, zacht van klank 
En over aller harten zeeg 'en rust. 
Die moed gaf 

Dan brachten zij voedsel bij 't arme vrouwtje, dat gebogen 
tot aan het woud terugging, maar daarna fier en snel voort- 
trad om gauw bij haar jongske te zijn, wiens dromen ver- 
broken waren, als hij de verre zang niet meer hoorde, waar- 
van hij opgetogen haar vertelde. 

Eens — toen 

Herfst over 't bos reed 
De wolken mennend langs de hemelweg, 
Toen het geboomte rillend boog voor hem 
En tranen weende in stille bomesmart, 

had Bragi, met vuistjes vol, de rijpe braambessen gegeten en 
kwam hij bij z'n moeder rood van vruchtebloed. Zij schrikte : 
plots was 't haar als zag ze hem, ouder, vuil van oorlogs- 
bloed en stervend in de purpren erieka. Rillend wies ze hem, 
nam hem gauw mee naar binnen, waar ze hoog het vuur 
deed opvlammen en voor hij slapen ging, vertelde: 

„Daar waren is een koning en een koningin, die eengrote 
schat in een berg verstopten en er hun dochter als wacht- 
ster bij plaatsten. Die zong zo mooi, dat alle vogels om haar 
vlogen. Een man — zo mooi en sterk en groot als een God — 
die moe van 't dwalen dicht bij de grot insliep, hoorde die 
zangen in z'n dromen en ook noch toen hij ontwaakte. Maar 



Dr. Schepers' Bragi. 37 



de ingang ontdekte hy pas, toen een broer z'n zuster savonds 
eten brengen kwam. 

Toen wist hij, hoe de bergwand openging, 
En plotsling stond hij voor de koningsdochter. 
Nu was het of de zon scheen in de grot 
En even moest zij de ogen sluiten, maar 
Hij kuste haar en vroeg haar weer te zingen 
Zo lief, eenvoudig als hij 't buiten hoorde. 
Zij zong en stil hield hij haar handje vast 
En luisterde — . . . . 

Hij dankte met 'en kus 

En vroeg te mogen blijven, maar zij bloosde 

En durfde 't eerst niet toestaan, maar hij bleef toch, 

Want o, hij hield van haar! — 

En toen hij eindlik weg moest, schreide zij om hem. Zij 
gaf hem een gouden schild van de schat en kreeg van hem 
een mooie ring. Nooit is hij sinds die tijd bij haar terug 
geweest, maar dikwels droomt zij noch 

Van 't licht, dat van die mooie man afscheen. — 
„En kreeg zij niets meer, moe?" — Ja, noch 'en kindje 
Met blauwe kijkers, net als Bragi heeft. 

„En komt die God nu nooit is hier?" vroeg hij verder. 
„Misschien wel, kind. Maar nu is 't slapenstijd.' 



» 



En woordenloos zong zij 'en sluimerzang 

Die 't knaapje de oogjes look en dromen deed. 

Maar lang noch zat zij stil te luisteren. 

Of zij niets hoorde in 't buldren van de herfst. 

Of hij niet kwam, de God, die zij aanbad. 

Haar Wodan, Bragi's vader 

Maar er naderde niets. Zij rilde: 't vuur was uitgegaan; 
en toen zij insliep, droomden zij en Bragi beiden van die God. 



38 Jacob £k. 



In 't maanlicht buiten leunde op taaie speer 
Haar God en mijmerde bij 't rimplig ven* 

(Hij) schudde 't hoofd: „'t Is noch geen tijd: 'en kind 

Treedt nooit Walhalla in; ook Gunlod niet, 

Al is zij dan ook waard Godin te zijn." 

Z'n glimlach zei, ook hij dacht aan die rots. 

Die lach doortrilde 't woud en stilde 't ven: 

Op kind en moeder zeeg 'en blijde droom. — 

In de volle natuur wies Bragi krachtig op. Hij voelde zich 
sterker worden en vond dat heerlik. Maisir soms was hij wee- 
moedig, neergedrukt zelfe en staarde z'n groot blauw oog 
voor zich. 

Gunlod begreep wel, wat er woelde in hem: 
Zij wist, het dichterzijn ontwaakte daar, 
Eens zou hij zingen hare tooverzang. 

En daarom overlegde zij, of 't goed was hem bij zich te 
houden, tot hij de klank van alles wat hij in de natuur hoorde, 
uiten kon. Zij begreep, dat één toon, in hSiAr zang de voor- 
naamste, hem dan zou blijven ontbreken, die van de liefde. 

En zonder liefde leefde nooit 'en lied. 

Daarom moest hij het leven in. Dat zou hem, de peinzende, 
wellicht leed brengen, maar z'n zang — nu noch kinderUk — 
zou er mensliker door worden. En des te beter zou hij andrer 
leed begrijpen en zachte troost hen kunnen brengen. En dan 
zou hij mischien die liefde leren kennen, die hè-ar leven maar 
zo kort verlicht had. Als hij die eens mocht houden! Hoe 
goed zou hij het leed dan kunnen dragen I Wat zou hy ervaren, 
duidelik voelen, waaruit het menslik leven is saamgeweven: 
leed. Levensleed, verlicht door Liefde ! Wat wijsheid en vrede 
zou zijn zang dè.n brengen! 



Dr. Schepers' Bragi. 39 



Maar — als buiten het veilige bos het sterflot hem eens 
beloerde, voor die grootheid kwam ! . . . 

En weer zag zij hem liggen op de hei, 
Bruinrood van erieka en heldenbloed. 

Boven, in Walhalla, naderde Balder, de reine Zonnegod, 
Wodan en zei: „Zie, Vader, goden en helden hebben heden 
dapper gestreden en verjaagd wie Walhal wilden bestormen *). 
En terwijl wij allen jublen om die zegepraal, zit gij alleen 
peinzend neer. o. Zing ons een lied als vroeger!" En toen 
Wodan weigerde, vroeg Balder : „Geef een van ons uw kunst 
dan!" Maar 't antwoord was: 

„Balder, nee! 
Wijy Azeny missen levenstrijdj die aan 
Het lied 0'n volheid geeft; der helden schaar 
Is meesê onrein^ door aardse str^d besmet^ 
En slechts de reine is rijp voor Dichtergod^) 
Ik ken er geen. Scherts, juich intussen voort: 
Alvader zwijgt, doch vindt uw vreugd niet slecht 1" 

En Wodan keerde tot zijn troon terug. 



II. Bragi en Idobna. 

Zou Bragi toch van Gunlods eenzaam hutje niet hoeven 
weg te gaan, om lief te krijgen? 't Scheen wel zo. Want 
eens, toen hij van 't ven en van zijn sparren zong: 



i) Pag. 10 VS 21 vervolgg. vatten wij voorlopig aldus samen, om de gang van 
*t gedicht niet te storen door hinderlike noten. Men zie Aantekening 12. 

2) Kufsi vering van mij. E. Dit is het motief, dat in het Tweede en Derde 
Boek breder wordt uitgesponnen. 



40 Jacob £k. 



Zonnelicht zweeft 

Gezeefd door de sparren; 

Glad van glanzen glimt bet ven. 

't Blauw met de bolle 

Blinkende wolken 

Rimpelt in 't rietomruiste ven(,) 

toen kwam er plots een meisje bij hem, die vroeg of hij 
Gunlod, de toovnares wist wonen : zij wenste kruiden voor 
haar zieke grootvaar Hagen. En toen hij, onverschillig noch, 
de weg haar had gewezen, vond zij, tot haar verwondering, 
een vrouw, 

Blankarmig, blond, slank van gestalt, 

« 

die heel niet op de oude zangster leek, maar haar toch graag 
bij 't kruiden zoeken hielp en spoedig merkte : 

Blank als 'en sneeuwveld was die kinderziel. 

En vaak noch kwam Idoene daarna als vrouw Gunlods 
gast, en Bragi, nu niet langer onverschillig, zei haar: 

„De lucht is blauwer, 't ven glanst blijder op. 
De lucht is warmer als je komen zult." 

En zij bekende: 

„En ik doe nooit des morgens vlugger 't werk. 
Dan als ik heel de dag bij jou mag zijn." 

Die zomer dwaalden zij vaak samen door het bos, maar 
toen de winter kwam, rustten zi} moe van 't schaatsenrijden 
wel bij Gunlods haardvuur en dan vertelde moeder hun van 
't wondere Walhal. Zo werd ook in Idoena de wens gewekt, 
die al zo lang in Bragi was: 

„o, Mochten wij 'n wonder eens beleven I" . . . . En toen — 
ver in de Lente — is het gekomen. In grote ontroering aan - 



Dr. Schepers' Bragi. 41 



schouwden ze het: Zwanen daalden uit de lucht en doken 
stoeiend in het water. Een ontdeed 

Zich\an z'n verekleed; het viel te saam 

En naakt rëea daar 'en vrouw uit, blond en blank. 

Idoene-en Bragi hielden de adem in: 

Nog éne, allen wierpen 't luchte kleed 

En jonge vrouwen stoeiden in het ven 

Dat plomp en waterlelie wiegelden. 

Gejuich verving de stille middag daar. 

Een waadde weg en knie, dij, heup verdween. 

Zij naderde de plaats, waar beiden lagen. 

En stortte 't water over 't blonde haar(.) 

Toen, glurend langs het ven zag zij de twee en staarde 
plots in Bragi's oog. Een gil ... . de anderen schrikten, tracht- 
ten snel zich met het zwanekleed te dekken en wiekten ang- 
stig weg in 't wazig blauw 

En roerloos lagen daar de kinderen. 



Die nacht sliep Bragi niet .... 

Hij had geen denken dan die zwanemaagd 
Wier blanke lichaam zachtkens roze blonk(.) 

Nu rijpte hij tot man, want 

Nimmer zag 
Z'n oog de blankheid van 'en lichaam dan 
Het zijne, forser, bruiner door de zon(.) 

Voor 't eerst voelde hij nu „hoe hartstocht bruisen kan 
door 't bloed". Het maakte hem stil en bleek. Idoene's beeld 
verflauwde in hem ; hij zag al maar die éne. En eindlik had 
ook moeders vragend oog 't ontdekt: 

.... zij zag het blank gebouw 
Der liefd-iedille in puin vervallen. 



42 Jacob Ek. 



En nu voelde ze 't weer — en het deed haar leed, want 
zij dacht dat met Idoene al de liefde in hem gewekt was — 
hij moest de wereld in en ^^zoeken naar het bloempje van 't 
geluk*'. En trots haar angst voor z^n toekomst, riep ze hem 
op 'en zomeravond bij zich en vroeg of hy niet liever heen- 
ging, om te proberen z\jn geluk te vinden. Ook ontdekte zij 
hem z'n afkomst en zei hem, fier en rein te blijven. Toen 
ging hij 

Idoena, die in lange tijd niet meer in 't bos geweest was, 
suizelde 't die nacht in 't oor: „Sta op, en gal" Toen zag 
ze buiten Bragi naderen, en zei: „o. Al weet ik niet wat je 
zoekt en waar je gaat, niemand zal ooit zooveel van je kun- 
nen houden als ik en altijd zal ik blijven denken aan de 
heerlike tijd bij 't ven." Hij dankte haar. 't Was niet met 
opzet als hij haar leed deed: 

De wolk moet voort, wanneer de storm hem drijft. 

En wenend ging ze naar de hut terug, waar zoete dromen 
rust haar brachten en vertrouwen deden : „Bragi komt terug I" 



III. HiLDA EN GSBDA. 

't Was Bragi vreemd te moede nu hij zich Wodan's kind 
wist! En nu hij zag, hoe groot de aarde was, stond hij ge- 
heel verslagen ! Hoe zou hij ooit z'n lief dan kunnen vinden ? 
Een vuurge ster, die langs de hemel schoot, wees hem de 
weg. Hij kwam bij 't huis van Folkert en Geertrui, hij hard 
werkend in de hof, zij spelend met hun kind, beiden gastvrij 
en hem nodigend tot blijven. Hij vond ze vreemd, de liefde 
van dit echtpaar: 

Was dit liefde? 
't Leek zo kalm eenvoudig, net Idoene en hij. 
En toch weer anders, maar noch meer verschil 



Dr. Schepers* Bragi. 43 



Met zijne lieflle voor de zwaanmaagd I Koel 
Was deze hier^ maar toch zoeti Wat zou 't zijn? 

En dan — hij kon niet eens een liedje dichten voor hun 
kleine; hij, die wel het ven, het bos, de zon bezingen kon! 
's Morgens ging hij voort naar 't naaste dorp; dat was in 
strijd met roverburen. Hij bood er z'n hulp aan, want hij 
verfoeide 't onrecht en vertelde 's avonds de oude Harald, bij 
wie hij wonen zou, van z'n vroegere woonplaats, van Idoene 
en z'n moeder en hij vertrouwde hem ook *t doel van z'n 
zoeken. 

„O, help me zoeken, grijsaard, wie m'n ziel 
Met innigheid begeert te vinden, help me 1" — 

;,Maar Bragi, wil je dan al sterven?'* vroeg de oude. „Want 
weet, nu, levend, kun je de liefde van die zwanemaagd niet 
krijgen !" 

Slechts wie gesneuveld z\jn, z\j hebben kans: 

De dapperste behoort de zege dan, 

Om in Walkyrenarm van strijd te rusten." — 

„0^ Laat mij dan vooraan gaan in de strijd." — 

„'t Is wel. Maar bedenk toch dat het najagen van het 
bovenaardse de mens geen geluk brengt. Het leven eist grote 
ernst. Alleen dichters mogen dromen! Maar die moeten öök 
ons in de levenstrijd sterken 1 Hun de zang — ons 't werk !" — 

„De zang? Ben ik dan dichter? Want al kon ik het lied 
voor m'n liefste niet vinden, ik zong toch van 't bos en 
vogelvlucht, van fcon en 't meer." — 

„o, Dit wist ik niet! Blijf dan bij ons en sterk ons volk! 
Verblijd hun moeizaam leven! En zoek vooral de dood niet: 

dichters bloeien hier 
Zo zelden op en 't arm, bestreden volk 
Heeft moed hoog nodig, ijl gedroom baat niet." — 

Toen kwam in Bragi moeders beeld. Zij ook zong de armen 



44 Jacob £k. 



toe en bracht vertroosting in bun lot. Misscbien kon bij wel 
voor bun beiden zorgen. En zo verzwakte 't droombeeld, 
kreeg bij iards begeren : „Ik blijf, en zal de dood niet zoeken !" — 
En toen Harald daarna op Bragi's verzoek zijn snaretuig 
nam en bet bespeelde als in z'n jeugd, greep ook de jonge- 
ling ernaar en speelde vals : hij had de echte liefde niet 

gevonden noch .... 

In 't boog Walhalla wikte Wodan de uitslag van de strijd 
op morgen : Haralds stam, beledigd, zou de zege winnen. Ook 
wees hij helden aan, die dan Walkyren tot hem zouden voeren. 

Het doodslot trof het grijze hoofd van Harald. 
„Maar Bragi, vader?" vroeg met blos 'en blond 
En angstig kopje in spanning — „Hilda, nee. 
Klopt ook je hartje luider vaak sinds hij 
Je zag, jij hem in 't donker droomoog keek. 
Noch is zijn levensdraad niet afgesponnen; 
Noch moet hij zingende dat volk bezielen. 

En dan — gij hebt als taak u de Walkyrenplicht gekozen. 
Wie dètt doet, moet zijn héle wezen daaraan wijden. Geen 
klacht kan hem daarvan ontslaan." — 

's Nachts zong Bragi zijn krijgsgezang voor 't gewapende volk : 

„Mannen, nu moed! morgen de zege, 
D'uchtend geeft dood of donder van vreugd." 

Hij schilderde de heerlikheden van Walhalla, voor wie tot 
sterven zouden zijn gedoemd; de eer en lof voor de helden, 
die uit de strijd zouden weerkeren en eiste trouw aan Harald, 
het tijdlike hoofd. En juichend droeg men hem als dichter op 
'n schild door 't dorp 

De strijd was afgelopen. Op 'n baar droeg 't droeve volk 
zijn dode aanvoerder en zijn gewonde dichter naar de hut 
van Sigyna, Haralds weduwe .... 



Dr. Schepers' Bragi. 45 



En nu had Bragi de Walkyren in de slag aan 't werk ge- 
zien, plichtmatig, zonder liefde. Eén was er, die h\ maar in 
zijn nabijheid doden zocht. Zij was het, Hilda. En zij zag hem 
aan, weemoedig, als minde ze hem. Ze lachte hem toe. Maar 
toen keerde zij zich naar een ander, lonkte die tegen, ont- 
lokte hem z'n ziel en beiden stegen op in 't blauw. 

Peinzend zag hij weer die blik: 
Jaloersheid golfde door z'n aderen 
En deed het bloed der wonde sneller vloeien 

Toen hij eindlik door Sigyna's zorgen weer hersteld was, 
verheugde 't ieder, maar vooral de meisjes: zijn blank voor- 
hoofd, zijn slank lichaam, zijn vurig oog trokken haar aan. 
En hij werd, tot spijt der jonge mannen, hun afgod, toen hij 
hun . de schat van sprookjes kennen deed, die hij aan 't ven 
eens had gehoord. Maar toen eens bij het sneeuwbalspel de 
mooie Gerda, die al lang zijn min begeerde, en daarna ook 
de andere meisjes, hem kusten, toen hij zich door Sigyna 
noch eens had laten zeggen, wat Walkyrenplicht is: nu de 
ene, dan de andre krijger met haar liefde 't leven te verzoe- 
ten — verdween in hem de laatste sprank van liefde voor 
de zwanemaagd en te begeerliker leek hem nu Gerda's blanke 
lijf. Van reine liefde, die de spotlust der jonge mannen had 
gewekt, zong hij niet meer en hun plagerijen daarover vuur- 
den z'n hartstocht aan. Maar — toen hij Gerda zou ont- 
moeten op 'n avond aan de zoom der heide en zij naderde 
in 't witte nachtkleed, rees plots voor hem Idoena's reinwit 
kleed, herinnerde hij zich haar schuchterheid, en ook z'n 
moeders bede bij het afscheid en ging beschaamd van daar. 

. . . . 'n Wodanskind 
Mag nimmer wijken van het rechte spoor. 

Doch nu welde sterk verlangen in hem op naar 't oude 
thuis, naar Idoena's vergifnis voor z'n zwakheid, naar haar 



46 Jacob £k. 



reine liefde. En nu hg rustiger was, klonk blijde z'n zang 
langs de velden: 

Leed deed ik u, lie&te, 
Vergeef het mij glanzige, 
Kus weg mijn kommer, 
Aanminnige mijn! 
• •••••••• 

Liefste I ik komi 
Het bloed doorbruist mij de borst 
Strak staren mijn ogen, maar och 

Je zelf zie ik niet. 

£n toen bij ging, zong b\) z*n ziel uit in 't innige lied: 

« 

Als herfstdraad hefb zich 
Het spinsel, dat 'k spon hier: 
't Wijkt op de winden. 

't Leven dat 'k leefde 
Drijft mij voor d' ogen; 
Blauw moest het blinken; 

Omwaasd van weemoed 

Zie ik het zweven: 

M*n m\jmring zweeft mee. 



Gelei me weer, liefde. 
Breng tot m'n bruid me. 

Vrede zal 'k vinden 

Als 'k blik in haar blauwe 

Openö oogen! 



i 

I 



Dr. Schepers^ firagi. 47 



IV. Liefde en Strijd. 

Dikwels was Idoena naar de eenzame hei geweest, mijme- 
rend en wenend om Bragi, naar wie ze zo vurig verlangde. 
Maar immer had ze op zijn komst vergeefe gewacht. Toen — 
op 'n avond werd aan Hagen's hut geklopt, hoorde als met 
angst zij vragen: „Woont hier Idoena noch?" Hij was het! 
Wat was ze blij 1 — En de volgende morgen gingen ze samen 
op weg om Gunlod te verrassen. Bij 't eerste ven, dat Bragi 
zag, vroeg hij haar of zij leed gevoeld had om zijn afzijn, 
bekende hij z'n zielsverlangen. Toen lei 

Ze 't hoofdje aan z'n schouder, schreide en nauw, 
Nauw hoorbaar klonk 't: ,,Ik ben dezelfde noch, 
Behalve dat ik meer noch van je houd!' 



i)> 



Ook Gunlod was verheugd, nu zij haar jongen terug had 
en Hagen plaagde Idoena met haar huwliksfeest. En eindelik, 
na pijnigend wachten, sprak ook Bragi van z'n passie voor 
Gerda en hoe hij bijna was bezweken voor z'n hartstocht. 

Maar zij zeide: 

„Wie over onrein denken zo zich schaamt, 

Die moet wel rein van ziel zijn, is 't niet Bragi?" 

Nu hij dit alles haar verteld had, werd groter zijn geluk, 
en in-gezond klonken zijn liederen langs de vennen, nu eens 
uitgelaten-vrolik, dan weer licht-schertsend. 

Maar terwijl Idoena zich een toekomst bouwde, vol van 
liefde en vrede, 

vloekte hij 't gebrek 
Aan have, dat hem slaaf deed worden, 

want slechts door dienst bij Hagen kon hij haar als vrouw 
verwerven. Wanneer bij dan de mannen naar bet ding zag 
gaan, waar h\) om zijn lijfeigenschap niet komen mocht, dan 



48 Jacob Ek. 



woelde heftig in hem z'n eerzucht en de drang naar vrijheid. 
Hij, de dichter van Haralds dorp, nu werkend met de spa! 
Eerst maakte het haar treurig, toen zy bemerkte, dat hij 
noch iets anders wou dan haar alleen, maar toen zij zich in 
Bragi's denken ingeleefd had, 

toen zag zij in. 
Dat mannen niet alleen aan liefde zich 
Toewijden kunnen, dat ook 't leven riep 
Om hulp van hem en wat hij wilde, wou 

Idoena mee 

Meer manlik werd zijn min nu . . . 

Z'n zucht tot daden kreeg 'n uitweg 1 't Dorp werd be- 
dreigd door hertog Siegebert, die onderwerping eiste. Neer 
wierp Bragi de spade, vroeg Hagen vrijheid, sprak van de 
strijd die hij had bijgewoond tot 'et volk, en ried tot schijn- 
bare onderwerping, om dan na flinke oefening en als het dorp 
in staat van tegenweer gebracht was, het volgend jaar te 
weigeren de schatting te betalen. Zn raad werd opgevolgd 
en daagliks rees zijn macht, vooral toen men bemerkte, dat 
hij als z'n moeder zingen kon. 

En, toen de winter weer gekomen was, 
Bleek Hagen *s hut te klein voor allen, die 
Van hem weer de oude heldensagen of 
Walhalla's hymmen kwamen horen .... 

Maar in haar stille boshut dankte 'en vrouw 
Haar Wodan voor de liefde aan 't kind betoond 
En smeekte om steun voor hem in later dagen.. 
En Wodan 's glimlach gaf 'en glinstring aan 
De sneeuwige aarde 

Weer welde met de lente een zoete wens naar min in al 
wat leeft en binnen veertien dagen zou een nieuwgebouwde 



\ 



Dr. Schepers^ Bragi. 49 






hut aan 't ven de twee gelieven samen zien. Maar eerst zou 
noch de vrijheid van het dorp bevochten moeten worden. En 
juist op Bragi's huwliksdag verscheen de vijand voor het 
paalwerk, dat et dorp omsloot. Nauw had de priester tijd de 
echt te zegenen: reeds ruisten pijlen door het loof.... 

De mannen juichten, toen hun zanger kwam en dapper 
streden zij de vrijheidskamp. Door Bragi's list dwong mende 
vijand tot de terugtocht, die slechts strijdend week. Tot twee^ 
gevecht daagde nu Bragi 't hoofd van de overweldigers .... 
Hij won, en riep z'n zege uitl Een pijl, verraderlik ge- 
schoten uit de drom van 't toeziend volk bracht ook de eedle 
zanger 't noodlot .... 

Vier makkers droegen hem de heide langs, 
Die rood werd als z'n moeder had voorzien. 

Toen hoorde hij zacht wiekgeklep naast zich en fluistrend 
sprak 'en vrouw van liefde, troostte hem met Walhals heer- 
likheid. Want Wodan had gesproken : 

„Kom, Hilda, heil is u beschoren, daal 
En sluit de blonde held het oog. Breng snel 
Hem in ons midden. Kinderen, zie: verheugd 
Is 't Azenrijk, want de edelste van de aard' 
Komt zangenrijk Walhalla's feest opluisteren ! 



»» 



Maar koel liet hare liefde Bragi Gunlods zang klonk 

even noch hem in het oor ... . Toen gleed een glimlach over 
't bleek gezicht: Idoena's stem herkende hij; haar tranen 
droppelden hem op de hand en daarna 

gleed de ziele heen. 
Maar niet verheugd steeg Hilda naar Walhalla .... 



T. EN L. xn. 



50 Jacob Ek. 



V. Walhalla. 

Door sterrenzwermen zweefden beiden naar het licht Wal- 
halla, waar Wodan en de Goden en Walkyren Bragi blij 
verwachtten. Tot 'n God herschiep Alvader hem in schonere 
gestalte dan eens z'n aardse was geweest. Hilda alleen was 
treurig, want Bragi scheen voor hare liefde onbereikbaarder 
dan ooit. Toen hij haar zieleleed bemerkte, keek Wodan 
ernstig . * . . Voor 't eerst klonken nu Bragi's liedren door 
Walhalla, zoals men die sinds Wodan's jeugd niet meer ver- 
nomen had, zoals alleen gezongen kunnen worden door hem, 
die 's levens strijd gekend heeft en die toch mensenwoord 
niet zeggen kan! Jubelend juichten de helden hem toe! In 
lang was er niet zulk een reine vreugd geweest! Toch werd 
het lied weemoedig bijwijlen, als hij dacht aan zijn Idoene, 
die nu in leed haar droevig leven moest vervolgen, die al 
bleker werd en langzaam wegteerde .... Toen Herfst de 
bladeren deed vallen en alles zacht ging sterven, toen bad 
ook zij vergetelheid. „Doch Wodan peinsde en — lachte bij 
die wens." Hij zag ook Bragi verbleken en verouderen, die 
door de helden werd bespot, omdat hij nu niet meer zijn 
hoge liedren klinken deed .... Toen ging Wodan tot Hilda 
en vroeg: „Je wilt Bragi graag gelukkig zien; en jijzelf lijdt, 
omdat hij zo droevig is; zou je niet ijverzuchtig zijn, als hij 
gelukkig was zonder jou en als zijn oog een andere vrouw 
toeblonk ?" 

Zij zag warmvochtig Wodan aan: „Zelfs dat! 
Ik kan niet leven zonder Bragi's lach!" — 
En Wodan's warmste blik vervulde haar 
Met zulk 'en weelde, dat zij wenen moest. 
Maar van geluk na zulk een groots besluit. 

Na zich ook verzekerd te hebben, dat zijn vrouw Frig haar 
goedkeuring aan zijn plan gaf, gleed de God neder door de 
sterrerijke nacht. 



Dr. Schepers' Bragi. 51 



De deur van 't hutje woei plots open — van 
De wind, zei Hagen, die hem sloot — 

maar Idoena, nauw ademhalend meer, zag 

'En goedig man met grote zwarte hoed, 
Die bij haar bed kwam staan .... 

Z'n hand streek zacht 
De lijdenslijnen uit haar bleek gezicht 

„Kyk, grootvaar, daar staat Wodan! 
Hij vraagt mij fiuistrend, of ik mee wil gaan 
. En in Walhalla's rijk Godinne zijn 
Aan Bragi's zij." — 

Hij dacht: zij ijlde. — „Grootvader dag ik ga!" 

En toen verliet de trouwe hem, die trots haar eigen leed 
tot et laatst zijn leven had verwarmd. 

Wat zou de toekomst hem nu brengen, wat? 
Maar Wodan streek grootmoedig langs z'n slapen 
En de oude ontwaakte niet tot groter leed. 

Een gedrukte stemming heerste in Walhalla: bij de helden 
was geen strijdlust, maar alleen genot in 't woeste drinkge- 
lag; zorg vervulde de godinnen en Donar vloekte om de saai- 
heid van Bragi, die met z'n mingeklag de vreugd en opge- 
wektheid van de helden gans bedierf. Toch was op Wodan's 
aangezicht iets vreemds: als 'n lach, die hij verbergen bleef. 

Toen stond hij op en zei: „Zie Bragi, 't is jou schuld, dat 
hier de vrolikheid gebannen is. Maar 'k weet de droefheid 
van je weg te nemen. Geef dan je hedren weer en zing niet 
meer van treurnis" 

Teder als 'n roodwang-perzik was daar 'n vrouw: Idoena I 



52 Jftcob Ek. 



£n, 't al vergetend, kuste z\j haar man: 
Die kus verjongde hem, reeds oud van leed, 
En bij die kus doortrilde heel de kring 
'En blijdschap groter dan toen Bragi kwam. 
En stil van zoveel schoonheid zagen zij 
Idoena in de heldere ogen. 

En jubelend zong Bragi weer zyn lied, door al wat in Wal- 
halla luisterde zo toegejuicht, dat et tot de vogels doordrong, 
uit wier zang Gunlod, vergrijsd van smart, 't geluk van hare 
kinderen begreep .... 'n Ernstig man ging 's avonds langs 
de oever van het ven 

En fluisterde van liefdesalmacht haar 
En van der reinheid zegepraal in 't oor. 

„Dank, Wodan, dank," zeiden haar lippen zacht, 
„Mijn min voor u is niet vergeefs geweest." 



Enkele Opmerkingen. 

Bizonder treft ons in dit gedicht de eenvoud van taal, en 
dit te meer, omdat een stof als deze wel aanleiding kan geven 
tot ouderwetse hoogdravendheid. Men zie b.v. Balder's ver- 
zoek om een lied en Wodan's antwoord daarop *). Hier en 
elders spreken de Goden niet in wotdd be deftige alexandrij- 
nen, maar in vijfvoetige jamben en dan noch wel in woorden, 
die zo goed als niet van de beschaafde spreefttaal afwijken. 
Ook zoeke men op Gunlod's woorden, als zij afscheid neemt 
van Bragi ^) ; Wodan's toespraak tot de dichter in tegenwoor- 
digheid der Goden, als zo aanstonds Idoena zal verschijnen ^). 



1) Pag. 11 VS. 15 tot pag. 12 vs. 4. 

2) Pag. 25 VS, 14 tot pag. 26 vs. 3. 

3) Pag. 104 VS. 20 tot pag. 105 vs. 9. 



Dr. Schepers' Bragi. 53 



En niet alleen in de gesprekken komt dit eenvoudige voor. 
Ook waar dr. Schepers beschrijft of vertelt — waarvan veel 
mooie voorbeelden door mij in de Inhoud geciteerd zijn — 
vindt men ditzelfde terug. 

Toch draagt dit alles niet het kenmerk van te grote week- 
heid, zich uitend in krachteloze taal. Integendeel: de zinnen 
zeggen op de kortste wijze, kernachtig en toch mooi, wat te 
zeggen is. Men kan dit het best opmerken, als men probeert 
een gedeelte even kort en volledig terug te vertellen. 

Inderdaad — een eigenaardige bekoring geeft deze eenvoud, 
die over het hele gedicht een waas van frisheid en oorspron- 
kelikheid spreidt. Men voelt: hier is iemand, die 't ons op 
zijn eigen manier komt zeggen, waardoor 't artistiek genot 
vergroot wordt. 

Hierbij komt nu de levendige schildering, die de belang- 
stelling onafgebroken gespannen houdt. Men zie b.v. de hele 
beschrijving van het gevecht tussen Hagen's dorpsgenoten en 
de overweldigers, *) of het tafereel van het baden der zwaan- 
maagden, ^j die na de angstige gil van Hilda — omdat ze 
Bragi zag — blozend en in verwarring trachten, snel zich 
met hun verekleed te dekken. En dan na al dat gejaagde en 
onrustige — waarin noch even dit Vondeliaanse vers: 

Zo trilt 
'En duif die boven zich 'en havik ziet(,) 

— plotseling die eenvoudige regel met zijn machtig efifect : 

Maar roerloos lagen daar de kinderen. 

Een enkele maal — meestal in de liederen van Bragi — 
wordt de strenge eenvoud van de taal iets getemperd door 
rijke allitteraties, die hier om de behandelde stof natuurlik 
juist „in stijl" zijn ^). 



1) In Liefde en Srijd, 

2) Pag. 21 VS. 19 tot pag. 23 vs. 18. 

3) Zie Aantekening 15. 



54 Jacob Ek. 



Daarvoor zie men Bragi's nachtelike zang tot de krijgers 
van Harald's dorp *), maar vooral z'n morgenzang aan Balder, 
als hij de vorige avond van z'n moeder afscheid heeft geno- 
men, om de wereld in te gaan: 

O Balder, mijn bee stijgt Brenger van 't licht 
Tot ü, de Alziener, overal lichtend! 
Uw broeder bidt om bijstand, om licht. 
Noem ik mij broeder, nietig ben ik 
Vergeleken bij ü, Lichtgod van 't Al. 
Stil in mij storm, steun mij in 't gaan! 
Laat toch Uw licht de liefste mij wijzen 1 
Zo naamloos was nooit om Nanna uw leed. 
Als om de blanke baadster ik lijd. 
Zij vluchtte als 'en vogel voort uit m'n oog 
't Zonlicht zocht zij : zoek ik nu goed ? 2) 

Ook tal van mooie beelden treft men aan: 
Wanneer Idoena treurt om Bragi's dood en langzaam aan 
verzwakt, dan heet het dat haar wang bleker werd 

van hét knagend leed. 
Dat al haar hartebloed scheen te verslinden. 
Het lijf van binnen uitteerde als de vlam 
Het brandend huis — de vensters glinsteren 
Verdacht en elk verwacht een spoedig eind 
Zo schitterden haar ogen wonder vreemd^). 

Wanneer in Bragi door het zien der badende Walkyre 
hartstocht is gewekt, die hem stil en bleek maakt — twee 
verschijnselen, die hier om Bragi's karakter psychologies juist 
zijn — dan blijft de oorzaak daarvan lang voor Gunlod ver- 
borgen. 



1) Pag. 42 VS. 1 en vervolgg. 

2) Pag. 31 VS, 2 tot vs. 13. 

3) Pag. 98 VS. 19 tot vs. 25. 



Dr. Schepers^ Bragi. 55 



Onbekend 
Bleef het, als 'n bolbloem lang z'n kelk verhult, 
Doch stiltjes voortgroeit tot hij kelk moet zijn 
En pralen moet in schelle tulpekleur; 
Zo wies zijn wensen aan en eindlik lag 

« 

Z'n gloende kleurge liefde open voor 
Z'n moeders oog *). 

De mooie Gerda, die al lang naar Bragi's min verlangde, 
heeft plots hem bij het vrolik spel gekust. Eerst werd hij 
boos en liep in huis. Maar toen, snachts 

glom de vergeten gloed 
Van hartstocht heftig aan, als door 't gewaai 
't Vergeten kampvuur gloeien gaat en langs 
De dorre zomerhei 'en vuurlijn trekt. 
Die 't angstig haasje vluchten, 't vogeltje 
Doet piepen boven 't nest, diep in de rook^). 

Dit is een beeld, dat we ongetwijfeld er aan te danken 
hebben, dat Dr. Schepers de handeling laat voorvallen op 
nationale bodem 1 ^) 

Vreemd, maar toch mooi gevoeld vond ik: 

Die avond dreef hij in 'en stille kom^ 
Waar de rievier des nachts verpoost *). 

En wie wel eens bij avond dichte nevels uit een plas heeft 
op zien wolken, alsof ze zich wrongen en draaiden, moet het 

mooie zien erkennen van: 

• 

Reeds rezen uit de vennen neevlen op. 
Gewaad van ijle watervrouwen . . . . ^j. 



1) Pag. 24 VS. 20—25. 

2) Pag. 48 onderaan. 

3) Zie m*n Inleiding^ 

4) Pag. 40 VS. 10—12. 

5) Pag. 18 VS. 3-4. 



56 Jacob Ëk. 



Dit scherp zien van de natuur vindt men ook in: 

Hier en ginds 
Lag op bet dennegroen *en laagje sneeuw 
En zonlicht maakte 't wit tot zuiver goud *). 



Aantekeningen. 

Wij meenden in deze Aantekeningen ook iets te moeten 
zeggen over de noorse mythologie, waaraan door de dichter 
zo veel ontleend is. Niet natuurlik om er op te wijzen, waar 
hij ,onhistories' is, want telkens als zijn opvatting afwijkt 
van wat bekend is, hebben we ons te herinneren, dat het 
doel was een Walhalla-voorstelling te scheppen, zooals die 
hem het mooist voorkwam. Wanneer wij in weerwil daarvan 
over de noorse godenleer zullen spreken, doen wij dit om te 
laten uitkomen, dat deze maar niet als een goed sluitend 
geheel zijn aanhangers van de aanvang af heeffc voor de geest 
gestaan, maar dat zij langzamerhand is opgebouwd en vol- 
lediger geworden; ook om te laten zien, hoe verschillende 
opvattingen zich met elkaar hebben vermengd en elkaar tegen- 
spreken, maar . vooral om te doen opmerken, hoe bij de oude 
volken het sterk gevoel voor en het meeleven met de natuur 
zich afspiegelt in hun godenleer. Dit alles kan dienen om ons 
gemakkeliker in het milieu van ^BragV' in te denken. 

1) Pag. 3 VS. 5. Gerda, Fréier. Vs. 6, Midgard. 

Volgens de oudsta liederen begint de wereld met een Gin- 
nünga Gap (wijde gaping) een brede, niet geheel lege ruimte 
(chaos). Aan het zuidelik einde was Müspdlheimr (woning des 
vuurs), waaruit licht en warmte voortkwam; aan het noor- 
delik einde Niflheimr (woning van de nevel), dat duisternis 



1) Pag. 8 VS. 18—20. 



Dr. Schepers' Bragi. 57 



en felle kou uitzond. De gloed van Müspellheimr ontmoette 
de rijp van Niflheimr, waaruit Ymir geboren werd, de stam- 
vader der HrinUhursen {rijpreuzen), de oudste wezens. Uit een 
reuzendochter zijn geboren de drie oudste goden (Odin, Vili, 
Ve), die Ymir doodden, z'n lijk wierpen in het midden van 
Ginnünga Gap en daaruit de wereld vormden. De aarde (ge- 
maakt uit z'n vlees) was een rond vlak, bespeeld door de 
grote wereldzee (uit Ymir's bloed). De bergen werden gemaakt 
uit z*n beenderen, de bomen uit 'z'n haren, uit zijn schedel 
het hemeldak, terwijl de wolken werden vervaardigd van zijn 
hersenen en uit z'n wimpers Midgardr^ wat doelt op een 
beschermende omheining, wellicht een woudgordel, die de 
aardschyf omgaf. Van de vonken uit Müspelheimr maakten 
de Goden de hemellichten. Zij regelden de afwisseling van 
dag en nacht en ook van de jaaigetijden. Nu bouwden zij 
ook voor zichzelf een woning, Asgardr^ met de aarde verbon- 
den door de brug Bifrost (de regenboog). Wanneer nu boven- 
dien noch enkele malen van Jötunnheimr (de reuzenwereld) 
of van Alfheimr (de Alfenwereld j gesproken wordt, dan wordt 
daarmee slechts de verblijfplaats van deze wezens bedoeld. 
Van een bepaalde werdd zoals Asgardr en Midgardr is geen 
sprake. (Qolther S. 519j *)• Verder schiepen de Goden uit de 
maden, die in Ymirs vlees ontstaan waren, de dwergen en 
ook bezielden zij een boomstam, of volgens andere opvatting 
een houten mensenbeeld, zodat de eerste twee mensen ont- 
stonden. 

In Asgardr bevinden zich twaalf burchten (zie Aantekening 
10, 12 en 13) die alle worden genoemd en beschreven in 
Grimnismö>l (lied van Grimnir, het tweede lied van de 
Oudere Edda). 

Fret/r is een van de Fanen-goden, die later onder de Asen- 



1) Hy deze Aantekeningen is door mij gebruik gemaakt van Handbuch der 
gtrmaiméhen Mythologie von Wolfgang Golther, Leipzig. 1895 en van 
De Godsdienst der oude Noormannen door Dr. L. P. S. M e y b o o m. Bij ver- 
schil van mening is het eerste werk met z*n nieuwere opvattingen gevolgd. 



58 Jacob Ek. 



goden werden opgenomen. Zij werden na volksverhuizingen 
overgenomen door andere stammen, die dan van hun eigen 
goden enige lieten wegvallen *). Freyr was onder de Vanen- 
goden de Heer der Goden als Odin onder de Asen. Hij was 
de gever van rijke oogsten, van goede visvangst en van 
vrede, had macht over regen en zonneschyn, dus ook over 
de vruchtbaarheid van de aarde en was schoon van aange- 
zicht. Door Odin werd hij aangesteld als een der twaalf rech- 
ters, die over het lot der mensen moesten beslissen en waken 
voor de naleving der inzettingen van Asgardr. Zij zetelden 
in het midden hiervan op het Idavdd^ waar zij de burcht 
Glddsheimr bouwden. Hij was zo bemind, dat geen der Asen 
enige wrok tegen hem had enz. Vooral werd hij vereerd door 
de Zweden. Hoe hij zijn echtgenoot Gerdr verkreeg, wordt 
verhaald in SUmisfor^ de tocht van Freyr's dienaar Skirnir, 
(de blinkende, vrolike) om haar ten huwelik te vragen: 

Eens had Freyr zich op Hlidskjé,lf (zie Aant. 11) gezet en 
overzag van daar de gehele wereld. Toen bemerkte hij een 
reuzendochter, die hem door haar schoonheid zo bekoorde, 
dat hij niet rustte voor hij haar tot vrouw had. Toen zond 
hij zijn dienaar Skirnir, om haar toestemming te verkrijgen 
en na enige wederwaardigheden gelukte dit. Door deze ver- 
bintenis werd Gerdr onder de Asen opgenomen. Golther 
(S. 236) voegt hierbij, dat dit gedicht tot grondslag heeft de 
mythe van het verbond tussen de Lichtgod en de vruchtbare 
aarde, de zege van het Licht over het Donker, van de Lente 
over de Winter, zonder zich echter te wagen aan een gede- 
tailleerde natuur symboliese verklaring als Dr. Meyboom 
geeft (pag. 115-117). A. S. C. Wallis heeft deze sage 



1) De Vanen zijn een glanzend, licht geslacht, hebben met vrede en rijkdom 
te maken en zijn dus in wezen onderscheiden van de krijgszuchtige Asen (Golther 
S. 220). 

Dat dit overnemen niet spoedig of gemakkelik ging, wordt bewezen door de 
sage van de Vanenhrijgt die het voorstelt alsof Asen en Vanen met elkaar 
kampten om de zege, wat tot een vergelyk leidde, volgens hetwelk Asen en Vanen 
gezamenlik zouden regeren (Golther S. 222). 



Dr. Schepers' Bragi. 59 



vrij bewerkt in haar „Gerda'\ Ook daar heeft Freyr van 
Wodan's hoogzetel Gerda aanschouwd, maar om bij haar te 
komen zijn zwaard, dat goden en mensen tegen de reuzen 
beschermen moest aan Surtur, de aanvoerder der reuzen, 
afgestaan. Nu krijgen deze volgens Wodan's waarschuwing 
macht over de mensen, die tot nu toe geen dood of strijd, 
haat of hartstocht of liefde hadden gekend. Door Freyr's daad 
zal dit alles over hen gebracht worden. Gerda kan het ver- 
hinderen, indien zij Freyr wil vergeten, maar zij kiest liever 
Freyr's liefde boven „Midgard's onbewogen kalm bestaan". 

2) Vs. 63. F r e y a is evenals haar broeder Freyr een van 
de Vanen. Zij is de schoonste van alle vrouwelike goden 
(Asyniön). Haar woning in de hemel heet Fólkvdngr d. i. veld 
waarop scharen volks vergaderen. Dit zijn waarschijnlik de 
talrijke gesnöuvelden, waarvan de helft aan haar, de andere 
helft aan Odin kwam {Grimnismdl^ strofe 14. Zie verder Aant. 
32). Zij is onder de Vanengoden de hoogste vrouwelike Godin, 
wat Frigg was onder de Asen. Vele sagen, die oorspronkelik 
op Frigg betrekking hadden, zijn later op Freya overgedragen, 
toen deze meer op de voorgrond kwam (Golther S. 438). 

Als godin van de vruchtbare aarde werd zij tevens de 
godin van de vruchtbaarheid en van de liefde. Daarom is het 
goed haar aan te roepen in liefdezaken. 

3) Pag. 3 VS. 23-24. Dit slaat op pag. 2 vs. 21 -22. Bragi 
scheen dus niet te weten van wie die zang kwam? 

4) Pag. 4 VS. 9. Brummds^ braambessen. 

5) Pag. 4 VS. 14. Noch was in Midgard^s rijk geen eeuwge 
vree. De Oudere en de Jongere Edda bevatten evenals de bijbel 
een schildering van een nieuwe wereld. De Föluspd (in de 
O. E.) en Gylfaginning (in de J. E.) beschrijven beide, maar 
het laatst uitvoeriger, ragnarökr (d. i. verduistering der tijden), 
wanneer broeders elkander zullen doden, zon en maan zullen 
verdwijnen. Dan zal de aarde zo beven, dat de bomen ont- 
wortelen en alle bergen instorten. Het vuur, de zee en een 
verstijvende koude zullen de aarde teisteren en mensen en 



60 Jacob £k. 



goden moeten vallen voor het woeden der elementen. Alleen 
twee mensen : lAf (het leven,) en Leiflkrctsir (de levenskracht) 
en de goden: Vidar (de lente) en Fcdi (de woudgroei) zullen 
het werdddrama overleven. Dan zal een nieuwe, betere aarde 
uit de golven oprijzen, bevolkt worden en zal een jonger, 
reiner geslacht van goden heersen (Golther S. 586). Reuzen 
en gevaarlike monsters brengen dan niet meer als vroeger 
gevaar aan mensen en goden. Ook is er eeuwige vrede^ want 
de arend, die vroeger boven de slagvelden aasde op lijken, 
zweeft nu boven de zee en voedt zich met vis. 

6) Pag. 4 VS. 15. Wcdkyren (Valkyriur) zijn zowel hemelse 
als aardse maagden, die de Vai (die in de slag vallen) in ont- 
vangst nemen en naar Walhalla brengen (Zie Aant. 10). Later 
ging men ze zich voorstellen als onzichtbaar deelnemende aan 
de strijd en aan vrienden raad gevend, hoe die de overwinning 
konden behalen. Haar taak en kenmerken verder uitvoerig 
beschreven in nBragi'' I pag. 4 vs. 15—17; pag. 22 vs. 8 tot 
pag. 9 VS. 18; pag. 88 vs. 7 — 17; pag. 40 vs. 14 tot pag. 41 
VS. 19; pag. 43 vs. 28 tot pag. 44 vs. 13; pag. 50 vs. 1 tot 18. 

H i 1 d a (Hildr) die in „ BragV' voorkomt, is de Valkyrië, 
die het meest wordt genoemd. Haar naam beteekent gevecht. 

7) Pag. 5 VS. 1 en vervolgens. Het sprookje van Bragi's 
afkomst. Dit is waarschijnlik een omwerking van wat voor- 
komt in het gedicht Havamdl en uitvoeriger in Brc^gdrodur^ 
daemisaga 57, 58. In dit laatste stuk vertelt Bragi, hoe de 
dichtkunst ontstaan is: 

De goden leefden in vijandschap met het volk der Vanen, 
maar wensten vrede. Die werd gesloten, op voorwaarde, dat 
allen hun speeksel in een vaas zouden doen. De Goden be- 
waarden dit vredesteken, maar schiepen er uit vrees dat het 
anders verloren mocht gaan een man uit, Kvèsir, die zo 
wijs was, dat hij alle vragen kon beantwoorden. Twee dwer- 
gen die hem eens bij zich nodigden, doodden hem, vingen z'n 
bloed op, vermengden dat met honing en zo ontstond een 
drank, die ieder als hij er van drinkt, tot een dichter of tot 



Dr. Schepers^ Bragi. 61 



een zeer kundig man maakt. Aan de Goden lieten zij weten, 
dat KvAsir in z'n wijsheid gestikt was. Maar toen zij- later 
eens in doodsgevaar verkeerden, beloofden zij de drank aan 
de bergreus S u 1 1 u n g r, die hun bedreigde, mits hij ze in 
't leven liet. Suttungr verborg hem in. een rots en plaatste 
er zijn dochter Gunlod als wachtster bij. De Goden wilden 
nu gaarne deze drank in hun bezit hebben. Wodan begaf 
zich onder een vreemde naam naar een broeder van Suttungr 
en wist na allerlei wederwaardigheden, die wij hier weglaten, 
te verkrijgen, dat die hem zou helpen het begeerde machtig 
te worden. Wel beproefde hij noch Wodan te bedriegen, maar 
dit lukte niet en eindelik was er dan toch een gat in de rots 
geboord, waar Gunlod verbleef. Wodan veranderde zich in een 
slang, kroop naar binnen, bracht drie nachten met haar door 
en verkreeg haar toestemming om drie teugen te nemen, 
waarin hij echter alles opdronk. Toen vloog hij in de gedaante 
van een arend zo snel mogelik naar de Asen, die in de hof 
hun vaten brachten, waarin hij de drank uitwierp. Bijna noch 
had Suttungr, die ook als 'n arend Wodan vervolgde, hem 
ingehaald, zodat hij van benauwdheid een gedeelte van ach- 
teren loosde. 

Dit was van weinig waarde en wordt het deel der slechte 
dichters genoemd. Wodan gaf nu van de drank aan allen die 
geen verzen wisten te schrijven en zo heet de dichtkunst de 
winst van Wodan. 

Ook vermeldt Havamél strofe 110, dat hij na zijn vertrek 
uit de rots, Gunlod aan haar harteeer overliet. Van deze inge- 
wikkelde geschiedenis heeft dr. Schepers een mooi, eenvoudig 
sprookje gemaakt. 

8) Pag. 7 VS. 7. Wodan (Odinn), de oppergod, heeft 
macht over alle dingen. De andere goden dienen hem als kin- 
deren hun vader. Daarom heet hij Aüfödr (vader der goden). 
Hij heeft niet minder dan 199 namen, die elk herinneren aan 
verschillende mythen, waarin hij optreedt, of aan zijn onder- 
scheidene vermogens, b. v* Hlifreyr (heer der zee), Jörmunr 



62 Jacob Ek. 



(de vriend der aarde), Geirtyr (de god met de spies), Rünhofdi 
(de uitvinder der runen) enz. enz. Zie verder Aant. 9, 11, 
51, 53 en 56. 

9) Pag. 7 VS. 14. Wodan*8 speer (Gungnir) was door de 
dwergen gemaakt en bezat de eigenschap, dat ieder moest 
sterven over wie hij geworpen werd. Wodan leende dit attri- 
buut ook uit aan helden; wie er mee werpt, behaalt altijd 
de overwinning. 

10) P^. 7 VS. 19. WdthdOa (Valhöll) is een zaal in Glads- 
heimr, een van de twaalf hemelburchten en van goud ver- 
vaardigd, voorzien van 540 deuren, uit elk waarvan in de 
grote strijd, die ragna/t ökr voorafgaat, 800 helden te voorschijn 
treden, die dan alle zullen bezwijken. Deze helden, Einherjar, 
worden dageliks door Wodan onthaald. Behalve uit eten en 
drinken bestaat hun bezigheid uit de jacht en onderling ge- 
vecht. Wie dan gedood wordt, herleeft tegen het middageten. 
(Zie verder „BragV I pag. 42 vs. 3—15 en pag. 103vs. 3— 5. 
In dit laatste wordt natuurlik gesproken van de dagdïkse strijd). 

11) Pag. 10 VS. 15. Wodan' 8 troon. In Valaskjdlf^ een van 
de hemelburchten, is Wodan's verblijf. Daar staat zijn hoog- 
zetel Hlidskjdlf (Op 'n andere plaats in de Edda wordt even- 
wel die zetel het hoogste punt van Asgardr genoemd). Van- 
daar overziet hij de gehele wereld. Op z'n schouders zitten 
twee raven, die hij elke morgen uitzendt om de wereld rond 
te vliegen, 's Middags keren zij terug en melden hem wat zij 
zagen. Daarom heet hij ook de ravengod en zo komt hij alles 
te weten. Zie jjBragV' I pag. 85 bovenaan. 

12) Pag. 10 onderaan. Bonar (donder, noords Thor) is de 
sterkste van alle goden en mensen en bewoont de hemel- 
burcht Thrudheimr (het verblijf der kracht) waarin zijn paleis, 
dat BüsUmir (= van tijd tot tijd flikkerend) heet. Hij bezit de 
hamer Mjölnir (verbrij zelaar) die o. a. de eigenschap bezit om 
altijd te treffen en van zelve in de hand van z'n eigenaar terug 
te keren, maar ook gebruikt werd om bruidsparen te wijden 
en de echt te voltrekken. (Zie „Bragi" I pag. 80 vs. 3). Dan 



Dr. Schepers' Bragi. 



63 



werd hij de bruid in de schoot gelegd. — Ook heeft Thorr 
een gordd^ die z'n kracht verdubbelt als hij hem omdoet, en 
een paar handschoenen^ die hij niet missen kan om z'n hamer 
te slingeren en die hem tevens in staat stellen, alle voor- 
werpen die naar hem geworpen worden, terug te slingeren. 
Zijn werk bestaat daarin, dat hij de bewoonde aarde en het 
rijk der Goden door strijd tegen de Thursen moet bescher- 
men, zodat hij dan ook hun grootste schrik is en een vriend 
en weldoener van Asen en mensen. 

Na ragnaröhr keert Thorr niet in de nieuwe wereld terug, 
omdat daar aan een bestrijder van Jötunns geen behoefte 
meer is. Maar wel vinden we daar zijn beide zonen, Magni 
en Modi, die Thorr 's kracht verbeelden. 

Als het onweert, rijdt Thorr in een kar getrokken door 
twee bokken. Een kar rijdend op een harde weg geeft een 
rammelend geluid; de grauwe kleur van onweerswolken her- 
innert aan de dikwels grauwe haren van de bok. Aan deze 
verklaring beantwoordt pag. 10 vs. 21 vervolgg. 



De reuzen, de vijanden der 
goden, beproeven Walhalla te 
bestormen en stapelen daartoe 
wolken op elkaar. 

Plotseling flitst Thorr's ha- 
mer tussen de reuzen en hun 
wolkenburcht zakt knetterend 
in elkaar. 



Wilde, donkere wolken ko- 
men opzetten en dreigen de 
blauwe hemel te bedekken. 

Plotseling flikkeren de blik- 
semstralen, het onweer dreunt, 
maar de bui drijft af. 



De reuzen personifiëren de ruwe, ongetemde natuurkrachten, 
die bij de mens angst en schrik verwekken. Zij trachten naar 
omkering en verstoring van de wereldorde en zijn dus de 
vijanden van de mensen, die de aarde bewoonbaar pogen te 
maken, zowel als van de goden, die haar opbouwden. Zij zijn 
de demonen van de koude winter, van het eeuwige ijs, van 
de onbewoonbire rotsige gebergten, van de stormwind, van 
het onweer en de wilde zee. (Golther S. 159). 



64 Jacob £k. 



13) Pag. 11 VS. 8. Bolder^ de zonnegod, is de zoon van 
Wodan en Frigg (over wie in Aant. 46). Hij is de wijste, 
welsprekendste en zachtmoedigste van alle Aisen. Hy bewoont 
de hemelburcht Breidablik (^ uitgebreide, schitterende glans), 
waar niets onreins geduld wordt. Slechts een mythe is van 
hem bekend, die van z'n dood, waarover later bij het Derde 
Boek van „BragV\ (Zie Inleiding X), 

14) Pag. 12 VS. 3. Ik ken er geen. Hier bij te denken: 
Die nw cd geschikt is. Wat Wodan hier zegt is een uitvloeisel 
van zijn mijmering aan het ven. Zie pag. 7 vs. 14—21. 

15) Pag. 16. Bragfs lied. De noordse dichters schreven oor- 
spronkelik versregels van acht voeten, die later in halve 
regels werden gesplitst. In elk van die halve regels beginnen 
de Ie, 2e en 3e met dezelfde letter en evenzo de 5e, 6e en 
7e voetmaat (soms ook de Ie, 2e en 3e en de 7e en 8e). 

Schrijven we nu Bragi's zang (pag, 16) in verzen van vier 
voeten, dan vindt men hier inderdaad de eerstgenoemde 
allitteratie. 

Zonnelicht zweeft gezeefd door de spirren; 
Glé.d van gUnzen glimt het vén. 

't Blauw met de bolle blinkende wolken 
Rimpelt in 't rietomruiste ven, etc. 

Zo ook later in Hüda en Qerda^ in Bragi's krijgszang, die 
reeds in viervoetige verzen geschreven staat: 

ll[é.nnen nu moed! morgen de zége. 
D'üchtend geeft dood of donder van vréugd, 

'En heldenziel heeft Walhalla gaarne 
Zwaanmaagden zweven zoekend omlaag, etc. 

Afwijkingen komen een enkele maal voor, maar dat is in 
de Edda eveneens 't geval. Op te merken valt noch, dat in 
't oud-noords de v en w gelijk werden uitgesproken en dus 
allittereerden. Ook alle klinkers doen dit laatste. 



Dr. Schepers' Bragi. 65 



16) Pag. 17 VS. 5. fl»7 = hoogte. 

17) Pag. 17 VS. 93. Idunn^ de vrouw van Bragi. Haar naam 
betekent vernieuwing, verjonging. Zij bewaarde de appelen, 
waarvan de Qoden gebruiken moesten, als zij begonnen te 
verouderen. Daarvan werden zij weder jong en zo zal het 
blijven tot hun ondergang. 

18) Pag. 21 VS. 16. Saga^ een van de Asyniën, die een door 
koele bronnen omruiste woning heeft en met Wodan dageliks 
uit gouden schalen drinkt. Mischien een pendant van Mimir 
(Golther S. 435). Over Mimir zie Aant. 56. Sagen over deze 
godin ontbreken. 

19) Pag. 23 VS. 21. Micbfomerfeest. Er bestonden bij de Noor- 
mannen drie zomeroflfers. Het eerste tegen de tijd dat de 
zomer kwam, de 1^ dag van de 6^ maand (22 April. Het jaar 
begon omstreeks 23 November); er werd dan geofferd om een 
goed jaar en gelukkige ondernemingen; het tweede op de 1^ 
dag van de 7© maand en het derde op de 1^ dag van de 8© 
maand (midzomeroflfer). Dan offerde men voor overwinning 
op de vijanden of voor vrede. 

20) Pag. 23 VS. 22. Del (delle, delling) een laagte, vallei, 
't Is een afleiding van dal. 

21) Pag. 26 VS. 11. Daar zag ze Bragi komen: j^O^ tot haar T 
juichte haar ganse eid. = Zij ziet Bragi komen en meent vol 
blijdschap, dat hij tot haar komt. 

22) Pag. 31 VS. 4. Broeder. Immers Balder en Bragi zijn 
beiden zonen van Wodan. 

23) Pag. 31 VS. 9. J^anrha. Tussen Baldr en zijn vrouw 
Nanna bestond grote liefde. Toen zijn lijk op de brandstapel 
gelegd werd, stierf zij van smart. 

Lettende op die grote liefde, kan van zijn leed om haar 
(vs. 9) gesproken worden, als van het liefdeleed, toen zij noch 
niet z'n vrouw was, evenals nu Bragi Idoena noch niet tot 
vrouw heeft. 

24) Pag. 32. Gastvrijheid. Het Hdvamdl (d. i. het lied van 
de Hoge n.1. Wodan), een spreukdicht, bestaat uit drie ge- 

T. EM L. XII. 5 



66 Jacob £k. 



deelten, waarvan het tweede raadgevingen van Wodan bevat, 
waaronder met betrekking tot de gastvrijheid: 

Heil de gever 1 De gast is gekomen. Waar zal hy zitten? 
Buiten adem is hij, die op weg zijn zaken moet doen. (Die 
Edda^ ai4s dem AUnordischen wm Hans von WoUtogen^ Leipzig^ 
Beclam^ pag. 190). 

Warmte behoeft, wie van de reis komt met verkleumde 
knieën. Verkwik zo met klederen als kost de reiziger, die 
over 't gebergte trok. (id. id.). 

Wie gastvrijheid zoekt, heeft water nodig en een handdoek, 
ook vriendelike uitnodiging. Door goede behandeling verwerft 
men van de gast goede dank en vergelding, (id. id.). 

Vaar niet uit tegen de reizende en wijs hem de deur niet. 
Geef de behoeftige gaarne (id. pag. 187). 

Bespot en hoon de vreemdeling en de reizende niet. Wie 
thuis zit weet zelden hoe edel bij is, die binnentreedt (id. id.). 

25) Pag. 33 VS. 23 vervolgg. Zie die scherpe ontleding van 
de liefde, die Bragi nu ziet en die hij al kende! 

Pag. 40 VS. 17. Zie Aant. 11. 

26) Pag. 41 VS. 2. Levensdraad. Van de drie Nomir stelt 
ürdr het verledene voor, Sktdd . het tegenwoordige en Verdandi 
het toekomende. Zij draaien en knopen draden, die het lot 
verbeelden. Zij zijn opgevoed bij de reuzen, m. a. w. ouder 
dan de Goden (zie Aant. 1), waarin dan tevens ligt opgeslo* 
ten, dat ook de Goden aan het noodlot onderworpen zijn. Dit 
wordt niet door de Nornen gemèAkt. Zij wéten het alleen 
vooruit en verkondigen het Zo is de voorstelling in Ae goden- 
liederen van de Oudere Edda. De Jongere Edda en de heiden- 
liederen der O. E., die van jonger datum zijn, spreken van 
goede en boze en van meer dan drie Nornen. Ten getale van 
drie verschenen zij of werden zij geraadpleegd bij de geboorte 
van een kind. (Zie b. v. de aanvang van de eerste Edgakvida^ 
Bk Edda^ pag. 245). Twee ervan voorspelden dan allerlei 
goeds, maar één, de jongste, kondigde kwaad aan, bijna altijd 
een vroege dood. Een van de Nornen möèt wel van de dood 



Dr. Schepers* Bragi. 67 



spreken en dat moest de jongste zijn, die noch het verledene, 
noch het tegenwoordige, maar de toekomst voorstelt. Aldus 
werd zij een boze Norne. 

27) Pag. 41 VS. 21. AJcst, zware bijl. 

28) Pag. 46 VS. 10. Kienhaut^ het hout dat men in het veen 
vindt als overblijfsel van vroegere bomen. 

29) Pag. 47 VS. 23. Baider's blij ontwaken. Balder ontwaakt, 
als de zon na de lange winternacht weer zichtbaar wordt. 

30) Pag. 47 VS. 24. Zonnepaar = Balder en Nanna. 

31) Pag. 48 VS. 4. Midwinterfeest Evenals bij het zomeroffer 
werden ook drie winteroffers gehouden, ofschoon oorspronke- 
lik alleen het midwinterfeest heeft bestaan. 

Het eerste hield men in 't laatst van Oktober, tegen de 
winter om een goed jaar. Het heette ook herfstoffer. 

Het tweede viel in 't laatst van November en het derde 
op midwinter, de 15^ dag van de 2^ maand. 

In de oudnoordse kalender, die dr. Meyboom in zijn 
werk geeft (pag. 589 — 597) staat het aangegeven als voor het 
jaar 1868 vallende op 24 Januarie. Het ergste van de win- 
ter was dan voorbij; men begon weer aan lente en land- 
bouw te denken en offerde daarom voor een goede oogst. — 
Dit zijn alle feesten van de Asendienaars. Van de Vanen ver- 
eerders helDben zij overgenomen het Joelfeest (23 Desember). 
Die dag begint de zon weer te klimmen en vierde men het 
geboortefeest van Preyr (zie Aant. 1). Koning Olaf Tryggve- 
son (995) bepaalde de aanvang van het Joelfeest op de dag 
dag van het christelik kersfeest. 

32) Pag. 50 VS. 2. Helheimr is het verblijf van Hel. Oor- 
spronkelik was dit de verblijfplaats van alle gestorvenen en 
was Hel de algemene doodsgodin. De oorlogzuchtige geest der 
Noormannen bracht echter mee, dat zij de dood door de strijd 
voor vererender, voor manneliker hielden en de gesneuvelden 
daarom niet meer in 't lot van alle gestorvenen lieten delen, 
maar ze een plaats gaven bij Freya (de helft), bij Wodan 
(de helft), bij Thor (de knechten). Verder kwamen wie ver- 



68 Jacob £k. 



dronken en die men zich moeielik denken kon als opgenomen 
in de donkere onderaardse verblijven van Hel — aan Ran, 
die in het diepst der zee woont, zodat alleen de strodood, 
het sterven op bed, de mens naar Hel bracht: — Onder in- 
vloed van het christendom is zij overgegaan in de verschrik- 
kende, half zwarte, half vleeskleurige hellekoningin. 

33) Pag. 50 VS. 1-3. Zie Aant. 6. Alleen deze Valkyriür 
van èè,rdse afkomst, schijnen het vermogen gehad te hebben, 
om een zwanekleed aan en uit te trekken. Zij vertoefden 
gaarne aan de oever van een meer. 

34) Pag. 51 VS. 8 — 10. Bragi ontdekt aan de oude Sigyna 
z'n afkomst. Wodan is zijn vader, hoort ze. Nu volgt uit 
haar mond niet een lange uitroep, vol emphase op dit thema : 
„Wodan, hij, de grote God, die dit en dat kan of deed. Is 
diè uw veder!" Neen, heel eenvoudig, maar natuurgetrouw 
schildert dr. Schepers: 

Als voor de Godheid zelve glansde 'en trek 
Van deemoed over de oude rimpels heen 
Bij 't vrouwtje: „Wodan T prevelde zij stil^ 
De hinden^ triUend van de ouderdom^ 
Saamvouwend. 

Dergelijke schoonheden, zoals het gecursiveerde in deze 
verzen, komen herhaaldelik voor en geven aan het werk 
het karakter van een eerlike en geslaagde poging om wè^r 
te blijven. 

35) Pag. 52 VS. 8. Spinfeest^ zie pag. 46 vs. 9 vervolgg. 

36) Pag. 71 VS. 22. Voor = bij. Zie pag. 72 vs. 13. 

37) Pag. 75 VS. 1. Priesterdorpshoofd. Ten gevolge van het 
verband tussen rechtspleging en eredienst werd de betrekking 
van priester, hoewel in 't begin onafhankelik van die van 
burgerlik opperhoofd, langzamerhand met deze laatste verenigd. 

38) Pag. 79 VS. 23. Dagge: Dolk of ponjaard. 

39) Pag. 80 VS. 3. Donar's hamer. Zie Aant. 12. 



Dr. Schepers' £ragi. 69 



40) Pag. 80 VS. 7. Brinkvéld. Met gras bedekt veld in de 
kom van het dorp. 

41) Pag. 85 VS. 1. Twee raven. Zie Aant. 11. 

42) Pag. 86 VS. 8. Zwaarder woog Wodan Noodlofs wet. De 
goden zijn niet de hooigste machten. Dit ligt al opgesloten 
in wat wij in vorige Aantekeningen meedeelden. De goden 
zijn geboren ; een wereld van reuzen ging hun vooraf en 
eenmaal zullen zij te gronde gaan (ragnarökr). Het Noodlot, 
verkondigd door de Nornir, bepaalde hun lot zo goed als dat 
der mensen. 

48) Pag. 90 VS. 18. Tiu (Tyr). De meningen over deze God 
verschillen sterk. Dr. Meyboom (pag. 323) meent, dat hij 
de jonge maan vóór het eerste kwartier verpersoonlikt. (In 
het hierbedoelde vs. 13 staat ook jonkheid). Hij is een blin- 
kende lichtende godheid, zoon van Hymir (de zee waaruit de 
maan oprijst). Golther (S. 360) noemt hem de god van 
het daglicht in 't algemeen, zoon van Hymir^ die oostwaarts 
over de stormachtige golven aan de hemelrand woont (de dag 
stijgt in 't oosten uit de wateren op (S. 211). Hij was een 
van de door Wodan aangestelde rechters en gold voor sterk 
en zeer wijs. Zijn naam werd geschreven met een rune, die 
wij T. noemen en die de vorm van een pijlpunt had. 

44) Pag. 90 VS. 13. OUer (de wollige, naar het wollig voor- 
komen van de sneeuw) is de god van het lichte gedeelte van 
de winter. Ook hij behoorde tot de twaalf rechters op het 
Idaveld en had onder de goden een hooge rang. Hij verving 
Wodan, als die afwezig was. Volgens Golther (S. 390) 
betekent zijn naam: der Herrliche, der Majestatische. 

45) Pag. 90 VS. 15. Niord, een van de Vanengoden, 
vader van Freyr en Freya (Zie Aant. 1 en 2) is de god van 
de open, bevaarbare zee. Hij heet de rijke, gevende god, om- 
dat uit zee veel komt, wat de mensen nuttig is en wordt 
zeer vereerd door vissers en schippers. Na z'n opneming onder 
de Asen, huwde hij met de reuzin Skadi (= vermindering, n.1. 
van het ijs en van de winterstormen), die onder de goden 



70 Jacob Ek. 



werd opgenomen om haar te verzoenen wegens het doden 
van haar vader T j a z i (Zie later bij het Tweede Boek van 
„Bragi". Zie Inleiding IX). 

46) Pag. 90 VS. 20. F r i g g is Wodan's gemalin. Met hem 
deelt zij de hoogzetel Hlidskjé.lf (Zie Aant. 11). Zij is de 
personificatie van de vruchtdragende aarde. 

47) Pag. 91 VS. 5 Héldenhuis; pag. 92 vs. 8 maagdenhuis. 
Zo helden als maagden bewonen Valhöl (M e ij b o o m, pag. 
282 en pag. 214). De helft der gevallen helden, dieaanFreya 
komt (zie Aant. 32) bewoont de zaal Vingólf, de verblijf- 
plaats der Godinnen. 

48) Pag. 91 VS. 20. De yle. Zie pag. 86 vs. 24. 

49) Pag. 92 VS. 17. Hier achter te voegen: aan Wodan. 
Zie pag. 93 vs. 14. 

50) Pag. 92 onderaan en vervolgg. Lang noch zwegen allen 
toen Wodan's lied geëindigd was. Ze bleven zwijgen^ totdat een 
zacht gesuis, naderend en aanzwellend tot een donderend ge- 
juich, Walhalla gè.ns vervulde. De crescendo en de decres- 
cendo in de volgende regels zijn mooi gevoeld. 

51) Pag. 93 VS. 14. Mijn kunst = Wodan's kunst. De geest- 
drift en de kunst der Skalden waren afkomstig van Wodan. 
Een van z'n namen is Urostdhümir^ bierverschaffer. Hij is dus 
de God die de dichter in 't bezit stelde van de drank waar- 
door de geestdrift, oorsprong van 't gezang, in hem moet 
worden opgewekt. Hij is dus ook de vader van het gezang 
(Ocddarsfadir). 

62) Pag. 96 bovenaan. Hier wordt gedoeld op de grote strijd, 
die aan ragnarökr voorafgaat. In de Föluspd — het orakel der 
Vala, de zieneres, waarin de ganse geschiedenis van wereld, 
goden en mensen is samengevat en waarin vooral de toe- 
komst wordt geschilderd — vindt men echter Bragi's naam 
niet in verband met die strijd genoemd, terwijl in Gylfagin- 
ning^ dat uitvoerig van ragnarökr spreekt, alleen vermeld 
staat, dat de god Heimddllr vóór de strijd op zijn bazuin, 
OjaUarhom^ blaast, die door de gehele wereld gehoord wordt 



Dr. Schepers' Bragi. 71 



en waarmee hij de goden ter vergadering roe^t {Grylfaginning^ 
daemisage 61). 

53) Pag. 96 VS. 15. Ifodan's haardig hoofd. Hdrbardr^ de 
baardige; Orani^ de langbaardige ; Hrosskarsgnmi^ de paarde- 
haarbas^-dige zjjn namen, die op Wodan's lange haren wvjzen. 

84) Pag. 97 onderaan. Hieruit spreekt de vrees voor de 
stroodood. (Zie Aant. 31). 

55) Pag. 100 VS. 18— 20* Zou ijverzucht je hartje niet ver- 
teren als firagi gelukkig was^ (maar) zonder jou en als (ter* 
wijl) z'n oog een andere vrouw toeblonk? 

56) Pag» 101 onderaan. Een goedig man met groie zwarte hoed. 
Wanneer van een verschijning van Wodan gesproken wordt, 
dan zijn z'n kenmerken een lage hoed (een van zijn namen is 
Sidhatir^ de god met de lage hoed,) een speer (Zie Aant. 9), 
een blauwe mantel en één oog. Van dit laatste spreekt het laat- 
ste vers van pag^ 101. 

Het andere oog had Wodan moeten afstaan aan de water- 
reus Mhnir (die de binnenwateren beheerscht en zeer wijs 
was) voor een dronk uit diens bron, waardoor hij een déel 
van z\in kennis kon krijgen. Immers: de reuzen zijn ouder, 
weten dus meer, dan de goden. Is nu Wodan's oog de zon, 
dan is het weggegevene het spiegelbeeld van de zon in de 
zee. Dit is volgens Golther (S. 347 — 848) tot noch toe de 
beste verklaring. 

57) Pag. 103 VS. 5. Honderden van deuren. (Zie Aant. 10). 

58) Pag. 103 VS. 7. De Werddboom (Yggdrasill = drager van 
Yggr, d. i. Wodan, waarschijnlik omdat zijn hoogzetel moet 
worden opgevat als de hoogste top van de wereldes (dr. M e y- 
boom, pag. 267). Hij is de grootste en beste van alle bomen. 
Zijn takken breiden zich ver over de wereld uit en reiken 
tot in de hemel. Drie wortels, die ver uiteenlopen, houden 
hem staande: de ene boven Hel, de andere boven de Hrim- 
thursen en de derde boven de mensen, zodat al wat op en 
onder de aarde is, zich onder zijn wortels bevindt, terwijl zijn 
stam opwaarts gaat en zijn kruin tot in de hemel reikt. Hij 



72 Jacob £k, Dr. Schepers' Bragi. 

wuift dus over de hele wereld en voedt en zegent goden, 
reuzen en mensen. Bij elke wortel is een bron. Bij die boven 
Hel ligt de bron Hvergdmir^ de oorsprong van al het bestaande, 
die er reeds was vöör de goden of reuzen. Een draak en vele 
wormen knagen daar aan de boom en zullen hem eenmaal 
doden. Bij de tweede wortel ligt de bron van Mimir (Zie 
Aant. 56) en onder de laatste wortel ligt de heilige bron van 
Urdr, waar de goden dageliks hun vergadering houden, als 
zij over de brug Bifröst (Zie Aant. 1) uit de hemel gereden 
zijn. Ook de Nornir (Zie Aant. 25) verblijven hier en besproeien 
de wortel met het water uit deze bron, opdat hij niet zal 
sterven. — De betekenis, die men aan de Yggdrasill heeft 
gegeven, is dat men hem opvat als een voorstelling van de 
gehele wereld. Hij is ontsproten uit ver in het verledene 
schuilende machten (de eerste bron), die echter ook zijn onder- 
gang zullen bewerken (de draak en de wormen). Dat verleden 
ligt buiten het bereik van iemands kennis. Dit is niet het 
geval met een minder oud verleden, (Mimir's bron) waarvan 
men veel door onderzoek en nadenken kan te weten komen 
(ook Wodan ging tot Mimir). Maar de tijd dat er mensenen 
goden bestonden, die onderworpen zijn aan de uitspraken van 
het Noodlot, is van het allerhoogste belang. 

Q-olther (S. 530 — 531) ziet verband tussen de voorstel- 
lingen, die met Yggdrasill en die welke in de middeleeuwen 
met de Kruisboom samenhangen. Hij meent, dat Yggdrasill 
onder inwerking der Kruissage (waarover J. Koopmans 
in T. en L. VH pag. 321 — 337) is ontstaan en in de Vikin- 
gertijd over Engeland tot de Noormannen is gekomen. 

59) Pag. 103 VS. 18 — 20. Dit ziet op ragnarökr. 

Dordrecht. Jacob Ek. 



► 



DE „PRIJSVRAAG" VAN DE NEDERDUYTSCHE 



n 



ACADEMIE (1630). 



Er zijn weinig jaren in onze Nederlandsche geschiedenis 
aan te wijzen, waarin zooveel pamfletten en twistschriften 
verschenen als in 1630. Men behoeft de catalogi van Muller, 
Meulman, Petit en Knuttel slechts in te zien, om hiervan 
onmiddellijk overtuigd te worden. Onder al die dagvlinders 
is er geen enkele, die zooveel voor- en tegenstanders naar de 
pen heeft doen grijpen als de vermaarde „prijsvraag" van de 
Academie. Omtrent de ware toedracht van zaken is nog wel 
het een en ander te melden, dat belangrijk geacht kan worden. 

In korte trekken wensch ik te herinneren aan eenige fei- 
ten, die elders breedvoeriger verhaald zijn *). 

Na den dood van Prins Maurits werden de Remonstranten, 
zooals bekend is, langzamerhand met meer verdraagzaamheid 
behandeld; inzonderheid te Amsterdam, waar de vroedschap 
op hunne hand was, werden hunne vergaderingen oogluikend 
toegelaten. Dit was niet naar den zin der orthodoxe predi- 
kanten Ad. Smout, Triglandus, Cloppenburg en hun aanhang, 
die alle mogelijke moeite deden, om het stadsbestuur tot 
strenger maatregelen tegenover de Arminianen te bewegen. 



1) Zie: Bakh. v. d. Brink, Vondel met roskam en rommelpot; Gallée, ^cacf^- 
mie en kerkera<id; Ünger, Vondel-editie 1626 — 1629; Wagenaar, Beschrijving 
van Amsterdam, 



74 M. M. Eleerkooper 



De heeren lieten zich echter aan dien tegenstand niet veel 
gelegen liggen, maar traden met kracht tegen de onruststokers 
op. In het laatst van 1628 zond de prins op verzoek van 
Burgemeesteren eenige vendels voetknechten naar Amsterdam 
tot handhaving van de orde. Weinige maanden later moesten 
twee hoofdmannen der oppositie, Jan Willemsz Bogaert en 
Dr. Karel Lenertsz de stad verlaten. Eén was er echter, die 
onversaagd den strijd met het stadsbestuur volhield n.1. Adri- 
aan Smout, uit wiens levensgeschiedenis hier enkele bijzon- 
derheden vermeld moeten worden. 

Reeds in 1626, op Paaschmaandag, waren, hetzij door zijn 
toedoen of in ieder geval met zijn goedkeuring, de Arminia- 
nen door het gepeupel met steenen geworpen en had men 
het huis, waarin zij hun godsdienstoefeningen hielden, geplun- 
derd. Ruim twee jaar daarna werden er te Amsterdam bij 
de schutterij eenige personen gekozen, die bij de predikanten 
niet in den smaak vielen. Dezen durfden verklaren, dat nu de 
Gereformeerde schutters niet door hun eed tegenover deze 
hoofdmannen gebonden waren *). Velen van hen werden door 
den schuttersraad ontslagen en weldra wist de magistraat de 
rust te herstellen. Smout bleef echter oppositie voeren. Reeds 
herhaalde malen was hij met een vermaning of waarschuwing 
vrijgekomen, tot eindelijk op het laatst van het jaar 1629 de 
maat vol was. Hij viel in een predikatie openlijk diegenen 
aan, „die de vrome burgers ontschuttert" hadden. Maandag- 
avond den 7*"' Januari 1630 ontving Smout een brieQe, waarin 
hem gelast werd den anderen dag vóór zonneschijn de stad 
te verlaten. Uit de brieven van Wtenbogaert blijkt, dat hem, 
op aandrang van den kerkeraad, vergund werd nog eenige 
dagen te blijven. Woensdagmorgen te 4 uur voer hij met de 
trekschuit naar Haarlem^). 



i) Zie Vondels hekeldicht: Dê boeren eategismus (1629). 
2) Brieven van WtmboffOèrt ed. Rogge. 1030 hlz. 17 vlg. Af wgkeiid berkht hy 
Wagenaar, Beschrijving van Amsterdam. 



De „prijsvraag" van de Nederduytsche Academie (1630). 75 

Zegevierend zong Vondel dan ook in het zelfde jaar in zijn 
Hciec libertatis ergo: 

De toghtschuyt leydt gereed, voor all' die oproer kraeyen. 

Over deze uitzetting van Smout is heel wat te doen ge- 
weest. Zoo schreef Episcopius aan Wtenbogaert dd. 9 Jan. 
1630: „De gedeputeerden van de kerckenraet waren gisteren 
en eergisteren lang op het toorntgen, (i. e. het stadhuis) men 
seyt om uy tstel voor Smoütio te versoecken, maer te vergeefs." 

Ook naar Den Haag werden gecommitteerden afgezonden. 
Den S**" Maart maakte Wtenbogaert in een schrijven aan P. 
Cupus melding van „de dachvaert, op dewelcke Poly(ander), 
Fabricius ende noch eenige zyn comen doleren over d'Am- 
sterdamsche heeren als die 1 Smout hadden uytgeset, 2." 
enz. Dezelfde meldde den 18*" Mrt aan Episcopius: „De Hol- 
landsche (d. i. predikanten) hebben mondeling ende schrifte- 
lick gedoleert over de vergaderingen (n.1. aan de Staten van 
Holland) eerst der papisten, daernae der Remonstranten, ver- 
soecken (soo mij is geseydt) een Synodum provinciael, om 
daer te delibereren hoe doen met de Arminianen, oock over 
't uytsetten Smoutij, ende ick weet niet wat meer." 

Den 29''" Maart schreef hij hem: „Dynsdach resolveerden 
de heeren Staten bij pluraliteit van stemmen .... een Syno- 
dus provinciael, dewelcke men 't stuck van Smout ende d' 
ander Amsterdamsche quaestie metten kerckenraedt in han- 
den soude stellen .... Men heeft middel gevonden om op 
gisteren de saeck te doen resumeren, ende is by pluraliteyt 
van stemmen het Synodus .... plat affgeslagen." 

In dezen strijd koos de Amsterdamsche Academie van Dr. 
Coster, waarin Vondel thans een man van beteekenis was, 
de zijde van de Arminianen. Omstreeks het einde van Maart 
trad de vermaarde tooneelspeler Thomas de Keyser, misschien 
wel als ApoUo gekleed en gegrimeerd, op de planken en 
declameerde het volgende vers van Vondel: 



76 M. M. Kleerkooper 



ApoU, op Helicon geseten, 
Vraegt al syn heylige Poëten: 
Wat beste en slimste tongen syn? 
Of waerheyt salich maeckt, of schijn? 
Of dwang van vrome Christen-sielen 
Niet streckt om Holland te vernielen? 
Of vryheyt niet en was de schat 
Waerom men eerst in oorloogh tradt? 
Of oock in wel bestierde steden 
Een oproermaecker wort geleden? 
Of huyse-plondren vesten sticht? 
Of d' eedt geen burgery verplicht? 
En of sich leeraers niet verloopen, 
Wanneerse desen bandt ontknoopen? 

Wiens antwoordt kortst en bondichst is, 
En klaerst in dese duysternis, 
Dien sullen d' ACADEMIHEEREN 
Met eenen PRINCENROEMER eeren: 
Daer Pallas, met haer diamant, 
In sne den Veldheer van het landt, 
Die met 's Hartogenbosch gaet strijcken, 
Daer Mauritz tweemael af most wijeken. 

Deze vragen verschenen ook in druk. Het regende ant- 
woorden op de „prijsvraag", niet alleen uit Amsterdam, maar 
ook uit andere steden. Doch daarover straks nader. 

Den 12^" April zag het stadsbestuur zich genoodzaakt het 
uitgeven en verkoopen zoowel van vraag als antwoorden 
te verbieden *). Hooren wij daaromtrent de „Samenspreking 
tmschen Twee Goudse Veer-Luy^ laap en Kees. (Muller, pamflet 
NO. 2392). 



1) Zie het verbod bij Unger, Vondel-editie dl. 1630-1636 pag. 1. 



De „pry8vraag" van de Nederduytsche Academie (1630). 77 

laap. Wat off dit nou weer beduyt? 
Hoorje niet? de Steklock luyt, 
dit sal al wat nieus weer weese 
Luystert, hij begint te leese. 

Het Placcaat word of gelesen : 

De resolutie, echter zeer gewijzigd, van 12 April volgt dan. 
En Jaap gaat verder: 

Ia Het heyt wat te beduye 
deerom mogt je wel soo Luye 
dat 's so veel als niet een beet. 
Want het is schier viertien daghe 
dat men uytgaf dese Vraghe *) 
'kWeet het seker want ick was 
Op de kamar (sk) doement las 
k'On hem schier niet deur sijn kliere 
Maer het was een dar poort tiere 
Van de Nieuwe Regeliers Poort 

Kees wil er meer van weten: 

Maer wie mienje nou van baije 
Siet je moestse onderscheije 
Anders sou ick d'een veur d'aer 
Lichtelijck mienen ist niet waer. 

laap. Jaet, maer k' mien die midt groote 
Naem van Kayser is begoote 
Hoe wel dat hy waynich heeft 
Als hy leest (sk) een Kayser leeft. 

Kees. Dat is waer, maer nu de vrage 
Die hy 't volck voor quam drage. 
Wat was daer den inhoudt van? 



1) Hieruit volgt, dat ze niet, als Unger veronderstelt, nog in 't laatst van 1629 
uitgegeven zijn. 



78 M. M. Eleerkooper 



laep. tWeere {=hei waren) die nou lest die man 
Tot uis (=o««) Geurt inde Raeyger 
Las hier op de Qouse stayger. 

Wij laten Jaap en Kees hun samenspraak rustig voortzet- 
ten, die verder niet bijzonder belangrijk is. Gewichtiger acht 
ik het, aan te toonen, dat werkelyk de tooneelspeler der Aca- 
demie ook portier van de Regulierspoort was. 

Eene resolutie van den Oud-Raad te Amsterdam dd. 29 Jan. 
1632 luidt: Thomas de Keijser portier vande regu- 
liers poort is voor huyshuyr toegevoecht vyftich gtddens 
iaerlicx^ sonder meerder te genieten soa lang Franck d^ oude por- 
tier int leoen is. Ook in een resolutie van 12 Aug. 1640 wordt 
hij als zoodanig genoemd *). 

Het zou ondoenlijk zijn, de meer dan 30 „antwoorden", 
die tot ons gekomen zijn en welke trouwens in Ungers 
Vondel-editie als bijlagen afgedrukt zijn, alle de revue te 
laten passeeren. Bekend is het schoone en waardige ant- 
woord van Tesselschade, door Hooft „betutteld" en het vuile 
en hatelijke gedicht, ten onrechte misschien, maar denkelijk 
ook door Vondel zelf, aan Cats toegeschreven. 

Verschillende leden van de voormalige Brabantsche Kgimer 
gebruikten deze gelegenheid, om hun gal over de Academie 
uit te storten. In den titel van een dezer gedichten wordt 
gesproken van „de Onghedoopte Academi-Heeren, Nu Besit- 
ters vande Brabantsche Camer." Een ander scheldt op de 
„ Amsterdamsche Academy, Eerst gheweest Brabantsche Camer, 
maer dien naam verlatende uyt haet, omdat de Brabranders 
zijn Liefhebbers vande Religie, ende sy vande Goude Vry- 
heyt, dat is te segghen duldinghe van Dwael-Gheesten ende 
misverstanden. Een derde smaalt van de „comoedianten van 
de tweedemael geformde Academy, alias de Brabandtsche 



1) Een zinspeling op zijn naam wordt gemaakt in dezen regel uit een der 
antwoorden : 

Men vraeght, hoe Kosters, Keysers schijn, enz. (Ungers Vondeluitgave, dL 
1630—1636, blz. 278). 



De „pr^svraag" van de Nederdnytscke Academie (1630). 79 

Camer." Het is dus zeker, dat in April 1630 de Brab. Kamer 
niet meer bestond en met de Academie vereenigd was *). 

Een der antwoorden heet „uytgebroet en voortghecomen, 
met het botten vande boomen." Elders vraagt men onder het' 
opschrift „Paeschen": 

lek wou wel weten goede Luyden, 

Wat dat doch ditte mach beduyden, 

Gemeenlijck om dees tijt 'sJaers, 

Wanneer den Prince moet te Velt, 

Datmen dan meer Pasquillen telt; 

Als tot eenige tijden aers. (t. a. p. blz. 264). 

Sommige hielden dr. Coster voor den dichter der prijsvraag. 
Niet onaardig is de raad, dien hij krijgt van iemand, die zich 
„een lit van de Brab. Kamer" noemt: 

Koster van ApoUos Feesten, 

Koster van des Amstels geesten, 

Opgevoet in Helicon, 

Droncken van de Helsche Bron : 

Derf u Penn' bestaen te vragen, 

Hooger dan u breyn can dragen? 

T* is dan tijt dat ghy eens niest, 

Eer ghy heel u breyn verliest. 

Siet doch liever d'urinalen 

In u sieck-huys wijde salen. 

Dat 's u ambt; zijt daer een man. 

Die de siecken raden can. (t, a. p. blz. 300). 

De meesten schenen echter wei te weten, dat Vondel de 



1) Intnaschen ach^nt uit de woorden van den hatsten r^melaar te volgen^dat 
de Academie voor den tweeden keer geformeerd was. Inderdaad is m\j, ofschoon 
ik zorgvuldig alles verzameld heb, wat op de geschiedenis der kamers uit dien 
tijd betrekking heeft, nergens iets gebleken van opvoeringen ep heb toooeel der 
A.> zelfs van *t bestaan der kamer, tusschen 1622, waarin Coster z\|n rechten 
aan het Weeshuis overdroeg en 1626, toen Iphigenia van dezen dichter opnieuw 
gespeeld werd. 



80 M. M. Eleerkooper 



auteur der vragen was. Hij moest het dan ook deerlijk 
ontgelden. De een spot met den „Camer-Qodt ApoUo ende 
sijn Camer-Knecht Joost Vondelens", een tweede noemt hem 
„Vuyle-Palamédes Vader", een derde weder „Vragher vande 
Vondelinghen*', enz. enz. Er zijn slechts weinigen, die de 
Academie c. s. prijzen. Een der dichters roemt van de „wel- 
ghestelde vraghe vande wydt-beroemde Amsteldamsche Aca- 
demi" en meent, dat in welbestierde steden geen oproer- 
maker wordt geleden 

. . . . wel Pcdmedes Dichter, 
Maar geen Smaut^ valsch Gods Wet stichter. 
Die de goede stand uyt-blust. 

Deze geeft als zijn woonplaats Den Haag op, een stadge- 
noot, een lid der Kamer „de Jonge Bataviers" (hij noemt zich 
„een van de Batavieren" t. a. p. blz. 279) heeft mede een 
proeve van zijn dichtkunst gegeven. In Ungers Vondel-editie 
(t. a. p. blz. 307) wordt ook een dichtstuk van een Leidsch 
rechtsgeleerde medegedeeld. 

Niet weinigen waren er over gebelgd, dat men Prins Mau- 
rits in zijn eer had durven tasten. De Arminianen moesten 
daartegenover het verwijt aanhooren, dat zij „princemoorders" 
waren. Men dichtte voor den aangevallene zelfs een „Lofs- 
Laurier-Crans waermede (hij) noch na sijn salich afsterven 
gekroont wort, tot spyt van sijne hedendaechsche been ende 
eerknagers." En in de aanteekeningen vaart men uit tegen 
de „goddeloose Accademische vraghen van Amsterdam", waarin 
de prins gehoond wordt, „met dese Woorden, Diwr Maurits 
tweemad af moest toyckBi maer wie is dit anders te verwijten, 
na menschs oordeel, dan o Joost van Vendelen, uwen Phenix 
Johan van Oldenbarnevelt, die sijn Excell. retardeerde meer 
dan acht dagen, daer anders so groote hoop toe was." (Knut- 
tel, pamflet N^. 3988). 

Tegenover Vondels eenzijdigheid gewaagt een ongenoemde 
van de drie veldheeren van het land: 



De „prgsvraag'* van de Nederduytsche Academie (1630). 81 

Prins Willem, die de Grond eerst leyden, 
Prins Maurits, die 't heeft op-gheboud, 
Prins Hendrick, die het gaet verbreyden. 

Leiden, November 1901. M. M. Kleerkooper. 



KLEINIGHEDEN. 
XIX. 

Wie Potgieter herleest, vindt telkens weer van die 'trekjes' ! 
Een enkel staaltje ten overvloede, van dit wei-bekende. 

„In Hoe het weeuwtje van het hof van Holland gevrijd 
werd" staat: 

„Huib liet den knaap over zijn schouder in de wel kijken, 
tot de vlaskop er van rilde . . . ." 

Heeft dit verduideUken nodig? Zo ja, dan herinneren we 
de vrager dat Huib de jonge op zijn armen neemt, en hem 
over zijn schouder heen in de put laat kijken, hem achter- 
waarts zo ver laat zakken, dat de knaap bang wordt: Huib 
mocht z'n benen eens lös laten. 

Deze gelegenheid nemen we te baat om het zo juiste oordeel 
van Kloos hier over te nemen, als hij van Potgieter schrijft *): 

Bij het lezen van Potgieter, wordt het ons vaak, of wij 
wandlen, zonder precies-omschreven doel, in een warande, een 
welige warande, waar de vruchten zich bergen tusschen het 
.dichte schaduwende blad. Men weet niet zeker, waarheen de 
weg ons voeren zal : hij leidt her- en der-waarts, en wij vol- 
gen hem, goed uit-kijkend, met een stil, maar ook wel eenigs- 
zins zwaar genoegen, bij dien onuitputbaren rijkdom der 
natuur. Wij vorderen, maar stoeten bijwijlen ons hoofd tegen 
de rij k neerhangende trossen, zonder dat het ons dadelijk be 
wust wordt, wat het eigenlijk is, waaraan men zich stoot: 
alleen, als men op-kijkt, met aandachtige oogen zoo dicht 
mooglijk naderend den weerstand-biedenden overvloed, merkt 
men aan de schakeeringen en glanzingen, dat het vruchten 
zijn, van rijpheid berstend, en daardoor niet onmiddellijk 
herkenbaar van ver." 

U. F. 



i) Nieowe Gids, Nov. 1901, blz. 189. 

T. EN L. XII. 



EEN EIGENAARDIGE FOUT. 



De uit het Duits overgenomen spraakkunstige termen 
direJUe en indirekie rede zijn algemeen bekend. Men haalt 
iemands woorden letterlik aan, b. v. : Hij zei: „Ik ga uif' en 
men heeft in de laatste zin direkêe rede; in: hij zei, dat hij 
uitging^ indirekte. 

Dit, of iets dergelijks, vindt men in nagenoeg alle gram- 
matika's. Voor zover ik weet, wordt er niet bij vermeld dat 
er ook een soort van tussending tussen direkte en indirekte 
rede bestaat. 

Vgl. 1. direkte rede: Hij zei: ze moeten maar komen. 

2. indirekte rede: Hij zei dat ze maar moesten komen. 

3. tussenvorm: Hij zei, ze moesten maar komen. 
Met de direkte rede heeft 3 gemeen, dat het voegwoord • 

ontbreekt en de lijdend- voor werpszin de vorm heeft van een 
hoofdzin. Met de indirekte de tijd van het werkwoord. 
Vergel. nog: 

1. Hij vertelde: wij zijn om acht uur vertrokken. 

2. Hij vertelde, dat ^e om acht uur vertrokken waren. 

3. Hij vertelde ise waren om acht uur vertrokken. 

Hier stemmen 2 en 3 ook wat onderwerp betreft overeen, 
terwijl in 1 de voorwerpszin een ander onderwerp heeft. 

Nog een paar voorbeelden van die tussenvorm: 

„Hij schreef, ze waren heel gezond en hadden verleden 
week een uitstapje naar zee gedaan." 

„Ik dacht, ze konden zo goed met elkaar overweg?" 



Een eigenaardige fout. 83 



Zoals men ziet ligt het meest in 't oog vallend verschil 
tussen de direkte rede en de „tussenvorm" in de tijd van 
het werkwoord. Iemand die de direkte rede in zich hóórt 
en als tussenvorm neerschrijven wil, zal ër dus van zelf toe 
overgaan de on volt. tegen w. tijd in de on volt. verl. tijd te 
veranderen. Zo wordt b. v. Het antwoord was, ze moeten het 
maar doen — Het antwoord was, ze moesten het maar doen. 
Ik hoorde ze worden verwacht — Ik hoorde ze werden ver- 
wacht. Enz. 

Dit heeft Henri Borel verleid tot het schrijven van een 
zeer zonderlinge taalfout in Het Becht der Liefde (blz. 47). 
Wij lezen daar: „(Herman) schreef (hem) een brief om logies 
te vragen voor zijn vrouw en kind. Het antwoord was aller- 
hartelijkst Lieten ze maar komen." 

Hoe die fout kon ontstaan zal nu duidelik zijn. De direkte 
rede: ^Laten ze maar komen," is veranderd in de tussen- 
vorm: ^Lieten ze maar komen " 

Edoch — Borel was er niet op verdacht, dat IMen in laten 
ze hymen niet de tegen w. tijd van de aantonende tvijs is, maar 
van de aanvoegende (wat o. a. uit de woordorde: IcUen ze 
in plaats van ze laten blijkt). En evenmin als b. v. van : Zij 
riepen y^Leve de Koningin^^ gemaakt kan worden: Zij riepen^ 
leefde de Koningin^ mag laten hier worden veranderd in lieten. 
Was de direkte .reden geweest: „ze moeten (tegen w. tijd aan t. 
wijs) maar komen," dèin had de tussenvorm geluid : „ze moes- 
ten maar komen." En dat heeft de schrijver blijkbaar bedoeld. 

R. A. K. 



KLEINIGHEDEN. 



XX. 



HET RÜINÏJB VAN STAL HALEN. 

In Bredero's Klucht van de Koe maakt de Gauwdief de Boer 
wijs dat de Huysman zijn geld niet wou betalen: „ick sey: 
jou kinckel, de nicker moet jou schennen ; Missaack (loochen) 
gy 't, jou schelm, jou kneuckel, dat doet de droes! lek 
liet Ruyntje van 't stal, want de kop was myn so 
kroes. . . ." 

In de volledige uitgave van Bredero's Werken (Gebr. Bin- 
ger) wordt in de noot het gespatieerde verklaard als: „Ik 
liet aan mijne woorden den vrijen loop, want 
ik werd driftig .... 

't Vervolg had anders al op 't spoor kunnen brengen wat 
de regel betekende; even later leest men: 

„Hier Veen- Vos, sey ick, geeft geld of ick selt daer uyt 
(de huyd) snyen." 

De regel wordt duidelik als men vergelijkt Alewijn's Jan 
Los of den bedroegen Oostindies Vaer, waar blz. 23 staat: 

Jan Los, zijn mes trekkende. 

Sta vast dan. 

Claas, mede het ruintje van stal haaiende 

'k Wijkje niet een haar. 



Kleinigheden. 85 



„'t ruintje van stal halen" is dus: zijn mes trekken. 
Het komt vaker voor, o. a. ook bij Gysbert Japicx in Nijs- 
gierrige loUe 

„Lit ick de' hynst fenn' stal reyz liede ..." O- 

In de Aantekeningen door Junius aan de Bodleyan Library 
in Oxford vermaakt, staat daarbij : „Laet ick 't ruyntjen eens 
van stal springhen, of bestae ick eens 't mes te trecken." 
Halbertsma, Naoogst I, 289 voegt daar nog bij, „de bijzon- 
derheid, .... dat de Friesche ^) zakmessen zijn met zware 
zilveren hechten, en dat op den top dier hechten het zinne- 
beeld des strijds, namelijk een springend oorlogspaard, steeds 
uitsteekt." 

Z. B. H. 



XXI. 

't russiesü 

Overtroffen. "Wie kent een woord, waarin 8, zegge 8 geschre- 
ven medeklinkers op elkaar volgen zonder éen enkele klinker ? 
Meer dan éen is er in 't Nederlands! 
We geven hier maar éen: an^sfócAr eeu w! 



1) Zie de grappige verklaring in Wassenbergh's Taalk. Bijdr. II (1806) blz. 42/3. 

2) Alleen de Friese? 



VRAGEN. 



1. Wat betekent in Potgieter, Proza blz. 410. 

Hebt gij ooit gehoord dat eenig inspecteur, eenig president, 
eenig minister — het toongevend Frankrijk geeft ook de 
titels — dat een van deze aan zijne gasten den too venaar 
voorstelt, die hen allen in gedienstige geesten herschiep ^), smerige 
Jan met zijn vaderlief en zijn eratje? 

U. F. 

2. Vondels Jaargetijde van Oldenbarnevelt : 

„Dat Hooft, dat Spanjen, eer het sloot zijn gouden mont, 
Op gouden bergen stont." 



Wat beteekenen deze regels? 
A. P. H. 



1) Door mij gecursiveerd. 



KLEINE MEEDELINGEN OVER BOEKWERKEN. 



Nederlandsche Spraakkunst door J. C. Knmmer. 

Ofschoon versclieidene paragrafen van den eersten drak eene grootere 
of kleinere w^ziging hebben ondergaan, ja sommige gedeelten geheel 
z^n omgewerkt, is deze tweede oplage toch in geest en strekking aan 
de eerste gel^k. Alleen het hoofdstak, handelende over de T^den, 
heeft een ingr^pende verandering ondergaan. — Een beschouwen over 
het wezen van den zin, die nogal afwykt van de meest gangbare op- 
vattingen en daarom in den eigenleken tekst van het leerboek wel- 
licht minder haar plaats was, is als Toegift achter aan het werk ge- 
geven. Mocht zy byval vinden, dan kan zy bij een mogeiy ken herdruk 
gezet worden ter plaatse, waar zy behoort : aan het begin van het boek. 

Voorbericht v/d tweeden druk. 



Van Flandria^s Novellen-Bibliotheek zyn verschenen: 

1 Tony Bergmann, Brigitta. 

2 Dr Aug. Snieders, Sneeu wvlokske. 

3 Rosalie Loveling, Po en Paoletto. 

4 Dr. J. F. De Hoon, O' Neal. 

5 Em. Seipgens, De Heeren von Wiedenholt. 

6 H. Ram, Slachtoffers voor Transvaal. 

7 Edgar Pattyn, Zwart Leven. 

8 D. Sleeckx, Miss Arabella Knox. 

9 J. en Gr. D. Minnaert, Het Geheimzinnig Kistje. 

10 H. Teirlinck, Landeiyke Historiën. 

11 M. Brants, Sint Joris. 

12 en 13 J. de Laet, Het Lot. 

14 J. van Effen, Kobus en Agnietje, Een verjaarfeest by Burgerlieden. 

15 A. Grermonprer, Amelie's Oom. Feemke. 

16 Karel De Clercq, Bottientjes. 

17 Grustaaf Segers, De Beren. 



88 Kleine meedeelingen over boekwerken. 

Zullen verscli^nen. 

J. Filips, Het beg^ntje. 

Meyr. Mac Leod, Aldegondeke. 

Jhr. N. De Pauw, Een opstand in 1451. 

£. Hondet, £lena Portorelli. 

P. Anri, Lotje nit den Poroeleinwinkel. 

M. E. Belpaire, Het kerkportaal. 

H. Peeters, Willem De Gek. 

H. Teirlinck, Mr. Ignatins Sonneblomme. 

G. D'Hondt, De Deserteur. 

O. Watter, De Koorknaap. 

Mr. A. Pragon, Voor mgn Venster. 



INHOUD van Tydschriften. 

Noord en Zuid, T^dschr. ten dienste van Ondw. b/d Studie der Ned. 
Taal- en Lettterk. 24e jaarg. No. 12, o. a. : P. C. van Antwer- 
pen. — Da Costa's Hagar. Vs. 220. 

De Gids, No. 1—4 1902, o. a. : St^n Streuvels, Langs de 
wegen. — Prof. A. G. van Hamel, Vreemde Verzen. — Dr. P. C. 
B o u t e n s, Verzen. — Richard de Cneudt, Sonnetten. [Buiten 
de Letterkundige kroniek zal de Gids voortaan te beginnen met de 
Maart-aflevering, een Driemaandel^ksch Letterkundig Overzicht geven 
van de hand van den heer W. G. van Nouhuys]. 

Hélène Lapidoth-Swarth, Sonnetten. 

Louis Couperus, Van dagen en seizoenen ; Van de onzalige 

erfenis. — Prof. A. G. van Hamel, Fransche Symbolisten. 

C. K. E 1 o u t. De Badgast. — Prof. R. C. Boer, Wagner's 



Bronnen. — Helene Lapidoth-Swarth, Verzen. Aanteeke- 
ningen en opmerkingen v. vergel^ kende litteratuurgeschiedenis. 

I?e Nieuwe Gids, Jan.— April 1902, o. a. : J. Eigenhuis, De aard- 
beikoopers. — Reineke van Stuw e, Karel v. d. Woe- 
stgne, Willem Kloos, P. C. Bouten s, W. F. Gouwe, 
J. B. Schepers, H. J. Boeken, Verzen. — J. de Meester, 
Geertje. — M. A n t i n k, Stads-Park. — Reineke van Stuw e. 
Het nieuwe jaar. — Henri Hertog, Afspraakje. 

Adriaan van Oordt, fragment uit Floris V. — Willem 

Kloos, Verzen. 

De Tijdspiegel, No. 1—4, o. a. : Gustaaf Segers, Sleeckx 
1818—1901. — A. C. E. Co hen Stuart, De samenwerking 
van Betje Wolf en Aagje Deken. 



Inhoud van Tydschriften. 89 



Anna Polak, Grabriele d'Annnnzio — G-, P o 1 v 1 i e t, De 

lichameiyke opvoeding. — C. C. t e r B e e h o r s t, September. 
De Navorscher, 52e jaarg., afl. 3, o. a. : H. d e J a g e r, Bilderdykiana. — 

£en kat in den zak koopen. 
Tijdschrift voor Onderwys en Handenarbeid, 6e jaarg , No. 3, o. a. : 

Gr. H. N a n t a, Vorming en ontwikkeling van den kunstzin in de 

scholen voor Handenarbeid. 
Els&oier^a geïU, maandschrift^ Jan. — April, o. a. : Marie M a r x- 

Koning, Levensles. 
Ella Holmer, Eenzaamheid. — Jeannette N^huis, 

De Spinnekens ; Meiüedje. — Johanna W. Bakker, Onrecht. 

Cr. de Graaf, Momenten. 

Bichard de Cneudt, Verzen. — Anna Polak, Ver- 



pleegster. — Fabiane, Trouw. 

Jeannette N^huis, Bevolutie. — Anna Polak, Ver- 



pleegster. — J. Everts Sr., Voorjaar. 

TijdsehHft {Mij. Ned. Letterk.), XX 4 : W. L. d e V r e e s e, Mid- 
delnederlandsche geestel^ke gedichten, liederen en r^men. — A. J. 
B a r n o u w, 't Nieuwsgierig Aegje van Enkhuizen. — W. L. van 
H e 1 1 e n, Over den genitief op -es der vrouweiyke langlettergrepige 
i-stammen in het Nederlandsch ; Het substantief „echt"; Mul. blissem, 
blixene, blixeme enz. — Jos. Schrynen, Nederlandsche dou- 
bletten. J. H. G allee. Vechten. 

XXI 1 : J. Verdam, Nieuwe Middelnederlandsche fragmenten. — 

J. H. G a 1 1 é e. Nog eens henne-hunne. — J. W. Muller, Gewei. — 
J. J. Salverda de Grave, Bedragen tot de kennis der uit 
het Frans overgenomen woorden in het Nederlands. — C. G. N. d e 
Vooys, Een ongedrukte bundel refereinen van 1524. 

Nederland, Jan. — April, o. a. : Herm. Heyermans Jr, Het 
treurspel „Ghetto" in Engeland. — H. Quérido, Moderne Wer- 
kers (III). — Bachel Brandon, Van een doode. — F r i t s 
van Baalt e, In Drentsche nachtstilte. 

Mevr, Frederik Bompel-Koopman, Herinneringen — 

Marie de Negri, Woorden. — Jeanne Bouberg-Wilson, 
Zomeravond ; Idylle. — A 1 e i d a, Lize's liefde. — Sophie van 
der Hurk, Budi. 

Frans Netscher, Bgna. — Is. Quérido, Moderne wer- 



kers. — W. C. Schönstedt, Het volkslied. — A u r é 1 i e 
Fransen van de Putte, „Klein Doortje". 

Marie Marx-Koning, Teun's heilige. — G. H e u v e 1- 



man. Een tweede huwel^k. 
De XXe eeuw, Jan. — April, o. a. : Albert Verwey, Oudejaars- 
avond. — L. Bückmann, Doodsvallei. — Frederik van 



80 M. M. Eleerkooper 



auteur der vragen was. Hij moest het dan ook deerlijk 
ontgelden. De een spot met den „Camer-Godt ApoUo ende 
sijn Camer-Knecht Joost Vondelens", een tweede noemt hem 
„Vuyle-Palamédes Vader'', een derde weder „Vragher vande 
Vondelinghen'\ enz. enz. Er zijn slechts weinigen, die de 
Academie c. s. prijzen. Een der dichters roemt van de „wel- 
ghestelde vraghe vande wydt-beroemde Amsteldamsche Aca- 
demi" en meent, dat in welbestierde steden geen oproer- 
maker wordt geleden 

. . . . wel PcUmedes Dichter, 
Maar geen Snund^ valsch Gods Wet stichter. 
Die de goede stand uyt-blust. 

Deze geeft als zijn woonplaats Den Haag op, een stadge- 
noot, een lid der Kamer „de Jonge Bataviers" (hij noemt zich 
„een van de Batavieren" t. a. p. blz. 279) heeft mede een 
proeve van zijn dichtkunst gegeven. In üngers Vondel-editie 
(t. a. p. blz. 307) wordt ook een dichtstuk van een Leidsch 
rechtsgeleerde medegedeeld. 

Niet weinigen waren er over gebelgd, dat men Prins Mau- 
rits in zijn eer had durven tasten. De Arminianen moesten 
daartegenover het verwijt aanhooren, dat zij „princemoorders" 
waren. Men dichtte voor den aangevallene zelfs een „Lofs- 
Laurier-Crans waermede (hij) noch na sijn salich afsterven 
gekroont wort, tot spyt van sijne hedendaechsche been ende 
eerknagers." En in de aanteekeningen vaart men uit tegen 
de „goddeloose Accademische vraghen van Amsterdam", waarin 
de prins gehoond wordt, „met dese Woorden, Boer Maurits 
tweemad af moest wychi: maer wie is dit anders te verwijten, 
na menschö oordeel, dan o Joost van Vendelen, uwen Phenix 
Johan van Oldenbarnevelt, die sijn Excell. retardeerde meer 
dan acht dagen, daer anders so groote hoop toe was." (Knut- 
tel, pamflet W. 3988). 

Tegenover Vondels eenzijdigheid gewaagt een ongenoemde 
van de drie veldheeren van het land: 



ïs.^ 



Be „pr^syraag'* van de Nederdaytsche Academie (1630). 81 

Prins Willem, die de Grond eerst leyden, 
Prins Maurits, die 't heeft op-gheboud, 
Prins Hendrick, die het gaet verbreyden. 

Leiden, November 1901. M. M. Eleerkooper. 



KLEINIGHEDEN. 
XIX. 

Wie Potgieter herleest, vindt telkens weer van die 'trekjes' I 
Een enkel staaltje ten overvloede, van dit wei-bekende. 

„In Hoe het weeuwtje van het hof van Holland gevrijd 
werd" staat: 

„Huib liet den knaap over zijn schouder in de wel kijken, 
tot de vlaskop er van rilde . . . ." 

Heeft dit verduideliken nodig? Zo ja, dan herinneren we 
de vrager dat Huib de jonge op zijn armen neemt, en hem 
over zijn schouder heen in de put laat kijken, hem achter- 
waarts zo ver laat zakken, dat de knaap bang wordt: Huib 
mocht z'n benen eens lös laten. 

Deze gelegenheid nemen we te baat om het zo juiste oordeel 
van Kloos hier over te nemen, als hij van Potgieter schrijft *): 

By het lezen van Potgieter, wordt het ons vaak, of wij 
wandlen, zonder precies-omschreven doel, in een warande, een 
welige warande, waar de vruchten zich bergen tusschen het 
dichte schaduwende blad. Men weet niet zeker, waarheen de 
weg ons voeren zal : hij leidt her- en der-waarts, en wij vol- 
gen hem, goed uit-kijkend, met een stil, maar ook wel eenigs- 
zins zwaar genoegen, bij dien onuitputbaren rijkdom der 
natuur. Wij vorderen, maar stoeten bijwijlen ons hoofd tegen 
de rij k neerhangende trossen, zonder dat het ons dadelijk be 
wust wordt, wat het eigenlijk is, waaraan men zich stoot: 
alleen, als men op-kijkt, met aandachtige oogen zoo dicht 
mooglijk naderend den weerstand-biedenden overvloed, merkt 
men aan de schakeeringen en glanzingen, dat het vruchten 
zijn, van rijpheid berstend, en daardoor niet onmiddellijk 
herkenbaar van ver." 

U. F. 



i) Nieawe Gids, Nov. 1901, ÏA%. 189. 

T. EN L. XII. 



90 Inhoud van Tydschriften. 



£ e d e n, Uit het Lied van Sch^n en Wezen. — J. E. B e n s b u r g, 
Japansche Verzen. — Henri Bakels, Nacht. — Ang Peanx, 
Verzen. — Kichard de Cneudt, Verzen. 

De XXe eeuw^ Henri M. Dekking, Ünd-Hnweiyk. — W. L. Pen- 
ning Jr., Uit : kamermnziek. — Albert Verwey, De kinder- 
moord. 

M. H. van C a m p e n. De Verloofden. — Karei van de 

Woeet^ne, Verzen uit het „Vaderhuis". — Ad. Herckenrath, 
Avondzangen. — Herm. He^e.rmans Jr., Ora et Labora. 

Tifdsehrift (ter bevord. v/d studie der Paedagogiek), afl. 3, Juli 1901, 
o. a. : H. de E a a f, Relatieve en absolute waardeering in verband 
met de zedenleer. — J. Gr e 1 u k, Methoden van onderwas, in den 
Bybel gevolgd. — E. ten Broek e, De lichaamsstrafPen in de op- 
voeding. — B. R o s i e r, De hefboomen. — H. d e R a a f, De Pae- 
dagogiek van Herbart; Determinist? Toegepaste ethiek. 

Boon^s Geïllustreerd M<igaz^n, Febr. — Mrt. o. a. : P. C. S a m w e 1, 
De schipbreuk van het Duitsche barkschip „Renown" 7 Dec. 1887. — 
D. J. de Koff, Prinses Tbeudesinde, Een verhaal uit het leven van 
koning Radboud; Uit vroeger t^d; Herinneringen van een oud-zee- 
officier. — L. D. J. Reeser Cuperus, Als broer en zuster. 

Adriaan Ilsen, Amsterdamsche schetsen. — E. A. B u 1 1 i, 

Het einde van een ideaal. Drafba in drie bedrgven. 

Volkskunde^ Tgdschr v. Ned. Folklore, 14e jaarg., afl 5, 6, 7 en 8, 
o. a : A. d e C o c k. Taaivervorming in den kindermond. — J. D. C, 
üitvaartbrood (Spendebrot). — A. de Cock, Spreekwoorden en 
zegsw^zen, afkomstig van oude gebruiken, met naschrift. — M. S. 
en A. D. S., De noot in de volksgeneeskunde. — Dr. G. J. Boeken- 
gen, Nederlandsche sprookjes en vertelsels; Kroniek; Oude hu- 
welgksgebruiken. — A. de Cock, AUerheiligen-Allerzielen. — 
Virginie Lo veling. Verleid worden. — A. de Cock, Spreekwoorden 
en zegsw^zen, afkomstig van oude gebruiken; Het liedje van den 
uil. — A. D. C, Sagen betreffende de stalkaars. — Dr. W. Zui- 
d e m a. Allerlei Groninger Volks wgsheid. — A. D. C, Kroniek ; 
De Folklore in Noord- en Zuid-Kederland. 

Leuvensche Bijdragen, 4e jaarg., afl., 3, o. a. : E. S o e n s, Onuitgege- 
ven gedichten van Anna B^ns. 



NIEUWE BOEKEN. 

Lode Baekelmans, Marieken van N^megen, Amsterdam, Tierie & 
Kruyt, kl. 8o. (231 blz.) f 1,20, geb. f 1,50 



Nieuwe boeken. 91 



Henri Borel, Van de engelen. Amsterdam, L. J. Veen, 8d. (V, 
217 blz.) f 2,50, geb. f 2,90 

J. C. Bouwmeester en J. V. Berendsen, Het aanyankel^k 
Spreek- en Leesonderw^s. G-roningen, P. Noordhoff, f 1,90 

J. C. Bouwmeester en J. V. Berendsen, Tweede leesboekje 
beboorende b^ Het aanvankelgk Spreek- en Leesonderw^s. Gronin- 
gen, P. Noordhoff, (I— IV) prijs per ditje f —,25 

C. P. Brandt van Doorn e, Kritiek, Bl^spel in één bedrgf. 
H. J. W. Becht, Amsterdam, 8o. (34 blz.) f —,50 

Idem, Werkstaking, Treurspel in drie bedrijven. Amsterdam, H. J. W. 

Becbt, 8o. (88 blz.) { —,90 

Gerard van Eckeren, Donkere macbten. Amsterdam, C. L. G. 

Veldt, 8o. (III, 268 blz.) f 2,75, geb. f 3,25 

Guido Gezelle, Verzen. Amsterdam, L. J. Veen, Gr. 16o. 2 dln 

(Vni, 370 m. 1 portr. ; VU, 276 blz.) f 3,90, geb. f 4,50 

Gennmm. pracbt-uitg. geb. f 12,50 
Anna vanGogh-Kaulbacb, Tragedie, Amsterdam, P. N. van 

Kampen & Zn , 8o. (lU, 302 blz.) f 2,90, geb. f 3,50 

Guilliélmus van Gulpen, Jüp Fourage, Eoman uit den t^d 

der eerste bokkenrgders. Utrecht, H. Honig. Gr. 16o., 2 dln (II, 

312 blz. ; III 320 blz.) f 5,—, geb. f 5,75 

Hoofd en Hart, Letterkundig familie-tydscbrift. Red. J. H. d e Veer. 

Ie jaarg 1902 No. 1. Utrecht, J. G. van Terveen & Zoon. Fol. 

Per jaarg. (12 nos.) f 5,20, fr. p. p. f 6, — , afz. nos. f — ,45 

Thérèse Hoven, Van Koningsplein naar Gang Kétapan, Indische 

Eoman. Amersfoort, Valkhoff & Co. 4o. f 3, — , geb. f 3,50 

Kunst en Leven, Geïll. Maandschrift, hoofdred. Pol de Mout, Ie 

jaarg. 1902, afl. I. Per jaarg. 12 afl. f 7,— 

W. S. Logeman, How to speak dutch. A simple method of learning 

to speak, read and understand the language. 3d edition, CarefuUy 

revised and much enlarged. With translations with capedutch of all 

sentences and conversations b^ J. F. van Oordt B. A., Amsterdam — 

Capetown, Holl Afrikaansche uitgevers my. kl. 8o. (423 en 2 blz.) f 1,90 
Dr. H. C. Muller, Nederlandsche letterkunde. Een hoofdstuk van 

vergeiykende letterkunde. Met een aanhangsel „G-eneral View of the 

Dutch literature".* Utrecht. J. G-. van Terveen & Zn. 8o. (47 blz.) f —,40 
E. J. Potgieter, Brieven aan Cd. Busken Huet uitgegeven door 

G. Busken Huet. Dl. U 1869. Haarlem, H. D. Tjeenk WiUink & Zn. 

8o. (III, 821 blz. m. 1 facs) f 2,50, geb. f 2,90 

H. Sasburg en L. de Vries, Steloefeningen voor de Lagere School 

(I — ^IV). Groningen, P. Noordhoff, prys per deeltje f — ,25 

D. Sleeckx, Eomantische meesterwerken. Ad Hoste, Gent. 8o. 
4 dln. f 2,50 



92 Nieuwe boeken. 



In *t Bchipperskwartier, Tafereelen uit bet Ylaamscbe volksleven. 

De straten van Antwerpen* Kronieken en Legenden, 2 dln. 

De Scheepstimmerlieden en anderen' verhalen. 
W. A. van der Vet, Het biênboec van Thomas van Cantimpré en 

z^n exempelen (Univ. Leiden) 's Gravenhage, Mart. Nyhoff 1902 

(XVI, 460 blz.) 8o. Acad. Proefschrift. 
Warendorf's Novellen-bibliotheek. Amsterdam, Van Holkema & 

Warendorf, 8o. per no. f — ,10, Per dl., 6 nos. f — ^,60, geb. f — ,90 

No. 143 Jan van Bergen, Mgn medeminnaar (48 blz.). 

No. 140 Jeanne Steen, Door eed gebonden (42 blz.). 

No. '145/147 Jnstus van Manrik, MuUer^s buste (96 blz). 
Dr. C. W i n k 1 e r. Universiteit en vakschool. Voordracht gehouden 

op den lOclen December 1901 in de Amsterdamsche Studenten- 

Vereeniging. Scheltema & Holkema's Boekhandel, Amsterdam. 8o. 

(40 blz.) f —,60 



L. Couperus, Stille kraft. Roman. Uebers. v. Grafin Wengstein. 
Dresden, Heinrich Minden 8o. M 3, — , geb. M 4, — 

E. E i t n e r, Biographisch-bibliographisches Quellen Lexicon der Musi- 
ker u. Musikgelehrten der christlichen Zeitrechnung bis zur Mitte des 
19 Jahrh. V.Bd. Leipzig, Breitkopf& Harte! Gr. 8o. (Subskr.-Pr. M. 10,—) 

F. Feuerherd, Die Entstehung der Stile aus der politischen Oeko- 
nomie. Ëine Kunstgeschichte. I Tl: Die bildende Kunst derGriechen 
u Romer. Richard Sattler, Braunschweig Gr. 8o. m. 2 Taf. M. 3,60 

M. M ü n c h. Die Heimat der Indogermanen im Lichte der urgesohicht- 
lichen Forschung. Berlin, Herman Costenoble Gr. 8o. M. 7, — 

L. William Stern, Zur Psychologie der Aussage. Experimentelle 
Untersuchungen über Ërinnerungstreue. M. 3 Bildern. Berlin, J. Gut- 
tentag. Gr. 8o. M. 1,50 

W. Wundt, Sprachgeschichte und Sprachpsychologie. M. Rücksicht 
aut' B. Delbrücks „Grundfragen der Sprachforschung". Leipzig, Wil- 
helm Engelmann. Gr. 8o. M. 2, — 



H. A. B e e r 8, A. history of English romanticisim in the 19th century. 

London, Kegan Paul & Co. Gr. 8o. 9 sh. nett, 

W. Rode, Goethes Aesthetik M. e. Bilde Goethes. Berlin, E S. Mittler 

& Sohn, 8o. M. 3,50, geb. M. 4,50 



IETS OVER RHYNVIS FEITH. 
(Aanvalling yan het medegedeelde in T. en L. 1894). 



Veelzijdig was de werkzaamheid van onzen dichter geweest, 
maar hem had tot zijn nadeel de prikkel der nooddruft en 
der felle tegenkanting ontbroken. Het levenspad van geen 
enkelen onzer letterkundigen is zoo effen, zoo met bloemen 
bestrooid geweest als dat van den droefgeestigsten dichter, 
dien Nederland heeft gehad. Geboren in 1753 uit vermogende 
en patricische ouders, vond hij gedurende het grootste ge- 
deelte van zijn leven vrijen tijd genoeg om zich onverpoosd 
te kunnen wijden aan de beoefening der schoon e letteren. 
Buitengewoon vroeg ontwikkeld, droeg hij reeds op 17jarigen 
leeftijd den titel van doctor in de beide rechten, eene eer, die 
als ik mij niet bedrieg, gedurende den geheelen loop onzer 
letterkundige geschiedenis, aan slechts drie personen op nog 
jeugdiger leeftijd is te beurt gevallen, en die drie waren: 
Grotius^ Mauritius en de beroemde amsterdamsche rechtsge- 
leerde Meijer. Onder zulk een viertal, al is het de laagste in 
rang, te behooren, is reeds schoon. 

Uiterlijke voorspoed en welvaart plegen gewoonlijk te 
zwakke en te toegevende pleegouders voor het genie en het 
talent te zijn. Ook voor Fcith's dichtgave ware het wensche- 
lijk geweest, zoo zijn weg wat meer over distelen en doornen 
had geleid. Men kan het aan zijne meeste werken zien, dat 

T. EN L. XII. 7 



94 J. A. F. L. baron van Heeckeren. 

zy geschreven z^n uit een leuningstoel en uit zulk een zetel 
des gemaks komen gewoonlijk geene echte meesterstukken 
voort. De korte en gespierde st^l^ dien de man des bedrijvi- 
gen levens en van het strqdgewoel zich eigen moet maken 
en door het menigvuldig gebruik by noodzakelijke zelfver- 
dediging hem tot een scherp sngdend zwaard wordt is FeUh 
meestal vreemd. Hy 19 al te goedkoop met ziju tjjcl en zijn 
woorden. Zijne taal zoude, had hij minder verzen gelezen, 
minder gestudeerd, waarschijnlijk dichterlijker zgn geweest. 
Bij hem staat de letterkundige den dichter vaak in den weg. 
Wanneer men hem met de dichtpen in de hand aanschouwd 
had, dan zou ik durven wedden, dat men hem van tijd tot 
tijd den eenen of anderen dichter had zien opslaan om na 
te gs^an op welke wgze deze bet denkbeeld^ iaA by hem op- 
kwam, had uitgedrukt Heilzaam ware het voor zijne poesie 
geweest, zoo een goed vriend vap t^d tot t^d den dichter 
m deu letterkundige bad wakker geschud en hem bad to^ 
geroepen: bet Nederlandsche volk heeft in de crisis^ waariQ 
bet verkeert, b^ioefte aan een profeet^ niet aan een berede- 
nerend verzenmaker I Gelukkig bewaarde die piofeet niet 
altijid het stilzwügen in hem; gelukkig toch voor FeU\ als 
trouwens yoor lederen meosqbi dat de kalmte van bet uit* 
wendige leyen,^ niet bet inwendige geheel vrijwaart voor heil- 
zame schokken en beroeringen. Naast den gelukkigen eobt- 
genoot en den nog gelukkigeren vader, den bewierookten 
letterkundige en den tevreden buitenman, wa3 er in ?yün ge- 
moed toch ook nog plaats yoor den vurigen patrioit, den y^- 
smacbter naar een hooger e^y, heiliger leven en den bij allen 
uiterlijken voorsj)oed tocb in oprechtheid klagenden man der 
smart. Kalm en langs bebloemde boorden moge de beekz^ns 
levena, naar het uitwendige 9ich voortgespoed hebben: op 
haren bodem lagen rotsblokken en steenen genoeg^ waaraan 
zü baren boazem kon verscheuren en aan hare oeyers zag 
z)i in haren loop menigen bouwval, waarvan zij de voeten 
moest besproeüen en nu zijn het juist deze verborgen boe- 



Iets over Rhynvis Feitb. 95 

zemwonden en deze piiinhoopen, welke voor het oog van den 
vorscher, der poésie van Feiih soms een hoog dichterlijk 
karakter geven. Doch voor het oogenblik wil ik mij bepalen 
tot de uitwendige zijden van des dichters leven. 

De vroegtijdige promotie was opgevolgd door een even 
vroegtijdig huwelijk. Reeds op zijn 20 jaar huwde hij met 
eene vrouw, di© eenige jaren ouder was dan hij. Mag men de 
legende gelooven, dan lag er tusschen de promotie en zrjn 
huwelijk nog een engagement, dat van de zijde der jeugdige 
schoone werd verbroken. In zijne vrouw vond hij eene trouwe 
en verstandige levensgezellin. Als een gemoedelijk christen 
girf FeUh haar de achting en liefde, ' waarop zij aanspraak 
kon maken. Aan zijne poésie bleef echter zijne wettige echt- 
genoot gedurende 40 jaren vreemd. Zoo men op zijne verzen 
kan af^n, dan hebben de schimmen van meer dan eene 
aangebeden af^storvene schoone, gedurende zijn huwelijk 
voor zijne verbeelding gespookt. Aan het hoofd dezer schoe- 
nen staat Nerina. Met haar had hij hand in hand gezeten in 
dien stillen zomernacht, dien hij ons schildert in verzen, wier 
zoetvloeijendheid in de Nederlandsche taal geene wedergade 
heeft, in den nacht toen de harde plicht tot scheiding dwong. 
Haar hoopt hij in de eeuwigheid, in de zalige gewesten, waar 
geene zonde meer woont, als gade te omhelzen. 

Deze Nerim en andere maagden, die hij in zijne gedichten 
telkens beweent, zijn natuurlijk nimmer gestalten van vleesch 
en bloed geweest, maar de schaduwbeelden der Laura*s^ Jülia*s 
en Charlotten^ die hij uit zgne dichters had leeren kennen, 
maar toch geloof ik, dat de verbeelding ook met zulke scha- 
duwbeelden een zeer gevaarlijk spel speelt; die denkbeeldige 
geliefden zullen toch soms onwillekeurig de gelaatstrekken 
hebben aangenomen van schoenen uit zgne omgeving. De 
onsfcoffelijke kusjes, zooals Feith soms de uitingen der idea- 
listische liefde heeft genoemd, moeten gevaarlijk geweest zijn 
voor bet blanke staal der huwelijkstrouw, staal^ dat naar 
Is dichters uitdrukking door de bloote ademhaling roest. In 



96 J. A. F. L. baron yan Heeckeren. 

zijne zelfbeschouwing sprak on^e dichter van een harden 
strijd, dien zijn plichtgevoel tegen eene bedorven neiging had 
te kampen, — van een strijd, waarin hy niet dan na menige 
nederlaag en na menig gebed de overwinning behaalde. Het 
is niet moegelijk te raden op welken vijand die zegepraal 
werd bevochten. In het gemoed des dichters stonden drie 
altaren, de eene gewijd aan den Christel\jken godsdienst, de 
tweede aan het vaderland, de derde aan de liefde. Andere 
goden dan deze drie heeft hij niet gekend. Nu heeft een man 
des gemoeds, waar hij klaagt over zonde en schuld, altijd 
het oog op een ontrouw of verraad, dat hij pleegde tegenover 
een der goden, waarvoor zijne ziel zich buigt. Feiih heefb 
het Christendom en het vaderland tot zijne laatste oogen- 
blikken met de innigste trouw aangehangen. Ten hunnen 
opzichte moest zijn geweten hem van iedere schuld vrijspre- 
ken. Zijne „tranen en gebeden^ die schuldig tot God keerden" 
moeten dan gedachten gegolden hebben in strijd met eerlijke 
liefde. Zijn geweten moet hem hebben voorgehouden, dat het 
onchristelijk is, al zij het dan ook alleen in verzen, in den 
hemel te hopen op de omhelzing van eene denkbeeldige 
Nerina^ als men aan eene andere vrouw voor het oog van God 
eeuwige trouw heeft gezworen. In zijne levenslente, by het 
zoo licht ontvlambaar gemoed des dichters, zal die strijd heet 
genoeg geweest zijn; zelfs weet hij ons in een zijner brieven 
op geestige wijze te vertellen, hoe hij op zijn 19e jaar zich 
had laten inpalmen door eene Brusselsche schoone van de 
demi-monde. Het is alsof wij een hoofdstuk uit het begin van 
Thackeray's Pendennis lezen. 

„In het jaar 1771," zoo schrijft hij, „bezocht ik Brussel. 
De HoUandsche gezant bood ons zijne loge in den schouw- 
burg aan. Ik ontmoette er de gravinne H., die dat voorrecht 
altijd genoot. Het vermaak van eene landgenoote buiten myn 
vaderland aan te treffen, bezielde mij zoodanig, dat ik in 
weinig oogenblikken kennis met haar gemaakt had. Schoon 
ik zeer veel van het tooneel houd en men daar dien avond 



Iets over Rhynvis Feith. 97 

eene der geestigste stukken van Molière speelde, vergat ik 
alles om de zedigheid en voortreffelijke gevoelens mijner land- 
genoote te bewonderen. Zij verzocht mij den volgenden mor- 
gen het ontbijt bij haar te nemen. Reeds om acht uur was 
hare koets voor mijn logement. Zij woonde in eene boven- 
woning, die met pracht, maar ook met den besten smaak 
versierd was. Haar gevolg bestond uit eene kamenier, twee 
knechten en eene koets met vier paarden. Ik maakte haar 
de üage over Brussel \ zij stemde mij toe dat Bmssel inder- 
daad eene aangename plaats was, maar verhaalde mij dat zij 
van de vermakelijkheden, die de stad aanbood, nimmer ge- 
bruik maakte. De schouwburg en bij gelegenheid eene pro- 
menade door het park waren hare eenige uitspanningen ; eene 
goed uitgekipte bibliotheek vervulde haar al den overigen 
tijd. Ik nam a&cheid van haar, nadat ik langer dan een uur 
bij haar had vertoefd en begaf mij naar het park. Gedurende 
mijne geheele wandeling was ik enkel bewondering over de 
keuze en soliede wijze van denken van een acht en twintig 
jarig meisje, dat met zulk een ruim bestaan in eene stad als 
Brussel de genoegens van een stil en denkend leven boven 
al de vermakelijkheden van hare jeugd verkoos. Nog geheel 
opgetogen, trad ik in het hotel van den Marquis N. N., die 
mij dien middag ten eten gevraagd had. Z\jne echtgenoot, 
ruim 30 jaar jonger dan hij, nam de honneurs van het huis 
op eene uitstekende, bevallige wijze waar. Zij vroeg mij 
rekenschap van den afgeloopen morgen. Gij begrijpt, dat ik 
deze schoone gelegenheid niet liet voorbij gaan, zonder m\j 
van eene lofrede te ontlasten, waarvan ik tot stikkens vol was. 
„Voüh une fiUe bien respedable^ Monsieur! mais je ne me rap- 
peüe pas de la connaUre^ Oomtesse de . . , , dites vous .^" — „Je ne 
me remets pas ce nom li^ ma chère amieV* viel hier de Marquis 
in met eene stem, die bijna 60 jaren en eene in Parijs wel 
bestede jeugd ongemeen deftig maakten, en waarvan hij 
waarlijk alle waarde scheen te gevoelen, want het was de 
eerste keer, dat hij ons gehoor er op vergastte. „La fiUe^ dont 






98 J. A. F. L. baron van Heeckeren. 



Monsiewr fait Véloge n'esi autre que la maitreeae du odUmdy qWü 
entretient depuia deux ans. Oest la seuie fiUe^ qui a su capiiver 
et conserver tm komme^ accaututni & changer de maUresse comme 
de diemiseJ'" 

Al kan men in dit brokstuk den navolger van Sterfèe niet 
miskennen, toch bestaat er geene enkele reden om aan de 
waarheid van dit verhaal te twijfelen. De anecdote werpt op 
het karakter van onzen schrijver een eigenaardig licht. Zij 
toekent hem als een jong pedantje, die reeds op 19jarigen 
leefbüd liefdesavonturen opzoekt, in het vroege morgenuur 
een bezoek aflegt b^ eene ongehuwde alleen wonende dame 
en dineert bij een bejaarden markies, die zich niet ontziet 
tot den baardeloozen knaap te spreken op een toon, die in 
een fatsoenlek gezelschap zel& niet tegen een afgeleefden 
roué zoude voegen. De markies van 60 jaren, die tegenover 
zulk een jong mensch wil stoffen op zijne ervaring in de 
liefdeszaken der groote wereld, moet dat gedaan hebben om 
met het pedantje den spot te drijven. 

Aan het slot van dezen brief doet FeUh het voorkomen 
als zoude hij door dit voorval voor goed van de krankheid 
der voorbijgaande verliefdheden genezen zyn. Men heefb reden 
om dit te betwijfelen. Wie jaren achtereen z^ne gedachten 
over onderwerpen der verliefdheid heefb laten gaan, drie 
romans, met de liefde tot schering en inslag, heeft geschre- 
ven en in zijne verhandelingen de liefde in al hare vezeltjes 
heefb ontleed, moet dit gedaan hebben, omdat de verliefdhe- 
den in zijn gemoed en verbeelding nog den boventoon had- 
den. Het is waar, Oöihe's Weriher en MiUer^s Siegu?art hadAen 
met de sentimentaliteit ook de liefderomans in de mode ge- 
bracht, doch het was juist Feüh^ die beiden het eerst bij ons 
uit Duitschland heefb overgeplant. Die sentimentaliteit woei 
hem aan b|j een bezoek, dat hij omstreeks 1780 aan den 
dichter van den Messias te Hamburg bracht. — Klopstock 
droeg den Hollanders, zoowel om hunne republikeinsche ge- 
zindheid als om hunne ervarenheid in het schaatsenrijden. 



letB over Bbynvis Feith. 99 

waarvan hij een MrtBtochtelijk liefhebber was^ eéti goed hart 
tóe. HIJ ontving dan ook den vurigen repüblikeinsohen jongen 
dichter met groote voorkomendheid, stond hem toe eene brief 
widseling met hem te houden en dohrèef een vle^ehd versje 
in £ljn album. De vriendel^kheid^ hem door den man bewe^ 
zen^ die toen doorging voor Europa's eersten dichter^ verhief 
Fóük in het oog van alle Nederlanders nog meer dan de v^f 
verzen, die door verBchillende maatschappijen met goud waren 
bekroonde Ook hierin was F\êUh een door de ft)rtuin begun- 
stigde^ ver boven Büdml^k^ die gedurende zijne achtjarige 
üitlandigheid met geenen enkelen letterkundige van naam in 
aanraking schijnt te zijn gekomen en die eerst op vet^vor- 
derden leeftijd toeh het hem weinig meer baten kon, in den 
Engelschen dichter BcnUhey eenen lofredenaar vond. Ondanks 
zijne minderheid in talent en wetenschap was FWh*s naam 
in don avond van zijn leven in Nederland evenzeer bekend 
als die vsui Büd&tdijk Hem klonken uit dën vreemde, dank 
zij Ekksiwff^ en Olamréau's vertalingen van het Oraf meer 
lofi^odenen tegen dan de ooten mochten streelen van On^en 
hooMdiditer, die ongelukkig was in alles, tot zelüs in de ver- 
talingen, die sommigeh van zijne stukken hebben beproefd. 
Het geluk, dat Bilderdijh meestentijds den rug toekeerde, was 
F^süh altijd nabij « Terwijl gene gedurende zijne zwerftochten, 
om met hem zelven te spreken^ y^het aardrijk overstrooüe 
9H<^ êe lijken var^ een tiental hinderen*^ trad de dood de woning 
van Feith,^ schoon omringd door een talrijk kroost, gedu-. 
rende 40 jaren^ nooit binnen. 

Financieel berokkenden hem de staatssohokken, die Neder- 
land van 1784 — 1815 teisterden, weinig schade. Wel is waar, 
beroofde de omkeer van '87 hem Van de burgemeesterlyke 
waardigheid zijner vaderstad Ztmüe^ maar onder de republiek 
was het burgemeestOrsambt grootendeels eene eerepost. W|j 
zien hem eenigen tijd daarna de betrekking van ontvanger 
der convoijen en licenten vervullen, eene betrekking, die 
zeker weinig met zijnen poêtischen aanleg overeenstemde en 



• 






103 J. A. F. L. Imrott van Heeokeren. 

dohrifted brokstukken voor, Wdariu hy eenig onder allen Bttat 
f'ékh wM geett ervaren venBebinaker ; nimmer ^ma hQ ei^f 
handig in het hantoeren VAn zijn speeltuig. Het rijm, dat 
naar B(MeAu^B uitopr^k^ diM dichter als iriaaf moet dienen^ 
bebeerdöht hem vaak ale meester. Niet ï^elden zien wij het 
wederspannige paai^d^ sonder te lutateren naar beugel of 
zweepslag) eenen geheel anderen weg indaan dan de meester 
wilde. By geen onser dichters van naam epHngt de armoede 
in rymwoorden ^oofeeér in het lieht Ontdbare malen stuiten 
wij bij het lezen van zijne gedichten op de samenkoppeling 
van „hoH" en „ênunH'^ ^leinm" en ^«ne^Hi"} waar wij hooren 
gewagen van eenigen Uiü»kf, daar den wij ook het ^jduisiet" 
als het hinkende paard reede achteraan komen* HiOorie en 

ghrie^ weelde en streelde voegen ziöh alt^d^ als waren tsij 
tweelingzusjes, bij elkander. Dit alles is ongetwijfeld een ge- 
volg van de dwinglandy van het rijm in onze poesie en 
komt voor bij onze meeste dichters, maar bij niemand is het 
toch 000 hinderlp ale bij FeUh. Ook in andere opzichten is 
de kleerkast des dichterleken opeohiks by onsien dichter 
karig voonüen* In sijne ti^nstellingen^ bijvi versohijnt de 
„mnif' )3oo vaak als tegenhanger van eenen ^toorfh'\ dat 
Fokk^ BiHê^m in aljh recht was, toen hij in zyn' modernen 
üélkKm den houder van eene poëtische kermiskraam aan den 
vrager xssm een êiraf laat antwoorden: Onder de regering 
van F^Ok niet te koop^ zonder zijn tegenhanger,, den worm. 
Om zijne armoede aan dichterlijken opschik te verbergen^ 
leent hij gedurig tooieela bij zque buren en met die geleende 
ornementen komt hij telkens voor den dag. In (kskm^e be- 
schrijving van BMduóa's bouwVal zag hij een vos door een 
venster turen en in van Alphen* b Skrrenkémd^ bij de avond ^ 
schemering de bergen vluchten en nu komen die vluchiónde 
bergen en die turende voê meer dan eens in zijne gedichten 
voor. Door zijne verbazend uitgebreide belezenheid was zgn 
geheugen behangen met brokstukken uit de kunstgewrochten 
van misschien duizend dichters. Vaak houdt h^j ons, Waar 



Iets over Rhynvis Felth. 103 



wij eene bezielde schildering van zijne hand^ een uiting van 
zijn gevoel, een stouten vleugelslag van zijne verbeelding 
verwachten, zulk een geleend brokstuk voor. Te meer is dit 
te bejammereji^ omdat er in hem een profeet schuilt, die als 
hij tusschenbeiden te voorschgn treedt^ ons met overweldi- 
gende welsprekendheid medesieept. Maar helaas! Zelfs die 
profeet is niet altijd in staat Om den laatigen letterkundigen 
nabootser van sioh af te houden. Zie^ daar verheft zich de 
eerbiedwaardige gestalte van den vloekprofeet ; in zijne haren 
pij is hij opgestaan om Napciem^ den verwoester van Gods 
schoone aarde den banvloek naar het hoofd te slingeren. Ge- 
heel onze sympathie draagt hij bij zijne krachtige strafrede- 
nen tegen den tiran met zich mede, maar hoe verkoelt op 
eens die sympathie, zoodra wij bespeuren, dat zijne profeten- 
taal behoefte heeft aan de denkbeelden van anderen. Men leze 
toch eens in van BareU's Qemm de vergelijking, waai*mede de 
beschrijving van Alva's schrikbewind wordt gecdoten en daarna 
die, welke voorkomt in FeiMs Ode op Napoleon^ en men zal zien, 
hoezeer de Friesche zanger daarin op den voet wordt gevolgd. 
In de Oeueen leest men: 

Zoo hefte zich na Adam's zonden, 
Beschouwend vergenoegd zyn werk, 
Terwyi de aartsouders schaamrood stonden. 
De Satan knarsend tegen 't zwerk. 
En niet tevreden met de kwalen, 
Die hy op 't raadloos paar deed dalen. 
Was nog zyn gruwzaam brein bedacht 
Op alles wat na hen zou leven, 
En zag met vreugd hun doemnis zweven 
Op 't allerlaatste nageslacht 1 

Bij Feith leest men als oorspronkelijk vers: 

Zoo zag de Satan in 't verleden 
Gods schoone reine Schepping daar, 



109 J. A. F. L. bwoii van HMokeren. 

dohriften brokstükkeb Vüor, wtorln hij eenlg onder allen Bttot 
i^éiih vré» geen ervaren verKenmak^ ; nimmer was bq erg 
bandig in bet hanteeren van zijn speeltuig. Het rijm, dat 
naar BMmufê uitspraak^ den diobter als slaaf moet dienen^ 
bebeersobt hem vaak als meester. Niet aoelden eien w^ bet 
Tfederspannige paard^ eonder te luisteren naar teugel of 
^weepdlag) eenen gebeel anderen weg inslaan d^n de meester 
wilde. Bij geen onzer dicbters van naam springt de armoede 
in rymwoorden 2ooi^r in het licht Ontdbare malen stuiten 
wij b\i het lezen van zyne gedichten op de samenkoppeling 
van „AoH" en ^énui¥f\ ^le^im" en ^^i^PéH**) waar wij hooren 
gewagen vnn eenigen UUskt, daar den wij ook bet ^duister'' 
« ais het hinkende paard reeds achtbaan komen* Hi^me en 

gïorU^ weelde en sireelde voegen zioh altijd^ als waren t&ij 
tweelingzusjes, by elkander. Dit alles is ongetwijfeld een ge- 
volg van de dwinglandy van bet rijm in onze poesie en 
komt voor bij onze meeste dicbters, maar bij niemand is bet 
toch 1900 binderlQk als bij Fm$h. Ook in abderé opziclvtea is 
de kleerkast des dichterleken opsobiks bg onaen dichter 
karig voorsien* In sijne tsgenstellingen^ bijvi verscbynt de 
„ëémf eoo vaak als tegenhanger van eenen ^uwrfh*\ émt 
Fokke Bümnè in aljn recht was, toen hij tb egn' modernen 
üMtxm den houder van eene poötisobe kermiskraam aan den 
vrager naar een Hraf laat antwoorden: Onder de regering 
van Félffk niet te koop^ zonder aijn tegenhanger^ den worm^ 
Om zijne armoede aan dichterleken opschik te verbergen^ 
leent hij gedurig tooisels bij zqne buren en met die gêleeBdè 
ornementen komt bij telkens voor den dag. In OssinWt be- 
schrijving van BtMiMs bouwval zag bij een vos door een 
venster turen en in van MphefiCs Sierrenhmnd^ bij de avond* 
schemering de bergen vluchten en nu komen die vltêehi^nde 
bergen en die i^Ufende voé meer dan eebs in zijne gediohtp 
voor. Door «ijne verbazend uitgebreide belezenheid was zi* 
geheugen behangen met brokstukken uit de ^^^nstgewroohten 
van misschien Suizend dichters. Vaak houdt h^j ons w 



Iets over Rhynyis Felth. 103 



wij eene bezielde schildering van zijne handi een uiting van 
zijn gevoel, een Btouten Vleugel8l£^ van zijne verbeelding 
verwachten, zulk een geleend brokstuk voor. Te meer is dit 
te bejammere^^ omdat er in hem een profeet schuilt, die als 
hij tusschenbeiden te voorschyn treedt^ ons met overweldi- 
gende welsprekendheid medesleept Maar helaas I Zelfs die 
profeet is niet altijd in staat Om den lastigen letterkundigen 
nabootser van zich af te houden. Zie, daar verheft zich de 
eerbiedwaardige gestalte van den vloekprofeet ; in zijne haren 
pij ia hij opgestaan om Napciem^ den verwoester van Gods 
schoone aarde den banvloek naar het hoofd te slingeren. Ge- 
heel onze sympathie draagt hij bij zijne krachtige strafrede- 
nen tegen den tiran met zich mede, maar hoe verkoelt op 
eens die sympathie, zoodra wij bespeuren, dat zijne profeten- 
taal behoefte heeft aau de denkbeelden van anderen. Men leze 
toch eens in van Hare^'s Oetusen de vergelijking, waarmede de 
beschrijving van Alva's schrikbewind wordt gesloten en daarna 
die, welke voorkomt in Feüh's Ode op Napoleon^ en men zal zien, 
hoezeer de Friesche zanger daarin op den voet wordt gevolgd. 
In de Oeugen leest men: 

Zoo hefte zich na Adam's zonden, 
Beschouwend vergenoegd zijn werk. 
Terwijl de aartsouders schaamrood stonden, 
De Satan knarsend tegen 't zwerk. 
En niet tevreden met de kwalen, 
Die hij op 't raadloos paar deed dalen. 
Was nog z\jn gruwzaam brein bedacht 
Op alles wat na hen zou leven, 
En zag met vreugd hun doemnis zweven 
Op 't allerlaatste nageslacht! 

Bij Feith leest men als oorspronkelijk vers: 

Zoo zag de Satan in 't verleden 
Gods schoone reine Schepping daar. 



104 J. A. F. L. baron van Heockeren. 

En knarstandt om 't geluk van Eden 
En 't heil van 't schuldloos ouderenpaar. 
Maar niet te vreön met hun ellende, 
Denkt hij een rampspoed zonder ende, 
Die aan beur laatste nakroost kleeft. 
Hij voelt zijn grootheid in 't verdelgen. 
En de afgrond zal den mensch verzwelgen, 
Zoo lang er nakroost van hem leeft. 

Men ziet het: het zijn geheel dezelfde denkbeelden, alleen 
mist de copie de kracht en den gloed van het origineel. 

III. 

Zijne brieven over letterkundige onderwerpen hebben, naar 
de getuigenis van velen, eenen veredelenden invloed gehad 
op den kunstsmaak en het schoonheidsgevoel zijner tijdge- 
nooten. Zij bevatten ook inderdaad vele nuttige en practische 
wenken voor jeugdige schrijvers. Hunne grootste verdienste 
ligt echter in de keurige bloemlezing uit de poésie onzer 
naburen. Toen die brieven uitkwamen waren de engelsche en 
duitsche letterkunde bij ons nagenoeg geheel onbekende lan- 
den. Het voorgeslacht uit de 18e eeuw was, zoo het behoorde 
tot den beschaafden stand, innig vertrouwd met de classieke 
en de fransche letteren, maar van engelsche of duitsche 
poésie, wist het bijna niets. Feith leidde met van Alphen de 
duitsche dichtkunst bij ons in. Hem komt boven van Alphen 
de verdienste toe, dat zijne sympathie voor de letterkunde 
van ons zustervolk gepaard ging met warme liefde voor onze 
nationale letteren. In zijne brieven wees hij op de schoon- 
heden van vele, reeds half in vergetelheid geraakte, vader- 
landsche dichtstukken. Hooft's minneliederen, die der deftige 
18e eeuw wat al te naïf in de ooren begonnen te klinken, 
werden door hem in eere hersteld. Aan hem zijn de twee 
juweeltjes uit de gedichten van Dirk Smits hunne populari- 



J 



Iets over BhyBvia Feith. 105 

teit verschuldigd. Op de schoonheden van van Alphen's Ster- 
renhemd wees hij het eerst. Onzen eenigen Staring moedigde 
hij in zijne jeugdige dichtproeven aan. In vereeniging met 
Büderdijk kleedde hij van Harende Geuzen in een gewaad 
van wat minder vreemden snit; de letterkundige telgen van 
den frieschen edelman konden zich nu, zonder gevaar van 
bespotting, presenteeren in de woningen van burgers en 
patriciërs. 

Ik voer den lezer weder terug naar Bosehwyk i). Het is nog 
vroeg in den zomermorgen, maar de oude man is nog altijd de 
man van de klok en matineus gebleven. Reeds is hij bezig 
met zijne geliefkoosde werkzaamheid, het schrijven van lange 
brieven aan vrienden en vereerders, die in vraagstukken van 
godsdienstigen of zedelyken aard, met de bede om licht tot 
hem waren gekomen. Ik veronderstel, dat hij thans een' brief 
aan z^ne welbekende vriendin Sophie onder handen heefb. 
Wie of hij toch met die Sophie^ aan wie hij zoovele brieven 
in proza en dichtmaat heeft gericht, bedoeld mag hebben? 
Naar ik geloof, moet men aan twee Sophie's denken. Naast 
denzelfden naam hebben de twee dames ook eenige eigen- 
schappen gemeen; b. v. beiden wonen op mooije buitens en 
doen zoo'n beetje aan de letteren, maar van karakter zijn 
zij geheel onderscheiden. De eene Sophie^ voor wie hij zijne 
brieven in verzen over de Kantiaansche wijsbegeerte schreef, 
heefb de lieve karaktertrek, dat zij eene vriendin is van het 
vijfdedaagsch gepeupel^ zooals Kinker haar de dieren laat noe- 
men, maar overigens heeft zij weinig innemends. Naar FeüVs 
brieven is er aanleiding om haar te houden voor een soort 
van blauwkous en esprit fort. Zij heeft zich zoo verdiept in 
Kanfs kritieken, dat het buitenleven haar geen genot meer 
aanbiedt. Niet in het Christendom, maar in eene diepzinnige 
philosophie tracht zij een schild tegen het ongeluk te over- 
meesteren. — De andere Sophie is eene veel liefelijker gestalte. 



1) T. en L. 1894 afl. 3 blz. 1--13. 



106 J. A. F. L. baron ran Heeckerea, Iets over Ehynyis Eeith. 

Toen FeUh haar in 1791 dM ood^t bekenden brief sohreef, 
was ui} nog in den bloei Van baar leven. Z^ wordt in dien 
brief geteekend als goedig, lieftallig en met een blik vol be* 
toev^ing. De partijdige ingenomenhdd met de classieke 
fhinsche dichters staat haar goed, en doet haar kennen als 
e^ie dame van de Haagsche aristocratie. Feiik t^racbtte in 
dien brief haar hart te winnen voor de dnitsohe godsdienstige 
poésie. Daar zij echter het duitsch niet genoeg schijnt ver< 
staan te hebben om die gediebten, anders dan uit vertalingen 
te genieten, zal de poging wel mistnkt zijn. Later in 1809, 
toen de aanhoudende oerlogsstorm haar stoorde in de rust 
van het buitenleven, klaagde 2sq haren nood aan haren ouden 
vriend, en een brief in verzen was het antwoord. In deze 
8»phie meen ik de gravinne m» WavtmBkhen^ geboren gravinne 
r«m ttogendmrpi^ dus eene tante van Gijsiert Carel te herken- 
nen, dezelfde dame, aan wie de dichter zijne Thwza opdroeg. 

1887. J. A. F. L. BARON VAN HfiECKEBJËN. 



WILHELMUS VAN NASSOUWE. 



De iBMr J. W* Enaehediév ^e zleh rea43 voim* een Aebttal 
jaren door is^n tolangwekkenda stu()ieii over de melodie ya» 
bat Wilhelmusi verdïenat^ijk heeft gemaakt, ia Uökbaar ainds 
dien tOd voortgegiaan ^ja aandaobt aan on;^B biBtarie^ang 
bij nitoemendheid te wijden^ en da irestitltaten van xijn voovt^ 
geset wdeiTssQek heejt bö voor eenige jaren in bet revende 
deel van heb tlnU^^ 4^9 égUae^ vatknne» en nu onlanga in 
de laatefc Yergcbenen aflevering van het Tiidsdmp^ 4er Yef^ 
emigtim ^^^ N9ard^Ji&i$f^niBbi muiindfi9^9ehiMkni9^ (y^^ 1) mee» 
gedeeld. Over den inhend voeral van deze laatste «tudie wii 
ik het een eq ander zeggen? de reaa^tltaten^ waartoe de heeir 
Enaehedé komt, syn wel zoo opmerkelijk^ dat ze wat nader 
mogen worden bekeken, en daar ze dan ook aan de aandacht 
van de dasbbdpera niet 'myx ontstnapt, en dua alle kans 
hebben doer bet groote publiek al» wetenecbappeiök vasiit* 
staande feiten te worden aanvaard^ k-omt het me attesbe- 
halve overbodig voor de redeneering en bewösvo^ing van 
den sohrijver aan een eenig^ns nanwke^rig onderzoek te 
onderwerpen. 

Het bedoeWe atnk in bet Ty^ahifi draagt betrekkeiijk 
GOiSQbaldig tot opschrift :. ^la Pbilipa van Marnix da dichter 
van bet Wilhelmua?". Ieder, die aich met die vraag wel eena 
heeft bezig gronden, weet dat bij zich beeft voor te be-> 
reiden op het antwoord: ^we weten er te weinig- van, om 
er iets zekers, van te zeggen'\ en zal dua niet zonder groote 



108 E. T. Kuiper. 



verwondering en waarschijnlijk in de overtuiging, dat de 
heer Enschedé belangrijke nieuwe gegevens heeft ontdekt, 
vernemen dat 's schrijvers conclusiön met een zekere kalme 
verzekerdheid aldus worden geformuleerd: 

1. De gronden, waarop men Marnix houdt voor den 
ontwerper van het Wilhelmus, zijn geheel onvoldoende. 

2. Wel daarentegen heefb hij aan het lied zijn huldigen 
vorm gegeven in 1572, door vertaling van een bestaand lied. 

3. Dat destijds bestaand lied is gedicht in 1568, waarscbyn- 
lijk in het Fransch, wellicht op de Chartres-wijs. 

Punt 1 geef ik grif toe. Men kan dat zonder gevaar doen : 
ook Fruin geloofde niet, dat Marnix het Wilhelmus ge- 
dicht had, en de getuigenissen er voor te berde gebracht zijn 
uitermate zwak. De oudste getuige, van omstreeks 1600, is zelf 
niet zeker van zijn zaak en schrijft „men zegt", en de andere, 
die overtuigder spreekt, komt weer zoo laat, dat wij hem 
weinig autoriteit kunnen toeschrijven. En nu tracht men wel 
den bewijslast van zich af te schuiven en de bewering te 
staven met de wedervraag: „wie zou het anders hebben ge- 
daan?", maar met dergelijke argumenten bereiken we geen 
positieve resultaten en we kunnen ons vergenoegen met ook 
op die tweede vraag als antwoord te geven: „we weten 
het niet." 

Toch moet ik op die beide veelvuldig aangehaalde getuige- 
nissen van daareven terugkomen, omdat de heer Enschedé er 
bij zijn andere conclusies een even verrassend als beslissend 
gebruik van maakt. 

Het Wilhelmus is een vertaald lied. Hoe is de heer E. het 
eerst op dat denkbeeld gekomen ? Er bestaat een voor weinige 
jaren gevonden fransche vertaling van onzen zang, op reke- 
ning gesteld van zekeren Fourmennois, een uit Doornik af- 
komstig partijganger en bewonderaar van den prins, en de 
titel van deze vertaling luidt: Chanson camposée d la louange 
et honneur de Monseigneur Ie Prince éCOrange selon Ie translateur 
Flameng enz. Op deze laatste woorden komt het natuurlijk 



Wilhelmus van Nassoavfe. 109 



aan. Daar staat met zooveel woorden, dat er een vlaamsche 
vertaler van het Wilhelmus is geweest. Duidelqk zijn de 
woorden wel is waar niet, maar de eenvoudigste opvatting 
er van, meent de heer Enschedé, is toch wel, dat de dichter 
der fransche bewerking zijn overzetting heeft gemaakt naar 
een vlaamsche redactie, die op haar beurt een vertaling was. 
De heer £. erkent nog een andere mogelijkheid, namelijk 
dat de fransche dichter de vertaling, door een Vlaming ver- 
vaardigd, omdat hijzelf het Dietsch niet voldoende machtig 
was, op zijn naam zou hebben uitgegeven, en ik voeg er bij : 
die vertaling van een Vlaming zou in proza hebben kunnen 
gemaakt z^jn, en dpor den Franschman op vers zijn gebracht. 
De bewerking, waarover we spreken, is gedrukt op een 
vliegend blaadje, en is dus bestemd geweest om te worden 
verspreid. Op hetzelfde blad papier, dat zich op de Kon. Biblio- 
theek bevindt, staan nog vgf andere liederen elk een kolom 
beslaande, zoodat men blijkbaar het blad in zes reepen knip- 
pen kon, die ieder op zich zelf konden worden gebruikt, aan- 
gezien dan op elk een compleet lied stond. Onder iedere kolom 
staat gedrukt: Fin^ onder het laatste Fin: Ie O. Tor M en 
daaronder Espère mieux ^). Zooals de heer E. ') heeft aange- 
wezen is dat de gewone wijze van onderteekenen van Four- 
mennois, die ook van elders alsschrijver bekendis. Aangezien 
ziljn naam alleen onder bet laatste vers staat en, ingeval het 
papier werd doorgeknipt, de andere verzen dus geheel zonder 
aanwijzing van dichter zouden zijn, is het mogelijk dat Four- 
mennois alleen dichter van dat laatste lied is, maar het zal 
toch wel de bedoeling zijn dat zijn onder teekening voor het 
geheele blad geldt. Intusschen zal men moeten toestemmen, 
dat door deze omstandigheid de boven besproken mogelijk- 
heid, dat Fourmennois het dietsche gedicht voor zich in 
fransch proza heeft laten vertalen, eenigszins.aan waarschijn- 



1) Volgens welwillende meedeeling van Dr. W. G. Bgvanck. 

2) Builetin des égl. Wall. VII, 353. 

T. EN L. XII. 8 



110 E. T. Kuiper. 



lijkheid wint. Immers het Wilhelmus vult de eerste kolom, 
In elk geval, zooals ik al opmerkte, vast staat de verklaring 
der woorden geenszins. Aangenomen toch, dat Fourmennois 
meent, wat de heer E. wil : moet men zich dan niet een 
weinig verbazen over deze conscientieuse mededeeling, op öen 
vliegend blaadje gedaan? En moet het niet evenzeer verwon- 
dering baren, dat de waalsche dichter, wetend, dat er een 
andere, oorspronkelijke, en nog wel volgens den heer E. fransche, 
redactie bestond, de moeite heeft genomen het heele lange 
gedicht nog eens over te gieten. Ik wil daarlaten, dat men 
in dat geval nog eer zou verwachten: „naar de vlaamsche 
verta/m^". Immers het komt me voor, dat er in de woorden 
wel de een of andere vergissing zalzijngeslopen, ener veeleer 
iets zal hebben moeten staan, dat eenvoudig beteekende : „ver- 
taald naar het Ylaamsch,'' zooals men ook zou opmaken uit 
de nog nader te bespreken, in het opschrift volgende woor- 
den: et se chanie sur la mesme vais A sgavóir de Chartre. 

Goed en wel, zal de heer E. zeggen, maar dat staat er nu 
eenmaal niet ; en Aht moet ik toegeven. Aan den anderen 
kant zal hij dan wel erkennen willen dat een eenigszins 
apocrief, niet heel begrijpelijk opschriftje van een lied op een 
van de voor verspreiding onder het volk bestemde blaadjes, 
die gewoonlijk nu juist niet uitmunten door nauwkeurigheid 
in dergelijke literarische quaestien, nog niet een krachtig argU' 
ment kan opleveren voor een bewering als de zijne. Ik wil 
zoo onpartijdig zijn te erkennen, dat we geen overvloed heb- 
ben van getuigenissen aangaande het Wilhelmus uit eêü 
waarschijnlijk zoo vroege periode. De andere liederen op het 
blaadje toch betreffen gebeurtenissen uit het jaar 1581 en 
heel veel later zal dus het document wel niet zijn te plaatsen. 
Maar toch, zonder bevestiging van andere zijde blijft dat ééne 
getuigenis voor mij van zeer weinig gewicht. 

Steun voor de bewering op het besproken vliegend blaadje 
vindt de heer E. nu echter in de plaats, die gewoonlijk voor- 
namelijk moet dienst doen om het auteurschap van Marnix 



Wilhelmus van Nassonwe. 111 

te béWflzen^ Het is de passage uit het boek van Verheiden 
Praestantium aliqttoi theclogorum effigies^ die ik voor de duide- 
lijkheid hier nogmaals moet uitschrijven^ 

Ab hoe ^^ro etiam profecta dicUur decantoM iUa caniüena com- 
pasita iH laudem Principia OviUdmi Naasavii^ ad Belgcbs Tyran- 
nide Aïbahi oppressos êdita. 

De beteekenis dezer woorden is vrij duidelijk. De heer E., 
het woord decantata voor bet oogenblik onvertaald latend, zet 
ze aldus óver : (kk eegt men dat van hém (M a r n i x) uitgegaan 
ia hei decantata lied^ dat [vroeger] gemaakt wa$ ter eere van Prins 
Willem van Nassau^ toen de Nederlanders verdrukt werden door 
Alvd*s tgrannie. 

In *t voorbQgaan zij opgemerkt^ dat vroeger willekeurig, 
o&choon met een bepaalde bedoeling, zooals blijken zal^ is 
ingevoegd. Maar op dat geheimzinnige decantata komt het aan. 
Om dit naar zijn zin te kunnen uitleggen maakt de heer £. 
een hoogst bedenkelijken taalkundigen salto mortale. 

Om tót een verklaring van het woord te komen heeft de 
heer Ei zeer té onrechte zijn Du Cange nagesls^en. Er is toch 
hier geen »prake van middeneeuwsch of „een ietwat later'' 
Latijn, zooals hij sch^nt te meenen. De geheele redeneering 
van den heer E. berust in de eerste plaats op de zonderlinge 
opvsltting, dat iemand die in de 17<ie eeuw Latijn schr\jft, in 
die sGhtijftaal dichter bij de middeneeuwen dan bij Cicero 
staatf sUsof het Latijn als een levende spreektaal maar al 
voort wals gegaan zich te vervormen en te ontwikkelen. Ik 
zal niet zeggen, dat Cicero Verheiden's Latijn zoo maar voor 
z^n rekeüing zou hebben willen nemen, ik heb het trouwens 
ook niefr nauwkeurig met het oog daarop onderzocht, maar 
ik houd het er wel voor dat de Ngmeegsche rector niet 
weinig gepiqueerd zou zijn, wanneer h|j booren kon, dat men 
voor het begrijpen van zqu zinnen Du Cange en Cal^pinus 
meent noodig te hebben. 

Overigens deed het er in dit geval weinig toe, waar het 
woord in werd opgezocht, de' beteekenis die de beer E. 



114 E. T. Kniper. 



ongeveer dat jaar als den tgd van ontstaan voor het Wilt 
helmus aangeven, en dat ook allerlei uiterlijke omstandigheden 
ons op dien t^d wijzen, terwijl in strijd d^rmee de inhoud 
van het lied duidelijk wijst op de jaren 1668 of 69. 

Gesteld, dat het lied inderdaad vertaald is en gesteld, dat 
we Marnix op de aangehaalde getuigenissen als den vertaler 
mogen beschouwen, waarom kan hij dan die vertaling niet 
hebben bewerkt, of waarom kan hy, indien hij de oorspron- 
kelijke dichter is, het lied niet hebben vervaardigd vóór hij 
by den prins in dienst was? Er biykt uit geen enkelen regel, 
dat de dichter iemand uit 's prinsen onmiddellijke omgeving 
zou zijn geweest. Maar ook dkt voor 't oogenblik toegegeven, 
wat verhindert ons eigenlijk als mogelijk aan te nemen dat 
Marnix, al in dienst bij den prins, den zang schreef? Wat 
dwingt ons aan die jaren 68 en 69 vast te houden? 

Zinspelingen op wat in den tijd der vervaardiging geschied 
was, komen in het Wilhelmus niet veel voor. De algemeene 
toon wijst natuurlijk op den tijd der verdrukking, er wordt 
gesproken van 's prinsen ballingschap, van zijn voornemen 
om te hulp te komen en er wordt — daarop steunt de ge^ 
wone dateering — herinnerd aan de mislukte ondernemingen 
van het jaar 1568. 

De laatstbedoelde plaatsen zijn de volgende: 

Lijf ende goedt altesamen 
Heb ick u niet verschoont, 
M\jn broeders, hooch vap namen 
Hebbent u oock vertoont: 
Qraef Adolff is ghebleyen 
In Vrieslandt in den slach. 
Siju siel in 't Eeuwich leyen 
Y^rwacht den lojigsten d^h. 



Dan: 



Als een Prins opgeheseten 
Met mijner heyres cracht, 



Wilhelmus van Nassouwe. 115 

Van den tyran venneten 
Heb ick den slach verwacht, 
Die bij Maestricht begraven 
Bevreesde mijn ghewelt, 
.Mijn ruyters sach men draven 
Seer moedich door dat velt. 

Soo het den wil des Heeren, 
Op dien tijdt had gheweest, 
Had ik gheern willen keeren 
Van u dit swaer tempeest, 
Maer de Heer van hier boven 
Die alle dinck regeert, 
Die men altijt moet loven, 
En heeftet niet begheert. 

Is er inderdaad reden aan te nemen, dat deze verzen op 
pas geschiede dingen doelen? Mij schijnt het veeleer, dat er 
al eenige tijd overheen heeft moeten gaan, en dat de dichter, 
terwijl hij het volk van Nederland tot moedhouden en vol- 
harden aanspoort, en Willem de belofte laat doen van een 
nieuwe poging om de onderdrukten te helpen, uit die vorige, 
mislukte onderneming opzettelijk alleen die dingen in her- 
innering brengt, die dan toch nog eervol waren: den roem- 
voUen dood van Adolf in den slag bij Heiligerlee, en van 
Willem zelf den overtocht van de Maas, toen Alva zich zoo 
zorgvuldig bij Maastricht achter zijn verschansingen hield. 
Soo het den wil des Heeren Op dien tijdt had gheweest .... doen 
die regels niet vermoeden, dat die vroegere poging voor den 
Prins al een jaar of wat achter den rug liggen ? 

In elk geval zie ik niet in, wat ons dwingen zou de ver- 
vaardiging van het Wilhelmus binnen de jaren 68 of 69 
te houden; eer zou ik geneigd zijn het, juist öm den inhoud, 
in 70 of 71, misschien zelfs in 't begin van 72 te plaatsen. 
Niet è,l te laat, omdat het oudste lied, dat tot wijsaanduiding 



114 E. T. Kuiper. 

ongeveer dat jaar als den tijd van ontstaan voor het Wilt 
belmus aangeven, en dat ook allerlei uiterlijke omstandigheden 
ons op dien tijd wijzen, terwijl in strijd d£^*mee de inhoud 
van het lied duidelijk wijst op de jaren 1668 of 69. 

Gesteld, dat het lied inderdaad vertaald is en gesteld, dat 
we Marnix op de aangehaalde getuigenissen als den vertaler 
mogen beschouwen, waarom kan hij dan die vertaling niet 
hebben bewerkt, of waarom kan hij, indien hij de oorspron- 
kelijke dichter is, het lied niet hebben vervaardigd vóór hij 
bij den prins in dienst was? Er blijkt uit geen enkelen regel, 
dat de dichter iemand uit 's prinsen onmiddellijke omgeving 
zou zijn geweest. Maar ook dè.t voor 't oogenblik toegegeven, 
wat verhindert ons eigenlijk als mogelijk aan te nemen dat 
Marnix, al in dienst bij den prins, den zang schreef? Wat 
dwingt ons aan die jaren 68 en 69 vast te houden? 

Zinspelingen op wat in den tijd der vervaardiging geschied 
was, komen in het Wilhelmus niet veel voor. De algemeene 
toon wijst natuurlijk op den tijd der verdrukking, er wordt 
gesproken van 's prinsen ballingschap, van zijn voornemen 
om te hulp te komen en er wordt — daarop steunt de ge^ 
wone dateering — herinnerd aan de mislukte ondernemingen 
van het jaar 1568. 

De laatstbedoelde plaatsen zijn de volgende: 

Lijf ende goedt altesamen 
Heb ick u niet verschoont, 
M\jn broeders, hooch vap namen 
Hebbent u oock vertoont: 
Graef Adolff is ghebleyen 
In Vrieslandt in den slach. 
Sijn siel in 't Eeuwich leyen 
Verwacht den longsten dach. 



Dan: 



Als een Prins opgeheseten 
Met m^ner heyres cracht, 



Wilhelmus van Nassouwe. 115 

Van den tyran vermeten 
Heb ick den slach verwacht, 
Die bij Maestricht begraven 
Bevreesde mijn ghewelt, 
Mijn ruyters sach men draven 
Seer moedich door dat velt. 

Soo het den wil des Heeren, 
Op dien tijdt had gheweest, 
Had ik gheern willen keeren 
Van u dit swaer tempeest, 
Maer de Heer van hier boven 
Die alle dinck regeert, 
Die men altijt moet loven. 
En heeftet niet begheert. 

Is er inderdaad reden aan te nemen, dat deze verzen op 
pas geschiede dingen doelen? Mij schijnt het veeleer, dat er 
al eenige tijd overheen heeft moeten gaan, en dat de dichter, 
terwijl hij het volk van Nederland tot moedhouden en vol- 
harden aanspoort, en Willem de belofte laat doen van een 
nieuwe poging om de onderdrukten te helpen, uit die vorige, 
mislukte onderneming opzettelijk alleen die dingen in her- 
innering brengt, die dan toch nog eervol waren: den roem- 
voUen dood van Adolf in den slag bij Heiligerlee, en van 
Willem zelf den overtocht van de Maas, toen Alva zich zoo 
zorgvuldig bij Maastricht achter zijn verschansingen hield. 
Soo het dm wil des Heeren Op dien tijdt had gheweest .... doen 
die regels niet vermoeden, dat die vroegere poging voor den 
Prins al een jaar of wat achter den rag liggen ? 

In elk geval zie ik niet in, wat ons dwingen zou de ver- 
vaardiging van het Wilhelmus binnen de jaren 68 of 69 
te houden ; eer zou ik geneigd zijn het, juist öm den inhoud, 
in 70 of 71, misschien zelfs in 't begin van 72 te plaatsen. 
Niet ètl te laat, omdat het oudste lied, dat tot wijsaanduiding 



116 E. T. Kuiper. 



„ Wilhelmus van Nassauwen"^ draagt, nl. Bas seventien provin- 
cen^ wel op zijn laatst in den voorzomer van 72 in omloop 
is gebracht. Dat dit geuzenlied ook uit Marnix' pen zou zqn 
gevloeid is een bewering, die niet meer, maar ook niet minder 
in de lucht hangt dan dat bij de dichter van het Wilhelmus 
zou zijn. 

De chronologische quaestie is voor E. 's betoog niet zonder 
belang. Dwingt de inhoud van het gedicht ons naar het jaar 
68 en blijkt niettemin in 72 het lied pas in de Nederlanden 
.in omloop te komen, dan zou dat verschil in jaren te ver- 
klaren zijn door het laatste alleen als dat der vertaling aan 
te nemen. Bij de groote onvastheid van de gegevens weegt 
trouwens het heele bezwaar niet zwaar. We weten niet, 
wanneer het Wilhelmus gedicht is, we weten niet, ofMarnix 
de maker was, we weten evenmin, wanneer het lied in de 
Nederlanden populair werd. Hoe kunnen we dan uit verge- 
lijking van zoo onzekere gegevens onderling gevolgtrekkingen 
maken ? 

Er bleef den heer E. nog over te betoogen, waarom hy 
juist aan een fi-ansch origineel dacht. Oppervlakkig zou men 
zeggen, dat het al heel onwaarschijnlijk is, dat Fourmennois 
een fransche vertaling zou maken van een gedicht, dat al 
uit het Fransch overgezet was. In het opschrift van Four- 
mennois' bewerking volgt op de boven aangehaalde woorden : 
jjEi se chante sur la mesme vois. A sgavoir de CAar/re." Daaruit 
leest E. dat F. dus waarschijnlijk nog een ander Wilhelmus 
kende, op een andere wijs gezongen. Inderdaad zoo kan men 
veel bewijzen! Wie kan uit die woorden iets anders lezen 
dan : „het wordt gezongen op dezelfde wijze als het origineel, 
nl. op die van Chartres."? Wat E's vroegere studiën in Oud- 
Holland over de wijzigingen der Chartresmelodie aan het 
licht hebben gebracht is inderdaad belangrijk genoeg. Maar 
hij vergete niet, dat Fourmennois de wijs, waarop het diet- 
sche Wilhelmus toen ter tijd werd gezongen, juist blijkens 
zijn opschrift, indien dat althans van hem afkomstig is, als 



WilhelmuH van Nassouwe. 117 

een Chartres-wijs erkent, niet als een gewijzigde maar als 
de gewone ; anders had hij niet juist naar d i e melodie ter 
verduidelijking van zijn eerste aanwijzing verwezen. Indien 
E. uit het opschrift bij Fourmennois, tot het bestaan van 
een ouder fransch Wilhelmus gelieft te besluiten, wat mij 
absurd voorkomt, dan zal hij er toch in elk geval toe moeten 
overgaan voor dat fantastische fransche lied een geheel 
andere melodie aan te nemen. Ik wijs er hem bovendien nog 
op, dat wat er van die gewijzigde melodie aan moge zijn, 
die wijziging toch wel naar alle waarschijnlijkheid niet eerst 
door den maker van het Wilhelmus kan zijn aangebracht. 
Welke volksdichter zou de dwaasheid begaan, als hij een lied, 
dat het volk zingen zal, dichten wil, dat lied zoo te maken, 
dat men er een bekende melodie eenigszins voor wijzigen 
moet. Die zijn taak begrijpt, kiest bij zoo'n gelegenheid na- 
tuurlijk een wijsje, dat het volk goed in ooren en mond ligt 

Trouwens ik zie niet wat het werken met die verschilende 
melodiön eigenlijk tot de zaak, waarover E. het hier heeft;, 
afdoet. De heer E. hecht er nog al wat aan. Een oogenblik 
stelt hij de vraag of we ook aan een duitsch origineel heb- 
ben te denken. En op grond waarvan ? Er is een Griselliswijs 
geweest, die leek op de oude Chartreswijs. Op een andere 
Griselliswijs, der Graf zu Rom^ is ook het in het Duitsch 
vertaalde W. gezongen. Dat is misschien wel casueel, maar 
meer toch ook niet ^). 

Zooals ik echter al zeide, de heer E. is meer geneigd aan 
een fransch origineel te gelooven. De prins sprak die taal 
dikwijls en met voorliefde en de melodie was uit Frankrijk 
gekomen. Maar opnieuw vraag ik, wat was dan het doel dat 
de dichter van het lied voor oogen had? Was het een lofzang 
tot Willem gericht? Of was het integendeel een van die 



1) Het is zonderling dat twee geuzenliederen, die tot stemaanwijzing Van den 
Grave van Bomen hebben, bij v. Lummel XCV en CXXI, geheel verschillend 
van maat zijn. 



118 ET. Kuiper. 

„verscheidene geschriften*' waarmede, volgens Hooft, de prins j^het 
raadetMam vond^ de harten der gemeenten tot afval van Alva te 
bereiden'' ? Indien de dichter Willem zoo bemoedigend en liefde- 
vol laat ze^en: Lijdi u, myn andersaten^ Die oprecht zijt van 
aert^ Godt sol u niet verlaten^ Al sift ghij nu beswaert^ moet hij 
dan de taal bezigen, die den held van zijn krachtige hymne 
gemeenzaam is, of een taal, die zijn volk, en juist niet alleen 
of niet in de eerste plaats de aanzienl\jksten daarvan, recht- 
streeks naar het hart gaat ? Het Wilhelmus is een geuzen- 
lied, een lied bestemd om door het volk te worden gezongen, 
en dat dan ook aan die bestemming ten volle heeft voldaan, 
In de in den aanvang genoemde studie over de Melodie van 
het Wilhelmus^) noemt E. het Wilhelmus „een lied, dat slechts 
bekend was in de onderste lagen der maatschappij." Het zy 
zoo, ook dit is bezwaarlijk uit te maken. Maar als hij er op 
laat volgen: y,maar bovendien een lied, dat thuis hoorde op 
het oorlogsveld," dan worden zijn woorden door den inhoud 
zelf V2^n het gedicht weerlegd. Het kan zijn, dat er onder 
Willems soldaten vrome vrij heidshelden waren, die de plechtige 
woorden bij voorkeur op het slagveld zongen, maar daar 
thuis hooren, neen, dat doen ze toch zeker niet. De godsdien* 
stige toon is daartegen wel volstrekt geen bezwaar, men vindt 
dien in tal van liedjes, die ongetwijfeld oorspronkelyk in het 
leger thuis hooren. Maar die liedjes vertellen dan ook hoofd- 
zakelijk of uitsluitend krijgsgebeurtenissen en zijn dikwijls 
blijkbaar te midden van die gebeurtenissen zelf vervaardigd. 
Ik ontken niet, dat bet Wilhelmus, al is het wat ik er in 
zie, daarom toch nog wel in het Fransch zou kunnen zijn 
geschreven, omdat in de Nederlanden toch ook, hoewel dan 
zooveel minder, Fransch werd gesproken — immers ook Hooft 
spreekt in de zooeven geciteerde plaats van geschriften in 
Duiisch en Fransois uitgegeeven^ — maar men had het dan toch 
onmiddellijk terzelfder tijd in het Dietsch moeten vertalen. 



1) Oud-HoUand XII, 223 vlg. 



Wilhelmus van Kassouwe. 119 

* ■ ■ ■ ' ■ I ■ ■ ' .1 ■ .1 -. I .... 

indien het in waarheid zou zijn, zooals Verheiden zegt edUa 
ad Bdgcts oppressos Albani tyrannide. 

Maar mogelijkheid is geen zekerheid, zelfs geen waarschijn- 
lijkheid. Al is de uitdrukking op het vliegend blaadje, waar 
het fransche Wilhelmus voorkomt, moeilijk verklaarbaar, van 
een vreemd origineel voor ons volkslied bij uitnemendheid is 
nergens elders eenig spoor te ontdekken: de zoogenaamde 
bewijzen van den heer Enschedé zijn van nul en geener 
waarde. 

Want dat het inderdaad ons volkslied bij uitnemendheid 
mng worden genoemd, ook dat staat bij me vast. Buiten het 
leger was het lied al in de eerste jaren na het ontstaan be- 
kend, althans als stemaanwijzing komt het al spoedig vrij 
veelvuldig voor en indien die bekendheid alleen voor de melo- 
die gold dan zou men eerder ^Chartres^' als aanwijzing heb- 
ben behouden. Soldatenliedjes kan men die geuzenliederen 
toch meestal niet noemen. „Tbts seoentien provincen'^ heb ik al 
gebloemd, en het valt zeker allerminst onder die rubriek, het 
is integendeel evenals het Wilhelmus zelf rechtstreeks tot het 
volk gericht; evenmin kan men daaronder rekenen het lied 
op het ontslag van Lumey, van het b^in van 1673 (v. Lum- 
mel LXXX), meer misschien de twee op de inneming van 
Middelburg (LXXXIX en XC, Maart 1574), maar het lied op 
het ontzet van Leiden (C, oct. 1574) is al te zeer in een 
anderen toon geschreven dan men van krügslui gewoon is. 
In 1675 doet Willem van Oranje met Charlotte de Bourbon 
zijn incomste in den Brielle: het lied CV, mede op de wijs 
W. V. N. is kennelijk bepaald gemaakt om b\j die gelegen- 
heid te worden gezongen door het volk. Ook CXXIII is een 
echte volksdeun geen soldatenliedje. 

Maar het mag nu eenmaal voor 1600 niet meer zyn dan 
dat Of Verheiden al in 1602 van iUa cantilena spreekt, dat 
komt alleen maar, omdat hij acht jaar vroeger met een otfi- 
ciersweduwe is gehuwd en hij dus van haar zal hebben ge- 
hoord, wat men in het leger al zoo placht te zingen: hij 



120 £. T. Kuiper, Wilhelmns van Nasaonwe. 



vergeet daarbij blijkbaar dat zjjn latqnsch werk over beroemde 
theologen nu toch wel niet in de eerste plaats voor den 
krqgsman bestemd was en voor zijn eigenlijke lezers dus een 
kleine nadere aanduiding ten aanzien van het bedoelde lied 
wel niet overbodig mocht heeten. Men zou^ denkende aan het 
vroeger over decantata gezegde, kunnen meenen, dat hij er 
intusschen toch wel eenigszins den neus voor optrok: „dat 
(tot vervelens toe gezongene) lied." Maar ook dat gaat in het 
verband moeielijk, omdat hij er op volgen laat: Quae quidam 
cantüena ita scUc fcicta^ ita concinnis rythmis modulisque suis est 
attemperaiay ut ■ plebis animos mire ad Principis^ lAbertatisque 
amorem exdiaverit. In hoc igitur Sanct-Aldegandis se aiterum 
quasi Tyrtaeum^ toties a Plaüme laudatum^ ostendit. (En dit ge- 
dicht is met zooveel kunstvaardigheid gemaakt, is zoo goed 
in harmonie gebracht met de er bij passende maat en wijs, 
dat het in verwonderlijke mate den moed van het volk en 
zijn liefde voor den prins en tot de vrijheid heeft aangewak- 
kerd. Daarin heeft St. Aldegonde zich dus een tweeden Tyr- 
taeus, dien Plato zoo menigmaal aanhaalt, getoond). En nog 
een ander positief getuigenis wordt door E. in dit verband 
niet in aanmerking genomen, namelijk dat, wat Böhme citeert 
in zijn AUdeutsches Liederbuch p. 512 uit een Limburger chro- 
n/*, die op het jaar 1576 de eerste strophe van het Wilhelmus 
aanhaalt met de bijvoeging Dieses Lied wart eben in disen 
Jahren gemachit^ und gemein gesungen. 

Het is maar al te mogelijk, dat een deel des volks zich op 
den duur wat te goed gevonden heeft voor het zingen van 
het oude Prinseillied. Maar met de eerste schoone jaren van 
den opstand hangt het zoo onverbreekbaar samen, en het is 
bij de kern van het volk zoo in het hart blijven leven, dat 
we geen reden en geen recht ook hebben het Wilhelmus 
anders te beschouwen dan als onzen historischen Volkszang 
bij uitnemendheid. 

Amsterdam, Februari 1902. E. T. Kuiper. 



HET NEDERLANDSE LIED. 



Liederboek van Groot-Nederland ykh 
F. B. Cojuis FzN., deel i, iJ, //ƒ, 
uitgave Yan Dishoeck Amsterdam. 

Zou het waar zijn, dat er andere tijden komen? Zou de 
overstelpende, stormachtig-het-uitjubelende hulde aan Paul 
Kruger b.v. gebracht toen hy in Den Haag kwam; betonop- 
houdelik, spontaan weer opwellende lied zouden ze 'en uiting 
van 'en nieuwe t\jd zijn? 

Zou het vorstelike woord van groot te zijn ook al is men 
klein bewaarheid zullen worden? 

Dit is zeker: bij wat men de toongevende kringen noemt 
is noch heel vaak 'en klamme mist van laksheid waar te 
nemen, die kil afeteekt bij de volk^ubel, bij het angstvallig 
of opgewekt meeleven in de grote oorlog in Zuid- Afrika. 

Zou dit laatste van de nieuwe tijd zijn en zou die nieuwe 
tijd 'en herleving van het lied ons geven? 

Ik voor mij hoop het. Ik kan niet aarden in 'en omgeving, 
waarin men eenvoudig uitgelachen wordt als men in de toe- 
komst van zijn volk gelooft, waarin ze je bespotten met de 
„God van Nederland" voor je ogen te plaatsen : kortom waarin 
herinneringen aan 'en vroegere periode noch rondzweven, 'en 
periode toen Multatuli's scherp vernuft door de jongeren 
vergoed werd, alsof spot met ons zelf, bitterheid over onze 
kleinheid het enige was waartoe verder ons volk in staat zou 
zijn, Maar laten wij noch even bij die tijd blijven. 



122 J. fi. ScheperB. 



Voor die koele Nederlandera waren de opgewonden Vla- 
mingen, in wie bet vuur voor de eigen taal en zeden boog 
opvlamde, gekken en alleen enkelen hier koesterden zich aan 
dat vuur en stelden ze dus hoog, ja al te lioog; hun kunst, 
ofschoon het mooie, innige er noch in komen moest, was 
gloedvol, een en al natuur, de ome koud en onnatuurlik. 

Toen nu b\j ons in '80 'en jonger geslacht opstond en het 
uitsprak dat Holland omhoog moest gestoten worden in de 
vaart der volken; dat Holland in de 20^^ eeuw 'en kunst 
moest hebben die klonk als 'en klok, zodat de wereld met 
verbazing toeluisterde ; toen traden zij met hun geestdrift 
voor 't echte, ihdividueie, eigen -geziene en-gevoelde, scherp 
op tegen de overschatting van de Vlaamse kunst en wezenlik 
die ktltiek is de Vlaamse kunst ten goede gekomen. 

En toch, die afstotende houding van de Nieuwe Gids tegen- 
over de Vlaölingen was niet geheel billik. Immers terwgl 
hier noch maar enkel de hoofden van enige hoger staanden 
verlicht werden door de zon van liefde- voor-'t-eigene-in-'fc'Volk, 
waren et daarginds al velen door beschenen, ja in gloed gesset. 

Die geestdrift voor 't eigene doet nu noch 'en Stgti Streu- 
Vols grepen doen in 't allergewoonste volksleven, en dikwils 
dief) totdat hij er de ziel van raakt, en diezelfde geefetdi-ift 
bezorgde ons toen de grote schatten terug Van onze volkstam, 
onze oude liederen, die wij zelf meenden Verloren te hebben. 

ïn dit opzicht zijn Jsij ons ver voor ge^v^reeifet, terwijl velen 
van ons druk bezig waren aan 't ontleden van de eigen ziefl 
en 't omzetten daarvan in sonnetten. 

De liedereö, die de kern vormen van ons Liederboek, heb- 
ben Wij aan 't Vlaamse volk te danken. Aaiï 't hele Vlaamse 
volk: immers het had trouw, de eeuweri door, de liederen 
bewaard en van geslacht op geslacht nagezongenf, die uit de 
diepste Middeleeuweti soms dagtékeneh. 

Wat ook bij ötls vörwaaid #as doof de stormen van de 
godsdienstoorlog en, door de koelheid van ons temperament, 
bevroren was geraakt; wat ook hiBt\ iö het Cailviöistiese 



Het Nederlandse lied. 123 



Nederland niet voegde meer, omdat het denken hier zo geheel 
anders was geworden als toen het Middeleeuwse Roomse ge- 
loof de zangers van het lied noch bezielde ; dat was alles daar 
blijven bestaan, als 'en kostbare schat in de Vlaamse boere- 
woningen. En de Vlaamse geestdriftigen gingen op weg en 
toverden die schatten te voorschijn. 

Ze lieten ze weer opklinken de oude melodieën. Is het voor 
'en Noord- Nederlander niet 'en merkwaardig schouwspel als 
daar 'en Hoogleraar oude liedjes staat te zingen? En toch, 't 
is niets dan 'en uiting van de piëteit van dat volk. 

Bij ons ook gingen de mensen meer voor 't eigene voelen ; 
ook hier werden uitheemse taal- en zedenbaüden verbroken 
en het nationale denkbeeld kwam er statig gloeiend uit te 
voorschijri als de morgenzon uit dikke nachtwolken. 

En niet alleen ons volk, ons ras stond enigen voot ogen, 
als 'en eenheid, hoe verdeeld ook, wanneer maar eerst de 
band gevonden was, die die eenheid samenvoegen kon. 

Zo ontstond het grootse denkbeeld van Groot-Nederland. 

De vereniging van al wat van deze lage landen stamt of 
daar noch woont, 'en geestelike vereniging wel te verstaan, 
geen staatkundige, al zou ook het zich-één-gevoelen tot 
vriendschap als staat moeten leiden. 

En niets dat deze vereniging zo kan bevordetetï als het 
gemeenschappelik gezongen lied. Welnu, daarvan hebben wij 
nu 'n grote schatkamer in het Liederboek van Ghooi-Nederland 
van de heer F. R. Coers, één van de dragers van het grote 
Ideaal van 'en herboren Nederland, van 'en gebofen Groot- 
Nederland. 

Hierin liggen gedeeltelik de schatten van de over overoude 
tijden van ons ras, toen het zich noch maar alleen in de 
„Lage landen bi der See" met 'en eigen karakter vertoonde. 
NatiWeliks lazen onze voorouders geschriften in ohze taal, ja 
mischien wel voor ze konden lezen uitten ze hün zieleièfVen 
iö hun lied. Er was 'en tijd dat de ridders en geestelikefi dè 
enigeiï waren tot wie oüze letterkunde sprak, 'en tijd waarin 



124 J. B. Schepers. 



de zangers en schr^vers het dus by voorkeur over ridderlike 
daden en kerkelike legenden hadden. In hoe menig lied vinden 
we die beschavingstoestand terug, ik noem alleen het mooie 
Middeleeuwse liedeke: Het daghet in dm Oosten. En nu blijkt 
dat het lied niet aan t|jd en zeden gebonden, maar om zich 
zelf blijft voortleven. 

2^1fs 'en noch achterllker beschavings-toestand vindt weer- 
klank bij ons als we in het liedje van HaUwgn lezen van 
'en ridder die als 'en Blauwbaard onder z'n vrouwen huisr 
houdt, tot hem eindelik door 'en liefhebbende vrouw, die zich 
zelf beloofd had haar eer te zullen verdedigen, het hoofd 
wordt afgehakt^ juist als h|j haar vermoorden wil. Is z|j niet 
de eerste. vrouw geweest die streed tegen de duldeloze dwin? 
gelandij van, daardoor en door 'en soort bekoring die er van 
hun uitgaat, machtige mannen. 

Zie, zo'n stof blijft modern, hoe eeuwen oud ook, al is de 
manier ook wat zonderling naar onze begrippen. 

Zij toch rijdt met Halewljns hoofd naar huis. 

Daar werd gehouden een banket: 
Dat hooft werd op de tafel gezet. 

En wilde ik zo doorgaan en de mooie geschiedenis vertel- 
len van Het heerhen van Maldeghem^ van Heer Danielken^ ik 
zou veel te uitvoerig worden. 

Ook veel minneliedjes zijn uit overoude riddertijden tot 
ons gekomen, als b.v. de liedjes aan hertog Jan van Brabant 
toegeschreven, maar meestal kunnen we niet zeggen uit welke 
tijd ze zijn. Dit staat vast: na de riddertijd komt die van de 
steden en in de woelige taveernen van Vlaanderen's rgke 
steden, daar werden de zangers, die vroeger meer de burchten 
opgezocht hadden, welkome gasten met hun oude en ook met 
nieuwe liederen, waarin de liefde 'en groote rol speelt, nu 
niet meer van de ridder maar van de lansknecht en z'n schone, 
ook al blijven de oude liederen daarnaast bestaan. Schalke 



Het Nederlandse lied. 125 



molenarinnetjes weten vissertjes tot kussen te brengen, er 
wordt gespot met kwezelkens; drinkliedjes worden gezongen 
als het bekende: Naer Oostland willen wij rijden ; minneliedjes, 
spotliedekes enz. Kortom bet is de rijke tijd van ons lied, 
waarvan de oogst prachtig zal zijn, zoals men nu al aan het 
Liederboek van Cfroot-Nederland kan zien en vooral ook aan 
de verzameling van Florimund van Duyse, die 'en meer 
muziekwetenschappelik karakter draagt en alleen het oude 
lied bevat. Overal welt het lied op, want overal is welvaart 
of kracht om geleden scha te herstellen; immers maatschap- 
pelik was het geen tijd van rust: de wording van het grote 
Boergondiese-Oostenrijkse rijk ging met zulke schokken ge- 
paard, dat het weer-uituit-elkaar-vallen door de grote schok 
van Hervorming en vry heidzin niet te verwonderen valt. De 
spot tegen de kerk die blijkt b. v. uit het liedje van Broeder 
Jan wordt heftiger, tot we harde, forse klanken horen als 
Hdpt nu u sdfs eo helpt u Ood^ innige als die verzen van alle 
volgende tijden 

Myn scilt ende betrouwen 

Syt ghi o Godt mijn Heer! 
Op u soo wil ick bouwen 

Verlaet mij nimmermeer. 
Dat ick doch vroom mach blijven 

U dienaer 't aller stondt, 
De tyranny verdrijven. 

Die my myn hert doorwondt. 

Van al die my beswaren 

End mijn vervolghers zijn, 
Myn Godtl wilt doch bewaren 

Den trouwen dienaer dijn: 
Dat sij my niet verrasschen 

In haeren boesen moet, 
Haer handen niet en wasschen 

In mijn onschuldich bloet. 

T. EN L. XII. 9 



}2$ J. B. Schepers. 



Er wordt van den Brid gezongen en van Bergen np Zoam^ 

ja van alles wat er in die grootse worstelstrijd om de vrqheid 
in de zielen trilde en nu noch natrilt. Maar naaweliks ook 
wykt het oorlogsgeweld van de grenzen van Holland, nauwe- 
liks is de rust er weer binnengetrokken en neemt de voor- 
spoed mee, of de oude lust tot het lied komt weer boven en 
Breero en Starter, om de bekendsten maar te noemen, zorgen 
met tal van anderen voor de vulling van de talloze liede- 
boekjes, mopsjes die niet vergeten werden bij welk partijtje 
ook. Bij Breero is zelfe het verband zo eng tussen lied en 
melodie, dat wij b.v. 'en AendacJUich liedeken vinden op de 
w^ze „Maximilianus de Bossu" met dit begin: 

Miin sieltje schreyt, dat sucht en weent, 

Mits ick met aerdsche dinghen 

Meer als met Gode ben vereent, 

En nimmer recht kan dwingen 

Mijn ongebonde sotte wil. 

Heer, maeckt my selve-loos en stil. 

Als u verkorelingen. 

Vreemd is ons dat en toch de verzen zijn er even waar 
om, zoals ieder die ze leest kan voelen. Het lijkt zeker de 
meesten van ons wel onwaarschijnlik dat ooit 'en Hél. Swarth 
van haar leed zal zingen op bestaande wijzen. 

Toch is ook haar leed diep, maar de melodie in haar verzen 
is van 'en anderen aard. Wij hebben 'en soortgelijk ver- 
schijnsel van de grote invloed van de melodie op 'en dichter 
bij onze Friese dichter Halbertsma, wiens liedjes vaak geboren 
werden met de melodie en daarmee vergroeid zijn gebleven; 
alleen als leed hem treft verlaat die bestaande melodie ook hem. 

Intussen zou het, als we van Breero alleen bovengenoemd 
vers hadden op bekende wijs, 'en toeval kunnen zijn, dat het 
in dezelfde maat kwam te staan en daarom dezelfde wijs er 
later boven werd geplaatst. Dat het met de meeste, zo niet 
met alle, het geval is, wyst de toevalligheid er van terug. 



Het Nederlandse lied. 127 



Maar blijkbaar zat het verband tussen melodie en vers er 
diep in bij onze dichters ^). Hooft, Vondel, Stalfter, ze maken 
alle gebruik van de bekende wijzen, als het hun te pas komt. 
De liedekens van Starter Opwekking tot zang en Aenwakkering 
tot vreugd zijn al heel bekend, evengoed als I^et liedje van de 
Rynse wijn van Engels: Er mt een oud manneken van toeken- 
tig jaren. 

Met het volksleven legt zich in de IS^e eeuw ons lied te 
slapen neer en wie zingt doet het de oude liedjes uit de eens 
gedrukte boekjes. Veel nieuws komt er niet bij en helemaal 
geen nationaal lied. 

Pas echter komt er 'en blijde hoewel verschrikkelike tijding 
in de verdrukking doorklinken, die er gevolgd was op 'en 
tijd van grote lusteloosheid en wegstervend nationaal bewust- 
zijn; nauweliks horen onze voorouders, dat het histories ge- 
richt voltrokken wordt aan hun dwingeland Napoleon I, of 
Van Marie uit al z'n haat in de bitterste spot van de Kata- 
basis op de wijze van „Wat de oude man al lijden moet." 
Dat moest ieder meezingen. In die haat voelden zij zich één. 

Toch volgde ook toen geen tijd van nationale grootheid. 

De druk was blijkbaar te zwaar geweest, zodat de span- 
kracht er uit was en men voor alles rust wilde. 

Pas komt er echter weer nationaal leven in ons volk, of 
er is ook één persoon weer klaar om van de oude glorie te 
zingen en ons volk tot nieuwe levenslust wakker te schudden. 
Die dichter is Dr. J. P. Heije. 

Toch doe ik aan z'n tijdgenoot Tollens wel enig onrecht, 
als ik hem niet noem in dit verband. 

Zijn Wien Neerlands bloed^ het mag dan 'en uiting zijn van 
zelfgenoegzaamheid, in deze eigenschap ligt toch ook trots 
opgesloten en 't is alleen overdrijving van zelfbewustzijn ; en 
daarbij, welk 'en innig gebed is het Bescherm^ o Oody bewaak 



i) Verg. ook H. J. Boeketï in de Niéawe Gids Febr. 1902 blz. 350. 



12d J. B. Sctiepel^d. 



dm grond; maar het is geen lied van kracht, van opwekking 
zoals ons volk ze noodig heeft. Dan zijn Heye's liederen ge- 
schikter. Er zijn geleerde onder, die nooit echt tot het volk 
zullen doordringen ; ze blijven wel is waar aan 't uiterlike 
hangen, gaan niet zo diep b.v. als de liederen van Yalerius, 
maar ze wekken toch op om niet te suffen in dit land: 



of 



of 



Ver van huis of dicht bij honk 
't Is me al om het even; 

De kabels los, de zeilen op, 
Dat gaat er op een varen. 

Ferme jongens, wakkre knapen, 
Foei! hoe suffend staat gij daar. 



Ze moesten de zee op; de oude tijden moesten zo mogelik 
terugkomen; en hij zong 

al van een Ruyter koen 

Maar niet van een ruiter te paard. 

Of hij roemde in 't algemeen de oude grootheid 

Van mannen in oorlog, van mannen in vree, 
Oud Holland daar mocht je van spreken. 

en riep dan 

Wat suf je, jong Neerland! Wat sluimer je dan? 
Waarachtig 't is zonde, 't is schande. 

Heel de slaperige geest van ons volk, eer het door de Bel- 
giese opstand en de daaropvolgende grondwetsherziening, door 
het nieuwe geestelike Réveil van Da Costa en Groen van 
Prinsterer en door de revolutietijd in Europa opgewekt werd 
tot nieuwer leven; heel die tijd voelen we in zijn verzet er 
tegen; hij wil leven hebben en houdt evenals Potgieter aan 
z'n eigen tijd het verleden, in de mooie glans waarin hun 
ogen het zien, als spiegel voor. Toch wou men er niet aan: 
ZQ bleven vrij onbekend niettegenstaande de muziek van 



Het Nederlandse lied. 129 



J. J. Yiotta. Of het Coers gelukken zal ze dieper in ons volk 
te doen doordringen? 

In diezelfde tijd bruiste het ook in Friesland op, ook daar 
opwekking tot hoger nationaal bewustzijn, tot zich schrap 
zetten tegen te grote invloed van buiten, van Holland. 

Belichaamd is dit in het Frysk Folksliet van Halbertsma, 
maar veel heftiger tonen klonken er aan de andere kant van 
ons taalgebied in Europa. Naast tal van spotliedjes tegen de 
Franschen en de Franski^ons werd daar de Vlaamse Leeuw 
uitgebruld door opgewonden Vlamingen. De Priesche zangen 
verheerlikten de eigen taal, de eigen mooie natuur, de eigen 
historie ; lieten het vaste besluit horen om de taal te behouden, 
het kostbare erfdeel van de vaderen; maar geen heftige toon 
daar, nijdig aanvallend op de Hollanders. Trouwens, dat ging 
ook niet te best; wat de graven van Holland mislukt was, 
waarvoor zij gesneuveld waren te Staveren, het lukte de 
historie gaandeweg, zonder moeite; Friesland werd onder- 
worpen aan Holland ; Friezen en Hollanders voelden zich later 
delen van één geheel en de strijd van de eersten gold dan ook 
alleen, de taal en het eigenaardige Friese karakter van hun 
volkje te bewaren. Geen afscheiding, maar veredeling van 'en 
deel van 't geheel, dat weer het gehele koninkrijk ten goede 
moest komen. Of het gelukt is? Het pogen duurt noch voort, 
maar zou het er ook mee kunnen gaan als 't zou gegaan 
zijn in Zuid- Afrika, zonder de oorlogen? Het nieuwe leven 
daar was alleen te danken aan Majoeba en Langnek. ZH- 
Vierkleur was er het gevolg van en de geleidelike ver- 
engelsing werd daardoor verbroken. 

Zulke taalstrijden duren zo lang echter en soms, zoals in de 
laatste jaren de Friezen, komt het veroverde volk weer krachtiger 
dan ooit voor z'n taal op, even als de Polen, Czechen, Ieren enz. 

Ook zonder de wapens waarmee men doodt en wondt heb- 
ben de Vlamingen hun strijd gestreden ; tot 'en gelukkig einde 
noch wel niet, maar toch bevestigend hun eigen-gestelde regel : 

Een volk zal nooit vergaan. 




laO J. B. Schepers. 



Zolang men 'en volk wil zijn, d. w. z. niet 'en toevallig 
samengekomen mensenmassa, maar 'en volk, dat één ge- 
heel is en zich één voelt, zolang zal dat volk big ven bestaan. 

Ledeganck sprak dat zelfbewustzijn uit in z'n Wy ejjn de 
koene Vlcuimsche knapen^ 'en ander liet PierUda noch eens weer 
optreden nu tot bespotting van de Fransen ; maar vooral Frans 
de Cort was het die z'n volk liet zingen, op allerlei w^ze, 
lustig als van Heé Klooster^ ernstig als van Myne Moedertaal. 
De tweelingsbond van het Nederlands en het Vlaams kwam 
tot stand. De geschiedenis verruimde die bond door en sedert 
de eerste Transvaalse oorlog, maar eerst de laatste tgd maakte 
het drievoudig verbond tot 'en viervoudig en het Volkelied 
van de Oranje Vrijstaat klinkt met de andere in koor, sedert 
dat volkje zich zo ruiterlik, zo ridderlik voor z'n bondgenoot 
verklaard heeft, sedert mannen als SteijnenDe Wethetgroot 
gemaakt hebben onder de volken, groot voor heel de wereld. 
En zo zal ook mischien eindelik het lied van de Kaapkolonie 
door ons als de gelgke met de Flaamsche Leeuw en de anderen 
erkend worden. 

Aan de hand van de geschiedenis heb ik vluchtig 'en over- 
zicht genomen van het nationale lied. 

Tot slot van deze schets moet ik wijzen op de nieuwe uit- 
barsting van geestdrift, ook in het lied voor Koningin Wü- 
helmina van haar kroning tot haar huwelik; op het gevoel 
dat er in ons opbruist van sympatie voor deze vrouw die 
Kruger durfde laten afhalen in eén van onze oorlogschepen ; 
die daardoor ook in 't buitenland onze naam geéerd maakte 
en weer de oorzaak zal zijn van nieuwe volksliederen. Zij 
allen staan — evenals de genoemden, behalve bet Aendachtich 
liedeken van Bredere en Katabasis van Van Marie — of 
komen in het Liederboek van Groot-Nederland. 

Tot nu toe is mijn overzicht, ik voel het even eenzijdig 
geweest als onze geschiedbeschouwing veelal, die zich bepaalt 
bij het uiterlik en niet aan diepte denkt; wel de daden van 
vorsten en helden vereert, maar de volksontwikkeling, de 



Het Nederlandse lied. 131 



maatschappelike denkwijze, de over 't algemeen weinig be- 
wogen diepten van ons volksleven niet doorgronden gaat of 
wil of kan. 

Weinig bewogen diepten — hoe is het anders mogelik, dat 
'en middeleeuws liedje als van de Drie ruitertjes tot op deze 
tijd toe bestaan blijft en gezongen wordt, ook al zijn de 
uiterlike omstandigheden erg gewijzigd met verdwijning van 
ruitertjes^ die in scheepjes varen en meisjes tot nonnen doen 
worden uit wanhoop. 

De diep innerlike ziel van het volk is vatbaar voor het. 
kinderlike of gemakkelik vatbaar te mibken door afbrokkeling 
van het deftigheids-gipsbedeksel dat er over heen gekomen 
is, geslacht na geslacht. En de muziek, de zang ziedaar de 
toverstaf die dat doet, die onze ziel blootlegt voor de fijne, 
kinderlike, naïeve gevoelens van lang vervlogen, van alle 
tijden. Ook al kennen wij geen kwezelkens in ons Protestantse 
Noorden^ hoor Orelio van ze zingen en je denken wordt 
Middeleeuws, je geniet. En hoe heerlik niet waar? Je geniet 
allen te zamen. Daar is niemand in zo'n zaai, hoe deftig, 
hoe ongenaakbaar deftig overigens, die daarbü niet ten minste 
glimlacht. Hoe bindt zo'n lied ; hoe brengt het in de stemming 
om samen te denken, om weer kind te zijn, rein en schalk 
met reinen en schalken; moedig en aaneengesloten in de 
strijd om 't bestaan als volk. Hoe almachtig is het lied. 
Het is kroegjool! De professoren zullen op de kroeg komen. 
De lantarens branden bniten op het balkon en de studenten 
komen opgewekt aanstappen. Er heerst 'en prettige stemming : 
er wordt in afv^achting van de hooge omes gekletst en ge- 
schertst, men zit elkaar in 't haar of tapt uien op de hoog- 
geleerden : in een woord, men wacht af wat er komen zal. 
Daar komen ze! Schetterend valt het lo Vivat tussen de ge- 
sprekken in en verdrijft de geestigste uien. Als geölektrizeerd 
staan de jonge mensen op en de aloude hymne, waardoor 
men zich weer één gevoelt, één klein maar sterk volkje, 
wotdt uitgebulderd. 



132 J. B. Schepers. 



Zo gaat het bij de feesten van de korpsgesselschappen: hun 
liederen wijden ook die tot soorten van volksfeesten, wel van 
kleine volkjes, maar van eensgezinde. 

En vinden we datzelfde gevoel niet in 't grote even goed. 

Wat bezielde de Fransen voor Sebastopol, telkens met 
grote verliezen teruggeslagen? Niet de kommando's, maar de 
Mai*seillaise van de regimentsmuziek. De discipline vermocht 
het niet: de muziek deed hun zich voelen als delen van het 
grote geheel, het Franse volk, gaf hun kracht, 't Is hetzelfde 
gevoel, dat ons doortrilt als bij feesten, waarvoor wy iets voelen 
het oud Wilhelmus wordt aangeheven ; maar — het mogen dan 
kinders zijn — meestal zingt men niet meer mee. Waarom 
niet? lo. het lied is ons al te vaak maar voor één koepiet 
bekent, maar zelfs al hebben we tekstboekjes, dan doen 
wij het noch niet, omdat w\i ons schamen; omdat het niet 
deftig is en niet gekleed staat. Ja, zover, z\in wq Hollanders 
al gekomen. Nu zegt men dat wij koudbloedig zijn, maar de 
koninginnefeestroes in de kroningsdagen heefb dat toch wel 
anders bewezen. Waarom zingt men dan niet? Waarom zijn 
de liedeboekjes bij feestelike gelegenheden alleen als tekst- 
boekjes van wat anderen voor ons zullen zingen in gebruik. 
De hoofdoorzaak ligt in onze defbigheid en de schaamte daar- 
uit voortgekomen. We moeten al aan het kookpunt toe zijn 
om te zingen, evenals het water van ons lage landje en toch, 
aan dat water ligt het niet, want geen waterrijker land dan 
Friesland en, daar gaat geen feestavond voorbij om zo te 
zeggen, zonder dat het plubliek zelf zich eens geuit heeft in 't 
eigen lied. Ofschoon, ik moet zeggen dat ook daar de Hollandse 
beschaving min of meer indringt. Immers het is 'en bewijs 
van achterlikheid dat zingen, achterlikheid in wat men dan 
beschaving gelieft te noemen. En 't staat veel gedistingeerder, 
als 'en Hollands publiek stom als de vissen in z'n kanalen 
z'n feestzalen vult. Zie, bij bruiloften van onze gewone burgers 
is het lied noch niet weg en ... . ik voor mij geloof, dat die 
mensen zich meer delen van één geheel, zij het ook 'en tijdelik 



Het Nederlandse lied. 133 



geheel, voelen dan welk deftig publiek ook. En juist dat, die 
eensgezindheid geeft de prettige stemming. 

Maar, helaas! wat wordt niet de bruiloftsgasten voorgezet 
om te zingen, wat klinkt ons als we savonds noch even naar 
de post gaan, niet 'en wansmakelik café chantant gehuil tegen 
uit de herbergen waar bruiloft is. Waar is de tijd dat ieder 
gast z'n mopsje, z'n liederboekje meenam? 

En dan in het gewone leven, hoe vaak niet klinken uit 
onze dorpsmederijen ons walgelike liedjes tegen, bedervend 
wie er onbedorven als jongen in de leer is. Hoeveel geestiger 
was niet het Smidje; hoe opwekkend door woord en melodie 
zou het zijn als het afdaalde tot de werkplaats, waar toch 
het lied moet dienen om allen te zamen tot een geheel te 
maken, een levende smidse. 

Welnu, voor dat alles kan weer gezorgd worden als maar 
eerst de drie delen van het Liederboek van Groot-Nederland 
tot 5, tot 7, ja tot meer zijn uitgebreid. Ze hoeven dan maar, 
melodie en tekst samen, in kleinere boekjes gesplitst te wor- 
den, bruilofts-, werkplaats-liederen, volks-feestzangen enz.; de 
school hoeft ze maar te steunen en er komt wellicht 'en t\jd 
dat 'en jonger geslacht, van de rijkeren en meer ontwikkelden 
zelfs, om z'n liedjes vraagt, dat de herstelde natuur onder de 
gipslagen vandaan komt. Waarom zou ons volk, dat ten 
allen tijde oog heeft gehad voor het komiese, voor humor en 
voor de gebreken van z'n evenmens, niet ook weer als vroeger 
oor kunnen krijgen voor ons eigen lied, en daardoor 'en 
krachtiger gevoel van 'en klein, maar sterk-willend volk 
te zijn. 

Geeft het lied niet de in de strijd verloren kracht terug 
aan de Boeren als zij na 'en overwinning hun stemmen ver- 
enigen ; als daar in de nacht om de wachtvuren van de Spioen- 
kop de psalmklanken, spookachtig en plechtig tevens, langs 
de rotsen galmden, gaven zij hun geen kracht voor de strijd 
van de volgende dag; verbonden zij niet te inniger de met 
hun meestrijdende, -denkende Hollanders aan hun zaak en 



134 J. B. Schepers. 



ging er geen rilling door de gelederen van de vqand bij het 
horen van zo'n Godsvertrouwen, zoveel eenheid van vrijheidslust. 

Bemoedigt het lied de arme ballingen niet, ver van hun 
ruime land op het rotseiland met z'n weemoedige herinne- 
ringen? Zou het lied hun ook staande houden? 

Hoe het ook is, schertsend in de huiskamer, tintelend in 
de herberg, ernstig in de kerk of bij kerkfeesten thuis, wee- 
moedig bij verslagen liefde, overmoedig bij triomferende, week 
bij zomeravondstemming, plechtig als 'en gebed bij volksram- 
pen, dansend in de kinderreidans, dreunend langs kroegwan* 
den van studenten-heiligdommen, alom etf op elke wijze 
sticht het de gewenste eenheid, geeft het levensmoed, en -lust 
aan de zingenden. 

En zo'n eigen lied, we bezitten het. Het klinkt ons hele 
ras welluidend, verstaanbaar toe, ja, als sprak 'en oude be- 
kende tot ons. En wat deden wij tot noch toe met dat lied. 
We smeten het weg voor allerlei vreemds. 

Coers echter raapte het op, gelukkig; hij poetste het op en 
ziedaar, daar blinkt het voor onze ogen, als de oude Graal, 
waarnaar ieder die hem zag moest verlangen. 

Ongelukkig genoeg zien velen in den lande die Graal noch 
niet, zijn er maar heel weinig Graalridders die door het zoeken 
naar dat heiligdom trachten te komen naar het land van het 
ideaal, waar 'en volk woont dat 'en opgewekt zelfstandig 
leven leidt, dat zich de ziel voelt van 'en aaneengesloten ras 
dat meedoet in de wereldbeweging. Wie daar woont werkt 
rustig aan z'n taak omdat de lusteloosheid, door het doelloze 
van z'n bestaan veroorzaakt, weggejaagd is als 'en morgen- 
nevel voor de zon. Aan ons nu om zoveel mogelik Graal- 
ridders te vormen en zo velen mogelik te wijzen op dat heerlike 
land. Dat zijn wij verplicht aan het volk, waartoe we behoren, 
waarmee we van ouder tot ouder vergroeid zijn en bij velen 
waarvan we zoveel minne, bij-degrondse gedachten waar- 
nemen. Wie het kan, is verplicht het volk al is het ook maar 
één teug uit de beker van het zelfbewustzijn te geven, Eén 



Het Nederlftndse lied. 135 



teug en het* hele volk ziet voor zich het ideaal van Coers en 
van velen met hem, Groot-Nederland. 

Maar . • . e . . . maar 1 Coers levert slecht werk ! ... O ik weet 
dat, tenminste ik heb het de heeren geleerden horen zeggen, 
maar . . . neem me niet kwalik ... ik twijfel wel 'n klein 
beetje aan de waarheid, niet van vele wetenschappelik juiste 
opmerkingen, maar wel van de slechtheid van het hele werk, 
dat meer geeft dan alleen de oude liedekens. Ik wens hier 
niet te zweren bij eijn werk met 'en vloek op de lippen tegen 
Florimund van Duyse en de zijnen; integendeel, maar Coers 
z'n werk mag er ook zijn om de schat van poëzie en geest- 
drift er over uitgespreid. Nu ja, het is mensewerk en we 
hebben al vernomen dat er èn in de muziek èn in de tek- 
sten *) fouten voorkomen. Drie boekdelen zonder fouten, haast 
ondenkbaar, niet waar. Het schaadt zijn werk alleen, hopen 
we, tot de tweede meer wetenschappelike uitgave komt. Zijn 
denkbeeld blijft er hetzelfde om. 

Dan zal het ook beter zijn enige liedjes van Tollens en 
Heije, als te geleerd, te weinig volkslied maar weg te laten 
en zoveel mogelik de oude volksdeuntjes op te zoeken ook 
in de biblioteken. Immers daar zitten noch schatten aan 
melodie en vers en daarbjj behoeft werkelik dunkt me geen 
scheiding gemaakt te worden tussen volksliedjes van be- 
kende of voor altijd wel onbekende dichters aan de ene kant 
en de liedjes, waarin de bekenden b. v. hun liefde en geluk 
of smart hebben neergelegd en die ook eenvoudig genoeg door 
hun gevoeld zyn, om tot het algemeen door te dringen. Wat 
deze laatste soort beireft zullen dan b. v. de liedjes van 
Bredere hun beurt moeten krggen in 'en volgend boekdeel. 
Z'n schertsende zijn vaak al te veel van één, eijn tijd om 



1) Zie voor deze o. a. Tijdspiegel Yan Des. tOOI. Over de andere kan ik niet 
oordelen. Aanmerkingen over het weglaten van koepletten vind ik niet zo heel 
erg, omdat men met de ruimte te rekenen heeft bij muziek- uitgaven, en dan 
moet men kiezen wat men weg wil laten. 



136 J. B. SobeperB. 



noch aantrekkelik te zijn, maar ik denk toch dat het liedje 
van ;,een oudt Bestevaertje met een jong Meqsje" op dezelfde 
wijze als ,,het liedje van de Hollander en den Zeeuw" heel 
wel in de smaak vallen zou van het publiek, beter dan menig 
geleerd en deftig liedje van Tollens of Heije. En wie die de 
smaak van ons volk kent voor het melankolieke, het zuch- 
tende vooral bij onze vrouwelijke gedienstigen als ze ver- 
liefd zijn en onder hun werk eens willen galmen; wie, zeg 
ik, zou twijfelen aan het sukses van droeve scheiliedekens, 
van zijn 

Ach scheyden bitter scheyden 
Scheyden met droefheid groot. 

Ik geef maar 'en richting aan, om vooral tot de werkelik- 
heid te komen en uit het deftige studeervertrek. Zou Bredero's : 

Wie bovenal zijn öod bemint 

niet voor menigeen de psalmen nabij komen? Bredere gaf het 
leven weer, zoals hij het om zich voelde spoelen, zwemmer 
als hij was in de woelige zee van het Amsterdamse leven en 
elke golfslag, elke toon waardeert hij en laat hij als echo in 
zijn verzen weerklinken. 

In ieder geval: als de bibliotoken het mooiste wat z|j 
hebben afstaan aan ons Liederboek, dan dient dat mooiste zo 
zuiver mogelik weergegeven te zijn, de oude melodie, die 
voor luit of ander instrument gezet is, dient zo zuiver moge- 
lik omgezet te worden in onze pianozetting; maar daarnaast 
is de verzamelaar natuurlik vrij om de teksten uit de volks- 
mond af te luisteren en zo, onmiddellik, op muziek te zetten 
met begeleiding naar zijn muzikaal gehoor die ingeeft. Een 
eenvoudige eis van de wetenschap is dan de juistheid van de 
aanduiding van de plaats van oorsprong, zodat wie lust heeft 
de juiste muziek-tekst kan nagaan. Voorzover dat niet ge- 
beurd is, is daar plaate voor bü 'en eventuele herdruk. Laat 
ons die gauw nodig doen zijn! Dit aanduiden was trouwens 
bij de woord-tekst ook wel nodig geweest. 



Het Nederlandse lied. 137 



^jfci^fc». * ■ **» ■■■— ^fcdh^^^ 



Maar deze eis voor de toekomst, deze wetenschap, mag 
ons de geestdrift van het heden niet benemen. Geestdrift en 
poëzie, ze werken blijvend op ieder in die er mee in aan- 
raking komt. Hij mag eerst uit een soort onbewuste koppig- 
heid er tegen reageren, omdat het gehoorde hem in één 
enkel opzicht niet voldoet, zoals met bijna alles het geval is; 
zodra hij 'en beetje op tijdsafstand van het gehoorde is 
komen te staan moet hij wel zijn denken in die richting 
laten gaan. Ik zonder hiervan uit de eenvoudige geldmens; 
maar ook die doet mee zodra al zijn vrienden en kennissen 
meedoen of er geld aan te verdienen Valt. De maalstroom 
van zijn volk is hem dan te machtig. En hoe heftiger dus ons 
volk gaat voelen voor z'n eigen taal, z'n eigen volksbewust- 
zijn, hoe sterker ook de stroom wordt waarmee het de zon- 
nige velden van de toekomst inbruist. 

Haarlem. J. B. Schepebs. 






«^-jai:: 




k« - 





Heyns' Sinne-spel van de Dry Hooft-Deucliden. 139 

lust verderft en de deugd behoudt, moet namelik zo duidelik 
mogelik worden gemaakt. Er moet dus 'n man ten tonele 
worden gebracht, — en 't liefst 'n jongeling omdat hier de 
lusten de meeste vat op hebben, — die onder moet gaan door 
de ondeugd en gered moet worden door de deugd. Eigenlik 
vindt dit de Sinnespel-maker niet genoeg; dat we de jongeling 
zien in z'n ondergang en daarna in z'n redding, dat is hem 
op zich zelf te passief; ik wil, zegt hij, de toeschouwers niet 
alleen de verloren gegane en vervolgens weer opgeheven 
mens laten zien, maar ik wil ook tonen dat 'et werkelik de 
lusten en kwade gedachten zijn geweest die hem ten val 
hebben gebracht, en dat 'et ook inderdaad de Hoop, 't Geloof 
en de Liefde zijn geweest die hem weer op 'et pad hebben 
gebracht. En dat kan ook wel, zegt hij verder. Spreek me niet 
tegen met te zeggen dat de ondeugden en deugden abstracta 
zijn en dat ze niet kunnen worden voorgesteld met zichtbare 
lijnen in menselike gestalten; zeg ook niet dat 'n hoedanig- 
heid op zich zelf niet iets is omdat 'n hoedanigheid slechts 
de wijze uitdrukt waarop iets zich aan de buitenwereld open- 
baart; mij om 't even; ik abstraheer de eigenschappen stout- 
weg van 't levend en denkend wezen zelf, geef er vorm en 
lijn aan, handen en voeten, mond en stem, en laat ze wan- 
delen eq spreken om en bij de mens, net zo goed als de 
handelende en denkende personen zelf. En op die manier kan 
je zo goed zien hoe of die deugden en ondeugden daq te werk 
gaan. Dan zie je hoe zo 'n boze neiging of zo 'n vleselike 
begeerte de jongeling zoekt te naderen, dicht bij hem komt, 
met verleidelike woorden hem overhaalt naar haar te luisteren 
en naar haar verlangen te doen ; dan weet je hoe weinig ze 
't op de Liefde hebben begrepen, en hoe die zachtzinnige 
Liefde, al wordt ze door de boze lusten miskend en verfoeid, 
toch nog altijd moed houdt, eenmaal weer door de mens aan-* 
gehoord en geöerd te zullen worden; hoe ze spijt de spot van 
haar vijanden, geduldig volhoudt met de mens op te zoeken^ 
net zolang tot de mens, bij verkregen inzicht dat b\i bij 't 



\É 



140 J. Koopmans. 



luisteren naar de ondeugden op 'n verkeerde weg is geraakt, 
weer terugdenkt aan wat de Liefde hem geraden heeft en 
zich in 't vervolg gaat houden aan wat de drie Hoofd-deugden 
ons leren. En daarom, als bü wijze van z^gen de mens deze 
of die deugden of ondeugden heeft, dan denk ik mij die eigen* 
schappen niet in hem, maar zet ze opzettelik naast hem, en 
bij hem en om hem, nu eens dichter bij of wat verder af, 
al naar hij zich er mee inlaat of wel er a&tand van doet; 
al naardat, om een voorbeeld te noemen, de Liefde Qods hem 
onafecheidelik toebehoort of wel hij zonder die Liefde is. 

Kortom, de Sinnespel-dichter zet tussen de mens en de 
hoedanigheden a&tanden. En in 't algemeen, zet de dramatist 
de menselike eigenschappen op a&tanden, diept uit de mens 
z'n wezen de karakters op en zet die tegenover elkander in 
strijd en botsing, wi'ijving, ontwikkeling en verwording. Dit 
te doen is hem 'n behoefbe; uiteenzetting is 'n hulpmiddel 
ter onderwijzing. Dramatiese schikking is dan ook zelf ge- 
vonden onderwfls-techniek. Vroeger en later, vond uit behoefte 
eigen aanleg altijd z'n passende leervorm. En nu zal in de 
loop van de tijd ook in deze techniek wel ontwikkeling z\jn 
geweest, en voorbeeld, en navolging; maar weinig aannemelik 
is 't, zoals wel gedaan wordt, de drama- vorm van de moderne 
tijd terug te voeren op het ME. kerkelik spel: alsof niet altijd 
en overal de zedeleer er op uit was te onderwijzen, en alsof 
niet altijd dit onderwijs de dialoog en de verpersoonliking als 
leervormen koos ! Want naarmate er meer ernst bij het onder- 
richt voorzit, en naar mate de geest van verwereldliking die 
met deze moralisasieën bestreden moet worden, tot groter 
inspanning op hoop van te slagen noopt, naar die mate zal 
men ook peinzen op de beste vorm van mededeling van de 
te verkondigen waarheid; en vandaar komt het, dat het werk 
van al de moralisten van deze tijd vol zit van emblematiek, 
persoonsverbeeldingen, afwisselende dialogen; bearbeid tevens 
is met zorg, geleerdheid en geest ; stemming weet te brengen 
en warmte weet te geven. Want de mannen van die tijd: 



Heyns' Sinne-spel van de Dry Hooft- Deuchden. 141 

Vondel, Cats, Spieghel, Coornhert, Pers en Heyns, zij geven 
de geest van hun tijd weer; wat zij doen en willen in hun 
litteratuur, is de mensheid opvoeden in deugd en godsvrucht, 
omdat hun denken en voelen uitsluitend gericht is op het 
volmaakte Christen-zijn. 

In dit Sinne-spel worden de partijen zo ver mogelik uit- 
eengezet. Niet genoeg is 't, de verlokkingen waarnaar de 
jongeling luistert, uit de mens te nemen en ze in taal en 
gebaren invloed te laten uitoefenen op de mens. Er moet ook 
worden aangetoond dat buiten de zwakke aanleg van de 
mens er bestendig andere machten in 't werk zijn om hem 
ten val te. brengen; dat buiten de mens om, en alleen met 
z'n hart als worstelperk, de kamp wordt volstreden tussen 
de boze en goede machten onderling; dat het altijd de kwestie 
is en blijft of wij aan de Duivel of wel aan God zullen toe- 
behooren, en Satan immer peinst en poogt, op welke wijze 
hij God de zielen zal ontfutselen. Het gaat hier dus vrij wel 
eender toe als in de ME. heiligenspelen en -legenden. In de 
voorstelling echter is er enig verschil. Terwijl in ME. stukken 
als '/ Spel V, d. H. Sacramente van Nieuvervaert de duivels als be- 
lichaamde wezens gedacht worden die nu eens zichtbaar, dan 
weer onzichtbaar om de mensen heen loeren en springen, al naar 
ze met hun bovennatuurlike gaven zich al of niet buiten de zin- 
nelike wereld stellen, — zijn de duivelen in 't stuk van Heyns 
öf gepersonifieerde ondeugden, als Wulpschen Geest^ of wel boze 
gedachten, die dan niet geacht worden uit de mens zelf voort 
te komen, maar als 'n geest buiten af staan, en door inbla- 
zingen hun sujetten met slechte voornemens vervullen, zoals in 
dit geval Qu(xde Ingeven doet. We hebben dus op dit verschil te 
letten: de bekoringen en ondeugden zijn als buiten de mens 
staande demonen gedacht; z'n lichamelike gesteldheid, de 
jeugd en het vlees, zijn zwakheden, uil hem genomen en als 
personen voorgesteld, die gemakkelik verlokt door de boze 
duivels, op haar beurt de mens weer over zien te halen. De 

T. EN L. Xlf. 10 






iéi 3. Koopmaüg. 

duivelen zqn, evenals in de ME. spelen, 'door LuciM of Satan 
zelf gezonden ; 't behoeft geen betoog dat de Liefde, 't Geloof 
en de Hoop, die de mens weer op de demoneh tetnig ver- 
overen, hun reddingswerk verrichten als gezanten Gods. 



Het spel der „Dry Hooft-Deuchden" bestaat uit vyf „han»' 
delinghen" ; — wij zouden zeggen : bedry ven ; elk bedry f be- 
staat uit tonelen, welke hier „eerste uytcomste", tweede, 
derde, enz. „verschooninghe" heten. De spelers zyn: De Men- 
schep Jonck'herte en Vleesch^ Geloove^ Hope^ Liefde^ vrouwen; 
Qt4(zet'inghepen en Wulpsen Qeed^ duivels; Lickaems troost en 
Onnut ghepeySy Doctoren. 

Een Voorreden gaat vooraf; een Slot-reden besluit het spel. 

Het eerste bedrijf wordt geopend met het optreden van de 
duivel Qtuxet Ingheven *) ; Lucifer heeft hem ontboden, vertelt 
hij, en heeft hem 'n bevelschrift verstarekt waarbij hem mach- 
tiging is verleend een helper te kiezen om samen zielebuit 
te gaan jagen. „Wie zal ik hier voor nemen," mijmert hy. 
„De ghierighen Geest" ? „'thoovaerdich saet" ? Neen, die twee 
niet. Gierigheid zou met hem willen delen; de Hoogmoed zou 
hem „kacken"; de Gulzigheid zou „na zijn kanne gapen"; de 
Luiheid slapen onderweg; 't best komt hem voor de Wulps- 
heid aan te roepen. 

Wulpsen Geest komt op^). Ze weet niet wat dat roepen 
betekent, 't Is zo helemaal geen werk van Q. L om luid te 
roepen. Q. L bijt immers de woorden af voor ze uit de mond 
komen. Had W. G. dat laatst niet tot z'n groot vermaak 
opgemerkt, toen een van Q. L's handlangers onder 't volk 
bezig was geweest met „van pas gapen" en „sussende woor- 
den'*? Dat was nog eens 'n baas! 



1) ie Handeiingh, ie uytcomste. 
3) Ie Hand., 3e terschdoningheé 



Heyns^ Sinne-spel van de Dry Hooft-Bencbden. 143 

Doch yemants en konde hem oyt betrappen, 
Soo stil kond hij snappen door anderen tongen, 

Maar 't was altijd zo : ;,soo d'oude songen het joncxken 
peep," en de herinnering aan 't „knechtjen" had hem '.s Mees- 
ters hard roepen vreemd doen vinden. Maar graag wil W. Gr. 
helpen, als hij de lastbrief leest. Hij geeft er z'n hand op te 
doen naar „verstant, kracht en vermogen." Toch is 'n goeie 
raad niet overbodig, meent Q. I. Voorzichtigheid is alles. 
Daarom krijgt W. G* 'n mooi kleed aan „daer schoon voor 
oogen op geschreven staet*'; vermomt zich met 'n „kop be- 
haert", steekt z'n duivelspoten in 'n paar schoenen .... 
Kortom „wie sou sien dat dit een Duyvel is" roept Q. I. ver- 
rukt. W. G. zal zich nu vertonen als een „gesel meteefen*', 
Q. I. daarentegen zal 25ich terughouden en met z'n „Geest- 
gever" de zaken van achteren beleiden. 

Daar komt de Mensche al op *). Z'n jöugd, „Jonc-herf is bij 
hem. „Siet wat een lieven Dier Seer schoon eü fler heeft hy 
aen siin siide." Nu moet W. G. muziek maköti, 't zij ihet 
„'n Luyt, een Cijter, Veel bom ofte fluyt." De mens is din 
ook in dé rechte stemming. Hij is overgelukkig met z'n Jond- 
hert. Ze is z'n lust, z'n vreugde en „groot solaes"; dag en 
nacht Vallen hem kort alö hij haar mag aanschouwen 

O oogenstraelkens schoon, ö boogskens wel gemaect, 
Waer me den minnaer die word in sijn diep geraect. 

„Niet waar? zegt Jonc-hert. Waarom zoudt ge treuren, nu 
ge mij hebt en over me kunt beschikken. Hebt ge niet geld 
en goed in overvloed?" Ja zelfs meer, dan MewscA^erjaarliks 
in rente van kan verteren. En dan nog het lange leven dat 
Mensche te goed heeft, bij 't bezit van Jonc-hert en 't weeldig 
Vleesch! Zo verrukt is hij, dat hij Jonc-hert, haar dienst- 
maagd altijd in liefde in z'n armen zal opnemen, en met haar 



1) Ie Hand., 3e versch. 






144 J. J^oopmatlEl. 

de dood uit z'n gedachten zal verbannen. Als 't ten minste 
maar niet waar is, oppert Mensche^ wat hij wel is gehoord heeft, 
dat de jeugd juist sterfelik maakt I . . . . In de Hal worde niet 
alleen ossen, maar ook kalvers gebracht. — Praatjes, roept 
Jonchert, alleen die kalvers slachten ze, waarvoor geen gras 
of geen melk genoeg is. — Dan kan ik m'n gang gaan, zegt 
de mens, ik heb van alles, vlees en been, rijkdom en jeugd. 
Laat violen zorgen .... 

Soo willen wij ons hier in alle vreucht vertoonen, 
En laten öod de Heer zijn Paradijs bewoonen. 

Qmet-lngheven die onder dit bedryf Jonc-hert z'n boze ge- 
dachten heeft ingegaapt, krijgt nog meer hulp ^). Widpsen 
Geest komt op, spelende en zingende, natuurlik van zieltje 
zonder zorg. „De waert sal ons wel borgen." Morgen is er 
weer 'n dag. Weg met de schaamte 1 Leve de vreugd. Gek- 
heid is 't, z'n hart te kwellen. Laten we drinken en klinken 1 

Op zo'n manier moet 'et lukken. Kyk, daar staat Jonc-hert 
ook. Nog is 'n liedje, op dat „vriend'lijck wesen" nu. W. Gr. 
trekt de aandacht. — Zouden we hem niet in dienst nemen, en 
hem alvast van middag mee aan tafel vragen, zegt de Mensche. 
Jonc-hert vindt 'et uitstekend; W. G. is van alle markten 
thuis, speelt een ballet, de „Madriguel oft fantasy", wat men 
maar wil: een „Courante", „volte" of „Galg-in-gaerdt", de 
lustige „pavane", een „passé per mezzo"; als 't er op aan 
komt „den Duytschen rey" voor de „Hanssen", de „bataille 
met haer veltgeschrey", ja hij zou de Boeren over 't IJ de 
zotste sprongen laten doen als 't moest .... Dan maar niet 
langer getalmd, zegt de Mens: kom dan, en laat ik maar 
voorgaan ! 

Even nog blijft W. G. met Q. I. achter^), 't Gaat goed, 
zegt de een. Zag je me wel staan blazen? roemt de ander. 



1) Ie Hand., 4e versch. 

2) Ie Hand., 5e versch. 



Heyns' Sinne-spel van de Dry Hooft-Deuchden. 145 

Ja ja, ze zullen hun buit nu wel machtig worden. Verscheuren 
zullen ze hem met hun tanden. Hy is boos „ongod'lijck en 
vals": God alleen zou hem naar z'n strenge rechtvaardigheid 
moeten tuchtigen. Van God gesproken, — als die nu eens 
Barmhartigheid wou uitoefenen, vóór Rechtvaardigheid? Dat 
zoo 'n lelike streep door de rekening wezen» God moest hem 
geen tijd kunnen gunnen tot berouw. Vooruit dus, naar bin- 
nen! Ze zullen hem laten bedrinken en de nek laten breken. 
Dan is er geen tijd van inkeer. En ze zullen 't aanpakken 
op de gewone manier: de een rechtstreeks, de ander slui- 
pender wijs. 

Het tweede bedrijf geeft een beurt aan de Liefde *). Ze klaagt 
over 't onrecht dat haar dag aan dag wordt aangedaan. Ze 
wordt in doodsnood gedreven, gekwetst en geslagen. Als de 
mens nu maar erkende dat hij met h^r te vernederen. God 
vertoornt! Maar niemand denkt aan 't gebod des Heren, waa,r 
de apostel Johannes van heeft gesproken, nl. om z'n naaste 
bij te staan. Liever hangt men de Ondeugd aan, en veracht 
men de Deugd. Men denkt niet meer aan de Heer en z'n 
onderricht! De Liefde vindt geen herberg; eerder denkt men 
aan Eigen-Liefde, en zoekt men 't tijdelike goed, op wat 
manier dan ook. De arme keert men de rug toe; voor z'n 
klachten stopt men het oor. Zie de mens eens in weelde leven 
met z'n Jonc-hert en 't lustige Vlees^ die op haar beurt weer 
't oor lenen aan de raad van Wulpsen Geest en Qiiaet In- 
gheven» — Maar wat gebeurt eenmaal? De mens zal zichzelf 
weer kennen, en bij bestraffing zich zelf slecht voelen en z'n 
zonde beschreien. Maar gezegend zij die niet tot dat uiterste 
oogenblik wachten ! En nu bidt de Liefde tot God, de beleider 
van alle dingen. God kent haar harteleed, en ziet hoe ze ver- 
stoten wordt bij de mensen; z'n genade moge haar helpen 
uit haar angst; laat Hij de mens verheffen uit de klauwen 



1) He Hand., Ie uytc. 



144 J. ^^oopmaüd. 

de dood uit z'n gedachten zal verbannen. Als *t ten minste 
maar niet waar is, oppert Mensche^ wat hij wel is gehoord heeft, 
dat de jeugd juist sterfelik maakt I . . . . In de Hal worde niet 
alleen ossen, maar ook kalvei*s gebracht. — Praatjes, roept 
Jonchert, alleen die kalvers slachten ze, waarvoor geen gras 
of geen melk genoeg is. — Dan kan ik m'n gang gaan, zegt 
de mens, ik heb van alles, vlees en been, rijkdom en jeugd. 
Laat violen zorgen .... 

Soo willen wij ons hier in alle vreucht vertoonen. 
En laten God de Heer zijn Paradijs bewoonen. 

Quaet'lngheven die onder dit bedrijf Jonc-hert z'n boze ge- 
dachten heeft ingegaapt, krijgt nog meer hulp ^). Wtdpsen 
Geest komt op, spelende en zingende, natuurlik van zieltje 
zonder zorg. „De waert sal ons wel borgen." Morgen is er 
weer 'n dag. Weg met de schaamte! Leve de vreugd. Gek- 
heid is 't, z'n hart te kwellen. Laten we drinken en klinken ! 

Op zo'n manier moet 'et lukken. Kijk, daar staat Jonc-hert 
ook. Nog is 'n liedje, op dat „vriend'lijck wesen" nu. W. G. 
trekt de aandacht. — Zouden we hem niet in dienst nemen, en 
hem alvast van middag mee aan tafel vragen, zegt de Mensche. 
Jonc-hert vindt 'et uitstekend; W. G. is van alle markten 
thuis, speelt een ballet, de „Madriguel oft fantasy", wat men 
maar wil: een „Courante", „volte" of „Galg-in-gaerdt", de 
lustige „pavane", een „passé per mezzo"; als 't er op aan 
komt „den Duytschen rey" voor de „Hanssen", de „bataille 
met haer veltgeschrey", ja hij zou de Boeren over 't IJ de 
zotste sprongen laten doen als 't moest .... Dan maar niet 
langer getalmd, zegt de Mens: kom dan, en laat ik maar 
voorgaan I 

Even nog blijft W. G. met Q. I. achter^), 't Gaat goed, 
zegt de een. Zag je me wel staan blazen? roemt de ander. 



1) Ie Hand., 4e versch. 

2) Ie Hand., 5e versch. 



» 



* » 






» 



• 



» 



J 



Heyns' Sinne-spel vjia de Dry Hooft-Denchden. 147 

^omhelzen"; in ziogen en in dansen; zelÊi Momus wist er 
geen aanmerking op, by „alleman" was ze bemind en ;,lief- 
tallifik". Een vrouw als deze kan gerust „de baen ruymen". 
Maar begreep Vlee$ dan niet, dat deze Liefde 'n heel andere 
was, wel te verstaan, 'n Geestelike, „die 't quaet soect neer 
te leggen", niet „lichtvaerdig" is, maar „baer eerliick draegt", 
geen pracht of wellust zoekt, maar 

Die God lieft boven al, den naesten als haer selven.(?) 

Dat gaat Vlees te hoog. Hij lacht haar uit: „komt t*avont 
thuys ten elven" I Geen mens is zo dwaas meer van 'n ander 
te houden dan van zich zelf. 't Hemd gaat voor de rok. En 
eilieve, wat is dat voor *n God, „dat elck met sulcken liefd' 
tot hem zou moeten gaan"? 

Dat is voor niemand begrijpelik, zegt Liefde, of iemand 
moet zij^ „herboren in den Geest'^ 

Is ABk niet om te lachen? Vlees blijft er nog in: hij dreigt 
te stikken. Neen maar ! . . . . Mensche en Janc-herte komen op : 
ze hebben de pret gehoord *). — „Kijk me dat mens eens 
aan," lacht Vlees^ die beschouwt zich zelf als de volmaakte 
Liefde. Zou Mensche liever niet deze hebben dan Jonc-hert! 
Hoogmoed kent ze alvast niet. Vlees zelf is maar iemand 
die voor geld dient, maar zou toch niet graag in zulk 'n 
pluiye over straat gaan. En daarbij zo geleerd! 't Is niet om 
te begrijpen, tenzij, o dwaasheid I 

lek weer herboren word, ende uyt mijn moeder kruyp. 

Maar dan is de vrouw zeker krankzinnig, meent Memchey 
„s'is dwepende, sy suft". Hij zal haar eens aanspreken. Wat 
is er gebeurd dat VUes „dus de pijpen stelde". Liefde zal 't 
wel zeggen : Vlees „porde vleescheliick" tegen 't woord „uijt die 
Geest". De wedergeboorte toch waarvan ze zelve sprak, is niet 



1) Ile Hand., 3e versch. 



148 J. Koopmans. 



naar den vleze maar naar de Geest. Zo zei het Christus. De 
oude mens moet worden afgelegd : hü zal, met dat het aardse 
versterft, de wellust, gierigheid en „'t quaet bewegen" schuwen. 
Voor 't zo ver is, zullen de Duivelen waken. En terwijl 
Liefde doorgaat met de mens voor te houden wat hy heeft 
te doen en te laten, komen ze voor den dag en zoeken met 
spottende opmerkingen de ernst van Liefde's woorden te ont- 
zenuwen *). Wie heeft b. v. ooit gehoord dat men 't brood uit 
z'n eigen mond moet sparen om 't een ander te geven 1 *n Sul 
misschien of „houten Klaes" ! En ze behoeven 't ook niet voor 
waarheid aan te nemen? Gans niet. Wat zegt Prediker vijf? 

De welcke mensch Godt Rijcdom goet en mocht 
Gegeven heeft, dat hy sich sal bedincken, 
En voor sijn deel wel eten ende drincken. 

Want 't is „een gave Gods". — Heeft moedertje Liefde mischien 
ook niet een „Bril met een Kaers" nodig voor 't volgende vers : 

Soo wie God Rijcdom, goet ende eere heeft ghegheven. 
End' hem ontbrekende is het gheen syn hert begheert, 
Dewijle God hem doch de macht niet en bescheert 
Om 't self te nutten tot syn lusten en behaghe 
Dat 's louter ydelheyt, daer toe een boose plaghe. 

Maar Liefde laat zich niet uit 'et veld slaan. De tekst dient 
beter doorzien. Er staat, dat iemand van z'n rijkdom zal eten 
en drinken voor z'n deel; voor 't overige hen gedenken die 
in nood en benauwdheid zijn; bovendien staat er dit: 't is 
een gave Gods dat iemand in z'n leven gebruiken mag wat 
de Heer hem heeft gegeven; maar 't is 'n plaag zo God ons 
de vruchten van onze arbeid niet toelaat, te eten. Daarom, 
ofschoon God ons soms zo rijk bedenkt, dat we slaven dreigen 
te worden van 't goed, daaruit volgt nog niet, dat wij het 



l),IIe Hand., 4e versch. 



Heyns' Sinne-spel van de Dry Hooft-Deuchden. 149 

9 

mogen verdoen en aan de armen het hunne onttrekken ^). 
De duivelen kunnen 't niet winnen, en nu beginnen ze uit 
te varen. „Wat raast dat wijf," smalen ze. Mensche zou wel 
dwaas wezen er naar te luisteren. Ze verduistert de schrift 
met logens, verbeeld-j e. Zo gaat de tijd heen, terwijl de tafel 
gedekt staat. „Adieu, besmeurde Liefd." En spottend laten ze 
haar staan. Vernederd en bedroeft klaagt ze ^), 

Hoe doof siin d'ooren Heer, van dese aerdsche jeucht. 
Tot 't salige geluyt 'twelc stichtende is, ter Deucht, 
Hoe seer is 't jonge hert voor 't soete joc verslagen, 
Het welc voorwaar nochtans niet swaer en valt om dragen, 
Hoe qualiicken besteed de mensche siinen tijt 
Miin minneliick vermaen ten goeden niet en dyt 
Doch gaen ie evenwel om bidden sonder swichten, 
Dat God den mensche wil door siinen Geest verlichten. 

Het derde bedrijf brengt het keerpunt^). De Liefde komt 
weer uit. Ze wil 't nog eens probeeren. En dat ondanks de 
ondervonden smaad. Maar ze kèin niet anders : ze moet troosten, 
lonen en helpen. Niet in huis is haar werk: de straat moet 
ze op, onder 't volk, oók al vertrappen ze haar. Maar ze wil 
haar „verkloecken", en in vriendschap weer tot de mens gaan. 

Daar valt Flees binnen, gans ontsteld^). Een ongeluk is er 
gebeurd. „O mensch, wat grooter druc Wat deereliicker val 
o wat een swaer elende!" Liefde moet even luisteren. „Mijn 



1) De tekst is deze : Ook een iegelik mens, aan welke God rijkdom en goederen 
gegeven heeft, en wie hy de macht geeft om daarvan te eten, en om zijn deel 
te nemen, en om zich te verheugen van z*n arbeid, dat is een gave van God 
(Pred. 5 : 18). 

En verder: 

Een man, welke God gegeven heeft rijkdom, en goederen, en eer ; en hij heeft 
voor z'n ziel aan geen ding gebrek, van alles wat hij begeert; en God geeft hem 
de macht niet om daarvan te eten, maar dat een vreemd man dit opeet. Dit is 
ijdelheid en een kwade smart. 

2) Ile Hand., 5e versch. 

3) Ille Hand., Ie uytc. 

4) Ille Hand., 2e versch. 



150 J. Koopmans. 



Heere'", de jongeling was op *t feestmaal door de wqn bevan- 
gen, en had door 't herhaaldelik ,,toedrincken nu d' een dan 
d' ander" een „groeten Water-noot" gekregen. Maar hq zat 
in 't midden en Wtdpsen Geest had hem aangeraden, een tafel- 
bord om te keren, en met dit bord als steunpunt, oyer de 
tafel te springen. Dit had h\j gewaagd, en bij 't vallen bad 
hij 'n been en 'n rib gebroken. J(wc*er^ „de schoone Vrouwe" 
lag in onmacht en Vlees was van de schrik weggelopen, 't Was 
'n consternatie: „elc liep overhoop"; de een hielp mee de 
gastheer te bed brengen, 'n ander om de „Vrouwe" „den 
Borstlap te ontrijgen"; "n derde liep om „Naglen" en azqn, 
'n ander wies haar aangezicht. ... En waarom hielp Vl^es dan 
niet mee? bestrafte Liefde. Juist in tegenspoed wordt de 
vriendschap beproefd. Ze kon nog altoos zien een „Meester" 
te vinden, en dat ten spoedigste*. — Vlees zal zien, als ze 
maar niet te verbouwereerd is ... . 

Kijk, peinst Liefde *), nu Vlees zich krank voelt, nu is er 
blijdschap voor de Geest. Alleen die hij lief heeft^ straft God. 
Hoor David roepen: „Hoe goed is 't Heer dat Gij mij hebt 
vernederd, opdat ik Uwe gerechtigheid leer kennen." Hoor 
Jesaja: „Heer, in hunne benauwdheid hebben ze u gedacht. 
En zo zal ook deze straf de mens doen zoeken naar de Liefde 
Gods, en naar m'n zusters Gdoof en Hoop. — Liefde zal 
daarom deze beiden opzoeken, om hem troost te brengen en 
z'n geloof te sterken. Daar komt Vlees ook terug met de 
medicijnmeester, Lichaems Troost '^y 't Zal wel weer terecht 
komen, meent hij na bekomen inlichting. Vlees moet maar 
wat kalmeren: hij zal „kunst noch vlijt" sparen en maar 
gauw naar binnen gaan en geen „tijt verslijten". Maar Vlees 
heeft er genoeg van ^). Binnen is haar plaats niet. „Bij kom- 
mer of verdriet, bij hert-sweer ende pijn" dient 'et haar niet 



1) Ille Hand., 3e versch. 

2) Ille Hand., 4e versch. 

3) Ille Hand., 5e versch. 



Heyns' Sinne-spel van de Dry Hoof^DeuchdeIl. 151 

te wezen. Gebroken benen en troosteloze vrouwen! Hoe is^'t 
mogelik ! 

daerom voor best ie hou 
Voor eenen sekeren tijt een ander huys te kiesen, 
Daer hoor ie weder spel, ken salt niet al verliesen. 

Liefde heeft haar zusters gehaald *). Elk zal 't hare doen. 
Zelf zal zij voorgaan en de weg bereiden, „hem thoonende 
hoe Lief God den, geloover heeft. En wat een bijstant hij den 
Hoper altyt geeft". De zusters volgen, roemende onderwijlde 
zorg van de Liefde voor „den rechten schat" ^). Kan ze ook 
anders ? Had God zelf niet de mens so lief gehad, dat hij voor 
hem „sijn eenich soon" had gegeven? 

Ook zij willen hun taak omschrijven. Geloof zal zeggen 
wat geloven is : vast vertrouwen op Gods belofte in Christus. 
Diaarna zal ze uitduiden „d' een voor en d' ander na om 
d' oor en niet te dooven'', wat geloven is vcm God^ Gode en 
in God. Ten derden zal ze duidelik maken dat 'et geloof niet 
alleen ontvangen moet worden, maar eenmaal ontvangen ook 
gekweekt wil zijn. Gaat het ook zo niet met „'t natureliick 
yerstant"? 't Wordt wel „in d' herssenen geplant", maar 't 
moet ook voor de praktijk van 't leven geoefend worden. En 
met 'et geloof geschiedt dat door gebed en door 't lezen van 
de „Schriftuere". Dan moet de mens ten slotte ook weten 
dat hij door 't Geloof gerechtvaardigd wordt en 't „eeuwich 
goet" in vrede zal bezitten. 

Hoop wil ook niet achterblijven; zij zal de mens, zeggen 
wie jsij is, opdat hem „vreucht mag naren" van 't geen ons 
in Christus beloofd is : iets waarvan geen zichtbaar teken op 
aarde zal wezen, maar „in den jongsten dach", als de Heer 
ten Oordeel komen zal» Verder moet hij weten, dat gestadige 
hoop de weg tot de zaligheid opent. Tevens, dat de hoop 



1) IVe Hand., Ie uytc. 

2) IVe Hand., 2e versch. 



152 J. Koopmans. 



door *t vast geloof groeit; eveneens door 't gebed en door 
„d'Exempelen der Martelaren". En ten slotte richt de hoop 
het hart van de hoopvolle mens op 't volbrengen van goede 
werken, 

Want sy ter salicheyt doet poogen door de deucht, 

Den wercker hout s'in 't werck endeeyndeliickbaerdtsy vreucht. 

Met deze goede voornemens gaan de zusters binnen om de 
ziel van de mens te redden. Uit is 't nu met het spel van 
de duivels *). „Wat raet met mij" roept Qtmet Ingheven^ „de 
spit legt in der assen"; 't goeie leven is uit; de mens ligt 
plat en beklaagt z'n zonden ; jonc-hert „legt en sterft" ; haar 
„maerte" f lees is er van door. Opknopen zal hij ze, als hij 
ze krijgen kan. Wulpsen Geest komt ook op, even radeloos als 
Q. I. ^). „Daer wil geen Peper in de Pensen vallen." Maar ook 
hier loopt de wind verkeerd. W. G. had binnen moeten blij- 
ven, meent Q. L 't Was hem „sterck belast". Hoe komt hij 
zo stout! — Dat wil W. G. wel geloven. Q. I. moest zelf 
z'n neus maar is binnen steken. De Liefde is er bezig, en 
„noch een wijf met haer dochter", die „teghen sijnen danc" 
in de kamer drongen. En hun „vermaen" was zo krachtig, 
dat hij 't er niet kon houden, maar er uitgedreven werd. En 
er is niets tegen te doen: de drie zijn 't eens: „ze stekende 
hoofden in eenen kapproen". — Ja net, meent Q. I., maar 't 
is W. G. z'n schuld, en hij kan ransel krijgen. „Maect uwen 
bult ghereet"! Hij had het tafelbord omgekeerd, en hij had 
de mens over de tafel laten springen. Wie volgt nu 'n raad 
verkeerd op! 't Bord had beter gelegd moeten wezen. Ineens 
dood, dat was de bedoeling! — Kortom, 't wordt bakkeleien, 
en W. G. wordt als onbruikbaar de deur uitgegooid. 

Maar daarmee is 't geval niet in 't reine ^). W. G. zal hem 



1) IVe Hand., 3e versch. 

2) IVe Hand., 4e versch. 

3) IVe Hand., 5e versch. 



Beyns^ Sinne-spel van de Dry Hooft-Denchden. 153 

aanklagen, peinst Q. L; bij zal „siin kaken roeren" bij „den 
strenghen"; de Duivel zal opspelen; de „solferdroppe" zalz'n 
deel zijn. Maar misschien is er 'n uitweg. Juist: „een ander 
note kraeckt" ; Q. I. zal z'n „weetsack ontbinden" en scherp- 
zinnig „practiseren". Hij weet al wat. De mens zal 'n nieuw 
leven beginnen, fiat; maar daar zal %' nog is vergif in mengen. 
Hij zal Onnut Ghepeys oproepen, die zal hem op 't dwaalspoor 
brengen. Een Duivel weet altijd wel raad, meent Q. I. 

Tans komt de laatste strijd tussen de boze machten en de 
Deugd. Mensche komt eerst op, overpeinzende hoe hij z'n 
levensdagen tot heden heeft doorgebracht *) : eerst z'n toegeven 
aan de zonde, en 't luisteren naar z'n hartelusten, vervolgens 
z'n redding door de Liefde die hem de draad gaf om uit de 
doolhof tot de rechte bron te komen; dan erKent hij hoe 't 
ingeschapen gevoel ons reeds zegt dat wij beelddragers Gods 
zijn, en 't niet omlaag moeten zoeken, maar 't hoofd dra- 
gende in „de lucht", ons moeten richten naar de hemelse 
dingen. Hij eindigt met 'n gebed tot God om steun en hulp, 
opdat hij niet weer moge terugzinken in de modder der 
wereld, maar zijn gang opwaarts ten Hemel mag wenden. 

Onnut Ghepeys moet het dus voorzichtig aanleggen*^). Hij 
heeft gehoord, zegt hij, van 's mensen goeie voornemens, en 
prijst het, dat deze voortaan zoekt wat voor de hand ligt te 
doen ; alleen, wat denkt Mensche nu eigenUk aan te vangen ! „In 
sulcken oeflfening, die (hem) gedijen kan ter salicheyt"? Ja 
juist, daar wou O. G. is over „een weinich met (hem) han- 
dlen." Wou Mensche „binnen 't eeuwich rijck raken" daor 
Geloof, Hoop en Liefde? Helemaal mis, 

O lieve goede man u sinnen daer van set. 



1) Ve Hand., Ie uytc. 

2) Ve Hand., 2e versch. 



154 J. Eoopmans. 



Mensche sal er van „versuffen'' en „verdooven". Hij ihoet 
er z'n hart van aftrekken. 

Daer hoort een studie toe die u al veel te swaer 
Sal vallen voor de band, 

Kortom, bij kan 't gerust nalaten. Men moet er is zien boe 
„de lieden meest alsulcke Suffers baten," Beter ware 't, in 
de Rechten te studeren, of in de Medicijnen, „daer m'ooc goet 
geit me wint." Ja *t beste was nog koopmanschap te doen: 
geld bij hopen kreeg men, en verteren kon men naar rato, 
bovendien 

Elc sal u groeten dan ende eeren als een Godt 

Een rijcman noemtmen wijs al waer by dwaes en bot. 

En lieve hemel, juist de geleerden, die God willen zoeken, 
worden voor dwaashoofóen versleten, 't Was trouwens bij 
goed indenken wel na te gaan dat de Schrift de verbeelding 
ziek maakt. Zo moest men b. V. glan God geloven, die. Haar 
gezegd wordt al 'et zichtbare door z'n wijs beleid onderhoudt. 
Maar als dit eens bewezen moest worden ? Wie 2ag ooit Göd ? 
En hoe lang was God er, vóór hij de wereld schiep ; wat deed 
hij en wat waren z'n eigenschappen? Dat moest toch eerst 
worden geweten, alvorens te kunnen geloven ! En er was nie- 
mand dié 't wist ! — Verder werd er gezegd dat God almachtig 
is, goed. Maar kon God dan ook liegeii en bedriegen of andere 
zonde doen, en als hij dat doen kon, kon hij dat dan ook 
zondei- bewustheid doen. Dit Wou O. G. ook wel is weten! 

Nu krijgt de twijfel Voet bij de mens. Hij wankelt ali 

Alsulcke praet voorwaer miin sinnen souden stooren. 

Maar O. G. is nog niet klaar. En nu zou je, vervolgt hij, 
iemand die God en mens tegelijk is, moeten nétvolgen, ook 
in ontberingen, en lichaamskastijdingen, waken en bidden,ja 
in 't verduren van vervolgingen en 't sterven van duizend 



Heyns* Sinne-spel van de Dry Hooft- Deuchden. 155 

doden< Want wie er maar enigsins van afw^ijkt, valt dadelik 
de Duivel toe. De mens mocht dus wel degelik oppassen voor 
deze ,) versufte en soo onnutte Baserny", en zich maar niet 
20 aahstonds „tot gelooven geven". 

Mensche begint er ook zo over te denken. De Schrift heeft 
dan toch wel gelijk : „degeen die haest gelooft, Te seer licht- 
vaerdich is van zinnen nu berooft." — Juist^ besluit O. G-, 
verzint eer je begint: me dunkt, je bent nu wel overtuigd 
dat je 't tot heden nog niet hebt ingezien. — Neen, net niet : 
Mefische wist niet, dat O. G. hem nog zo kwellen kon; had 
de Liefde 't gehoord, meent hij, „met reden sou (ze) haer 
stooren*" 

En Liefde hééft 'et gehoord ^). En ze merkt al dadelik, hoe 
't met de zaak gesteld is: ^'t is den Satan boos, die u dit 
heeft ghedaen." Hy was 't geweest die O. Gt. gezonden had. 
Maar z\j zou 't wel terecht brengen» Zij weet 'et precies, hoe 
't met de vraag staat omtrent God vóór de Schepping. Voor- 
eerst is God niet ten volle voor de mens te doorgronden. 
Maar vóór alle tijden, vóór er stof, vorm en plaats was, was 
God alleen in alles, en alles in God alleen. — - Ook zat Hij 
niet ledig: z'n werk was, met vreugde te aanschouwen „syn 
cracht en Heerlij cheyt, syn almacht en syn deucht": boven- 
dien had hij vóór onze tijden (als Augustinus zei) „der hellen 
grond" gemaakt, juist om O. G^ en z'n aanhang te straffen. 
Daarom mdest Misnsche O. G. maar laten praten, en liever de 
Wet* en de Profteten lezen en overdenken, en ijverig bidden. 
Hoor, „Bchriffcuere" zou hem komen onderrichten. Mocht God 
in 's mensen geest daar 'n welbereide bodem voor geven. 

En waarlik, Gods woord laat zich horen: uitspraken üitde 
Schrift stemmen de mens tot aandachtig luisteren % En niet 
tevergeefs: hy wordt met ijver vervuld: 

Al miiöen lust oöc stmtt öaer u, ie köM tot dy. 



1) Ve Hand., 3e versch. 

2) Ve Hand^ 4e verseh. 



156 J. Eoopmans. 



Ja, besluit hij, als de waarheid hem is „vermond", ik dank 
u, vader, voor 't geen ge me leerdet, „bij mij sult gby voort- 
aen van herten siin begeert." Knielende bidt hij voor de 
volbrachte verlossing uit z'n zonde % Wel voelt hij dat 'et 
's Heren begeerte is dat de mens naar Gods gebod in Christus 
moet geloven, maar toch ziet hij dat 't geloof geen zaak van 
iedereen is; de Profeten en Apostelen al klaagden dat de 
mensen zich ongelovig gedragen; nog dageliks treden volks- 
verleiders op, die zich als Engelen des Lichts willen voordoen, 
met dit gevolg dat 'et Geloof nog zou worden genegeerd. Maar 
God had gelukkig de Trooster gezonden, die onze koers op de 
waarheid wendt. Here, sterk mij, eindigt hij 't gebed, door 
deze Trooster, Uw zoon, opdat ik vast mag staan, de wereld 
verachten, en hiernamaals de vreugdekroon mag ontvangen. — 
Daar komen bij de geredde Mensche nog eens Geloofd Hoop 
en Liefde om de wedergeborene te begroeten. Erkent ge nu, 
vraagt Geloofd dat de ziel boven 't lichaam gaat, 't geestelik 
leven boven 't aardse leven? Dan zijt ge ook niet hier geplant 
om te blijven,' maar zult ge 't aardse goed verachten, om 
't eeuwig goed te behalen. 

Komt lidmaet Christi komt, ghy sijt een borger mede 
By Godes Heylich volc, in d'overschoone stede. 

Ze nemen hem bij de hand: voortaan is hij „kint des 
lichts"; het nieuwe Jeruzalem wacht hem; witte klederen 
zullen hem worden aangedaan; zijn naam zal worden ge- 
prezen; zitten zal hij in Gods verlichte Troon, blinkend als 
de zon; ja, 'n nooit gekende vreugde zou z'n zinnen ver- 
rukken, en 

Geen oog en heeft gezien, geen oor en heeft gehoort. 
Noch in des menschen hert tot geener tiit quam voort, 
Hetgene God de Heer den menschen heeft bereydet 
Die hem beminnende is, 



1) Ve Hand., 5e versch. 



Heyns* Sinne-spel van de Dry Hooft-Denchden. 157 

— ■ -I ■ ■ I I _ - I 

want geen duisternis kende dat oord ; 't gestadig licht duldde 
er geen nacht; de Heer zelf toch is 't eeuwige Licht. Ere 
z\i z'n naam in den hogen! 



Aan 't Spel gaat 'n Voorreden vooraf, 'n dialoog tussen 
Deuchdich Otiderwijs en Botten- Aert^ d. i. de Domheid. Maar 
Botten- Aert is met opzet dom; door haar onbevattelikheid 
vraagt zij 't honderd uit, en hierdoor wordt eveneens Deuch- 
dich Onderwijs verplicht in den brede te ontvouwen waarom 
al die toeschouwers voor 't toneel staan te wachten, wat er 
zal worden vertoond, en waartoe die vertoning moet strekken. 
Van zelf is 't 'n heel gewichtig stuk: weinig mensen moet 
men er dan ook niet verwachten. Vandaar dat Botten- Aert 
begint, met zich te verwonderen: 

Wel wat is hier te doen? goey lie wat mach u felen. 

Dat ghy met hoopen groot, soo sterck hier komt te baen ? *) 

Dat zal Z). O. wel gauw vertellen, waarom. Het „tuigh" 
dat buiten uithangt, vertelt het al. Men wil met een „reden 
Rijc" het „deuchden-spel" beginnen. — Daar begrijpt B. A. 
natuurlik niets van. Deuchden-spel, vraagt hij, is dat soms .... 
O ja, hij begrijpt 'et al; dat is kolven, kaatsen, kaartspelen 
„door hocus bocus ganghen" of zo iets. Men zou zeggen wie 
dat nu hier invoert. . . — Nee, nee, zegt D. O. dat komt weer 
omdat je zo dom bent. Wel foei, „Ten is gheen spel dat tijt 
en goed'ren doet verliesen"; dat is „onnoodich quaet"; de 



1) Een paar regels verder alweer: 

Int oversien des Volcx en kond ick niet doorgronden 
Waer om dit groot ghetal alhier ghekomen was. 

Trouwens Deuchdich Ondertp^s begint zelf: 

Hier is (gheiyck ic^ sie) alree veel volcx vergaert. 

T. EN L. XII. 11 



158 3. Koopmans. 



liefhebbers hier kiezen liever „het stichtich". — Dat verstaat 
B. A. evenmin: „(zijn) koe sou beter biesen"; spel is maar 
spel, en tijdverdrijf hoogstens; wat zou daar voor stichting 
in zitten ! — Maar D. O. zal hem wel terecht helpen. Spelen 
is altijd geen kaartspelen of tic-tac of zo. Spel is wat 'n mens 
verheugt. Spel was zelfs eenmaal de dood van de evenmens. 
En dan vertelt D. O. van 't Romeinse volk, „die haer ver- 
vreuchden in 't bloed van haer onvrije knapen", en „verheu- 
ging raepten" in „'t moorden over disch" ; twee slaven moesten 
met elkaar kampen, en die dan z'n tegenstander velde was vrij. 
Was dat ook spel? vraagt B. A. Daar moet hij niemendal 
van hebben. 

lek sat veel liever vriend by een goet eicken vier. 

Zou het mischien hier ook zo toegaan? Dan maar liever 
weg: „Adieu ie ga te Bier." — Nee, niet te gauw, zegt D. O, 
Verwacht dat hier in 't geheel niet. Onder Christenen doet 
men anders, en vooral bij ons te lande, waar „elc vry in vre 
mach woonen". Hier wordt wat anders vertoond, man! „Ie 
sal 't u heel int cort, doch duydelic verhalen." 

En hierop vertelt D. O. in 18 vei'sregels de Inhout. B. A. 
is nu ten volle bevredigd: hij is nu niet bang meer, wil 't 
stuk zelfs graag zien, en zal 'n plaatsje „achter dees Gordijn", 
dat voor hem „bewaert" is, opzoeken. Heel best, vindt D. O., 
als hij eerst maar z'n muts afneemt en 't gezelschap eerbiedig 
groet „als een Quant". D. O. zal 't hem zelf voordoen en 
begint de heren, dames en jongelui welkom te heten, 

(nu) swyght, siet en hoort met vlijt. 
Men sal beginnen want het is nu meer als tijt. 

De Domheid evenwel moet niet alleen door de korte aan- 
duiding van de inhoud en de strekking van 't stuk tot kijken 
opgewekt worden, het stuk moet ook van dien aard zijn, dat 
na de vertoning zelfs de domste mens erkent dat het spel 



Heyns' Sinne-spel van de Dry Hooft-Denchden. 159 

hem bij machte is geweest te onderwijzen. En zo staat dus 
ook de Slotreden in de dienst van de reclame van de didaktiek. 

Als D. O. te voorschijn komt, ziet ook B. A. „door dees 
spleten" dat 'et spel uit is. Het is hem nog al bevallen: 
„'t Gaet red'lijc toe, men hoort het te beschrijven," maar 
dat de spelers op 't eind van 't spel zo „stil al staken" 
stonden, dat begrijpt B. A. niet. — D. O. verklaart nu „de 
vertboouing, tot een cicraet, een schilderij, een Blom hierbij 
gevoecht" *). Aan 't slot nl. wordt de mens „in eeren ghe- 
kroont", als hij de aardse dood heeft geleden en door 't geloof 
gestreden heeft. Nu eindelik staat bij verheerlikt in z'n wit 
g^wm^i en 't aangezicht verklaard, de naam des Heren op 
't voorhoofd gegrift. Naast hem staan Liefde en Geloof; om 
hem been verrijzen de Muren schoon, de kostejijcke wercken 
Van Jaspis, Gout enz. van 't hemels Jeruzalem, „Gods woon^ 
plaets en syn Stadt"; op de achtergrond verheft zich Sion, 
waarop rust Gods Lam. Na3.r dit verblijf trekken ons de 
Deiachden, mits wij van zonden vrij zijn. Buiten de muren 
liggen in de duisternis uitgestrekt de Duivel^ Vlees en Jonc-hert^ 
verwonnen door de Liefde^ Geloof en Hoop. 

Ntt begrijpt B. A, 't beter. Na die uitleg wil hij 't zelfs 
nog is zien: „opdat (hij) soo al 't ghene ghy vermeit. Te 
beter mach in (zijn) ghedachten houwen." — Dat komt goed 
uit, meent D. O. 't Stuk zal men namelik „dees Heeren ende 
vrouwen" ten tweede maal vertonen. Iets, van zelf, waardoor 
B. A. dankbaar gestemd wordt: D. O. is wel goed hem „domme 
mensch met sulcken vlijt te leeren"; in z'n hart is z'n ijver 
alvast gegroeid, om ook zélf de weg der deugden in te slaan. 
En zoals na de Foor-reden de opwekking, komt na de Slot- 
reden^ de gebruikelike dankzegging aan 't luisterend publiek. 



1) zie de allegorische plaat aan 't eind van H spel. In *t 11 -poortige, ommuurde 
Jeruzalem staat ÊÊensche, verheerlikt, tussen Geloof en Liefde, De Hoop heeft 
hem verlaten, omdat (sie oek Slot-reden) v% haar werk heeft volbracht. Boven 
het Lam op Sion hangt de hemel, «waarin «Gods naam in 'n wolk, met stralenkrans. 



158 



B. ^- ^"^ 
spel, en * 
in zitten^' 

is altijd '^ 

verheugt. 

En dan ^ . . 

vreucbdcn 

ging raevt . : 

ïnet elkaav ^ ^ . 

"Was ciii: • ^-1 



lek sai 



van helDb^'i- . -M 



»T 



-• _- 



•r- 



Zou het 

weg: „Adieu ^• 

Yerwacht dat 

men anders, i"" 

mach woonen". ,.c -^ 

sai 't u heel int ■ ...-. s- 

En hierop verf 

is nu ten volle i ^ ., ,., 

stuk zelfs graag zie.< 

dat voor hem „bew.. 

als hij eerst maar z ^ 

groet „als een Quau- .^■ 

begint de heren, daBi^- , .-'^ 

(nu) ^ - ■*'" .-^ 

Men sal beginnen 

De Domheid evenwel 
duiding van de inhoud en 
opgewekt worden, het stu".-. 
na de vertoning zelfs de 



. I 
I 




Heyns' Sinne-spel van de Dry Hooffc-Deachden. 161 

sproken, waarachter B. A. de vertoning wil gadeslaan. Tot 
bet toneel schijnen drie deuren toegang te geven: een links, 
een rechts, en een in 't midden. Aan de ene zijde komen dan 
de duivelen op, aan de andere zijde Geloofd Hoop en Liefde; 
door een van beide ook de Doctoren LichaemsTroost en Onnut 
Ghepeys. Midden in zal dan de deur moeten zijn waardoor 
Mensche met Jonchert en Vlees uitkomen en ingaan, en welke 
toegang tot de feestzaal geeft. Immers W. O. zegt tot Q. 1. : 

Nu broer 't is tijt dees plaats te verlaten, 
Siet door dees gaten de Tafel is gedect *). 

Het toneel zelf is dan een voorvertrek aan de straat, een 
voorhof, misschien de straat zelf. Daar hangt immers het 
„tuygh", ^) misschien wel het blazoen met het devies van de 
Kamer. 

Ook wijst op een klaarmaken van 't Spel voor 't toneel, 
de levendige afwisseling in de personen. Het tweede bedrijt 
is in dit opzicht al heel goed geslaagd ; nog meer levendigheid 
brengen na de overleggingen van de drie „Deuchden" de dui- 
velen, als ze de schuld op elkaar gooien en gaan bakkeleien. 
Een effectbejag, waarmee trouwens de vorige eeuwen zich 
ook al vermaakt hadden. Hun dwaze sprongen en malle 
situaties, wanneer ze van bedriegers bedrogenen werden, 
moesten de toeschouwers lokken, en zo trok men door bij- 
fieguren en nevenspel de grote massa meteen tot de ernstige 
lessen, en binnen de strekking van het te geven stuk. 

Voor de nodige afwisseling moest ook zorg dragen, het ver- 

hil in versificatie. Mensche^ de Deuchden^ Jonc heróe^ Vlees 

>ok als W. G. antwoordt op 't verwet van Q. I. dat hij te spoedig de zaal 

iiruimd: 

Uwe Neuse dan steect door de spleten, 
Soo snit gh\j haestelyck d' oorsaeck weten 
Waerom ick vergheten heb u bevel. 

yarreden. Dit tnygh is hier ghehanghen, .... Om met een reden 
iden spel t* aen vangen. 



162 J. Eoopmans. 



en de Doctooren spreken in hexameters (6-voetige jamben met 
gepaard rijm); de duivelen reciteeren in viervoetige jamben 
(met onregelmatige enjambementen) eveneens in gepaard rijm, 
doch met herhaling van 't rijmwoord in 't midden van de 
daaraan volgende versregel. De klacht van Mensche over z'n 
onnut besteed leven (5e Hand., 1« Uytc.) heeft de „Reffereyn"- 
vorm op de „stock": O schoonen iijt ghij sijt annuUdijck ver- 
sleten. Het slot- vers (Prince) houdt het gebed in. 

Van Zacharias Heyns weten we zeer weinig. Hij was een 
zoon van de Vlaming Peter Heyns, en werd omstreeks 1560 
te Antwerpen geboren ^). In 1598 vestigde hij zich als boek- 
drukker te Amsterdam ; later vestigde hij zich te Zwolle ^). 
Uit het feit dat hij z'n spel voor de Lavendel schreef, mogen 
we afleiden, dat hij lid van de Brabantse kamer is geweest, 
iets, wat door Jonckbloet wordt bevestigd. Vondel, die in 
1612 voor dezelfde kamer z'n Pascha dichtte, heeft dus wel 
Heyns gekend; en 't is ons daarom niet vreemd, vóór in de 
Emblemata van Heyns 'n gedicht van Vondel aan tetreflfen. 
Op de Christdijcke Sinne-hedden vanden Sinrijcken Dichter^ 
waarmee hij, met enige anderen ^) nog, het werk bij het publiek 
inleidde^). Als Emblematist is Heyns goed op de hoogte van 
z'n voorgangers, en in 't algemeen zeer belezen in dé toen- 
malige geliefkoosde litteratuur ; hij haalt menigmaal Bartas 
aan, dikwels ook de „hoochgeleerden'' Cats uit diens Sinne- 



1) Vondels Werken (uitgave ünger), 1621—1625, blz. 2 noot. De vader 
schijnt ook dichtlievend geweest te zijn ; bij de Wtlegginghe op 't embleem 
Principiis ohsta haalt hij aan wat z*n vader P. H. (in initialen) daaromtrent 
placht te zeggen. £r volgt dan een 5-regelig Frans gedicht met vertaling. 

2) Bij Unger. In 1621 gaf hij te Zwol de vertaling van Bartas uit. Maar 
in 1623 z'n Emblemata te Rotterdam. Had hij soms z'n fonds verkocht? — In 
1621 geeft Vondel op die vertaling weer 'n sonnet (bij Unger). Het portret, 
daar afgedrukt, is 't zelfde als vóór z'n Emblemata : 't was van 1615. 

3) Ze zijn : Johannes Koek (in *t Latijn), Swyters, Bartjens, H. Gole (in *t 
Frans) en iemand onder 't devies: Non est mortale quod opto. 

4) Ygl. ook nog Emblemata Moralia, blz. 32. 



Heyns^ Sinno-spel van de Dry Hooft-Deucliden. 163 

en Minnebeelden, z'n stadgenoot Bartjens^), Ovidius in z'n 
Metamorphosen, Horatius, Virgilius, de Kervaders, St. Ber- 
nard, benevens moderne dichters als Montenay, Paquelin, Per- 
rin, Ant. de Cotel, Ronsard, Pibrack, de Bellay en Ariosto; 
hij haalt z'n kennis uit Plinius, Plutarchus en Aristoteles ; leest 
Beton over de vogels, öessner over de dieren; raadpleegt 
Ortelius' in z'n Kaert-boeck over de lichtgevende Kukuy en 
het Tempe-dal, tekent uit de mond van de Natuur-onderzoeker 
Willem Dirckx op, wat deze meedeelt over de kameleon; 
noteert uit de Griekse wijzen als Bias en Hesiodus, en voelt 
zich thuis in de Emblematisten RoUenhagius, Camerarius en 
Laurentius Schoonhovius. Zijn manier van werken herinnert 
sterk aan Cats, zijn kennis geeft ons 'n hoge dunk van z'n 
tijd. De aard van die kennis doet alweer zien hoe de inhoud 
van de toenmalige litteratuur met diepe vezelen in de weten- 
schap van de Oudheid, en dus tevens in die van de ME. is 
samengegroeid. 

Wat Heyns een bewonderaar en geestverwant van Cats 
maakt, is, behalve z'n voorliefde voor de emblematiek en zijn 
annoteren uit klassieke, patristiese en moderne auteurs, z'n 
hang naar theologiese onderwerpen, veelal pieëtisties, doch 
met 'n dogmaties tintje. Dat het godsdienstig vraagstuk 'n 
tere kwestie was, weten wij uit de toenmalige kerkelike be- 
roeringen; ook Heyns ziet van z'n standpunt in, hoe wankel 
in die strijd het rechte geloof staat, wat Mensche^ na z'n be- 
kering, over de van ouds huisende ongelovigheid, van de tijden 
om en om 1618, doet zeggen: 

Hier toe (t. w. tot het ongeloof) verheffen hen noch dag'lijcx 

meer en meer 
Vervoerders boos en vals, die nochtans haer persoenen 
Als Engelen des Lichts voorstellen en verthoonen. 



1) Tevens z'n schoonvader. Zie Embl, Mor. blz. 32. 



164 J. Eoopmans. 



Maar we zagen 'et ook aan de verschillende wijze van 
tekstverklaring bij Liefde en haar tegenstanders over 't ge- 
bruik van 't aardse goed % Dat de duivelen en hun trawanten 
even goed thuis zijn in de Bijbel als de Godgetrouwen, moet 
ons niet verwonderen; juist door hun medepraten over 't 
woord Gods zijn ze 't beste in staat het terrein voor de andere 
partij gUbberig te maken; evengoed weten die boze geesten 
dat boven Gods rechtvaardigheid zijn barmhartigheid gaat, 
en daarom graag zouden willen dat God nu deze mens, wegens 
z'n goddeloosheid, alleen uit rechtvaardigheid mocht straffen ^). 
God zelf en die God liefhebben echter willen niet de straf, 
maar de bekering; en 't is daarom dat er zo 'n klem gelegd 
wordt op de standvastigheid van de Liefde, en op het grote 
aandeel dat het Geloof en de Hoop nemen in de zaligmaking 
van de mens. In deze materie zelfs voelt de auteur zich ge- 
noopt systematies z'n leer te ontvouwen en dus op zuiver 
doctrinair gebied te treden. Hij doet dit puntsgewijze, als op 
de kansel af; herinnert eerst z'n hoorders, wat het Qdoof is ; 
dat er is geloven is van God, aan God en in God, en wat dat 
is; spreekt dan over het kweken van 't geloof, en tenslotte 
over de rechtvaardiging dóór 't geloof. Evenzo werkt hij uit 
in hoofdpunten, wat de hoop voor 'n Christen is. Het meest 
theologiseert hij echter, als 't Woord Gods de Bijbel aanhaalt 
over de rechtvaardiging door 't geloof in Christus. Voor die 
tijden, herhalen we, was dit onderwerp een punt van brede 
behandeling en lang dispuut; de litteratuur van onze tijd, en 
vooral het toneel, kan niet meer de theologie, zomin als de 
wetenschap in 't algemeen, in de onderwijs- vorm dulden. Missen 
echter mogen we in het belang van de litteratuur-beoefening, 
deze uitweidingen niet: ze tekenen al te zeer 't karakter van 
de eeuw waarvan we spreken. Trouwens, het gehele stuk is 'n 



1) Zie blz. 103. 

2) Zie over de rol ran de Dai velen in de bekerings-litteratuar mijn opstel 
Tondalua" Visioen in H Tweemaandelijksch Tijdschrift 1901. 



Heyns' Sinne-spel yan de Dry Hooft-Denchden. 165 

brok geschiedenis ; het leert ons, met welke middelen en met 
wat voor vernuft men trachtte te werken om voor den volke 
een spel genietbaar te maken, waarvan het enige streven was 
om de hoorders als Christenen beter te maken, en ze te her- 
inneren aan wat al eeuwen lang herinnerd was, nl. dat het 
toegeven aan de genietingen der wereld en 't voldoen aan de 
vleselike lusten de mens aan de aarde bindt, maar dat hij 
die de Hemel zoekt, afstand moet doen van de wereld, en 
zich hechten moet aan de „Drie Hooft-deugden", de Liefde, 
de Hoop en 't Geloof van de Christen. 

Veel meer dan wij wensen toe te geven, staat onze voor- 
litteratuur op een Christelike bodem ; veel meer, dan wij onze 
jongeren willen doen geloven, trekken de hoogste 17<*e eeuwse 
geesten zich ernstig peinzend terug in hun kluis. 

J. KOOPMANS. 



KLANKEN EN KLANKSYMBOLEN *). 



1. Geen vergissing kan verderfeliker werken voor eenfone- 
ticus en in 't algemeen voor 'n taalgeleerde dan klanken 
met letters en uitspraak met 't schrift te verwisselen en aan 
de geschreven vormen te grote betekenis toe te kennen. En 
toch is dit 'n verkeerde opvatting waar wij alle meer of minder 
onbewust, van onze schooldagen af, in opgevoed zijn en die 
soms zich daar weer voordoet waar we die 't minst ver- 
wachten zouden. Ofschoon 't misschien menigeen geheel en 
al overbodig zal toeschijnen, moeten we dus 't verschil zo 
duidelik mogelik trachten in te scherpen en waarschuwen 
tegen 't gebruik van namen uit de ene sfeer inplaats van, 
of doorelkaar met, die uit de andere. Een klank wordt 
voortgebracht in of door 's sprekers mond en plant zich door 
de lucht tot 't oor van 'n horende voort ; een letter wordt 
voortgebracht met de hulp van de hand (of 't een of ander 
instrument) en staat op 't papier (op 't bord of wat 't moge 
zijn) zo dat 't oog van de lezer 't zien kan. 't Is natuurlik 
duidelik dat deze definitie van 't verschil volstrekt niet te 
niet gedaan wordt door 't feit, dat 'n spraakklank ook voort- 
gebracht kan worden b. v. door 'n fonograaf (want, hier is 
't slechts een voorlopig opgeborgen klank die toch in laatste 
aanleg aan de menselike spraakorganen zijn ontstaan te dan- 



1) Door mij — met substitutie van Nederlandse en andere voorbeelden voor de 
Deense — bewerkt naar Hoofdstuk III van de Fonetik van O. Jespersen. In de 
Engl. Studiën 29, 63 kan de lezer een uitvoerige aankondiging van Jespersen's 
werk vinden. 



Klanken en klanksymbolen. 167 

^■■— ■ ■■ ■■■ 11 » ■■ -^ ■ ■ ■■ ■■■■»■ — ^- ■lll.l ■ ■! ■ ■■ I ■ ^ — - ■ ■ — ■■■-■-■■■ . —1.1 ■■■■■■ I ■ I ■ ■ I ■ .. ,^., ,, - —.1 — 

I 

ien heeft). Of dat die door 'n telefoon kan worden voortge- 
plant of wel door 't feit dat we gedrukte letters zo wel als 
geschrevene hebben, of wat dies meer zij. Waar 't integendeel 
op aan komt, is dat 't meegedeelde opgevat wordt door twee 
geheel verschillende zintuigen : 't gehoor en 't gezicht. Daaruit 
volgt dat b. V. de uitdrukking „lang" twee geheel verschil- 
lende dingen kan betekenen, al naar mate 't gebruikt wordt 
van een klank [(tijds)lengte] of van 'n letter (vorm of aftneting) 
en dat *t absoluut verkeerd is in de grammatika te spreken 
van gemouilleerde of open letters. De traditionele gramma- 
tiese terminologie verwardt in menig geval de twee sferen; 
zo wordt b. V. 't woord „aksent" soms gebruikt van iets 
hoorbaars nl. zekere wijzigingen van klanken of lettergrepen, -- 
soms van iets zichtbaars, nl. de tekens die op enkele letters 
gezet worden en die in verschillende talen weer iets heel 
anders aanduiden, nl. soms de nadruk, soms de lengte van 
'n klank (Hongaars en oud Noors) of wel palatalisering (Pools 
s enis.) vokaalnuansen (Frans é è) of wel (zoals in 't Frans 
a, h] OU, oü) 'n verschil van betekenis zonder verschil van 
uitspraak. 

2. In vele gevallen stemmen ook 't geschreven en 't uit- 
gesproken woord niet overeen. Er zijn nl. veel gevallen te 
vinden, vooral in onze oude spelling, dat twee woorden gelijk 
gespeld worden, terwijl ze in betekenis en soms ook in klank, 
meer of minder verschillen. En ook de KoUewijnse spelling 
is daar niet geheel vrij van. Men denke b. v. aan : post, met 
12 betekenissen, toon, leer, haar, min, meer, nagel, loods, 
kapel, broek, schot, kiezen, straf, enz. eng. 

Dan zijn er daarentegen gevallen van woorden waar de 
uitspraak 't zelfde is terwijl de woorden anders gespeld wor- 
den, gevallen dus m. a. w. waar dezelfde klankenreeks op meer 
dan een wijs wordt uitgedrukt. 

dorpsschool, dorpsweg. — wauwelen, wouw, karwei, karwy. 



168 H. Logeman. 



ifs^ eis^ beer, beren, beer, beeren enz. weeken, weken, helen, 
heelen, beter peren, vermeeren (oude spelling), dauw, douw 
(duw) kauw kouw (kooi). 

Dergelijke toestanden zijn ook noch in andere gevallen op 
te merken. Zo rijmt in 't Nederlands schop met op maarniet 
met top, kop^ klop^ hop; en hok met slok maar niet met stok^ 
dok^ bok^ foky plok^ torok; en zo zouden er meer gevallen te 
vinden zijn. 

De spelling staat zelfs niet vast bij woorden waarvan de 
uitspraak niet veranderd is. Dat de een enigsins en de ander 
enigszins spelt, duidt volstrekt niet op 'n verschillende uit- 
spraak. Omgekeerd is in vele woorden de spelling onveranderd 
gebleven, terwijl in de loop der tijden de uitspraak zich ver- 
anderd heeft. Als beredeneerde voorbeeldenreeks zou zich hier 
zo ongeveer alles laten citeren, wat in de laatste jaren over 
de spelling van de zijde der voorstanders van verandering 
geschreven is. Om met een enkel woord 't standpunt der 
niet-durvers te karakteriseren, herinner ik aan wens^ vis waar 
al sedert onheugelike tijden de ch niet meer uitgesproken 
wordt. En dat ook zelfs de hervormers dit niet tot in de 
uiterste konsekwensies doorvoeren, blijkt uit menig voor- 
beeld. Niet alleen dat sommige aarzelen om kwestie^ artiekel^ 
planiaaeje te schrijven voor quaestie^ artikel^ plantage — 
deze netelige kwestie van de vreemde woorden zal steeds 
de grootste moeilikheden blijven opleveren — maar ook de 
ei-klank wordt noch steeds op twee verschillende manieren 
gespeld en weinige zullen voorlopig de slot-n durven weglaten 
(behalve in de verbuiging). Gevallen als die van de door 
Heyermans geschilderde Noordzeekustbewoners zullen wel 'n 
uitzondering blijven en zijn ook zeker niet als „nieuwe rich- 
ting" bedoeld ! Eindelik zijn er gevallen van woorden die door 
een ieder op dezelfde manier gespeld worden, maar waarvan 
de uitspraak niet vaist staat. Zoo kent men in Noord-Neder- 
land naast de gewone uitspraak van sjouwen en sjees éen, die, 
wel is waar, veelal al gemaakt klinkt, maar die toch niet als 



Klanken en klanksymbolen. 169 



individualisme gelden kan, nl. met naar voren geschoven, ge- 
stulpte lippen. 

3. Veel, dat in de gesproken taal "n meer of minder be- 
langrijke rol speelt, kan in 't schrift slechts onnauwkeurig of 
niet weergegeven worden; zelfs zulk een eenvoudig verschijnsel 
als lengte of kortheid van vokalen, heeft geen apart teken in 
ons schrift. Vroeger gebruikte men daartoe b. v. 't dubbele 
letterteken, maar niet altijd met evenveel konsekwensie en 
sisteem als b. v. Hooft en Vondel aan den dag legden, die vrij 
regelmatig oa, <?e, oo, uu in open lettergrepen gebruikten en 
als de schrijver van hss. A en C van Ruusbroec die ooe{—75 
of o) vertonen *). Veelal vindt men b. v. vaader en vader door 
elkaar gebruikt. De dubbele spelling is onlangs weer door 
sommige aanbevolen geworden om konsekwent voor de in 
deze woorden gehoorden klanken, ook in open lettergrepen, 
gebruikt te worden. Soms werd ook lengte uitgedrukt door e 
of i achter de vokaal ; voer of voir = voor^ enz. Hierbij dient 
opgemerkt te worden dat, stritt genomen, 't enige geval waar 
de e nu noch vokaallengte heet aan te duiden — ie tegen- 
over i — op 'n verkeerde voorstelling berust. De door ie 
weergegeven klank is nl. niet, zo als dit in de regel opgevat 
wordt, de verlenging van de vokaalklank in (d)i(t), evenmin 
trouwens als de o-klank in voor de verlenging van die in stok 
of bon is of de u in uur de verlenging van die in put. 

En noch veel minder dan vokaallengte, kan ons letterschrift 
de intonatie weergeven. Ja zelfs hebben we daarin geen let- 
tertekens voor al de in onze taal voorkomende enkelvoudige 
klanken. Zo hebben we geen verschillende lettertekens voor 
de flr's in liggen en die in bagger^ voor de onder elkaar ver- 
schillende klanken (beide door ch uitgedrukt) in licht^ lacht^ 
hd. ich en ach en, voor de o van stoJc^ hf^ tegenover die in 



1) Met dank vermeld ik hier dat vele voorbeelden hieronder mij duor mijn 
koUega Dr. De Vreese aan de hand gedaan zijn. 



170 H. Logeman. 



hók^ phf^ of voor de d in dai^ dü^ denken^ tegenover die in do/, 
diep^ duiken^ enz. Men spreke 'n zinnetje als „Dit is te dol, 
denk je dat 't niet diep genoeg is om te duiken" uit in de 
natuurlike en vloeiende uitspraak en men zal 't verschil 
voelen en weldra ook horen. Maar ik voeg er bij dat dit 'n 
goed gehoor en oefening vereist. 

Wat Höysgaard in 1743 over 't Deens schreef*), naaraan- 
leiding van gevallen als de bovenstaande, blijft tot zekere 
hoogte waar, niet alleen van zijn moedertaal, maar ook voor 
't Nederlands en andere talen: „'t Is 'n verduivelde verwar- 
ring .... ik heb eens nagegaan of onze vokalen zo als wij nu 
spellen onder vaste leerregelen gebracht kunnen worden en 
ben tot de konkluzie gekomem dat 't ons tien maal zo moeilik 
zal vallen als voor 't Frans en toch verbeelden wij ons dat 
wij lezen zoals wij schrijven en dat onze uitspraak gemak- 
keliker gdieerd kan worden dan andere'' al moet hier dan ook 
bijgevoegd worden dat, wat b. v. 't Nederlands betreft, we 
ons slechts zo sterk uit mogen drukken, vooral in de laatste 
jaren, wanneer we aan de fijnere onderscheiden denken als 
die, waarop ik hier in de laatste plaats de aandacht vestigde. 
Houdt men dit in , 't oog, dan zal 'n ieder wiens lot 't is 
vreemde uitspraak zonder streng fonetiese teksten te onder- 
wijzen, 't ware van HöyjBgaards woorden moeten erkennen. 



4. Want ook de andere talen leveren dezelfde verschijn^ 
selen op ; zo b. v. 't Engels waar iear in de betekenis traan 
[tie] luidt, daarentegen [tae] in de betekenis schetiren^ waar 
de infinitief [ri'd] wordt uitgespnokein, maar de op presies 
dezelfde wijs geschreven verieden tijd [red] klinkt; waar b^w 
nu voor [bau] dan voor [bo»] staat, enz. tenz. Ook is het hier 
volstrekt niet moeilik voorbeelden voor 't tegenovergestelde 
te vinden : gelijkluidende woorden die op verschillende wijaem 
gespeld worden: too two [tu], lead led [led], hnow no [no«»]. 



1) In zijn „Tweede Proeve van Deense tonthografie*'. 



Klanken en klanksymbolen. 171 



here hear [hie], wood wotdd [wud], hour our [aue]. Een van de 
meest dubbelzinnige lettergroepen is oug\ die in de volgende 
acht woorden acht verschillende waarden heeft — bij elk 
woord is 'n ander gevoegd, waar dezelfde klank op een andei'e 
wijze geschreven wordt: 



bough 


[bau] 


-[bau] 


bow 


through 


[ï)ru-] 


-[tru-] 


true 


ihough 


[(fo»] 


-[lO"] 


low 


thought 


llA't] 


-[t§.-t] 


tawght 


cough 


[kiOf] 


-[aC)f] 


off 


enough 


[iUAf] 


-[stAf] 


stuff 


borough 


[bAro] 


•[swS,lo; 


swallow 



hiccough [hikAp] -[Ap] up 

De Engelse spelling is dan ook berucht voor z'n inkonse- 
kwensies en men heeft zich geamuseerd met spellingraadsel- 
tjes als ghoughphtheigktteau^ 't geen p(daio betekenen moet en 
phthyrrhknyrrh dat turner beet voor te stellen, zo gespeld dat 
elke klank weergegeven wordt door 'n lettergroep, die feitelik 
in de algemene orthografie in 't een of ander woord als schrift- 
teken voor die zekere klank gevonden wordt : ^h = [p] als in 
hiccough^ ough = [o^] als in dmtgh^ phth = [t] als in ptUhisie^ 
eigh =■ [e»] als in neigh^ tie = [t] als in gagstte^ eau = [o«] als 
in beau^ yrrh = [d] als in DifrrA en kn = [n] als in knight ^). 

5. De spelling van de andere Europese talen is wel is 
waar niet zo ver voortgeschreden als de Engelse, maar toch 
ziLjn er niet weinig onregelmatigheden en spellinggrillen in op 
te merken. In 't Frans betekent content: [kötl] zo wel als 
[kö't] ; e$t als werkwoord luidt [ae], als substantief ,[8&st] ; ver- 



1) In *n kinderboek (De geschiedenis van 'n Bakerrympje) staat 't volgende 
gesprek tassen twee kleintjes te lezen. „Dat is toch iets raars, die spelling, zei 
Miep. — Ja, zei Wim, H is «r nee ao als met de mode, — regels z^n er niet, 
maar als je ze niet volgt, wordt je uitgelachen. — Als er geen regels zijn, hoe 
kun je ze dan volgen, vroeg Miep? — Ja, zei Wim, plechtig, dat is nu juist 't 



172 fl. Logeman. 

gelijk ook de volgende zinnen die door franse spellinghervor- 
mers opgesteld z\jn om de zwakke zijde van de orthografle te 
doen kennen : les poules du couveni couvent [kuvl ku*v] ; nous 
portions [portjó] nos portions .[porsjö] ; ils excellent [aeksasl] dans 
ce qui est excellent [aBksaBlA]; il ne faut pas se fier [Qe] au 
fier [fjad'T] etc. Viüage wordt niet als pillage uitgesproken, 
miUe niet als familie^ cher rijmt niet op lêcher; en men kan 
massas voorbeelden vinden van gelijkluidende woorden die 
op verschillende wijze geschreven worden; onder de meest 
bekende en ergste noem ik: sans^ sensy sentj cent^ censy sang^ 
8*en^ — allemaal = [sa] ; ton, tant^ taon^ tempsy tend^ tends — 
allemaal = [tl] ; père^ pair^ paire, perd^ perds — allemaal = 
[paBT] etc. Volgens de berekening van Marles wordt de klank 
o in 't frans op 30 verschillende wijzen weergegeven, de klank 
an [a] op 52 en è [ae] op 55 wijzen! 

De Duitse spelling is misschien niet zo onregelmatig als 
de Engelse of de Franse en toch zijn er niet weinig punten 
van afwijking te vinden tussen de klank en de afbeelding er 
van; in den regel zijn die zo, dat men eerder uit de schrqf- 
wijze de uitspraak op kan maken dan omgekeerd. Dezelfde 
tweeklank wordt soms e?, soms ai geschreven : waise = weise ; 
rain^ rein^ Rhein klinken volkomen 't zelfde. De [J]klank wordt 
veelal door sch afgebeeld : schade^ scMagen enz. maar ook door 
s alleen, b. v. in spdtyStein terwql de klank [s] en niet [ƒ] is 
in espcy ist. De letter h klinkt gewoonlik als in henne^ maar 
is dikwels stom, zo als in ehre^ gehen en wordt bovendien als 
hulpteken gebruikt in verbindingen als cA, pA, sch; ch kan op 
minstens vier wijzen opgevat worden, nl. als de zogenaamde 
„gutturale spirans" in buch [bu'x]; als de „palatate spirans" 
in bücher [bycor]; als [k] in achse^ charakter en als [ƒ] in cho- 
h)lade. De lengte en kortheid van vokalen kan men in vele 
gevallen uit de geschreven vorm niet opmaken : voor 'n enkele 
konsonant heefb men in de regel 'n lange vokaal; toch is die 
kort in was^ das^ es; omgekeerd 'n lange vokaal trots de dub- 
bele konsonant in ass [a's], sass [za's] vgl. daarmee hass nass 



Klanken en klanksymbolen. 173 

met korte vokaal; voor de ch is a kort in bach^ wach^ lachen 
em.^ maar lang in sprach [Jpra'x], stach [Jta'x], Irach [bra'x] 
en veelal ook in noch [na*x]. Wie zou uit de schrijfwijze op 
kunnen maken dat macht en magd alleen van elkaar ver- 
schillen wat de lengte van de vokaal betreft, terwijl alle 
andere klanken in deze woorden dezelfde zijn? En zozouden 
er meer voorbeelden te noemen zijn, waaruit blijken kan, dat 
de verhouding tussen klanken en hun afbeelding ook in 't 
Duits volstrekt zo eenvoudig en gemakkelik niet is als 
menigeen zich denkti 

6. Niet veel verschillend is het beeld, dat wij van de toe- 
standen krijgen, als we andere talen onderzoeken. In 't Deens *) 
klinkt de vokaal in smurt (gesmeerd) gelijk die in s^or^ (groot) 
beide — o*'rt ^) terwijl daarentegen kost in de zin van bezem = 
ndl. koost en kost = fr. coüt of = fr. nourriture = 't nederl. 
kost klinkt. Sort kan als ndl. soort luiden en betekent dan 
zwart, en [sort] in de zin van ndl. soort. In 't Zweeds luiden 
jord (aarde), gjord^ hjord volkomen 't zelfde en wordt de [JJklank 
op niet minder dan 16 verschillende wijzen uitgedrukt: s;u, 
sAïna, sA:/orta, s^^la, vyss/a, pension, miss/on, disctplin, sWrting, 
sc&ack, auktóon, reflea?ion, cAef, jreni, sere/^ant, ^alusi. De Ita- 
liaanse spelling wordt dikwels als voorbeeldig beschouwd, 
maar toch treffen wij er vele letters met dubbele waarde 
(e, o, z, s), zo dat de spelling ons in veel gevallen niet de 
weg naar de uitspraak wijst. Een tenminste in hoofdzaak 
konsekwente verhouding tussen de klank en z'n afbeelding 
wordt in Europa slechts bij 'n taal als 't Fins gevonden, die 
eerst in de allerjongste tijd opgetekend is geworden. 



1) De Deense voorbeelden, hier gegeven, zijn niet meer dan 'n zeer klein uit- 
treksel uit Jespersen's grote voorraad, die door hem natuurlik vóór die uit de 
andere talen genoemd wordt, daar waar ik de Nederlandse behandeld heb. 

2) Waar de ' de stöd vertegenwoordigt, 't voor 't Deens zo eigenaardige ver- 
schynsel, dat uit 'n plotseling samentrekken van de stembanden beslaat, midden 
in 'n woord, soms midden in *n klank. Zie hierover Taal en letteren XI, 429. 

T. EN L. XII. 12 



1?4 Ë. Logeman. 



7. Zo is 't er dus ver van af, dat de letters 'n vaste klank- 
waarde zouden hebben; dit hebben ze zelfs niet eens in 
dezelfde taal en noch veel minder, waar we verschillende 
talen met elkaar vergelijken. Zelfs daar waar de afbeelding 
*t meest konsekwent en vast is, zien we noch letters van 
waarde veranderen als we van 't ene land naar 't andere 
gaan. Denk aan de ndl. ^s („gutturale en palatale spiranten") 
en de Franse g (stemhebbende explosief); de u in 't Nederl. 
heeft 'n andere klank dan de Deense u (= ndl. oe) ; de ndl. 
oe anders dan de oe in 't Engels (b. v. in de eigennaam 
Poell = ndl. poil) of frans poète en eindelik is er verschil in 
de zelfde taal; zo is de v in van in 't algemeen nederlands 
een stemhebbende spirant (hoewel dikwels in de samenhang 
enigsins stemloos gedurende 't eerste uitspraak- ogenblik), 
daarentegen geheel stemloos voor de inboorlingen van zekere 
goede stad in Noord-Holland voor wie „elk focheltje 'n flnkie" 
is. In 't Engels en 't Frans betekent de 'n enkelvoudige 
(stemhebbende) klank (vgl. enz. ^eal^ fr. zèle)] in 't Duits 
daarentegen 'n samenstelling van twee (stemloze) klanken, 
nl. ts {ziel); in 't Italiaans weer is 't soms een teken voor 
dezelfde kombinasie {mezzo^ = overrijp, beschimmeld) soms 
voor de hiermee overeenkomende stemhebbende klanken 
{mezzo^ = half) terwijl de letter in andere talen zo overbodig 
is, b. V. in 't Deens (hier meer noch zelfs dan in 't Engels) 
dat we ons volkomen begrijpen kunnen hoe Shakespeare 't in 
King Lear (II. 2. 69) als scheldwoord gebruiken kon : Thou 2?, 
thou unnecessary letter! Men vergelijke verder b. v. de ver- 
schillende klankwaarden in 't fr. canne^ ce; Ital. cio^ Spaans 
citidad^ duits cigarre^ ich^ ach^ etc. « 

Uit al die voorbeelden leren we, dat we steeds schrap 
moeten staan tegenover 't door elkaar halen van klanken en 
letters, van spreektaal en schrifttaai, van uitspraak en spel- 
ling*). Dit zijn twee volkomen verschillende gebieden en al 



1) Zo als Paul *i uitdrukt {Prinzipien der Sprachgeséh. * p. 330): ,Es ist 



Klanken en klanksymbolen. 175 

kunnen we in veel gevallen uit de schriftelike vorm van 'n 
woord de klanken er van opmaken, en omgekeerd, toch 
moeten we steeds bedenken dat er honderde en noch eens 
honderde gevallen zijn waai* wij diezelfde konkluzies niet 
kunnen trekken. 

8. Wat is de oorzaak van dit buitengewoon groot gebrek 
aan overeenstemming en sisteem? Wel is waar is dit hier 
niet de plaats dit alles in alle bizonderheden na te gaan, ~ 
dit zou er op neerkomen de spelling-geschiedenis te geven der 
Europese talen, 'n enorm werk — maar toch ligt 't niet 
geheel en al buiten ons bestek de voornaamste oorzaken van 
't verwarde in deze toestand op te sommen. 

Ten eerste hebben we natuurlik de omstandigheid dat klan- 
ken en klanksimbolen al even min onder elkaar te vergelijken 
zijn als de twee zintuigen tot welke ze zich richten: Zelfs 
't fijnst uitgewerkte en van de meeste tekens voor fljne 
nuansen voorziene, fonetiese sisteem is niet geheel en al in 
staat een beeld van de levende taal te geven zo als die van 
de lippen naar 't oor stroomt. Het is feitelik 'n fysiese on- 
mogelikheid een klankindruk om te zetten in iets dat op 't 
oog inwerkt, — een onmogelikheid van de zelfde soort als 
b.v. die, om de indruk van de smaak in tonen om te zetten 
of iets dergelgks. 

9. Maar zelfs binnen de grenzen die de aard van 't schrift 
meebrengt, is het lang zo volkomen niet als 't wezen kon. 
Ten eerste zjjn de klanksimbolen geheel en al willekeurig en 
is er zel& niet de minste poging gewaagd er enig sisteem in 
te brengen, terwijl ze noch wel ontwikkeld zijn langs de 
nodige omwegen van 'n schriftsisteem welks doel oorspron- 
kelik niet was enkele klanken weer te geven maar hele 



wichtig ffir jeden sprachforscher niemals aus den augen zu verlieren, dass das 
geschriebene nicht die sprache selbst ist, dass die in schrift ufngesetzte sprache 
immer erst einer rückumsetzung bedarf, ehe man mit ihr rechnen kann/* 



176 H. Logeman. 



woorden of hele voorstellingen. Men zou kunnen denken dat 
zulk 'n poging wel bestond om verwante klanken door ver- 
wante lettertekens weer te geven, b. v. in 't geval van de 
b en p (ook de kapitale B en P) die wel enigsins op elkaar 
lijken. Maar dat dit geheel toevallig is blijkt terstond als men 
de tekens voor de andere parallelle klank-paren beziet: de 
letters d en t (D en T), lijken al minder op elkaar en g en k 
(G, K) doen dat in 't geheel niet. Ook is er 'n zekere over- 
eenstemming op te merken tussen de tekens voor de twee 
neuskonsonanten m en n (M, N) maar behalve dit is alles zo 
onsistematies als wel enigsins mogelik is. Terwijl er in 't 
Latijn zelfs wel drie tekens zijn voor de k-klank: c, h en q^ 
vindt men er geen enkel voor de hieraan beantwoordende 
neusklank die toch zulk 'n grote rol in zo goed als alle talen 
speelt (de klank in tattg, danken). Daarentegen is er een enkel 
teken voor de klankengroep x, — waarom alleen dat ene 
teken? Ook de vokaaltekens zijn al te weinig in getal om de 
verschillende vokaalklanken uit te drukken die in de ver- 
schillende talen gevonden worden. En men kan ook niet zeg- 
gen dat de lettertekens nu zo bizonder geschikt zijn daar ze 
meer plaats innemen dan nodig was en onnodig gekomplie- 
seerd in de vorm zijn; 't eerste 't beste stenografles schrift 
kan doen zien dat er toch wat dat betreft tekens genoeg zijn 
(rechte en kromme lijnen, krullen enz.) om 'n keus uit te 
doen. En bizonder duidelik kan men nu ook niet zeggen dat 
de uitgekozen lettertekens zijn, zowel onder de nu gebruike- 
like drukletters als onder de daaruit afgeleidde geschreven 
tekens zijn er letters die maar al te gemakkelik verwisseld 
worden (de gedrukte c en e; t en 1; fl en fi; O en Q; de 
geschreven n, u; m, in; ni, ui, iu). 

10. Hoezeer men de uitvinding (misschien beter: de ont- 
wikkeling) van het letterschrift bewonderen moge en de voor- 
uitgang die dit in prinsiepe representeert, vergeleken met 
andere schriftsistemen, — toch zal men toe moeten geven: 



Eüanken en klanksymbolen. 177 

het letterschrift dat de zege behaalde is noch vrij ver van 
't ideaal verwijdert, en 't is volstrekt niet iets dat Europa 
zich tot glorie kan rekenen, dat 't nu zo ongeveer 2000 jaar 
lang aan die letters vast gehouden heeft. Zeker: die letter- 
tekens zijn niet geheel onveranderd gebleven in die tijdl 
Hier en daar zijn de vormen inderdaad gewijzigd, vooral in 
die zin dat ze „mooi" gemaakt werden — met meer of min- 
der smaak ! — (men denke b. v. aan de wijze waarop de 
zogenaamde duitse of gotiese letters versierd zijn) maar 't 
sisteem of liever de afwezigheid van sisteem bestaat noch. 
Wel heeft men, met 't verlopen van 't uitspraaksgetij, ge- 
tracht de bakens te verzetten en nieuwe letters gevormd op 
grond van de bestaande (ö ü a ontstaan uit o u a met 'n e 
er boven ; é, (b. v. in 't Deens) q, de cedille, oorspronkelik 'n 
2f, die eerst na en daarna onder de c geschreven werd; de 
oud-engelse tf en enkele andere) maar deze nieuwe letters zijn 
nóch zeer talrijk nóch van veel betekenis en, ten gevolge van 
de onsistematiese basis, zijn die vanzelf ook niet sistematies 
geworden. De belangrijkste verandering in 't latijnse letter- 
schrift is zonder kwestie die, welke voor 'n paar eeuwen 
tot stand kwam en waardoor men verschil ging maken tus- 
sen i en ;, u en v. Vroeger had men die door elkaar gebruikt 
zonder met de klankwaarde rekening te houden. Een van de 
sprekendste voorbeelden is te vinden in de Middelengelse 
Ancren Riwle (begin van de 13<^e eeuw): vuel dat op te vatten 
is als uvel (d. w. z. yvel^ oudeng. yfd mod. evit). En b. v. in 
de oorspronkelike Shakespeare teksten vindt men konstant: 
giue VS ioy (= give us joy) verder vpy vs^ vnder^ vnlesse maar 
tottö, giuen^ hatie^ Oliuer^ euen^ leatAe^ fauourdy martmüe {= mar- 
vel) etc. Molière schreef: vn^ vser^ vtüe^ maar inutile; verder: 
leue (léve), atioir^ pouuoir^ preuue^ nauueau etc. 

Men vergelijke verder mnl. gheueriy seuen^ ghelauen^ nv = 
geven^ .... nu etc. w = uu in oncwsch^ wt ; wit = vwfó, eenwl- 
dich = eenvuMich. De zogenaamde lange s in 't oudere Neder- 
lands (fj, oorspronkelik boven de regel uitkomend, maar sedert 



178 H. Logeman. 

de eerste helft der 15^* eeuw er onder, ging te veel op f lijken 
en werd daarom door s vervangen. Wat de verhouding van 
f, y en ij in mnl. hss. betreft, — Dr. De Vreese deelt mij 
daarover 't volgende mee : Oorspronkelik had men i en y ; in 
gesloten lettergrepen i aldus ii en daaruit ij] weldra y in 
plaats van y. Dan ontstond er verwarring van i en y, y en ij 
en ten slotte van i en ij en zo kreeg men dus voor een- 
zelfde klank twee tekens die oorspronkelik voor geheel ver- 
schillende klanken gegolden hadden. 

11. Van 't Latijn (welks klanksisteem 't dus niet eens 
nauwkeurig kon weergeven) werd verder dit alfabet op andere 
sistemen overgebracht en breidde zijn heerschappij over alle 
talen van West-Europa uit. Elk van die talen had z'n eigen- 
aardige klanken, waarvan er vele zeer sterk van de Latijnse 
afweken en toch werd 't zelfde alfttbet zonder noemenswaarde 
wijzigingen gebruikt om al die afwijkende klanken in 't schrift 
mee weer te geven. Zo moest 't noodzakelik op 'n Procrustes- 
behandeling uitlopen. Zij die 't eerst de latijrfse letters ge- 
bruikten om hun moedertaal in te schrijven waren geen be- 
dreven fonetici die, met nauwkeurige kennis van hun eigen 
klanksisteem (en dat van 't Latijn) voorzichtig afwogen wat 
de beste manier kon zijn om de vreemde tekens voor de moe- 
dertaal-klanken te kunnen gebruiken, 't Waren daarentegen 
afschrijvers die juist genoeg latijn kenden, om religieuse wer- 
ken in die taal te kunnen kopieeren en die nu voor 't gemak 
een woord in hun eigen taal daar tussen in krasten om de 
vertaling niet te vergeten van 't een of ander moeilik woord 
in hun tekst. Daarvoor grepen ze natuurlik, zonder verder 
nadenken, naar de letters die hun op 't ogenblik voorkwamen, 
't best de betreffende klank weer te geven en zo is ook 't 
weifelen te verklaren dat we overal in de oudste taaldoku- 
menten opmerken en dat trouwens zeer leerrijk is voor hen 
die iets van de talen in die oudste tijden wensen te weten. 

Welke nadelen er ook aan dit eerste opschrijven van de 



Klanken en klanksymbolen. 179 

nieuw-Earopese talen kleefden, éen voordeel had het in elk 
geval, dat in de loop der tijden verloren is gegaan: men was 
er slechts op uit de uitspraak weer te geven en daar was 't 
alleen om te doen. In die tijd trachtte men — en waarom 
is natuurlik duidelik — niet door de spelling de etymologie 
van 'n woord te doen zien of dergelijke dingen die zulk 'n rol 
gespeeld hebben in latere spelling-teorieen en spelling-praktijk ; 
't kwam er de schry vers alleen op aan, hun eigen natuurlike 
taal weer te geven. 

12. Maar spoedig kwam er bij dit streven naar 't weer- 
geven van klanken 'n ander element — en dit moest onver- 
mijdelik geschieden — namelik: de overlevering. Had men 't 
een of ander woord op de ene of andere wijze gespeld gezien, 
dan schreef men 't zelf even zo, zonder er op te letten of 
dit ook z'n eigen uitspraak weergaf. En in de loop der tijden 
verandert de uitspraak natuurlik; geen een geslacht spreekt, 
in alle bizonderheden, zo als 't vorige en als men desalniet- 
temin steeds maar blijft schrijven zo als de vroegeren 't deden, 
dan komt er 'n kloof tussen de gesproken klanken en de ge- 
schreven taal. Eerst natuurlik 'n klein verschil, bijna onmerk- 
baar, maar langzamerhand zal de kloof gapender worden. En 
hoe groter ról de overlevering hierbij gaat spelen, d. w. z. hoe 
meer er geschreven wordt en vooral, hoe meer er gelezen 
wordt, zo dat de door andere gebruikte woord vormen zich 
vaster en vaster in 't geheugen inprenten, — des te meer zal 
de geschreven vorm, behalve de aangegeven afwijkingen van 
de eigen uitspraak der schrijvers, die uit 'n andere tijd 
stammen, er tegelijk andere omvatten, die van 'n andere 
plaats stammen, d. w. z. die 'n ander dialekt weergeven. 
In 't eerst geeft natuurlik ieder zijn eigen dialekt weer, maar 
zo dra er 'n literatuur ontstaat, d. w. z. werken die door 
andere dan de oorspronkelike schrijvers gekopieerd worden, 
komt 'n afschrijver uit 'n andere streek dan de auteur er 
uiterst gemakkelik toe, om vormen die hij voor zich ziet door 



180 H. Logeman. 

elkaar te gaan gebruiken met die, in welke hij gewoon is 
zich uit te drukken. Slechts zeer weinig middeleeuwse hand- 
schriften zijn van de hierbedoelde soort van taaimenging vrij, 
o&choon de omstandigheden overal zeer verschillen % 

« 
18. Het eenvoudige prinsiepe en doel van *t letterschrift 

dat elke klank, telkens wanneer die terug komt, steeds met 
't zelfde teken zal worden weergegeven, wordt dus door de 
overlevering tegengewerkt, die tegenover 't eerste belangrijke 
gebod: „Schrijf zo als je spreekt", 't zijne zet: „Schrijf zo als 
andere geschreven hebben." Toch wordt 't eerste voorschrift 
niet geheel en al vergeten ; 't blijft 't prinsiepe — al is de 
traditionele schrijfwijze ook noch zo goed aangeleerd en er inge- 
werkt — dat men in geval van nood aangrijpt, als men zich 
niet herinnert hoe andere 'n woord gespeld hebben of als men 
'n nieuw woord te schrijven heeft, - maar anders wordt de 
kloof tussen uitspraak en de geschreven vorm steeds breder. 
Zo ontstaat er 'n ortografie, d. w. letterlik zeggen : rccfc^schrift 
(men vgl. 't Duits: Rechtschreibung dus zonder welke alles 
verkeerd isl) In plaats van zo als vroeger noch geen 30 tekens 
te leren en hun eens voor altijd vastgestelde klankwaarden 
moet men er nu bij leren dat, in die en die enkele woorden, 
die tekens niet met hun gewone waarde gebruikt wordenen 
hoe meer uitzonderingen er zo zijn, des te ingewikkelder 

« 

wordt 't te leren spellen. Dan moet de onderwijzer de zaak 
in handen nemen en wel in alle ernst, iets wat in hoge mate 
't konservatisme in de hand werkt. Je gewone schoolmeester 
handelt namelik volgens geen ander prinsiepe dan dit : zo als 
ik in mijn jeugd heb leren schrijven, zo moeten mijn jongens 
ook leren schrijven. 



1) In den regel zullen de schrijfwyzen slechts van een dialekt op 'n ander 
dialekt in dezelfde taal overgebracht worden, maar in sommige gevallen kunnen 
vreemde talen toch ook invloed oefenen. Zo zijn b. v. enkele ortografiese eigen- 
aardigheden in 't Middel Engels eenvoudig daaraan te danken dat ze van 't Frans 
op 't Engels overgebracht werden. En de duitse ortografie beeft later geen geringe 
invloed op 't Deens geoefend. 



Klanken en klanksymbolen. 161 



14. Voorbeelden van dat konservatisme — dat de oude 
schrijfwijze bewaart, lang nadat de uitspraak verdwenen was 
die 't aanduiden moest — zijn 't bij behouden (tot voor korten 
tijd algemeen) van de ch in ons visch^ mensc\ etc. de y in 
dihoyls de k in 't Engels aan 't begin van zoveel woorden 
vóór n: know^ knife etc. de franse oi waar de uitspraak nu 
[wa] luidt. In al deze gevallen kan de taalkundige — b. v. 
door vergelijking met verwante talen, door 't onderzoeken 
van noch bestaande dialektiese uitspraak (vgl. fries fisk; 
dezelfde uitspraak sk ook noch hier en daar in West- Vlaan- 
deren), door 't onderzoeken van leenwoorden (b. v. eng. poison^ 
royal uit 't firans) door de uitdrukkelike verklaring van de 
oude grammatici (zie b. v. voor de Eng. kn de I6<ie— is^e eeuwse 
grammatica's) ene. ene. — dus op verschillende wijzen, besluiten 
dat de overgeleverde schrijfwijze werkelik vroeger met de 
uitspraak overeenstemde. — Bij de vraag naar de macht van 
de overlevering en het konservatisme op spellinggebied, mag 
men éen faktor niet vergeten, die buitengemeen krachtig ge- 
werkt heeft om dit konservatisme te sterken, een faktor die 
^eker bestaan zou hebben en zich hebben doen gelden zodra 
er veel geschreven werd, maar die zeer zeker nooit zo krachtig 
gewerkt zou hebben als de boekdrukkunst er niet 
bq gekomen was. Door dat men zo veel gemakkeliker ge- 
drukte boeken in handen kon krijgen dan vroeger hand- 
schriften, kwam men er toe veel meer te lezen dan men ooit 
geschreven had; het gezichtsherinneringsvermogen voor de 
geschreven (d. w. z. gedrukte) vorm werd des te sterker 
ontwikkeld en de konservatieve tendensen hadden daardoor 
veel sterker vat gekregen op de schrijvende mensheid, dan 
denkbaar was vóór de uitvinding van de boekdrukkunst. In 
onze dagen, nu men zo geneigd is zich de speUing in de nu 
aangenomen vorm voor te stellen, als iets dat men aan de 
grote schrijvers, of b. v. aan de schoolmeesters — in sommige 
landen zou men denken: aan de bureaukraten van het een 



182 H. Logeman. 

of ander ministerium 1 — te danken heeft, — in onze dagen 
kan 't geen kwaad het feit 's in herinnering te brengen dat 
de boekdrukkerijen een veel groter aandeel daarin gehad heb- 
ben, dan de andere genoemde grootmachten 0. 

15. Al is nu 't konservatisme schuld aan de meeste afwij- 
kingen tussen de klank en 't klankbeeld — vooral in 't geval 
van de meeste „stomme" letters — dit is toch niet altijd de 
oorzaak. Yele onregelmatigheden stammen in elk geval slechts 
indirekt uit die bron. Toen men nl. naderhand er aan ge- 
wend was in die „ortografiese vorm", iets anders en meer 
neer te leggen, dan men volgens de klank verwachten zou, 
kwam men er toe in een eenvoudige en gemakkelike spel- 
ling iets leliks of verkeerds te willen zien en zo begon men 
't uiterlik van de woorden op te sieren en met allerlei toe- 
voegingen uit te dossen om ze er deftiger te doen uitzien, 
een streven dat in onze dagen 't beste uitkomt in de wijze 
waarop vele eigennamen geschreven worden met massa's 
overbodige letters (b. v. Bockxstad^ Smidt enz.) maar dat 
vroeger in hoge graad in alle woordsoorten floreerde, tussen- 
beide zeker ondersteund door de wens der afschrijvers om zo 
veel mogelik bladzijden te vullen; hoe meer ze volschreven 
des te meer kregen ze betaald ^). Gelukkig zijn de meeste van 
dat soort uitwassen later uit de mode gegaan en hebben we 
alleen noch maar te maken met die, welke terecht of ten 
onreclite de etymologie der woorden schenen aan te geven ^) 
of die er bijgevoegd zijn wegens 't zogenaamde prinsiepevan 



1) En dan mag ik er wel bijvoegen dat de zetters (of Icorrektoren) de spelling 
normaliseren tot grote vreugde van hem, die er geen weg mee weet en die geen 
De Vries en Te Winkel kan of wil opslaan. 

2) Die opeenhoping van overbodige lettertekens is vooral gewoon, in Nederland 
in de oorkonden, vooral sedert Karel V in de kanselarij stukken en is van daar 
in de drukwerken der 16e eeuw overgegaan. Ook hier heeft dus de drukker^ 
grote invloed gehad. Deze opmerking dank ik aan Dr. De Vreese. Dr. Hettema 
(Taal en Lett. VI p. 323) denkt aan de wens om regels typografies mooi te maken 
voor sommige spelling uitwassen. 

3) Zie Taal en Letteren, dl. 6, p. 192 over etymologiese spelling. 



Klanken en klanksymbolen. 183 

gelijkvormigheid, zo dat wij b. v. daad^ deed God blijven schrij- 
ven en zullen blijven schrijven (hoewel we daat^ deet^ got — 
soms : chot of chgot — uitspreken) alleen wegens de verwante 
{in (Msu : meervouds) vormen daden^ deden^ goden. Enige schrijf- 
wijzen zijn ontstaan door de pogingen tot etymologiseren van 
geleerden die ons b. v. de spelling ysd^ voorschreven, alsof 
het iets met ijs te maken heeft (in plaats van eiselik als ze 
begrepen hadden, dat 't met got agis in verband staat). Erger 
is het, wanneer 'n woord door zulke valse etymologieën er 
gratis 'n letterteken bijkrijgt, zo als 't engelse island voor 
üand^ door dat men 't ten onrechte met isle in verband bracht, 
waarmede 't niets te maken heeft. En voeg daarbij 'n vorm 
als eng. could waar de l onder den invloed van shotdd en 
wotdd er bijgevoegd is en waar men die ook is gaan uit- 
spreken *). 

16. Hier zijn de gronden geschetst, die — in hoofdzaken op 
dezelfde wijs in alle moderne kultuurtalen — tot de kloof 
gevoerd hebben, tussen de klank der woorden en hun door 't 
schrift gefixeerde vorm. Een foneticus moet zich in de eerste 
plaats dit verschil duidelik bewust zijn en geen ogenblik ver- 
geten, dat de spelling niet meer dan 'n vermomming is, waar- 
onder hij de werkelike gesproken taal. op moet sporen. Een 
ander beeld wordt door H. 'Paul gebruikt bij wie we (Pnw- 
cipien der sprachgeschichte^ 2^^ uitg. p. 324) 't volgende lezen : 
„'t Geschrevene staat tot de taal, zo ongeveer als 'n grove 
schets tot een met de grootste zorgvuldigheid in kleuren uit 
gewerkt schilderij. De schets is genoeg om hem, die 't beeld 
al goed in zijn herinnering gevestigd heeft, er geen twijfel 
over te laten wat 't voorstellen moet, ook om hem in staat 



1) Men zie b. v. Ellis, Early English Pronunciation pp. 968, 1005, 1046. 

Voor 't Ndl. kan hier vermeld worden een geval als P o i r l e r s , dat door de 
meesten, ook door geleerden, wordt uitgesproken P w a r t e r s, op z\jn Fransch, 
terwgl die spelling oi niets anders is dan de Brabantsche manier om de o aan te 
duiden. Poirters zz Poerters of Poorters, (d. V.) 



184 H. Logeman. 

te stellen, de enkele figuren in beide te identificeren. Hij 
daarentegen, die slechts 'n verwarde herinnering aan het 
schilderij heeft, zal die herinnering hoogstens in hoofdzaken 
door de schets kunnen opfrissen en volmaken. En hij, die 't 
schilderij nooit gezien heeft, zal zeker niet in staat zijn de 
détails, de kleuren en de schaduwen er goed bij te denken. 
Zo verscheidene schilders tegelijkertijd probeerden een uit- 
voerig schilderij te maken naar die schets, dan zouden hun 
produkten zeer sterk van elkaar afwijken. Men stelle zich nu 
's voor, dat op 't schilderij dieren voorkwamen en planten en 
werktuigen, die ze nooit in werkelikheid of in 'n goede af- 
beelding gezien hadden, maar die enigsins leken op hun wel 
bekende voorwerpen, zouden ze er dan niet natuurlik toe 
komen om deze in de plaats te stellen van de hun onbe- 
kende? Zo gaat 't noodzakelik hem die 'n vreemde taal of 'n 
vreemd dialekt alleen door 't schrift leert kennen en die daar 
naar tracht te reproduseren." 

17. 't Komt er dus voor 'n foneticus (en in 't algemeen 
voor 'n taaivorser) op aan, zich geheel en al te vrijwaren 
voor de strikken die de spelling en de daardoor bedongen 
traditionele taaiopvatting voor hem spant. Zo hebben we ver- 
schillende woordparen in 't Nederlands, die 't zelfde gespeld 
worden b. v., regent^ maar die met verschillende uitspraak 
twee geheel verschillende zaken betekenen. Met de nadruk 
op de eerste sillabe nl. de 3 ps, van het ww. regenen; met 
de nadruk op de tweede syllabe bestuurder. Op de algemeen 
gangbare spelling is hier niets te zeggen - zo als anders zo 
dikwels — en zelfs hij, die tot de uiterste linkerzijde van de 
spelling hervormers behoort, zou er niet over denken de woor- 
den anders te spellen *). 



1) Als we dus in de nieuwe spelling 'n woordpaar als bédelen en bedélen 
tegenkomen, kan so iets nooit meer verwarring veroorzaken in de samenhang dan 
H bovengenoemde régent en regent. Niemand zal willen lezen : De régent zal z\jn 
armen laten bédelen of: Terwijl 't regent moeten zij lopen bedélen. 



Klanken en klanksymbolen. 185 

En toch luiden ze geheel anders. Een foneticus zal zich nu 
tot taak moeten stellen de twee klankgroepen te analyseren 
en de verschilpunten te ontdekken en dan zal hij zien dat 
er veel meer zijn dan men op 't eerste gezicht denken zou. 
De beginner doet wel, veel van dat soort woordparen zo nauw- 
keurig mogelik te onderzoeken, b. v. zich af te vragen wat 't 
verschil is (in de tweede lettergreep) tussen professor en 
professoren 'y of de p 't zelfde is in pot als in spot en of wij 
niet in de vier woorden op, opperen^ lampen^ en opwaA^neven 
zoveel verschillende p's hebben. Betekent de letter w inwaai^ 
ktmctd^ bouwen^ bouw; de ee in eer^ neen^ nee 't zelfde of niet? 
Zelfs als hij voorlopig bij dergelijke vragen niet verder kan 
komen, dan 't verschil te horen of te voelen zonder zich be- 
wust te worden waarin dat verschil bestaat, is er toch 
daarmee al veel gewonnen; en zijn oor zal naderhand scher- 
per worden, terwijl h^ steeds weer zijn skepsis tegenover de 
lettertekens zal zien toenemen. Na zulke oefeningen zal hij 
bij 't tegenkomen bij de vergelijkende taalgeschiedenis van 
zulke vormen als Duits diener^ ndl. dienaar en ndl. diender ot 
Frans tendre naast Lat. tenerum^ niet denken dat er hier 'n d 
tussen twee klanken ingelast is, op dezelfde wijze als men 
zich voorstelde dat ida uit 'n oorspronkelik ia ontwikkeld 
was, maar hij zal 't verschil tussen de twee presessen be- 
grijpen. En eindelik als hij zich rekenschap geeft van 't feit 
dat in de geschreven en gedrukte „taal" de woorden keurig 
door witte plekjes van elkaar gescheiden zijn, zal hij niet zich 
blijven verbeelden dat dit in de uitspraak ook 't geval is. In 
't kort : hij zal er toe komen de taal te beschouwen 
alsof die nooit geschreven was geweest. 

18. De beste manier om zich de verhouding tussen klanken 
en klanksimbolen klaar bewust te worden is wel, voortdurend 
fonetiese teksten te bestuderen. Niet alleen moet men die 
teksten bestuderen, die andere opgesteld hebben, vooral die 
fonetiese teksten die, zoals b. v. in Sweet's Elementarbuch^ 



186 H. Logeman. 

de kleinste bizonderheden van de taal, o.a. het zinsaksent 
zeer nauwkeurig aangeven; maar op z'n eigen hand moet 
men ook zulke teksten uitwerken — een voortreflfelike oefe- 
ning die, als men er lang genoeg aan doen wil, de ogen *) voor 
allerlei taaigeheimen openen zal, die anders moeilik of niet te 
doorgronden zijn. Een paar uur foneties diktaat van een 
goed wel onderricht leraar, waar deze steeds kontroUeert of 
de leerling de juiste klanken opschrijft, is zeer aan te bevelen 
voor meer zelfstandige oefeningen. Daardoor zal men b. v. en 
o. a. 'al heel spoedig inzien, hoe veel men zich gewoonlik 
verbeeldt te horen, dat volstrekt nooit gesproken wordt. 

19. Met 'n enkel woord wil ik noch even op andere oefe- 
ningen wijzen, waar elk beginner zich mee zal moeten bezig 
houden, hoewel dit gedeelte niet dan indierekt met ons onder- 
werp: de verhouding tussen klanken en klanksimbolen, in 
verbinding staat, 't Komt er nl. op aan, om, al van *t begin 
af en steeds door, de klanken te leren isoleren. Vele klanken 
komen in onze natuurlike uitspraak nl. alleen in zekere vaste 
verbindingen voor, b. v. op 'n bepaalde plaats in 'n syllabe ; 
men moet zich aanwennen die op zich z e 1 f te leren uit- 
spreken en wel lang uitgerekt, en ook in ongewone klank- 
omgeving. Zo hebben we b. v. 'n klank in 't Nederlands die 
(evenals in 't Deens) slechts na 'n korte vokaal schijnt voor 
te komen, nl. die afgebeeld wordt door ng in bang^ en door 
n in bank. Spreek nu 't woord bang uit en houd de eind- 
konsonant (ng) zeer lang aan. Dan zal men al heel gauw 
gewaar worden 1° dat er van een werkelike n-klank geen 
sprake is en dus 2^ dat er ook van 'n ^klank die de n-klank 
zou volgen, geen kwestie is of kan zijn. Dan kan men er 
toe overgaan de klank geheel alleen voort te brengen, zonder 
vokaal er voor of er achter. Is dat gelukt, dan kan men pro- 
beren die naklank b. v. achter lange vokalen uit te spreken, 



1) Hier zou men kunnen zeggen de oren openen voor allerlei taaigeheimen ! 



Klanken en klanksymbolen. 187 

of aan 't begin van 'n woord en zo doende foneties nut 
trekken uit 't bekende verhaal van de ongelukkige die de / 
niet uit kon spreken en dientengevolge zei dat hij geren ngeven 
(leven) kon maken en toen 'n ngusifer (lucifer) nam en zo 'n 
ngkhie (lichtje) maakte. Iemand die 't verschil voelt tussen 
de ndl. d in dat^ denken en die in dier^ doek zal die 's onder- 
ling kunnen verwisselen. Een niet-Engelsman kan zich oefenen 
op: thirty thotésand thüües and thorns^ enz^ of 'n niet-Neder- 
lander op : Ood^ wal 'n grote gaperd^ of op : de kat die krabt 
de knMen van de trap^ mei drie droge doeken. Zulke oefeningen 
zijn gemakkelik genoeg te vinden; zij zijn van belang wegens 
't scherpen van 't oor en 't gemak en de zekerheid die de gro- 
tere lenigheid van de spraakorganen dan tot gevolg zal hebben. 
Ook op andere manieren zal de beginner goed doen zich te 
oefenen. Laat hem b. v. de een of andere vokaal uitspreken, 
zeer lang en duidelik, terwijl hij zich met behulp van 'n 
handspiegeltje, rekenschap tracht te geven welke stelling de 
spraakorganen innemen en laat hem dan zien of hij vol- 
komen dezelfde klank kan voortbrengen, na op de een of 
andere wijze zijn lippen 'n andere stelling te hebben doen 
innemen. Of wel, hij kan de een of andere vokaal uitspreken 
en dan, terwijl hij de „stem' steeds laathoren 
(d. w. z. terwijl hij steeds 't eigenaardige gegons laat horen, 
dat door 't trillen van de stembanden wordt voortgebracht) 
moet hij zijn onderkaak geleidelik laten zinken, terwijl hij de 
andere spraakorganen (de tong) volkomen in de zelfde posiesie 
laat. Dit alles zou hier in 't oneindige voortgezet kunnen 
worden, maar we moeten er nu uitscheiden: 't kwam er hier 
alleen op aan, de betekenis van deze oefeningen duidelik te 
maken en er op te wijzen, dat men op deze manier met de 
fonetiek vertrouwd kan en moet worden. Hij die in deze 
zaken belang stelt, moet zulke oefeningen maken tot 'n rati- 
onele articulatie en oorgymnastiek. 

H. Logeman. 



DICHTERLEED IN LEVEN EN SCHOOL. 



W. Kloos, N. Gids V 592 vlg. 
J. 6. MssBKERK, „ Van, over en voor 
de 8chooV\ blz. 85 vlg. 

De kwestie, wat er van de lyriese kunst van tijdgenooten 
aan onze leerlingen moet voorgelegd of voorgelezen worden, 
houdt nauw verband met deze andere, wat er van de lyriese 
kunst van tijdgenoten tot vele mensezielen kan doordringen, 
door verscheidene kan genoten worden of meegeleden. Immers 
wij moeten uitgaan van het voor de meesten bereikbare, willen 
wij onze leerlingen de weg tot dieper ingaan tonen. Nu 
schijnen echter de denkbeelden van wat voor de meesten 
bereikbaar is niet bij allen dezelfde te zijn, en het dunkt 
mij goed nu eens al schrijvende tot klaarheid te komen 
in dezen. 

Er worden veel overdreven dingen hierover gezegd: er 
wordt beweerd dat dichters de grootste weldoeners van de 
mensheid zijn en aan de andere kant, dat de dichters de 
meest individuele gevoelens en beelden in de meest individuele 
taal behooren te zeggen, dat zij dus zover mogelik moeten 
afwijken van de taal van de mensheid. Kloos die in z'n 
vroegere „Litteraire kronieken" (zie Veertien jaar litteratuur- 
geschiedenis) de laatste stelling verkondigde, schrijft nu, 
sprekende over Hél. Swarth's „Najaarsstemmen": „Wie de 
smart die zijn hersens door vlamde, weet te vereeuwigen in 
plastische rhythmen, zoodat de pyn, die den schrijver be- 



Dichterleed in leven en school. 189 

engde, wordt, voor den als-mensch sympathiseerenden lezer *), 
tot een weelderige schoonheid van kunst, hij, die dit doet, 
verhoogt der menschheid *) vreugde, verhoogt haar mate van 
levenskracht ook, daar zóó ieder mensch, die zelf wat heeft 
geleden, kan zijn ontroering voelen verzuimen, omdat hij 
zich zijne eigene smart, als iets algemeen-menschlijks, tot 
onsterflijke schoonheid door den dichter geobjectiveerd. 

Wie dus in smart hoog-heerlijk gaat zingen, wie van zijn 
lijden een schoonheid maakt, verdient ons aUer ^ eerbiedige 
hulde, verdient der menschheid^) „diep gevoelden dank". 

Toen ik dit las gevoelde ik eerst onbewust iets van tegen- 
zin ; ik las het weer en noch eens en ging bij me zelf rede- 
neren, hoe het toch kwam, dat ik die „diepgevoelde dank" 
niet kon geven. Eerst dacht ik dat het kwam omdat ik geen 
leed had dat tot mee lijden noopte, dat mij maakte tot „de 
als-mensch sympathiseerende lezer'\ maar ik wist mij toch 
wel oogenblikken van geroerdheid te herinneren bij het lezen 
van verzen van Hél. Swarth, zowel van haar leed als van 
haar lief en ik dacht aan 

Wachten : 

Ik wacht zoo lang, o lief! en 't wordt zoo laat 

Is dat de klank niet van uw stap op straat? 

Is dat uw stem niet in de stille gang? 

Het wordt zoo laat, o lief! en 'k wacht zoo lang. 

Die smart over het wachten van wie niet komt, nooit 
meer komen kan! Die weemoed over 

Zijn dood: 

O God! nu is mijn liefste dood, 
Mijn leeuwrikslied, mijn morgenrood. 
Mijn zonnestraal, mijn lente vreugd. 
De blonde liefste van mijn jeugd. 



i) Ik kursieveer. 

T. EN L. XII. 13 



190 J. B. Schepen. 



Die herinnering aan een zomernacht: ik verplaatste m^ er 
toch zoo goed in evengoed als in haar verdediging van 

Zijn eande: 

Wie durft daar werpen den eersten steen 

Op hem, die zondigde als meer dan een? 

Wie durft daar verklaren: — „Die man is slecht 1" 

En de oogen niet neerslaan, terwQl h^ 't zegt? 

Het recht hem te werpen den eersten steen, 

O vleklooze vromen! had ik alleen. 

O deugdzamen! ik alleen had het recht 

Te verkonden den volke: „Die man is slecht 1" 

En niets van dat alles heb ik gedaan. 

Lees het wie dit leest verder uit, zoals het in de bundel 
Poettie staat (blz. 69) en zeg me dan of de meesten dat niet 
meegevoelen, alles I Als het leven met z'n drukte het meege- 
voelen ten minste niet belemmert; als men zich rustig kan 
laten gaan. Of dus niet de „levenskracht" van de meesten 
„verhoogd" zou worden, als hun iets soortgelijks als haar 
overkomen was en hij kon diezelfde gevoelens in kunst om- 
gezet lezen? Stellig, niet Waar? Wie onder haar lezers heeft 
niet meegejuicht met haar: 

Verkonden 't nu alle de klokken, met plechtige monden 

van brons I 
Wie vlecht nu de krans in mijn lokken ? wie strooit er nu 

rozen voor ons? 

Laat wappren de zilveren vaandels! laat schallen het 

bruiloftskoor, 
En trede ons, in blanke gewaden, een rei van maagden 

voor! 

Toen zij de Sterren tot getuigen riep van haar geluk-nü, en 
haar rustig toekomstvertrouwen : 



Dichterleed in loven en school. 191 



Lief, eens zullen wij sterven, wq beiden, wij samen of 

ieder alleen. 
En het graf is zoo diep en de hemel zoo hoog en of God 

leeft weet geen. 
En 'k heb niets dan de stem van mijn hart, die mij 't 

eeuwige leven belooft. 
En de heilige onsterflijke sterren, hoog boven mijn sterflijk 

hoofd. 

Toen beloofden wij het haar mee en zij kon dus gerust op 
de toekomst wezen. We waren biy, toen zij in 

Nieuw leven 

ons toeriep 'k Wil niet verzinken in die zee van leed. 

Waar 'k eens, gelijk een duiker, paerlen zocht 
Voor wie van paerlen niet de waarde weet. 

We waren blij, we trokken ons van de weggelaten varkens- 
vergelijking niets aan. Zij was blij, wij ook. En toen het werd 

October 

en zij verklaarde 't is een nieuwe Mei! 

Nu smelt mijn ziel in zoete melodie 
En 'k voel een tweede jeugd, zoo rein, zoo kalm ! 

toen zij Langs cPAmstel wandelde in de winterdag 

En voelde hoe ieder haar geluk aan haar ogen kon zien: 

Mijn adem maakt een lente rondom mij. 

Mijn stap verraadt mij en geen veinzen laat, 

Nu heel mijn wezen niet zegt: „Ik", maar „Wijl' 

Zijn wij toen niet in staat geweest om te juichen nu de 
liefste in sneeuw en mist gekomen was en dachten wij niet 
dat het ook hem gold, die jubelkreet van 



192 J. B. Schepers. 



O liefete met uw godenlach 
Dien 'k aan mijn hart gebogen zag 
Dien blauwe' en gouden zomerdag 

Vol geur van blanke bloemen. 

De zomerdag zou de openbaarheid brengen van de geheime 
liefde van de winter en dan zou haar geluk gaan klinken door 
ons kleine landje en zij zou haar beelden voor onze ogen 
plaatsen. Zo hebben wij toch wel met haar meegeleden, mee- 
gejubeld; zo heb ik het ten minste gedaan. 

Maar ik kan het best begrijpen dat vele andere verzen van 
dezelfde schrijfster niet dat direkte genot geven aan de 
meesten, omdat ze veel minder eenvoudig zijn. Men neemt 
haar latere bundels mee in stille binnenkamers om er zo nu 
en dan eens een vers van te lezen, niet juist om mee te 
lijden met de dichteres, maar om te genieten van de diepe 
gedachten haar door het leven gegeven, van personificaties, 
van de beelden, de klankrijkdom en de gemakkelikheid van 
maat en rijm. Maar wie daar het meeste aan zullen hebben, 
zijn 't niet zij, de weinigen, die hetzelfde ondervonden hebben 
als de dichteres of iets soortgelijks ? En de anderen, — wie 
maakt er 'en vogel 'en verwijt van als hij anders zingt, dan 
men op 'en gegeven ogenblik verlangen zou? De verzen, die 
zij voor zich zelf schrijft en daarna voor de mensen uitgeeft, 
kunnen beslist niet naar de smaak van heel 'en volk als het 
onze zijn; er is maar 'en klein klubje, als 't ware, dat met 
haar meevoelt en elke pas uitkomende bundel aangrijpt. 

Duizenden horen, ook als zij verdriet hebben, niet tot de 
als mens sympcUhieerende lezers maar verdient zij dan om het 
„hoog-heerlijk zingen" .... „in smart", omdat zij „van .... 
lijden schoonheid maakt .... ons aller eerbiedige hulde, .... 
der menschheid diepgevoelden dank? 

Alléén zolang haar smartuitingen direkt om hun eenvoud 
pakken en weerklank vinden bij de haar taal sprekende mens- 
beid. Bij andere gedichten omdat zy de schat van beeldende 



Diohterleed in leven en school. 193 



verzenkunst verrijkt en het genot van het zien van beelden, 
het horen van welluidende klanken voor velen groot is. 

Zie, het gaat haar en anderen die zich in eigen smart ver- 
diepen, zonder, dat zij kunnen of wel willen zeggen waarin 
hun smart bestaat, als oude ridders, die zich opsloten in hun 
kastelen om de gang van de tijd te ontgaan. Daar woonden 
ze onbegrepen; de inrichting van hun burcht was voor de 
verre voorbijgangers niet waar te nemen eii veranderde naar 
de tijdelike opwellingen van de eenzelvige ridder. Zo leefden 
zij als raadsels voor hun omgeving voort, tot de dood hun 
kwam halen, maar de meistrelen, de reizenden die tot hun 
doordrongen om uit te rusten van lange vermoeiende reizen, 
door dorre landen, of uit geheimzinnige drang tot kennis van 
land en volk in al z'n omvang, zij kwamen naar buiten 
brengen tal van verhalen, het ene al mooier dan het andere 
over het rijke leven van de ridderlike kluizenaars en noch 
jaren lang sprak men er van die geheimzinnigen, totdat de 
dood ook hun meenam en de belemmeringen om achter hun 
leven te komen gaandeweg werden weggenomen, tot eindelik 
de nieuwsgierigen als honden alle hoeken en gaten gingen 
doorsnuffelen naar ook het geringste spoor van hun leven. 

Ze sluiten zich op in de torens van hun smart en zij die 
vroeger door juichenden omgeven werden in echte aanban- 
kelikheid als zij zich daar buiten vertoonden in het zonlicht 
van het geluk; zij worden onbekenden voor de meesten en 
ook als zij later naar buiten komen zullen er velen niet eens 
naar hun omzien; zij hebben zich moeten vervreemden. En 
er zijn velen die tegen diegenen, die tot hun doorgedrongen 
zijn en verrukt over de mooiheid van hun zielen het zouden 
willen uitjubelen, zeggen : „Spreek mij liever van begrijpeliker 
wezens, van mensen die ik voelen en tasten of zien en horen 
kan, van levenden om mij heen." 

En zo blijven zij eenzamen door eigen verkiezing, door 
eigen leven. 

Hél. Swarth vindt het niet nodig hare gedichten te dateren, 



194 J. B. Schepen. 



haar bundels vaD 'en jaartal te voorzien; zij voegt ze daarin 
naar willekeurige orde, wat-de- vorm-betreft- bij -elkaar-passenden 
te zamen ,maar bijna hermeties sluit zij zo haar zieleleven 
voor ons af. Zij wil de eenzaamheid; zij haat de menselike 
wroeters in zielelevens, zij leeft alleen om haar lied te zeggen 
en het is best mógelik, ja wel zéker, dat zij ook buiten haar 
smarttoren zich vertoont, dat zij door de landen gaat dwalen, 
maar zij heeft volkomen bereikt wat zij wou ; ze wordt alleen 
door enkelen die tot haar doorgedrongen waren gevolgd en 
begrepen. 

Intussen moet men nooit vergeten, dat in deze zaken na- 
praten aan de orde van den dag is ; dat het er mee gaat als 
met de oude klassieken, veel geprezen, weinig gelezen. En 
firazes als de voornoemde van Eloos zijn biezonder geschikt 
om mensen angstig te maken om voor hun mening uit te 
komen, als die niet precies klopt met de zijne of er mischien 
vierkant tegenover staat. Hiermee is nu meteen de weg aan- 
gewezen, die voor de scholen in te slaan is; ik bedoel voor 
de hogere klassen van onze gymnasia en burgerscholen. 

Voorzover men het met mij eens is dat de leerlingen niet 
als vreemden mogen staan tegenover de ontboezemingen van 
eigen tijd, terwijl men ze tot Bredero's lyriek, tot Vondel's 
drama en Hooft's proza wel doet naderen; voorzover men 
met mij meent dat ze eerder 'en Bredere zullen leren appre- 
ciëren, als ze van 'en Perk of Hél. Swarth enig besef gekregen 
hebben, moet men van de eerste niet komen aandragen met 
iris, maar veeleer met de Dorpsdans en de Scheper^ om die 
als punt van uitgang te nemen en bij Hél. Swarth de bevat- 
telikste, hiervoor vermelde, lyriese ontboezemingen ze liefst 
voorlezen, zonder veel bespreking, zodat ze direct tot het 
gevoel spreken; dan ook hun vreugde laten opklinken zoveel 
mogelik en te zamen met hun iets lezen waaruit de nauw- 
keurig waai^enomen natuur hun voor ogen komt te staan, 
maar dan ook ophouden. Willen zij dan later verder trachten 
door te dringen ook tot de smartburcht, dan moet dat wezen 



Dichterleed in leven en school. 195 

zonder tegenzin. En nu spijt het me, maar ik moet in dezen 
al weer Aront maken tegen de heer J. B. Meerkerk. Het móét, 
want nieuw aankomende docenten moeten weer in de gelegen- 
heid zijn om partij te kiezen en er hun voordeel mee doen. 
Het moet hun van den beginne af duidelik worden dat les 
geven in letterkunde noch iets anders is dan het veel vertellen 
over het uitwendige leven van de dichters, tot de straat, het 
huis toe waarin ze geboren zijn, het beroep dat zij uitoefen- 
den en noch vele andere wetenswaardigheden meer. Dat het 
vooral dringend nodig is met het allermooiste tot hun te 
komen, waarbij de geleerden het dan alweer niet eens zijn, 
zodat zij zich van te voren 'en mening daarover moeten 
vormeUé 

In zijn nieuwste brochure „van, over en voor de school" 
schrijft hij veel neer wat ik van harte wil onderschrijven. Ik 
heb eigenlik alleen noch maar omgekeken naar wat mij op dit 
ogenblik het meest interesseerde n.1. wat hij schrijft op blz. 86 
vlg. „over literatuur op school." B.v. deze gedachte is nage- 
noeg ook de mijne: „tot criticus moet ieder individu gevormd 
worden. ... ik bedoel er mee iemand die zich ernstig reken- 
schap geeft van wat hij leest en in zijn oordeel wèl doet 
uitkomen, dat hij zich allerminst onfeilbaar acht, maar dat 
hij oordeelt met zelf gevoelde aandoening en naar de mate 
van eigen inzichten, verkregen door nadenken *) — niet na- 
praten." De daaropvolgende erby -horende woorden „na heel, 
héél véél studie" doen mij al aarzelen: iminers nadenken en 
0elf gevoelde aandoening zijn voor mij voldoende om het mooie 
dat binnen iemands oordeel khn vallen — kunnen bedoel ik 
om z'n ontwikkeling, leeftijd, ja zelfs stand — om hem dat 
mooie te doen waarderen. Heel, ja héél véél studie van letter- 
kundige historie is alleen nodig om te waarderen, wat niet 
zo direct spreekt tot de mensen van deze tijd en dat toch 
in zijn tijd mooi heette. Het plaatsen in het kader van z'n 



1) Liever na-getroelen. 



184 H. Logeman. 

te stellen, de enkele figuren in beide te identificeren. Hij 
daarentegen, die slechts 'n verwarde herinnering aan het 
schilderij heeft, zal die herinnering hoogstens in hoofdzaken 
door de schets kunnen opfrissen en volmaken. En hij, die 't 
schilderij nooit gezien heefb, zal zeker niet in staat zijn de 
détails, de kleuren en de schaduwen er goed bij te denken. 
Zo verscheidene schilders tegelijkertijd probeerden een uit- 
voerig schilderij te maken naar die schets, dan zouden hun 
produkten zeer sterk van elkaar afwijken. Men stelle zich nu 
's voor, dat op 't schilderij dieren voorkwamen en planten en 
werktuigen, die ze nooit in werkelikheid of in 'n goede af- 
beelding gezien hadden, maar die enigsins leken op hun wel 
bekende voorwerpen, zouden ze er dan niet natuurlik toe 
komen om deze in de plaats te stellen van de hun onbe- 
kende? Zo gaat 't noodzakelik hem die 'n vreemde taal of 'n 
vreemd dialekt alleen door 't schrift leert kennen en die daar 
naar tracht te reproduseren." 

17. 't Komt er dus voor 'n foneticus (en in 't algemeen 
voor 'n taaivorser) op aan, zich geheel en al te vrijwaren 
voor de strikken die de spelling en de daardoor bedongen 
traditionele taaiopvatting voor hem spant. Zo hebben we ver- 
schillende woordparen in 't Nederlands, die 't zelfde gespeld 
worden b. v., regent^ maar die met verschillende uitspraak 
twee geheel verschillende zaken betekenen. Met de nadruk 
op de eerste sillabe nl. de 3 ps. van het ww. regenen) met 
de nadruk op de tweede syllabe bestuurder. Op de algemeen 
gangbare spelling is hier niets te zeggen — zo als anders zo 
dikwels — en zelfs hij, die tot de uiterste linkerzijde van de 
spelling hervormers behoort, zou er niet over denken de woor- 
den anders te spellen *)• 



1) Als we dus in de nieuwe spelling 'n woordpaar als bédelen en bedélen 
tegenkomen, kan zo iets nooit meer verwarring veroorzaken in de samenhang dan 
't bovengenoemde régent en regent. Niemand zal willen lezen : De régent zal z\jn 
armen laten bédelen of: Terwijl 't regent moeten zy lopen bedélen. 



Dichterleed in leven en school. 197 



'k Herwon mijn Ik, o ja, maar dat nu was 
Geen ding meer van het Leven, maar des Doods. 

Dat is onzin voor j onges, veel te vaag, veel te abstract! 
Daar kan geen jonge 'en touw aan vastmaken, tenzij hij zelf 
werkelik iets .in zich heeft van de artiest. En ik stem toe 
dat die enkeling gevaar loopt van naaperij en daarom moet 
bij alle onderwijs in taal op het individuele van alle taal, 
alle kunst, alle kritiek gewezen worden, tot ze niet meer 
anders kunnen dan zich zelf geven, zoals ze zijn, zonder aan- 
stellerij, zonder naaperij ^). 

Willen ze later Kloos ter hand nemen zelf, of willen ze 
't zel& op school noch doen, dat moeten zij weten, maar ik 
zou ook in een ander opzicht noch anders handelen dan de 
heer Meerkerk. Mij dunkt dat het volgende, zoals hij het doet 
en zegt, niet in de haak is: „Ook de mooi geklaagde smart 
van A., de mooi gevloekte verontwaardiging van B. moet 
navraag kunnen lijden. . . . Anders moeten we verklaren : 't is 
heel mooi gezegd, maar de man is een would be martelaar 
en klaagt aan „'t zelfgekozen kruis", d. w. z. 't is vertoon 
van smart, 't is ijdelheid en hoogmoed." En dan iets verder 
„hoor, dit <het bovengenoemde) is een mooi sonnet. En mooi 
blijft het, ook dan als ik vind, na onderzoek dat de menschen 
over wie hij klaagt gelijk hebben; maar om de motieven te 
beoordeelen — wat toch noodzakelijk is om het gedicht ten 
volle (te) verstaan 1 — moet ik eerst weten: wat voerde de 
dichter dan uit, toen de menschen hem dwaas vonden? Wat 
zei, wat deed hij? Wat wil hij zeggen met: ik gaf mijn zelf 
weg? Want dat lijkt me dwaas toe enz. Omdat een dichter 
zooiets mooi heeft gezegd, is 't nog volstrekt niet goed, niet 
waar, niet rechtvaardig. 

Dit moeten de jongelui leeren inzien en dit moet hun op 



1) Ook om 'en zekere neiging tot zwaarmoedigheid bij velen op die leeftijd 
van de hoogste klasse H. B. S. en Gymn. levert het lezen van deze abstracte som- 
berheit grote gevaren op. 



198 J. B. Schepers. 



eene goede manier worden gezegd/' Ik had neiging hier aan 
toe te voegen : dan waren ze meteen later af van het kopen 
van litteratuur, van de tijdverspilling aan het mooie en ze 
konden zich verder hun hele leven wijden aan het bij een- 
schrapen van dubbeltjes om later te Bloemendaal te gaan 
rentenieren. 

Blijven we nu alleen maar bij dit sonnet. Kloos zelf in 'en 
Liefde-, Adoratie- en Geluksperiode zal mischien zich zelf 
weer terugdenkende in die vroeger jaren, waarvan hij elke 
bijzonderheid zich natuurlik noch herinnert, en dit zelfde vers 
aanziende even moeten glimlachen om zijn laatste r^el: Hij 
de gelukkige van nü 

Geen ding meer van het Leven maar des Doods. 

Maar zeg hem eens dat het sonnet nieé waar was, omdat 
mischien — ik weet het niet — de omstandigheden niet zo 
verpletterend waren als hij ze zich dacht, en hij zou opvliegen 
en uitroepen: niet waar!!? Maar ik voelde het toch op dat 
ogenblik zo l^eel, heel ergl 

Als wij op die manier aan het peuteren gingen dan zou 
het maar het beste zijn alle oude letterkunde ongelezen te 
laten, ik bedoel n.1. alle lyriese ontboezemingen, want het 
gaat ons met Bredere zelf al niet veel beter als met HéL 
Swarth. Van zijn innerlik leven weten we niet zo heel veel 
af. Nu spreekt zijn smart weliswaar duideliker, direkter tot 
de lezer dan die van Hél. Swarth, maar weten we nu waarom 
hij plotseling zo somber kon zijn en zijn toevlucht zoeken 
bij zijn God, terwijl hij kort daarop de dolste rijmpjes bijeen- 
haalde. Waarom, ja waarom? Moeten we nu Bredere laten 
liggen?" 

En Heinrich Heine ook al? Weet men of liever moet men 
weten, waarom hij z'n Loreley dichtte? Welke ondergrond 
die had? Het antwoord zou zijn van Heine zelf: 

Ich weiss nicht was soU es bedeuten 
Das ich so traurig bin. 



Dichterleed in leven en school. 199 

Maar laten wij er geen gekheid van maken. Eens ben ik 
bet met Meerkerk als bij zegt: „Een man, die in een vers 
berijmt, dat men alles, alles voor bet vaderland veil moet 
bebben — ik ben ook van die meening — moet niet zijn 
zoon weerbouden in diens pogen om bet in gevaar verkeerende 
vaderland te redden. Zoo bij dit wèl doet, noem ik zijn vers 
hoe mooi ook misschien voor velen, schoone leugen." Eens, 
maar alleen onder deze voorwaarde, dat de jongen gezond, 
'en goed schutter en dus tot iets nut is en beide handelingen 
gelijktijdig plaats hebben. Als het volkslied dateert uit 'en tijd 
van volle vrede, terynjl de bewuste vader noch geen vader is 
en zich dus noch niet kan voorstellen wat het zeggen wil 'en 
zoon, op wie men al z'n hoop gevestigd heeft, te moeten 
laten doodschieten of erger nog van ellende, ziekte en gebrek 
laten omkomen op het slagveld; als het lied dus niets meer 
te maken heeft met de weigering, dan is het geen „schoone 
leugen". Wij zijn toch niet geroepen om op onze 60 jarige 
leeftijd alles te verdedigen en te doen wat wij 40 jaar geleden 
beloofd bebben. 

Ik, dus, geloof dat als men dit als het zoeken naar waar- 
heid wil beschouwen men daarmee mischien de waarheid 
vindt, maar meteen veel moois voorbijgaat. 

Alleen met die waarheid hebben we te maken, die ons uit 
de stof zelf tegemoet komt, en dan voelt men het al heel gauw 
of de schrijver waar is in z'n ontboezemingen of niet. 

De taal zelf bewijst dat. En gedeeltelik ga ik met Meerkerk 
mee in het zoeken van waarheid, maar ik ga daarbij uit van 
het geloof aan de waarheid van de artiest en voor mij moet 
de gevonden waarheid uit z'n leven alleen dienen om relief 
te geven aan z'n persoon en kunst, niet om smalend te zeg- 
gen: „maar dat was toch niet waar, dat was „schoone 
leugen"! Ook ik wou wel wat meer concreets weten van 
Willem Kloos om de zielestrijd van vroeger te beter te leren 
waarderen; ik ook zoek, maar te vergeefs omdat mij elke 
leiddraad ontbreekt, naar de zielsgeschiedenis van Hél. Swart 



200 J. B. Schepers. 



zooals die toch moet blijken in haar kunst* Ik vraag vrien- 
delik voor me zelf om dat plaatsje te mogen innemen, waar- 
door hun personen en relief voor mij omhoog-komen uit het 
vlakke, maar ik kan mij nu ^) best begrijpen dat zij zich 
hullen in ondoordringbare nevelmantel, als ik zie naai' welke 
zaken anderen vorsen. Albert Verweij bewees mij 'en dienst 
door in z'n „Inleiding tot Vondel" te wijzen op het verband 
tussen Vondel's twist met z'n eigen geweten over z'n zoon 
en die van Jephtha over het al of niet offeren van z'n dochter. 
Sedert ik iets weet van de oorsprong van „Ellen" van Van 
Eeden is het me veel meer als 'en uiting van 'en voor mij 
levende persoonlikheid geworden, meer dan na de lezing van 
de kritieken van Verwey, Van Deyssel en Jacob Ek. Intussen 
zal ik mij wel wachten om deze laatste realiteit op school te 
brengen, omdat ik denk aan het vers van Winkler Prins. 
„Niet voor de kinderen." Wat er dan wel gebracht kan 
worden? Er zijn twijfelaars, die beweren dat men van geen 
poëzie kan reppen in de jongeswereld. Ik voor mij ben noch 
al idealist op dit punt en geloof dat de mogelikheid min of 
meer nu al bestaat bij goed onderwijs in moedertaal, maar 
vooral dat die later al groter en groter zal worden. 

Maar in 't algemeen beschouw ik de volgorde, waarin wij, 
dunkt me, met sukses de poëzie van deze tijd bij de jonges 
kunnen brengen deze: epiese poëzie of ook wel zuiver be- 
schrijvende als veel wat Hél. Swarth „Etsen" noemt, als 
Verwey's „Persephoné", iets van Kloos z'n „Okeanos", stuk- 
ken van „Bragi" enz. Dan kan volgen 'en serie van dezelfde 
beschrijvingen, waarin het persoonlike element wat meer 
gelegd is, als stukken van „Mei" van Gorter, veel verzen van 
Van Looy, Perk, Hél. Swarth, Winkler Prins, Marie Bod- 
daert. Marie Marx-Koning en vele andere; waarin de natuur 
verband houdt met de stemming aan de schrijver. En dan 
zuiver lyriese ontboezemingen, maar heel voorzichtig hiermee 



1) Vgl. Taal en Letteren VUI, 309. 



Dichterleed in leven en scliool. 201 



omtegaan, zodat de allereenvoudigste gemoedsbewegingen 
duidelik waarneembaar zijn. 

En als die gang gevolgd wordt, kan het wezen dat er zijn 
die, geprikkeld tot onderzoek, tot meegevoelen, op de weg 
naar de geheimzinnige smartburcht verder gaan, die er gaan- 
deweg meer van te zien krijgen en er eindelik in door weten 
te dringen en zo de schatten, die daar te veroveren zij n voor 
hun, machtig worden. 

Dat is, dunkt me, de weg die tot kennis en waardering 
van de kunst leidt. Maar daar moet aan voorafgaan eerst 'en 
leren gebruik maken van de eigen zieletaal in hun eigen 
werk, voor alles wat zij te zeggen hebben, en 'en bad, 'en 
hartsterkend bad in proza dat raak is, gewoon, eenvoudig en 
natuurlik. Men moet leren gevoelen en meegevoelen. Daar 
mogen dus geen abstracties zweven voor de ogen en oren 
van onze knapen. 

Een groot, verreweg het grootst gedeelte van ons tegen- 
woordig volwassen geslacht heeft die opleiding tot kunst niet 
op school genoten en dat is mischien wel de reden, waarom 
het aantal van hun, die door 'en Hél. Swarth bekoord worden 
en betoverd door haar lied, zo klein is. Ze horen de klanken 
wel die er uit haar smartburcht komen, maar ze hebben 
nooit nagedacht over het wezen van de poëzie en de echtheid 
van, of kunst in ontboezemingen laat hun koud. Ik ken 'en 
dame die tot de hoogst ontwikkelden gerekend wordt en die 
van de maker van 'en grote roman zei: nou, die zal noch 
wel eens professor worden! En ik dacht zo: „wat was het 
toch hoog nodig dat u op school onderlegd was in het indi- 
viduele van uw taal, en die van anderen; in het wezen van 
poözie als alleen uitingen van dieper gevoeld leed, heviger 
genoten blijdschap, scherper waargenoriien natuur en mensen, 
kortom van groter hevigheid van onze aandoeningen." Dan 
toch zou zij weten dat kennis en kunst nu juist niet van 
gelijke soort zijn. 

Ik nu meen gerust te durven beweren, dat als zo'n hoog- 



192 J. B. Schepers. 



O liefete met uw godenlach 
Dien 'k aan mijn hart gebogen zag 
Dien blauwe' en gouden zomerdag 

Vol geur van blanke bloemen. 

De zomerdag zou de openbaarheid brengen van de geheime 
liefde van de winter en dan zou haar geluk gaan klinken door 
ons kleine landje en zij zou haar beelden voor onze ogen 
plaatsen. Zo hebben wij toch wel met haar meegeleden, mee- 
gejubeld; zo heb ik het ten minste gedaan. 

Maar ik kan het best begrijpen dat vele andere verzen van 
dezelfde schrijfster niet dat direkte genot geven aan de 
meesten, omdat ze veel minder eenvoudig zijn. Men neemt 
haar latere bundels mee in stille binnenkamers om er zo nu 
en dan eens een vers van te lezen, niet juist om mee te 
lijden met de dichteres, maar om te genieten van de diepe 
gedachten haar door het leven gegeven, van personificaties, 
van de beelden, dé klankrijkdom en de gemakkelikheid van 
maat en rijm. Maar wie daar het meeste aan zullen hebben, 
zijn 't niet zij, de weinigen, die hetzelfde ondervonden hebben 
als de dichteres of iets soortgelijks? En de anderen, — wie 
maakt er 'en vogel 'en verwyt van als hy anders zingt, dan 
men op 'en gegeven ogenblik verlangen zou? De verzen, die 
zij voor zich zelf schrijft en daarna voor de mensen uitgeeft, 
kunnen beslist niet naar de smaak van heel 'en volk als het 
onze zijn; er is maar 'en klein klubje, als 't ware, dat met 
haar meevoelt en elke pas uitkomende bundel aangrijpt. 

Duizenden horen, ook als zij verdriet hebben, niet tot de 
als mens sympathijserende lezers maar verdient zij dan om het 
„hoog- heerlijk zingen" .... „in smart", omdat zij „van .... 
lijden schoonheid maakt .... ons aller eerbiedige hulde, .... 
der menschheid diepgevoelden dank? 

Alléén zolang haar smartuitingen direkt om hun eenvoud 
pakken en weerklank vinden bij de haar taal sprekende mens- 
beid. Bij andere gedichten omdat zy de schat van beeldende 



^■"^ 



Dichtetleed in leven en school. 199 

Maar laten wij er geen gekheid van maken. Eens ben ik 
het met Meerkerk als hij zegt: „Een man, die in een vers 
berijmt, dat men alles, alles voor het vaderland veil moet 
hebben — ik ben ook van die meening — moet niet zijn 
zoon weerhouden in diens pogen om het in gevaar verkeerende 
vaderland te redden. Zoo hij dit wèl doet, noem ik zijn vers 
hoe mooi ook misschien voor velen, schoone leugen." Ééns, 
maar alleen onder deze voorwaarde, dat de jongen gezond, 
'en goed schutter en dus tot iets nut is en beide handelingen 
gelijktqdig plaats hebben. Als het volkslied dateert uit 'en tijd 
van volle vrede, terwyl de bewuste vader noch geen vader is 
en zich dus noch niet kan voorstellen wat het zeggen wil *en 
zoon, op wie men ai z'n hoop gevestigd heeft, te moeten 
laten doodschieten of erger nog van ellende, ziekte en gebrek 
laten omkomen op het slagveld; als het lied dus niets meer 
te maken heeft met de weigering, dan is het geen ,, schoone 
leugen". Wij zijn toch niet geroepen om op onze 60 jarige 
leeftijd alles te verdedigen en te doen wat wij 40 jaar geleden 
beloofd hebben. 

Ik, dus, geloof dat als men dit als het zoeken naar waar- 
heid wil beschouwen men daarmee mischien de waarheid 
vindt, maar meteen veel moois voorbijgaat. 

Alleen met die waarheid hebben we te maken, die ons uit 
de stof zelf tegemoet komt, en dan voelt men het al heel gauw 
of de schrijver waar is in z'n ontboezemingen of niet. 

De taal zelf bewijst dat. En gedeeltelik ga ik met Meerkerk 
mee in het zoeken van waarheid, maar ik ga daarbij uit van 
het geloof aan de waarheid van de artiest en voor mij moet 
de gevonden waarheid uit z'n leven alleen dienen om relief 
te geven aan z'n persoon en kunst, niet om smalend te zeg- 
gen: „maar dat was toch niet waar, dat was „schoone 
leugen"! Ook ik wou wel wat meer concreets weten van 
Willem Kloos om de zielestrijd van vroeger te beter te leren 
waarderen; ik ook zoek, maar te vergeefs omdat mij elke 
leiddraad ontbreekt, naar de zielsgeschiedenis van Hél. Swart 



tf^f^ if« hé H<!hep«r». 



mm\f^ (\\f) imh tmmi biyken in haar kunst. Ik vraag vrien- 
ilnllk ^m)r \m /iulf otn dat plaateje te mogen innemen, waar- 
ihm Imn immirinii m tntkf voor my omhoog-komen uit het 
vUkkn, \\\mv Ik k(Ui iny nu ^) bent begrepen dat zij zich 
\\{\\\p\\ \\\ ntultmhIHtiKbaro nevolmantol, als ik zie naai* welke 
j^rtkr^ti ftiuli^it^n vorw^n. Albort Verwey bewees mg 'en dienst 
\\m\' \\\ t^w „titl^lillng tot Vondel" te w^zen op het verband 
\\\m\'\\ Voh^l^f^lV fcwtnt tuot «*n eigen geweten over z'n zoon 
\^\ \\\^ VAH vtï^phthA over hot al of niet oflferen van z'n dochter, 
H^Mtevt Ik tet*^ >wet van de ooi*«pi*ong van „Ellen** van Van 
l^leden Iw het «te veel meer als 'en uiting van 'en voor m\j 
lex^Mule |>emvnil(kheld iiemnxlen^ meer dan na de lezing van 
\le kHWt^kxM\ Vvitt Verwx^>% Van Dey«^l en Jacob Ek. Intussen 
R^l ik \\\^ w^l ^va\^ht^n em deae laatste rtealiteit op school te 
l\h'^^\ïi?f^^V iMW\lAt ik \fenk aan het vws van Winkler Prins. 
^.Kiet x^N^NV de kü\de\>^n.'' Wat er dan vs^ gebracht kan 
xwNhle^^t' fó' 7^\\ tvr\ifelaar^ die bevrwe» dat m«i van ge» 
^vWi<^ kan ^y^HVft <tt de >vngef$ixcew!jd. Ik v<xm" m^j ben noch 
al ïtVv^l^^i ^^^^ 4rt iv^ittï e«i ge:ivV>f <3at de m(:)@dlitiieid min of 
ii*iiN^^ Vï\^ al be?^taaï bij ir<yvï oïjdervtö^ in iYï»aeröBal, luar 
\w^:^i 4al 4i<*^ l;!^^w* aJ $i\*45M* e» iroter zal wörten, 

>U\%.^v ifi ^ Aljr^iY>eein be^Shc^ö^ ik de vokrire-öft. waariii ^wig^ 
^nnVl m^ -mei ^^.te?^ de ^*«Kie vwi dö» töi "br d^ los^ss 
k^^r^nWt ïvi^^r^ti d^^ : ^^i^^$se 'jv'*Eie öf xt vél surrar be^ 
^^bviV^nd^ afc^ ve»e; ^rat i-^^^r,. <^^x;aröi ^Etsen'' iJMmt. ak 
\>vx^v.xV .,T>e.>5enhA^T)r"\ i^4:5i va:n ï^loo^ s^n ^Z>k^exno^\ stnt- 
Vvr X'sn ,/Plï^r' ^n>.. T>frr k}i.n v^^Ti >x sterw^ var o^^lffle 
N^"»b i>*inpen, 'waarir. h<^ |%e:rsmmlik<^ «temant wsx mMr 
i*<^^(^r. K Rfcs '^4itfcer. \?ar •.Aie;" via: t+oröc, vee. xraM^ ^^«ii 
Vsr "i^A. ï>^:ic. Hé», ^wiarrtu '^inkter ï^rms. liaró Böó- 
<^?»»^*k Vs-if M«-^-KaniT^ m- ve]f anderf: waarir öt mcaurr 
ve-'hHi'^c h^ndt met de ^J^t^onniinf aar df i«airi;vfïr. Et öar 
^n:Nw lynfcsr ontb^wwiit^sen. niaar heel vooTZuaiüg liienn&e 



Dichterleed in leven en school. 201 



omtegaan, zodat de allereenvoudigste gemoedsbewegingen 
duidelik waarneembaar zijn. 

En als die gang gevolgd wordt, kan het wezen dat er zijn 
die, geprikkeld tot onderzoek, tot meegevoelen, op de weg 
naar de geheimzinnige smartburcht verder gaan, die er gaan- 
deweg meer van te zien krijgen en er eindelik in door weten 
te dringen en zo de schatten, die daar te veroveren zijn voor 
hun, machtig worden. 

Dat is, dunkt me, de weg die tot kennis en waardering 
van de kunst leidt. Maar daar moet aan voorafgaan eerst 'en 
leren gebruik maken van de eigen zieletaai in hun eigen 
werk, voor alles wat zij te zeggen hebben, en 'en bad, 'en 
hartsterkend bad in proza dat raak is, gewoon, eenvoudig en 
natuurlik. Men moet leren gevoelen en meegevoelen. Daar 
mogen dus geen abstracties zweven voor de ogen en oren 
van onze knapen. 

Een groot, verreweg het grootst gedeelte van ons tegen- 
woordig volwassen geslacht heeft die opleiding tot kunst niet 
op school genoten en dat is mischien wel de reden, waarom 
het aantal van hun, die door 'en Hél. Swarth bekoord worden 
en betoverd door haar lied, zo klein is. Ze horen de klanken 
wel die er uit haar smartburcht komen, maar ze hebben 
nooit nagedacht over het wezen van de poëzie en de echtheid 
van, of kunst in ontboezemingen laat hun koud. Ik ken 'en 
dame die tot de hoogst ontwikkelden gerekend wordt en die 
van de maker van 'en grote roman zei: nou, die zal noch 
wel eens professor worden! En ik dacht zo: „wat was het 
toch hoog nodig dat u op school onderlegd was in het indi- 
viduele van uw taal, en die van anderen; in het wezen van 
poëzie als alleen uitingen van dieper gevoeld leed, heviger 
genoten blijdschap, scherper waargenomen natuur en mensen, 
kortom van groter hevigheid van onze aandoeningen." Dan 
toch zou zij weten dat kennis en kunst nu juist niet van 
gel^ke soort zijn. 

Ik nu meen gerust te durven beweren, dat als zo'n hoog- 



202 J. B. Schepers, Dichterleed in leyen en school. 

ontwikkelde vrouw nu die verzen van Hél. Swarth, die wat 
dieper gaan, waarvan zij in symboliek en beelden van zich 
zelf spreekt, leest en zegt: Hél. Swarth is onze meest ge- 
vierde dichteres ; dat dan het waarschuwen van Meerkerk en 
mij tegen napraterij voor héér hoog noodig is. En 't is onze 
plicht, van ons docenten, om te zorgen dat 'en jonger geslacht 
de zaken beter inziet. 

Haarlem. J. B. Schepers. 



INHOUD VAN TDDSCHBIPTEN. 

Th Gids^ afl. No. 5, Mei 1902, o. a. : I. N. A., Twee levenskringen. 
Een ernstig stak in drie bedryyen« 

Nederland^ 2A, No. 5, Mei 1902, o. a. : K y r P a n o, £en schandaal. — 
Betsy Mülock y. d. Ylies, Maar een stoker. — H. Baart 
de la Faille — Wichers Hoeth, Als! 

De Tijdspiegel^ afl. No. 5, Mei 1902, o. a. : J. Huisman, „Het 
gewone lager onderwas te boven." — B. P. van der V o o, De 
plant in het volksleven. — C. C. ter Beehorst, September, V. 

Elsevier^s Maand»chriff, afl. No. 5, Mei 1902, o. a. : Jeannette 
Nyhnis, Gredichten. — De Meernlaer, Pa-kerto, een vertel- 
ling nit Java's Oosthoek. — Marie de Negri, Moordenaar. — 
Henri van Booren, De G-rgze Kat. 

De Katholiek^ Grodsdienstig, Greschied- en Letterkundig Maandschrift, 
1902, o. a. : Dr. C. Gr. N. de V o o ^ s, Bibliograflese mededelingen 
Qver de Dietee vertalingen der „Imitatie Christi". 

Flandrid*8 Navellenbibliotheek^ No. 18, 6^iistaafSegers,De Be^ 
ren. — No. 19, Om er Watt er, De koorknaap, De zwalm. 

Valkskunde^ 14e jaargang, afl. 9 en 10, o. a. : J. D. C, Groethe en de 
Folklore. — Dr. Gr. J. Boekenoogen, Nederl. Sprookjes en 
Vertelsels. 

De Nieuwe Gids, afl. 9, Mei 1902, o. a. : J. E v e r t s J r.. Werke- 
loos. — Bejneke van Stuw e, Judith. — Willem Kloos, 
Verzen. 

De XXe Eeuw, afl. 5, Mei 1902, o.a.: Eg mond van Of f el, De 
twee Droomen. — J. de Meester Petite Eeine. — Albert 
V e r w e y. Het menschenhart. 

Boon' 8 Geüêuaireerd Magcuiifn, No. 34, April 1902, o. a. : J e a n n e 
Bouberg Wilson, Gestorven Illusie. — E. A. Butti, Het 
einde van een ideaal. 

De ArhMd, 4e jaarg., aflev. 4, o. a. : Lode Baekelmans, Dolle 
Lgkredenen. — Herman Waltha, Zomernacht. — W. Grraadt 
V. Boggen, Na de begrafenis. — W. van Weide, Musch. — 
Ary Delen, Wiebrand, De Torenbouwer. — Victor de 
M e y e r e, Elegieën. — Mathilde de Vries, Grrootvader. 



NIEUWE BOEKEN. 

Bibliotheek (De Nieuwe), voor de jeugd. Bed. J. Stamperius, Heus- 
den, L. J. Veerman. 80. Per serie (6 ditjes) gecart. f 3,60, geb. f 5,70 

Afe. dln. f— ,75, geb. f 1,10 

XVIe serie, No. 1, Ch. Krienen, Pommelman en zgn pleegkind. 

Met illustratiên van W. K. de Bruin. 
Boe ka, üit Java*s binnenland P&h Troeno, Amsterdam, E. van Bos- 
sen, G^r. 80. geb. f 3,90 
Brabant (Else van), Weide-nimf^ Amsterdam, C. L. Gr. Veldt, 80. 

f —,90, geb. f 1,25 



196 J. B. Schepers. 



tijd van het vroeger geschrevene is niet nodig voor wat direkt 
spreekt tot ons gevoel en ik stem graag toe toch dat, willen 
onze vroegeren begrepen worden, volkomen begrepen, dat 
studie vereist. Mooi-voelen en historiesmooi-lerenvinden is 
noch lang niet hetzelfde en ik geloof niet, dat jongens ich 
voldoende historiese kennis kunnen veroveren op school, om 
het laatste, b.v. van de 17^ eeuwse letterkunde goed te 
kunnen. Maar mij dunkt, men moet bij de bespreking van 
letterkunde op school nooit vergeten, dat die jonges leven in 
hun eigen tijd, dat zij zodra ze van de schoolbanken af zijn 
mischien zelf mee gaan doen. 

En dan eis ik voor hun niet zo zeer geleerheid, geen studie 
in de eigenlike zin, maar wel liefhebberij voor het mooie en 
ontwikkeling van hun kritiese blik door nadetiken — op school 
al — en zdfgevodde aandoening — ook op school al. Maar dan 
moet men tevens alleen dat hun voorleggen, dat zelfgevoelde 
aandoening kan opwekken, doordat het binnen de kinder- of 
liever jonge-mensen-bevatting ligt en het zon dan ook niet in 
m'n hoofd opkomen om de jongens het volgende sonnet van 
Eloos dat Meerkerk, zegt hij, met hun bespreekt voorteleggen. 

Menschen zijn wijs, en met een wijs gelaat 
Zeggen zij op mij wijzend, dat 'k niet ben 
Een mensch als zij, en dat 'k mijzelf niet ken. 

En, o, dat ik niet weet, hoe 't leven gaat; 

Dat alles, wat ik denk en doe, niet staat 
In dit goed Leven, — wó^rom 'k mij niet wen 
Aan dit en dat? — en o, 'k geloofde hen 

Ziet, zelfde menschen, hoe 't nu met mij staat: 

'k Gaf weg mijn zelf, waar ik zoo trotsch in was. 
Ik deed, wat gij mij riedt, was zoet en stil 

Toen werd ik weggegooid .... na korte poos : 
'k Werd opgeofiferd voor een menschengril .... 



Dichterleed in leven en school. 197 



'k Herwon mijn Ik, o ja, maar dat nu was 
Geen ding meer van het Leven, maar des Doods. 

Dat is onzin voor j onges, veel te vaag, veel te abstract! 
Daar kan geen jonge 'en touw aan vastmaken, tenzij hij zelf 
werkelik iets .in zich heeft van de artiest. En ik stem toe 
dat die enkeling gevaar loopt van naaperij en daarom moet 
bij alle onderwijs in taal op het individuele van alle taal, 
alle kunst, alle kritiek geweien worden, tot ze niet meer 
anders kunnen dan zich zelf geven, zoals ze zijn, zonder aan- 
stellerij, zonder naftperij ^). 

Willen ze later Kloos ter hand nemen zelf, of willen ze 
't zelfe op school noch doen, dat moeten zij weten, maar ik 
zou ook in een ander opzicht noch anders handelen dan de 
heer Meerkerk. Mij dunkt dat het volgende, zoals hij het doet 
en zegt, niet in de haak is: ;,Ook de mooi geklaagde smart 
van A., de mooi gevloekte verontwaardiging van B. moet 
navraag kunnen lijden. . . . Anders moeten we verklaren : 't is 
heel mooi gezegd, maar de man is een would be martelaar 
en klaagt aan „'t zelfgekozen kruis", d. w. z. 't is vertoon 
van smart, 't is ijdelheid en hoogmoed." En dan iets verder 
„hoor, dit (het bovengenoemde) is een mooi sonnet. En mooi 
blijft het, ook dan als ik vind, na onderzoek dat Aemenschen 
ov^ wie hij klaagt gelijk hebben; maar om de motieven te 
beoordeelen — wat toch noodzakelijk is om het gedicht ten 
volle (te) verstaan! — moet ik eerst weten: wat voerde de 
dichter dan uit, toen de menschen hem dwaas vonden? Wat 
zei, wat deed hij? Wat wil hij zeggen met: ik gaf mijn zelf 
weg? Want dat lijkt me dwaas toe enz. Omdat een dichter 
zooiets mooi heeft gezegd, is 't nog volstrekt niet goed, niet 
waar, niet rechtvaardig. 

Dit moeten de jongelui leeren inzien en dit moet hun op 



1) Ook om 'en zekere neiging tot zwaarmoedigheid bij velen op die leeftijd 
van de hoogste klasse H. B. S. en Gymn. levert het lezen van deze abstracte som- 
berheit grote gevaren op. 



198 J. B. Schepen. 



eene goede manier worden gezegd." Ik had neiging hier aan 
toe te voegen : dan waren ze meteen later af van het kopen 
van litteratuur, van de tijdverspilling aan het mooie en ze 
konden zich verder hun hele leven wijden aan het bij een- 
schrapen van dubbeltjes om later te Bloemendaal te gaan 
rentenieren. 

Blijven we nu alleen maar bij dit sonnet. Kloos zelf in 'en 
Liefde-, Adoratie- en Geluksperiode zal mischien zich zelf 
weer terugdenkende in die vroeger jaren, waarvan hij elke 
bijzonderheid zich natuurlik noch herinnert, en dit zelfde vers 
aanziende even moeten glimlachen om zijn laatste regel: Hij 
de gelukkige van nu 

Geen ding meer van het Leven maar des Doods. 

Maar zeg hem eens dat het sonnet nieé waar was, omdat 
mischien — ik weet het niet — de omstandigheden niet zo 
verpletterend waren als hij ze zich dacht, en hij zou opvliegen 
en uitroepen: niet waar!!? Maar ik voelde het toch op dat 
ogenblik zo h^el, heel ergl 

Als wij op die manier aan het peuteren gingen dan zou 
het maar het beste zijn alle oude letterkunde ongelezen te 
laten, ik bedoel n.l. alle lyriese ontboezemingen, want het 
gaat ons met Bredere zelf al niet veel beter als met Hél. 
Swarth. Van zijn innerlik leven weten we niet zo heel veel 
af. Nu spreekt z^n smart weliswaar duideliker, direkter tot 
de lezer dan die van Hél. Swarth, maar weten we nu waarom 
hij plotseling zo somber kon zijn en zijn toevlucht zoeken 
bij zijn God, terwijl hij kort daarop de dolste rijmpjes bijeen* 
haalde. Waarom, ja waarom? Moeten we nu Bredere laten 
liggen?" 

En Heinrich Heine ook al? Weet men of liever moet men 
weten, waarom hij z'n Loreley dichtte? Welke ondergrond 
die had? Het antwoord zou zijn van Heine zelf: 

Ich weiss nicht was soU es bedeuten 
Das ich so traurig bin. 



Dichterleed in leven en school. 199 

Maar laten wij er geen gekheid van maken. Eens ben ik 
het met Meerkerk als hij zegt: ,,Een man, die in een vers 
berijmt, dat men alles, alles voor het vaderland veil moet 
hebben — ik ben ook van die meening — moet niet zijn 
zoon weerhouden in diens pogen om het in gevaar verkeerende 
vaderland te redden. Zoo hij dit wèl doet, noem ik zijn vers 
hoe mooi ook misschien voor velen, schoone leugen." Eens, 
maar alleen onder deze voorwaarde, dat de jongen gezond, 
'en goed schutter en dus tot iets nut is en beide handelingen 
gelijktijdig plaats hebben. Als het volkslied dateert uit 'en tijd 
van volle vrede, terwijl de bewuste vader noch geen vader is 
en zich dus noch niet kan voorstellen wat het zeggen wil *en 
zoon, op wie men al z'n hoop gevestigd heeft, te moeten 
laten doodschieten of erger nog van ellende, ziekte en gebrek 
laten omkomen op het slagveld; als het lied dus niets meer 
te maken heeft met de weigering, dan is het geen „schoone 
leugen". Wij zijn toch niet geroepen om op onze 60 jarige 
leeftijd alles te verdedigen en te doen wat wij 40 jaar geleden 
beloofd hebben. 

Ik, dus, geloof dat als men dit als het zoeken naar waar- 
heid wil beschouwen men daarmee mischien de waarheid 
vindt, maar meteen veel moois voorbijgaat. 

Alleen met die waarheid hebben we te maken, die ons uit 
de stof zelf tegemoet komt, en dan voelt men het al heel gauw 
of de schrijver waar is in z'n ontboezemingen of niet. 

De taal zelf bewijst dat. En gedeeltelik ga ik met Meerkerk 
mee in het zoeken van waarheid, maar ik ga daarbij uit van 
het geloof aan de waarheid van de artiest en voor mij moet 
de gevonden waarheid uit z'n leven alleen dienen om relief 
te geven aan z'n persoon en kunst, niet om smalend te zeg- 
gen: „maar dat was toch niet waar, dat was „schoone 
leugen"! Ook ik wou wel wat meer concreets weten van 
Willem Kloos om de zielestrijd van vroeger te beter te leren 
waarderen; ik ook zoek, maar te vergeefs omdat mij elke 
leiddraad ontbreekt, naar de zielsgeschiedenis van Hél. Swart 



200 J. B. Schepen. 



zooals die toch moet blgken in haar kunst. Ik vraag vrien- 
delik voor me zelf om dat plaatsje te mogen innemen, waar- 
door hun personen en relief voor mij omhoog-komen uit het 
vlakke, maar ik kan mij nu ^) best begrijpen dat zij zich 
hullen in ondoordringbare nevelmantel, als ik zie naai* welke 
zaken anderen vorsen. Albert Verweij bewees my 'en dienst 
door in z'n „Inleiding tot Vondel" te wijzen op het verband 
tussen Vondel's twist met z'n eigen geweten over z'n zoon 
en die van Jephtha over het al of niet offeren van z'n dochter. 
Sedert ik iets weet van de oorsprong van „Ellen" van Van 
Eeden is het me veel meer als 'en uiting van 'en voor mij 
levende persoonlikheid geworden, meer dan na de lezing van 
de kritieken van Verwey, Van Deyssel en Jacob Ek. Intussen 
zal ik mij wel wachten om deze laatste realiteit op school te 
brengen, omdat ik denk aan het vers van Winkler Prins. 
„Niet voor de kinderen." Wat er dan wel gebracht kan 
worden? Er zijn twijfelaars, die beweren dat men van geen 
poézie kan reppen in de jongeswereld. Ik voor mij ben noch 
al idealist op dit punt en geloof dat de mogelikheid min of 
meer nu al bestaat bij goed onderwijs in moedertaal, maar 
vooral dat die later al groter en groter zal worden. 

Maar in 't algemeen beschouw ik de volgorde, waarin wij, 
dunkt me, met sukses de poëzie van deze tijd bij de jonges 
kunnen brengen deze: epiese poëzie of ook wel zuiver be- 
schrijvende als veel wat Hél. Swarth „Etsen" noemt, als 
Verwey's „Persephoné", iets van Kloos z'n „Okeanos", stuk- 
ken van „Bragi" enz. Dan kan volgen 'en serie van dezelfde 
beschrijvingen, waarin het persoonlike element wat meer 
gelegd is, als stukken van „Mei" van Gorter, veel verzen van 
Van Looy, Perk, Hél. Swarth, Winkler Prins, Marie Bod- 
daert. Marie Marx-Koning en vele andere; waarin de natuur 
verband houdt met de stemming aan de schrijver. En dan 
zuiver lyriese ontboezemingen, maar heel voorzichtig hiermee 



1) Vgl. Taal en Letteren VIII, 309. 




Dichterleed in leven en school. 201 



omtegaan, zodat de allereenvoudigste gemoedsbewegingen 
duidelik waarneembaar zijn. 

En als die gang gevolgd wordt, kan het wezen dat er zijn 
die, geprikkeld tot onderzoek, tot meegevoelen, op de weg 
naar de geheimzinnige smartburcht verder gaan, die er gaan- 
deweg meer van te zien krijgen en er eindelik in door weten 
te dringen en zo de schatten, die daar te veroveren zijn voor 
hun, machtig worden. 

Dat is, dunkt me, de weg die tot kennis en waardering 
van de kunst leidt. Maar daar moet aan voorafgaan eerst 'en 
leren gebruik maken van de eigen zieletaai in hun eigen 
werk, voor alles wat zij te zeggen hebben, en 'en bad, 'en 
hartsterkend bad in proza dat raak is, gewoon, eenvoudig en 
natuurlik. Men moet leren gevoelen en meegevoelen. Daar 
mogen dus geen abstracties zweven voor de ogen en oren 
van onze knapen. 

Een groot, verreweg het grootst gedeelte van ons tegen- 
woordig volwassen geslacht heeft die opleiding tot kunst niet 
op school genoten en dat is mischien wel de reden, waarom 
het aantal van hun, die door 'en Hél. Swarth bekoord worden 
en betoverd door haar lied, zo klein is. Ze horen de klanken 
wel die er uit haar smartburcht komen, maar ze hebben 
nooit nagedacht over het wezen van de poëzie en de echtheid 
van, of kunst in ontboezemingen laat hun koud. Ik ken 'en 
dame die tot de hoogst ontwikkelden gerekend wordt en die 
van de maker van 'en grote roman zei: nou, die zal noch 
wel eens professor worden! En ik dacht zo: „wat was het 
toch hoog nodig dat u op school onderlegd was in het indi- 
viduele van uw taal, en die van anderen; in het wezen van 
poëzie als alleen uitingen van dieper gevoeld leed, heviger 
genoten blijdschap, scherper waargenoriien natuur en mensen, 
kortom van groter hevigheid van onze aandoeningen." Dan 
toch zou zij weten dat kennis en kunst nu juist niet van 
gelijke soort zijn. 

Ik nu meen gerust te durven beweren, dat als zo'n hoog- 



202 J. B. Schepers, Diohterleed in leven en school. 

ontwikkelde vrouw nu die verzen van Hél. Swarth, die wat 
dieper gaan, waarvan zij in symboliek en beelden van zich 
zelf spreekt, leest en zegt: Hél. Swarth is onze meest ge- 
vierde dichteres ; dat dan het waarschuwen van Meerkerk en 
mij tegen napraterij voor hé^r hoog noodig is. En 't is onze 
plicht, van ons docenten, om te zorgen dat 'en jonger geslacht 
de zaken beter inziet. 

Haarlem. J. 6. Schepers. 



INHOUD VAN TDDSCHBIPTEN. 

T)e Gidêj afl. No. 5, Mei 1902, o. a.: I. N. A., Twee levenskringen. 

Een ernstig stuk in drie bedryyen* 
Nederhnd^ afl. No. 5, Mei 1902, o. a. : K y r P a n o, Een schandaal. — 

Betsy Mülock v. d. Ylies, Maar een stoker. — H. Baart 

de la Faille — Wichers Hoeth, Als! 
De Tijdspiegel^ afl. No. 5, Mei 1902, o. a. : J. Huisman, „Het 

gewone lager onderwys te boven." — B. P. van der V o o, De 

plant in het volksleven. — C. C. terEeehorst, September, Y. 
Ehevier^s Maandstehrift^ afl. No. 5, Mei 1902, o. a. : Jeannette 

Nijhnis, Gredichten. — De Meerulaer, Pa-kerto, een vertel- 
ling nit Java's Oosthoek. — Marie de Negri, Moordenaar. — 

Henri van Booren, De Grrgze Kat. 
Dê Katholiek^ Grodsdienstig, Grescbied- en Letterkundig Maandschrift, 

1902, o. a. : Dr. C. Gr. N. de V o o ^ s, Bibliograflese mededelingen 

over de Dietse vertalingen der „Imitatie Christi". 
Flandrid*8 Navellenbibliatheek^ No. 18, &nstaafSegers,De Be^ 

ren. — No. 19, Omer Watt er, De koorknaap. De zwalm. 
Volkskunde^ 14e jaargang, afl. 9 en 10, o. a. : J. D. C, Groethe en de 

Folklore. — Dr. Gr. J. Boekenoogen, Nederl. Sprookjes en 

Vertelsels. 
De Nieuwe Gids, afl. 9, Mei 1902, o. a. : J. E v e r t s J r., Werke* 

loos. — Reyneke van Stuw e, Judith. — Willem Eloos, 

Verzen. 
De XXe Eeuw, afl. 5, Mei 1902, o.a.: Eg mond van Of f el, De 

twee Droomen. — J. de Meester Petite Eeine. — Albert 

Ver weg. Het menschenhart. 
Baon^s Geillustreerd Magazijn, No. 34, April 1902, o.a.: Jeanne 

Bonberg Wilson, Gestorven Illusie. — E. A. Butti, Het 

einde van een ideaal. 
De ArbMdj 4e jaarg., aflev. 4, o. a. : Lode Baekelmans, Dolle 

Lgkredenen. — «Herman Waltha, Zomernacht. — W. Grraadt 

V. Roggen, Na de begrafenis. — W. van Weide, Musch. — 

Ary Delen, Wiebrand, De Torenbouwer. — Victor de 

M e y e r e. Elegieën. — Mathilde de Vries, Grootvader. 



NIEUWE BOEKEN. 

Bibliotheek (De Nieuwe), voor de jeugd. Red. J. Stamperius, Heus- 
den, L. J. Veerman. 8o. Per serie (6 ditjes) gecart. f 3,60, geb. f 5,70 

Afe. dln. f —,75, geb. f 1,10 

XVIe serie, No. 1, Ch. Krienen, Pommelman en z^n pleegkind. 

Met illustratiën van W. K. de Bruin. 
Boe ka, üit Java's binnenland P&h Troeno, Amsterdam, F. van Ros- 
sen, G^r. 8o. geb. f 3,90 
Brabant (E I s e van). Weide-nimf, Amsterdam, C. L. Gr. Veldt, 8o. 

f —,90, geb. f 1,25 



204 Nieuwe boeken. 



B r o e d e 1 e t (Joh. W.), Feest, Een verhaal, Amsterdam, C. L. Qt, 

Veldt, 80. f 2,75, geb. f 3,25 

Conperns (Lonis), De boeken der kleine zielen, Amsterdam, L. J. 

Veen, 80. 
Boek ir. Het late leven, 2 din. f 4,25, geb. f 4,90 

F 1. van D n y 8 e. De melodie van het Nederlandsche lied en hare 

rhythmische vormen, VGravenhage, Martinns NyhofP, 80. f 5,25 
Grenehaveer (Mr.), De drie deserteurs, Oorspronkel^ke roman, 

Rotterdam, B. van de Watering, 80. f 2,90 
Letterkunde (Onze), Deventer, A. £. Kluwer, 80. 
J. van Vondel, Dramatische en lyrische poëzie. Met portret 

en aanteekeningen, ten dienste van candidaat-hoofdonderwyzers. 

2 dln. f —,35 

F. A. de G-enestet, Gedichten, Met portret en aanteekeningen 



ten dienste van candidaat-hoofdonderw^zers f — ,35 

Reyneke van Stuwe(Jeanne), £en liefdesgeschiedenis, Am- 
sterdam, L J. Veen, 80. f 2,25, geb. 2,75 

Verdam (J.), Uit de geschiedenis der Kederlandsche taal, 2e geheel 
omgewerkte, uitgave van ^De geschiedenis der Nederlandsche taal," 
Dordrecht, J. P. Revers, 80. f 2,75, geb. f 3,25 

Vet (Dr. W. A. van der). Het biënboec van Thomas van Cantim- 
pré en z^n exempelen, ^s-Gravenhage, Martinns Nyhoff, 80. f 5,25 

Vries (L. de). De enkelvoudige zin. Theoretische en praotisohe be- 
handeling voor de aanvangsklasse van kweek- en normaalscholen. 
Groningen, F. Noordhoff, 80. f — ,50 

Brink (Dr. Jan ten). Geschiedenis der Noord-Nederlandsche let- 
teren in de XlXe eeuw, in biographieën en bibliographieën, 1830 — 
1900. Grootendeels herzien door den auteur, verder bezorgd en by- 
gewerkt door Taco H. de Beer, Afl. 1, Rotterdam, D. Bolle, 80. 

Per afl. f —,20 

Bakker (I n a), Machten, Amsterdam, F. N. van Kampen & Zoon, 
80. f 2,40, geb. f 2,90 

Borel (Henri), Leliane, Een modem sprookje, Amsterdam, F. N. 
van Kampen & Zoon, 8vo. f 2,90, geb. f 3,50 

Hulleman (Frans), Scheiding, Amsterdam, C. A. J. van Dis- 
hoeck, 4o. f 2,25, geb. f 2,90 

Lapidoth-Swarth (Hélen e). Ernst, Amsterdam, F. N. van 
Kampen & Zoon, 80. f 1,50, geb. f 1,90 

Oordt (Adriaan van), Floris V, Treurspel in 5 bedry ven, Am- 
sterdam, W. Versluys, 80. f 1,50 

Streuvels (St^n), Langs de wegen, Amsterdam, L. J. Veen, Gr. 
I60. f 2,90, geb. f3,50 

W e g h e (Fr. van den). Geschiedenis der nederlandsche taaistudie 
in Vlaanderen (1500—1886), Antwerpen, J. Boucherij f 1,12^^ 

Lapidoth-Swarth (Hélen e), Gedichten : Blanke duiven. Diepe 
wateren, Schaduw-tuinen, (nieuwe gedichten), Amsterdam, F. N. van 
Kampen & Zoon, 80. f 2,25, geb. f 2,90 

Op hoU. pap. f 2,90, geb» f 3,50 



j 



EEN ABEL SPEL VAN LANSELOET VAN 

DENEMERKEN '). 



De Lanseloet is 'n abel spel uit de M.E. van omstreeks 1400. 
Een spel dus als de Esmoreü en de Gloriani^ Van den Winter 
en van den Somer. 't Vertegenwoordigt de litteratuur van 't 
Beierse tijdvak: koningen en ridders, edelvrouwen en pages 
geven klank en kleur aan de wereld, en in de letteren zijn 
't edele heren en vrouwen, bij wie de menselike hoge en 
„dorpere" gevoelens worden geborgd. Enkele kloosters en 
parochiekerken leveren de stof voor gewijde legenden, op- 
levende en wegstervende met de komende en gaande geslach- 
ten, soms bewaard in de klooster-annalen en later door een 
uitgaaf gemeengoed geworden ; de grote produceerende massa 
van dorpers en poorters, schijnen slechts de in 't fondament 
van de aarde rustende basis te zijn voor wat in 't zonnige 
blauw omhoog steekt en met gulden spitsen over de wereld 
schittert, en in de stoffige kronieken geven ze slechts 'n vaag 
vermoeden van hun bestaan, en hoort men van hun woelen 
en opkomen enkel 'n doffe verwijderde klank. 

't Is in deze hoofse en galante ridderwereld, zoals ze ook 
afstraalt in de Romantiek, dat ons het drama van Lanseloet 
van Denemarken ten volle verplaatst. 

Het spel kan gevoegelik verdeeld worden in drie be- 



1) Gebruikt werd voor dit opstel de uitgaaf door M. Menkes 2e druk (Gro- 
ningen, by Wolters 1902). De tekst is naar Moltzer: Middelned. dram. poëzie. 
Een woord ter Inleiding^ De Inhoud, en Iets over de Vertooning gaan vooraf, 
't Is een aardig boekje; alleen — de aantekeningen konden zorgzamer. 

T. en L. xu. 14 



iOè 3, ^oopmaiiid. 



drijven. Het eerste speelt in Denemarken; het tweede in 'n 
bos in 'n verwijderde streek; het derde gedeeltelik in Dene- 
marken, en gedeeltelik in 't bos. Bij ons zouden we dus in 
't derde 'et scherm moeten neerlaten en haastig 'et decoratief 
veranderen; de Middeleeuwers deden dat eenvoudiger. De ene 
helft van 't toneel verbeeldde Denemarken: de andere helft 
'et bos; wie dus uit 'et land naar de vreemde trok, of omge- 
keerd, liep achter om de scheiding heen, vermoedelik 'n plant, 
'n lambries of wat groen, — naar de andere kant. Vandaar 
dan ook dat al de bedrijven achter elkaar konden worden 
a%espeeld. 

Aan 't spel gaat 'n proloog vooraf, waarin de voorredenaar, 
gewoonweg een van de spelers, eerst, op Middeleeuwse manier, 
een gebed richt aan Maria, om haar bijstand dat zij al de 
aanwezigen „in doeghden moete ghesparen"; en die daarna de 
inhoud van 't drama zeer kort inleidt en in z'n afloop als 
interessant voorspelt, 't Handelt over de liefde tussen een 
voornaam edelman en 'n edele dame, zegt hij ; de jonkvrouw is 
wel schoon, rein en minzaam, maar van 'n veel nederiger 
geboorte dan de edelman, en nu wil z'n moeder, een koningin, 
die 't maar niet kan verkroppen, dat haar zoon zo lang over 
'n vrouw uitkijkt, aan die verhouding 'n einde maken. Daar 
gaat het dan over. Wel de moeite waard dusl 

Nu biddic u, dat ghi uwen merke (aandacht) 
Daar an wilt leghen ende versinnen: 

Nooit, zegt hij, hebt ge op 't punt van de liefde iets der- 
gelijks gehoord. Weest dus aandachtig en stil^ en let op hoe 
men zal beginnen. 

Zulk 'n proloog als deze moest wel prikkelen, 't Gebruik 
was dat de redenaar 'n verkorte inhoud meedeelde. Hier 
echter houdt de spreker zich in, vergenoegt zich met aan te 
geven wat voor houding de naijverige aanneemt tegenover de 
twee gelieven; hij komt dus niet over 't eerste bedrijf heen; 



Ëen abel spel van Lanseloet Van Denemarken. 207 



zinspeelt er alleen maar op dat uit haar vijandige stemming 
'n plan tot rijpheid komt; hoe ze dit „te werke bracht", zegt 
hij niet; men gaat vast beginnen en de hoorders zullen, zo 
ze stil zijn, zelf wel verstaan, hoe 't afloopt met de „ridder 
prinsipael" en de „joncvrou noyael". 



Lanseloet lijdt last. Last van z'n liefde tot de „scone San- 
derijn" die heel z'n brein vervult. Last ook van de verwijten 
van z'n moeder die wil dat hij zijn gelijke zoekt. Nu klaagt 
hq. Dat toch die liefde zo iets geweldigs kon zijn! „Ay god 
here", dat 'n maagd zo z'n hart kon bezitten! Vergeefs is 
dan ook z'n moeders pogen: leven zonder Sanderyn kan hij 
niet. Zo z'n oog haar maar ziet, doet z'n hart hem spreken. 
Maar 'n goed zoon ontziet zich z'n moeder te bedroeven. Hij 
zal de maagd daarom in 't verborgen beminnen. Haar opwach- 
ten in den hof. Daar zal ze komen, hij weet 'et; onder de 
egelentiier zal hij z'n „vrouwe" verbeiden. 

Daar komt Sanderijn, en ze begroet de „edel ridder van 
hogher aert, van herten vri", De almachtige god moge z'n 
schreden behoeden! 

Zo wenst ook Lanseloet. God moge haar en hem sparen 
voor ongerechtigheden, en voor de opspraak van de laster» 
Beide moeten rein van hart en fame zijn. 

In deze reine gevoelens begint Lanseloet z'n onuitsprekO' 
like liefde te verklaren. Z'n hart is ontroerd; z'n geest wordt 
gekweld; zo hij haar niet mag bezitten, zal dit gemis hem 
de dood zijn. Haar liefde is eijn leven! 

Maar Sanderijn, al heeft ze hem ook lief, kan hier niet in 
treden. „Ie en ben niet uus ghelike," is haar bezwaar. Hij 
is te hoog van geboorte, om in haar z'n vrouw te mogen 
zien. En in 'n andere als 'n echtelike verhouding wil ze ook 
niet leven. „Gheen mans vriendinne" wil ze wezen, van 



208 J. Koopmanfl. 



niemand niet, van geen koning zelfs. Nooit zou haar rein* 
beid zich tot zo iets verlagen. 

Maar dat behoefde nu juist geen verlagen te zijn, meent 
Lanseloet. Ook dan nog, als ze instemde, zou 't haar niet 
onvergolden blijven. Waren er niet meer ongewone dingen 
geschied! Altijd nog kon ze de „vrouwe" worden. Ze moest 
daarom maar meekomen in z'n „casteeF'; daar zou hij haar 
met 'n juweel beschenken, als 't pand van z'n trouw, zo 
mooi, als ze te voren nooit had gezien. 

Doch dit wil Sanderijn niet. Ze dankt God dat ze nog 
maagd is; voor geen goud van de wereld verpandde ze haar 
zuiverheid. Wel is ze niet rijk en niet van hoge geboorte; 
maar ze wil vrij blijven van opspraak en aan niemand toe- 
behoren dan in „gherechte minne", 'n open huwelijk, „son- 
der dorpernie". 

Maar 't is geen „dorpernie", zegt Lanseloet, wat hy wil. 
Volstrekt niet. Want geen vrouw werd nog geboren, hoe 
schoon en rijk en machtig ook, die hem zo aanstond als zij. 
Waarom wou ze zich dan niet over hem ontfermen, z'n liefde 
troosten, met hem gaan om 't liefdegenot te smaken in de 
vrije natuur, waar de vogelen kwelen en de bloemen geu- 
ren Dat kon dan toch wel, zonder in 't ongeoorloofde en 

't onbetamelike te vallen?! 

Toch allicht niet, meent Sanderijn. 't Spreekwoord is maar 
al te waar : veel vertrouwen doet veel berouwen. De vrouwen 
kunnen het weten. En wie hij ook moge wezen, aan geen 
van de mans zou ze in de volle vrijheid haar eer kunnen 
toevertrouwen. 

Maar Lanseloet zweert dure eden. Z'n liefde is veel te groot, 
zegt hij, om ooit haar schande te willen. Doolde hij met haar 
in de vreemde, hij zou het brood voor haar bedelen, eer, dan 
haar te laten hongeren. Zonder haar wil, zou hij haar geen 
geweld kunnen aandoen. 

Doch geno^, meent Sanderijn. Het onderhoud duurt te 
lang. Iemand mocht hen kunnen bespieden. De altijd loerende 



Een abel spel van Lanseloet van Denemarken. 209 

afgunst zou er kwaad uit brouwen. Ewaadgezinden spreken 
ongaarne goed. Scheiden moeten ze, willen ze geen aanstoot 
geven. God moge, zegt ze nog, waar ge ook zijt, uw hart 
bewaren. — En hiermee gaat Sanderijn heen. 

Lanseloet blijft alleen, en klaagt wederom z'n nood. Dat 
ze niet met hem wil „uut spelen gaan*', zal hem al z'n leven 
doen treuren. Eer gaat bij haar boven goud: haar hart is 
rein. Stond ze nu in geboorte maar met hem gelijk: van 
zulk een eerbare maagd, al heeft ze geen goed, maakte hij 
graag z'n vrouw. Maar dat ze hem afwijst, dat ligt hem 
zwaar op 't hart. 

Dit toneel tekent de toestand. Lanseloet is tot over de 
oren verliefd ; hij ziet in dat 'n huwelik niet mogelik is ; toch 
wil hij haar gaarne in liefde bezitten, en buiten 't ouderlik 
huis met haar omgang houden. Zij van haar kant bemint 
hem ook; ook zij ziet dat van 'n huwelik niets kan komen; 
daarom wijst ze hem af, ook omdat ze niet anders dan in 
eer en deugd met hem wil leven. Feitelik staan ze dus tegen 
over elkaar; en nu komt de moeder het drama helpen over 
'et dode punt. 

De koningin heeft Lanseloets klacht gehoord; een heftig 
verwijt volgt: 

„Van Deenmarken Lanseloet," roept ze, 

Ie heb u herde wel horen vrien 
Lanseloet, 

en, bij de maagd Maria, 't verwondert haar niet, dat hij zich 
zelf niet beter kent, vermits hij z'n liefde zo laag heeft ge- 
plaatst. Daar staat hij en klaagt zo uitbundig om een die 
niets om hem maalt! Schande is 't voor hem dat hij leeft, 
om een zo laaggeboren vrouw lief te hebben! 

Deze vermaning prikkelt Lanseloet, zoals tot heden altijd 
geschied was, tot rechtvaardiging. De moeder wist 'et niet, 
zegt hij, wie Sanderijn is. Wie zou ze niet liefhebben, dat 



208 J. Koopma&fl. 

niemand niet, van geen koning zelfs. Nooit 20u haar rein- 
heid zich tot zo iets verlagen. 

Maar dat behoefde nu juist geen verlagen te zqn, meent 
Lanseloet. Ook dan nog, als ze instemde, zou 't haar niet 
onvergolden blijven. Waren er niet meer ongewone dingen 
geschied! Altijd nog kon ze de „vrouwe" worden. Ze moest 
daarom maar meekomen in z'n „casteer'; daar zou hij haar 
met 'n juweel beschenken, als 't pand van z'n trouw, zo 
mooi, als ze te voren nooit had gezien. 

Doch dit wil Sanderiyn niet. Ze dankt God dat ze nog 
maagd is; voor geen goud van de wereld verpandde ze haar 
zuiverheid. Wel is ze niet rijk en niet van hoge geboorte; 
maar ze wil vrij blijven van opspraak en aan niemand toe- 
behoren dan in „gherechte minne", 'n open huwelqk, „son- 
der dorpernie". 

Maar 't is geen „dorpernie", zegt Lanseloet, wat hij wil. 
Volstrekt niet. Want geen vrouw werd nog geboren, hoe 
schoon en rijk en machtig ook, die hem zo aanstond als zij. 
Waarom wou ze zich dan niet over hem ontfermen, z'n liefde 
troosten, met hem gaan om 't liefdegenot te smaken in de 
vrije natuur, waar de vogelen kwelen en de bloemen geu- 
ren .... Dat kon dan toch wel, zonder in 't ongeoorloofde en 
't onbetamelike te vallen?! 

Toch allicht niet, meent Sanderijn. 't Spreekwoord is maar 
al te waar : veel vertrouwen doet veel berouwen. De vrouwen 
kunnen het weten. En wie hij ook moge wezen, aan geen 
van de mans zou ze in de volle vrijheid haar eer kunnen 
toevertrouwen. 

Maar Lanseloet zweert dure eden. Z'n liefde is veel te groot, 
zegt hij, om ooit haar schande te willen. Doolde hq met haar 
in de vreemde, hij zou het brood voor haar bedelen, eer, dan 
haar te laten hongeren. Zonder haar wil, zou hij haar geen 
geweld kunnen aandoen. 

Doch genoeg, meent Sanderijn. Het onderhoud duurt te 
lang. Iemand mocht hen kunnen bespieden. De altijd loerende 



Een abel spel van Lanseloet van Denemarken. 209 

a%unst zou er kwaad uit brouwen. Kwaadgezinden spreken 
ongaarne goed. Scheiden moeten ze, willen ze geen aanstoot 
geven. Qod moge, zegt ze nog, waar ge ook zijt, uw bart 
bewaren. — En hiermee gaat Sanderijn heen. 

Lanseloet blijft alleen, en klaagt wederom z'n nood. Dat 
ze niet met hem wil „uut spelen gaan", zal hem al z'n leven 
doen treuren. Eer gaat bij haar boven goud: haar hart is 
rein. Stond ze nu in geboorte maar met hem gelijk: van 
zulk een eerbare maagd, al heeft ze geen goed, maakte hij 
graag z'n vrouw. Maar dat ze hem afwijst, dat ligt hem 
zwaar op 't hart. 

Dit toneel tekent de toestand. Lanseloet is tot over de 
oren verliefd; hij ziet in dat 'n huwelik niet mogelikis;toch 
wil hij haar gaarne in liefde bezitten, en buiten 't ouderlik 
huis met haar omgang houden. Zij van haar kant bemint 
hem ook; ook zij ziet dat van 'n huwelik niets kan komen; 
daarom wjjst ze hem af, ook omdat ze niet anders dan in 
eer en deugd met hem wil leven. Feitelik staan ze dus t^;en 
over elkaar; en nu komt de moeder het drama belpen over 
'et dode punt. 

De koningin heeft Lanseloets klacht gehoord; een heftig 
verwijt volgt; 

„Van Deenmarbei; Lanseloet," roept ze, 

Ie heb u herde wel horen vrien 

Lanseloet, 

en, bij de maagd !Maria, 't verwondert haar niet, dat hij zich 
zelf niet beter kent, vermits hij z'n liefde zo laag heeft ge- 
plaatst. Daar staat hij en klaagt zo uitbundig om een die 



210 J. Eoopmans. 



reine wezen, zo minzaam van hart en bevallig van leden. 
Zodra hij ze ziet, zegt h^j, staat z'n hart in gloed. Hq kan 
niet anders: „ie moetse minnen, wat gesciet." 

Hij kon wèl anders, meent de moeder. Als hij maar inziet 
wie hijzelf is, schoon van lijf en hoog geboren. Waarom zet 
hij z'n zinnen niet op die hem gelqken? Deze tot vrouw te 
willen I „Schaam u, rampzalige" zegt ze vertoornd, „u zo te 
verlagen! Er zijn nog genoeg andere te vinden, even schoon 
en van veel hoger geboorte en aanzienliker geslacht. 

„Hoge geboorte, rijkdom en goed?" weerlegt Lanseloet. 
„Daar kijkt de liefde niet naar. Ie wil gelijkheid, ja, doch 
„niet van goed, maar van gemoed. Liefde zoekt wederliefde. 
„Wat geeft dan armoe bij de een, en rijkdom by de ander 1 
„De liefde gaat zijns weegs. Nooit gaf ze om bezit en ge- 
„boorte. Dat brengt 'et toeval mee." 

't Verzet van de moeder schijnt bij Lanseloet tot ijveriger 
verdediging te prikkelen. Zo gaat 'et niet: de koningin zal 't 
daarom anders aanleggen. 

Als ze eens spekuleerde op z'n hartstocht, en haar aan hem 
overleverde. Zo vaak toch was 't bezit de dood van de liefde. 

„Lanseloet*' zegt ze dus, „als uw hart zo gesteld is op 
„Sanderijn, zal ik ze deze nacht in 't geheim op uw kamer 
„brengen, opdat gij uw wil met haar doet. Mits, — aan één 
„belofte moet ge voldoen. Ge zult na uw vreugde bedreven 
„te hebben haar in bepaalde termen zeggen, dat ge haar beu 
„bent, haar de rug toekeren, en gaan rusten zonder verder 
„'n woord te zeggen.'* 

Daar kan Lanseloet niet over heen. „O lieve moeder," 
zegt hij 

es dat u wille 
Dat ie spreke dese dorper woert? 
Des ghelike en hebbic niet ghehoert: 

Goeds kon er niet in steken, meent hij. Haar toe te spre- 
ken en bij haar te liggen, als ware ze 'n wezenloos dier ! En 



Een abel spel van Lanseloet van Denemarken. 211 

wat moest ze denken van zo'n lage handelwijs, terwijl hij 
haar zulk 'n liefde toedraagt. 

Dat zoude mi daer mijn herte deren. 

Doch 't lokaas is te sterk, en de aandrang te krachtig. 
Hij zal ze bezitten, zegt de koningin, mits hij wat ze wenst, 
op z'n woord belooft en als 'n man volbrengt. 

En — Lanseloet stemt toe. 

Met één ding troost hij zich. Z'n mond zal 't zeggen, maar 
z'n hart zal 't niet menen. Of dat dan mag? Menigeen doet 
het immers. Zo sust hij z'n geweten. Maar hoe zal eij 'et 
opnemen! Dat kwelt hem. God moge bewerken, dat zij het 
hem niet ten kwade duidt. Want als dit waar wordt, dan 
zal haar hart van hem vervreemden, en dit zou hem be- 
droeven. 

Zo gebeurt dan, wat de koningin zich heeft voorgenomen. 
Een list is spoedig bedacht. Sanderijn wordt bij de koningin 
geroepen. Lanseloet is ernstig ziek, deelt ze haar mee ; sedert 
de vorige dag lag hij zonder 'n woord te spreken; zware 
zuchten ontstijgen z'n borst. Zij, de koningin, vreest voor z'n 
leven. Of Sanderijn niet eens naar hem toe wil gaan: z'n 
hoogstgevaarlike toestand maakt het moederlik hart te bang .... 

En Sanderijn gaat. En zou ze niet? 

Edel vrouwe, dat ghi ghebiet 
Wert herde gerne van mi ghedaen. 
Ie wille vriendelike met u gaen. 
Want mi ware leet, mesquame hem iet. 

En hiermee is hun lot beslist. Wel had de moeder gezegd, 
dat zij 't zo zou aanleggen, dat deze twee nimmer 'n paar 
zouden worden. Ze wist wat ze deed. De eeuwige les die ze 
uitspreekt, als 't stuk wordt volbracht: 

Die hem in tijts wel besiet. 
Die mach in eren staende bliven. 



212 J. Koopmans. 



deze spreuk is ook 'n vonnis. Lanseloet en Sanderijn worden 
in één nacht verenigd, maar daardoor voor altijd gescheiden. 
En de roem die de koningin draagt op haar list, 

Wi zoude dit bat ghedaen hebben als ie? 
die roem wordt haar later 'n vloek. 

In één ding toch heeft ze gefaald; haar clausule: als die 
wille is ghedaen, Soe es die minne al verghaen, — is niet 
bewaarheid; en niet Sanderijn is ondergegaan, maar Lanse- 
loet ; het drama is niet zozeer geworden 'n les voor de vrouw, 
om zich niet op de man te verlaten, — het is meer gewor- 
den 'n spiegel voor de man, om in de vrouw die hij lief- 
heeft, de vrouw te zien, en niet zoals Lanseloet deed, in de 
dame van z'n hart het heiligste weg te werpen als de koop- 
prijs voor de minnares. Daarin is 't dat de koningszoon is 
te kort geschoten; de ridder is onridderlik, de edelman 
dorper geweest; en de veer van de overtred springt zwaar 
terug op hem die ethies te licht is bevonden. En daarom heet 
het spel niet naar Sanderijn, maar naar Lanseloet, de konings- 
zoon van Denemarken ; en daarom gaat niet zij verloren, maar 
hy is 't die ellendig sterft; zij, die lichamelik ontwijd werd, 
is in haar eer gebleven; maar hij, die z'n adel besmette en de 
roem van de vrouw heeft gekrenkt, hij voelt zich vernietigd, 
en z'n moeder vloekend, die hem de boze raad gaf, valt hij 
lichamelik en zedelik gebroken, voor de rechtbank van de eer 
ter aarde. Door de strengheid van dit vonnis schittert zooveel 
te helderder Sandarijns reinheid over de eeuwen uit. 



Het tweede bedrijf vertoont ons Sanderijn zwervende. 
Klagende heeft zij Lanseloets kamer verlaten. Nu weet ze 
wat voor 'n valse vrouw Lanseloets moeder is I Haar door 'n 



Een abel spel van Lanseloet van Denemarken. 213 

leugen in 's ridders macht te brengen: een nacht die haar 
eeuwig zal rouwen! Maar meer nog beledigen haar de 
woorden die Lanseloet sprak, als ware ze 'n hond geweest. 
Dit vooral ligt haar zwaar op 't gemoed, en doet haar pijn. 
Weg wil ze nu, uit z'n nabijheid, om uit z'n gedachten te 
komen ; al wat gebeurd is, zal los zijn van haar ; in de vreemde 
zal ze dolen, hopende „dat hi nu nimmermeer van (haar) en 
weet goet noch quaet." En haar schande? God moge ze be- 
dekken; want 't was tegen haar wil geschied. „Vaarwel 
Lanseloet" roept ze, „ghi en siet mi nemmermee". 

Nu gaat ze dwalen door 'n „foreest", afscheid nemende 
van haar verleden. God moge haar helpen! Hij geve, bidt ze, 
dat ze altijd maagd moge blijven, nooit iemands vrouw mag 
worden, en dat nimmer *n man haar oneerbare woorden mag 
toespreken. De heilige maagd moge haar bijstaan! -^ En 
daarna zoekt ze een bron op om er uit te rusten. Ze wordt 
gekweld door honger en dorst. 

Ondertussen komt er 'n ridder die ter jacht is gegaan. 
Ook hij bidt God en Maria, dat hij nu is gelukkig mag 
wezen. In lange tijd heeft hij niets gevangen. Eigenlik moest 
hij zich schamen, meent hij. Vier dagen op 't jachtveld, en 
nog niet eens 'n konijntje! Hij zal z'n horen nog is steken, 
en zien of God hem helpen wil. 

Voor de toeschouwers is dat wel aantrekkelik, — zo'n 
jager in 't bos waar Sanderijn 'n schuilplaats zoekt. En dan 
nog wel iemand die in vier dagen nog niet eens 'n onnozel 
beestje gevangen heeft. De man mag nu wel is wat geluk 
hebben, en de lieve god die hij zo ijverig aanroept, zal hem 
nu toch zeker wel wat goeds toeschikken ! En waarlik, zoekt 
daar in de struiken niet iets weg te vluchten? Dat zal 't 
wild zijn, dat z'n hart begeert. Wat 'n verrassing! 

Ie wane noit man op ghenen dach 
Alsoe sconen wilt en sach 



214 J. Eoopmans. 



En naar haar uiterlik te oordeelen is 't 'n schone en 
reine maagd! 

Ay god here, mocht ie die ghevaen, 
Soe en ware mine arbeit niet verloren! 

En om sekuur te wezen, steekt hij nog 'is z'n horen. 

Zo blijkt het dan toch waar te zijn. Het wild is 'n jonk- 
vrouw. Als God hem nu maar 't geluk moge geven, 'et 
schone wezen in z'n macht te krijgen. „Schone maagd" 
haast hij zich te roepen, „geef u gevangen. Veel liever dan 
'n everzwijn, al was hij van goud, heb ik u. God dank ik 
voor deze schone buit in 't vroege morgenuur." 

Hoe is Sanderijn bang te moede! Wat nieuw gevaar komt 
haar nu bestoken. Wordt haar eer in dit eenzaam woud nog 
eens weer belaagd ? Ze zal hem aanspreken en 'n beroep doen 
op z'n eergevoel .... 



Och edel ridder van prise goet. 
Nu en doet mi ghene dorperheit: 
Want het warde u sere mesprijst 
Waer ghi quaemt tot enighen hove. 

Maar zou deze ridder daar wel toe in staat zijn ... . Hij 
ziet er niet naar uit: 

Ghi dunct mi een ridder van groten love. 

Daarom, laat hij haar zijn die ze is, en haar niets be- 
ledigends doen. 

Een eenzame dwaalster in 't „foreest", en dat met zulk 
'n angst voor 't verlies van haar eer? Het prikkelt de 
nieuwsgierigheid van de edelman. Hoe komt ze hier zo alleen, 
vraagt hij. 't Is hoogst bevreemdend. Deert haar iets? Heeft 
ze soms 'n afspraak? Als dat het geval is, dat hoopt hij 



Een abel spel van Lanseloet yan Denemarken. 215 

tegenover 'n aanzienliker partner niet te vrijmoedig te zijn 
geweest, met haar aan te spreken ! . . . . 

Neen, dat is 't niet, zegt Sanderijn. Ze is van haar woon- 
plaats afgedwaald. Niet uit lichtzinnigheid: ze zat ér ,,met 
eren en in vrouden". Maar ze weet niet waar ze is, noch, 
waar ze naar toe gaat, voelt zich in groot gevaar en klaagde 
God haar ongelukkig lot dat haar levenspad zo moeielik 
geworden is. 

Maar voor de ridder lijkt die verlatenheid geen bezwaar. 
Ze hoeft bij hem dan van niets afstand te doen dan van 
haar bekommering, 't Kan niet mooier! „Gode heeft ons te 
gader gebracht". En ze schijnt voor hem geboren te zijn: 
hü kon 't niet beter treffen: ze is schoon van lichaam, 
vriendelik van taal. Samen zullen ze 't best vinden. Ze moet 
maar meekomen in z'n „casteel". 

Neen, maar dat is spotten, meent Sanderijn. En al is ze 
verdwaald, zo moet de ridder dan toch niet doen. 

Spotten? Integendeel. Ze moest het eens weten: „o scone 
wijf, in der minnen vier Soe leght mijn herte te male en 
blaect". Hoe zal hij haar naar behoren roemen! Neen, ze 
zal, „bi ridderscape" zweert hij 'et, wezen z'n ;,wijf ' althans 
als 't met haar wil is en 't haar gelegen komt. Als hij nu 
maar haar naam weet. 

En Sanderijn zegt haar naam. Ze is de dochter van Rob- 
brecht, een „wael-geboren sciltknecht", dienende „metten 
coninc van Averne". 

Ze is dus „gheboren van wapene" ? Zoveel te beter : ze is 
dan in elk geval van zijn doen. Mooier kan 't niet: bepaald 
heeft 'n engel hem ^s ochtends ter jacht geroepen. Hij is 
heelendal verrukking! 

Mijn oghen nie liever wijf en saghen, 
öhi selt seker werden mijn! 

Welnu, als het dan moet wezen, zal Sanderijn met hem 
me^aan. Ze dankt God en hem, voor de eer, dat hij zich tot 



216 J. Eoopmans. 



haar heeft nedergelaten. Haar zo te hebben aangesproken, 
met heuse woorden, en met 'n minzaam hart, — God moge 
er haar voor belonen! 

Doch, voor ze gaan, nog een klein woordje. Sanderijn heeft 
'n bekentenis te doen. Ze wil oprecht wezen, — de ridder 
is ook oprecht en eerlik, — en ze zegt het hem, wat haar 
is overkomen. Ze zegt 'et hem in parabel, als beeld van haar 
maagdelikheid nemende 'n bloeiende boom ; de eerroof ver- 
gelijkende met het plukken van 'n bloem. Voor ons is het 
beeld zeer gewoon ; maar toch heeft het verhaal door de 
uiterst kiese inkleding en de poötiese eenvoud van de taal, 
'n duurzame bekoring. 

„Anesiet, hoghe geboren baroen" zegt ze 
Anesiet desen boom scone ende groen, 
Hoe wel dat hi gebloyet staat; 
Sinen edelen roke, hi daer gaet 
Al omme desen bogaert al; 
Hi staet in soe soeten dal. 
Dat hi van rechte bloyen moet 
Hi es soe edel ende soe soet 
Dat hi versiert al desen bogaert. 
Quame nu een valcke van hogher aert 
Ghevlogen op desen boem, ende daelde, 
Ënde ene bloeme daeraf haelde, 
En daerna nemmermeer neghene 
Noch noit en haelde meer dan eene, 
Soudi den boem daeromme haten 
Ende te copene daeromme laten? 

Laat de ridder hierop eerlik „i° hovescher tale" z'n mening 
zeggen. En — de ridder zegt z'n mening. Hij verstaat wel 
wat ze hem vraagt. Als er niet meer is geschied, dan dat 
de valk maar één bloempje heeft geroofd, dan zal hij er de 
boom niet minder om aanzien, en er ook niet minder om 
kopen. De boom is immers nog zo „scone ghedaan"; de ridder 



Een abel spel van Lanseloet van Denemarken. 217 



ziet er immers nog zo „menighe bloeme" op „met groten hopen 
sonder ghetal", waarvan, als god 'et wil gedogen, nog zo veel 
edele vruchten zullen komen. Dat is dus in orde. Wat zy 
dan doen moet? Zwijgen! „ewelijc hier af een ghestille 
doen". — En nu kan ze met hem mee komen in z'n kasteel. 



Thans komt 'et derde bedrijf. Het eerste bedoelde Sanderyn 
onhoudbaar te maken; dat zij niet gevallen is, maar in haar 
eer is gebleven, laat ons 'et tweede zien ; dat de straf op 
Lanseloet zelf neerkomt, wordt ons in 't derde vertoond. 
Het laatste bedrijf heeft dus Lanseloet tot middelpunt; 
vraagt, zoals we gezien hebben, tweemaal 'n verplaatsing 
van toneel; 't eerste toneel, in Denemarken, laat ons zien 
dat de prins rust noch duur heeft ; het tweede, in de vreemde, 
stelt ons voor oogen, dat Sanderijn voor altijd van Lanseloet 
afziet; in 't derde toneel, weer in Denemarken, brengt de 
bode hem de tijding, zodat hij 't besterven moet. 

Reeds in 't eerste toneel is z'n levensvreugde heen. Nergens 
kan hij Sanderijn terugvinden. De grievende woorden die hij 
tot haar gesproken heeft, branden hem in 't brein; hoe is 't 
mogelik, denkt hij na, haar ooit die bittere woorden te 
hebben kunnen toevoegen: z'n hart dacht hem er bij te 
breken. Ja, dat zal 't zijn, wat haar heeft verstoord en haar 
genoopt heeft in 't geheim te vertrekken. En nu komt het 
schuldgevoel. Hij was 't niet alleen geweest: „Dat heeft 
mijn moeder al ghedaen. Die mi die woorden spreken dede". 
Hoe zou hij nu weer aan z'n vrede terugkomen! Eerst wil 
hij haar weer terughebben; hij heeft ze nog lief, hij voelt 
het; zij is „te male noyael", een „vrouwe prinsipael Ende 
keyzerinne van (sinen) vijf sinnen". Hij moet en zal ze hebben 
en haar laten opzoeken „alomme in 't kerstenrike". 

Reinout de „camerline" moet komen, en hem aanhoren. 



218 J. Koopitiaiis. 



/ 



Nooit, zegt hij, heeft hij tot hiertoe smarteliker gedachten 
gevoed, over 't verlies van de schone Sanderijn, dan in dit 
uur. Z'n hart zal nog splijten van rouw. En wonder is 't 
nog, dat hij bij z'n zinnen is. En zo hij niet meer mag terug- 
zien, zal het z'n dood zijn. 

Keinout moet ze nu gaan opzoeken „oest ende suut". 
Haar zeggen, dat Lanseloet haar „ondanc alle (sinen) maghen" 
haar tot z'n „bruut" zal maken. 

Maar Reinout twijfelt er aan. „Zou 't maar niet beter zijn 
het na te laten," waagt hij te vragen. Hij wil er alles voor 
doen, er z'n leven voor geven, maar hij ziet 'et vooruit: 
't is niet zeker of zij z'n gunsten verlangt. 

Dat weet Lanseloet wel beter, denkt hij. Ze zal voor geen 
geld ter wereld iets doen, wat haar vernederen kan. Daar 
denkt ze niet eens aan: hij weet 'et sekuur. Maar toch, 
Reinout moet zich maar haasten : „oost ende noort, . . . suut, 
west, alsoe voort" ; net zolang tot hij ze vindt, 't Is de liefete 
vrouw die hij kent, verzekert hij nog eens; hij heeft ze nog 
even lief. 

Reinout trekt dan weg, en komt, 'n jaar na Sanderijn, in 
't bos waar ze door de ridder gevonden was geworden. Daar 
zwerft op dat pas 's ridders boswachter rond, in de hoop, ook 
eens 'n vrouw te zullen ontmoeten. Z'n heer is zo gelukkig 
geweest om 'n allerliefste vrouw thuis te brengen; hij wil 
ook wel' is gelukkig wezen. Maar 't ging tot heden niet. Hij 
heeft al 'n jaar uitgekeken, bq de bron vooral, 

Maer noit en viel (hem) die avonture 
Dat (hi) hier noit wijf ghesach. 

Was dat niet spijtig? Maar daarom zou hij 't niet opgeven. 
Vroeg en laat, en altijd zou hij de wacht houden. Als hij op 
z'n beurt ook 'is 'n schone vrouw mocht buit maken, hij zou 
uit 't diepste van z'n hart er God z'n leven lang voor danken. 

Daarom zal hij maar moed houden. Zich verschuilen achter 



Ëen abel spel van Lanseloet van Denemarken. 2 ld 



de struiken. Wie weet wat 'et geluk hem nog brengt! 

En waarlik, daar komt al iemand. Evenwel, 't is geen 
dolende Sanderijn, maar 't is de opsporende Reinout. En 't 
is ook niet om er een te brengen, maar een terug te halen, 
dat deze komt. Hoor hem klagen, dat hij nog niet vond, 
naar wie hij zoekt. „Reine maagd Maria," bidt hij, „be- 
gunstig m'n pogen en geef mij omtrent Sanderijn eens 'n 
duidelike aanwijzing." Immers, z'n heer is „van herten sere 
ontstelt'*, zodanig, „dat hi niet geduren en mach". Z'n klachten 
en z'n gedachten gelden haar afzijn. En nu heeft hij gezworen, 
„bi ridderscape" nog wel, om haar tot z'n vrouw te maken. 
Daarom zou Reinout zo graag meer weten. Maar wie zou hem 
inlichten ? Die man daar soms, die wegschuilt als had hij wat 
kwaads in de zin. Hij kijkt zo fel, en draagt hij niet 'n knods ? 
Zou 't soms 'n moordenaar wezen ? . . . . 

Reinout zal hem aanklampen, 't Is er toch maar één, en 
voor één was Reinout nooit bang. En 'n beleefde vraag kan 
nooit kwaad. 

„Vrind," zegt hij dus, „god gheve u goeden dagh!" En 
lang mag je gezond blijven ! 

Dat schijnt te helpen. De man, — misschien was hij zelf 
ook niet sekuur, — valt het zeker mee, zo'n aanspraak te 
horen. „Vrind," zegt hij op zijn beurt, „God belone u voor 
uw vriendelikheid." 

't IJs is nu gebroken. Reinout komt nu dadelik op de 
zaak waarom hij gestuurd is. Of de boswachter hier 'n tijdje 
geleden, niet 'n schone en welgemaakte jonkvrouw heeft 
gezien .... 

En de boswachter weet er dadelik antwoord op. Ja, lang 
heeft hij hier gelopen, zonder ooit 'n vrouw te zien. Maar 
'n jaar bijna geleden, was 't z'n heer op de jacht gebeurd, 
dat hij bij de bron hier 'n maagd zag staan, „van herten 
rein". Die had hij „met bliden moede" thuisgebracht ; hij had 
er op geroemd, dat hij zo goed gejaagd had : 't was 'n meisje 
„scone ende wel gheboren". 



220 J. Eoopmans. 



Jawel, en hoe of nu haar naam was. Zo vroeg Keinout. 

Sanderijn, als hij 't weten wou; zei de wachter. En nu 
begint h\j haar te prijzen. Ze was zus, en ze was zo: ze kon 
niet „noyaelder" zijn ; ze was bat ghemaect van live" ; niemand 
in 't land baalde er bij, zo schoon en zo goed was ze. De 
edelman had haar dan ook tot vrouw genomen; en ook als 
zoodanig was ze volmaakt: „ghetrouwe, ghehoersaem ende 
onderdaen". En niet alleen de edelman, maar al z'n ver- 
wanten hebben haar lief om haar deugden, en heel haar 
omgeving is, de een voor de ander, zeer met haar ingenomen. 

Jawel, dat was Sanderijn. En nu vertelt Reinout, dat 'et 
om haar te doen is. Hij heefb ze al gezocht ,,meneghe mile 
in menich lant", maar hier van de boswachter kreeg hij de 
beste inlichtingen. Als de wachter nu maar 't zijne wou 
doen, dat Reinout haar eens te spreken kreeg .... 

Ja, dat zou moeielik gaan. Of 't zou moeten door middel 
van hem. Hij is in die zaken de vertrouwde, de tussen- 
persoon: hij is namelik zoveel als 't hoofd van 't dienst- 
personeel, en voor 'n fooi „in de hand'' 'zal hy voor'nmond- 
gesprek zorgen, „also veel als u herte begheert". 

Dat gaat goed, denkt Reinout. Zo'n man is wat waard. 
„Hier vriend," zegt hy, „één „penninc" is niet eens makkelik 
te besteden, en ook gauw op. Hier zijn er twee van goud. 
Maar roep ze dan dadelik!" 

De boswachter maakt benen, en roept de „vrouwe". San- 
derijn komt tot de bode „uut Deenmerke". 't Wa3 „een 
deghen fier" had de wachter gezegd, die haar „met haesten" 
spreken moest. 

Reinout doet z'n opdracht. Hij komt er ronduit mee voor 
den dag. Of Sanderijn met hem mee wil gaan naar Lan- 
seloet. Die laat haar overal zoeken. En 't laatste bevel dat 
hij Reinout had meegegeven, behelsde, dat hij ze moest terug- 
brengen, en dat hij van haar z'n bruid zou maken. 

Maar ook dadelijk volgt de besliste weigering. 

„Neen Reinout," zegt ze, „dat spel is uut," H\j kan 'n 



Een abel spel van Lanseloet van Denemarken. 221 



ander beginnen, maar met Lanseloet wil zij altans niet 
meer te doen hebben. 

Reinout zal haar meelijen inroepen. Ze moest eens Lan- 
seloets ongelukkige toestand kunnen zien. Sedert zij weg was, 
deed hij niets dan treuren. En 't zal nog eens z'n dood zijn. 
Zo groot was nog z'n liefde. En hij had „bi ridderscape" ge- 
zworen dat als hij ze kon vinden, hij ze ondanks de spijt 
van z'n hele famielie, tot z'n vrouw zou maken. 

Maar al dit gepraat helpt niets. Sanderijn is getrouwd, zegt 
ze, „eerlic ende wale", met 'n edelman die ze boven haar 
leven lief heeft. En al was Lanseloet zo rijk als Hector van 
Troje, en al droeg hij de kroon van Alexander, dan zou hij 
toch de ware Jozef niet meer worden ; liever heeft ze haar 
man, die haar al wat goed is, toedraagt en die ze haar leven 
lang zal aanhangen. 

Reinout is vertwijfeld. Nog eens wil hij 't zeggen: als 
Lanseloet haar niet kan krijgen, zal de prins voor altijd in 
droefenis vallen. En Sanderijn mag zich wel bedenken; ze 
mag wel spijt krijgen dat ze dit huwelik ooit is begonnen; 
want Lanseloet had ze vast en zeker genomen. 

Maar Sanderijn heeft geen spijt, en zal ook nimmer berouw 
krijgen. 

Geen beter man dan de hare! En nu prijst ze hem. 
Hij is 'n ridder „wide vermaert"; hij is „vaelyant", „van 
hoghen moede", rijk en welgeboren, wijs in z'n oordeel, 
bedreven in de vechtkunst en „van grote doene". Hem 
wil ze trouw blyven. Reinout kan dus gerust heengaan en 
zeggen aan z'n heer, dat hij niet meer aan haar hoeft te 
denken. 

Voor z'n heer is dus de kans verkeken, merkt Reinout 
wel. Maar als hij nu zonder Sanderijn komt, zal Lanseloet 
hem dan geloven? Als Sanderijn hem eens 'n bewijs wou 
geven dat hij zich van z'n opdracht gekweten heeft en haar 
heeft gezien en gesproken .... 

Zeker, wil Sanderijn hem 'n „litteken" geven. Reinout 

T. en L. xii. 15 



222 J. Eoopmans. 



heeft maar aan Lanseloet te zeggen, — en nu bedient ze zich 
wegr van de bekende parabel, — 

Dat wi stonden, ie ende hi, 

In enen sconen groenen bogaert 

Ende dat daer quam van hogher aert 

Een edel valcke van hogher weerde 

Ende beete neder op ene gheerde, 

Die scone met haer bloemen stoet. 

Dat seldi segghen den ridder goet, 

Ende dat die valcke, die daer quam. 

Ene bloeme van dier gheerden nam, 

Ende alle die andere liet hi staen. 

Sine vlercken ghine hi van hem slaen, 

Ende vloech wech met haesten groet: 

Dit seldi seggen den edelen ghenoet. 

Ende cort soe quam die valcke daer weder 

Ende sochte die gheerde op ende neder, 

Maer hi en mach se vinden niet : 

Dies doeghde die valcke wel swaer verdriet 

Dat hi di gheerde niet en vant: 

Dit seldi segghen den coenen wigant. 

■ 

Lanseloet, verzekert ze, zal dan wel willen geloven dat 
Reinout haar gezien en gesproken heefb. En nu, „god moet 
u bewaren!" zegt ze, en ze trekt zich terug. 

De taak van Lanseloets dienaar is nu, z'n heer de tijding 
te brengen, dat ze weigert met hem mee te gaan, en Lan- 
seloet voor altijd van haar moet afzien. En dit moet Reinout 
doen, nadat hem de stellige boodschap mee was gegeven, 
haar mee te brengen. 

Zal hij nu durven zeggen, dat ze leeft, en 'n ander toe- 
behoort? 

Want hij weet dat Lanseloet dan niet rusten zal voordat 
hij ze in haar macht heefb. En dat zal Lanseloet niet alleen 



Een abel spel van Lanseloet yan Denemarken. 223 

z'n eigen leven kosten, maar z*n verwanten tot in het tiende 
geslacht. Ja „daar sal die meneghe om besuren Die fitter 
doet". En dat is veel te kras, zich zelf en vele groten in 't 
verdriet te brengen. 

Reinout zal er wat anders op vinden. Hij zal zeggen dat 
ze dood isl 

Wat nu volgt, is 'n onwaarheid, 'n verzinsel. Reinout deelt 
eerst mee de bekende parabel, en als nu bij Lanseloet, door 
de parabel, de vaste overtuiging wortelt dat Reinout waarlik 
Sanderijn heeft gezien en gesproken, bouwt Reinout op die 
overtuiging het valse geloof dat Sanderijn het heeft moeten 
besterven van hartzeer, zodra ze weer van Lanseloet heeft 
horen gewagen, en dat ze nu in de aarde rust. 

Mèg dat zo maarl Sanderijn zo maar dood verklaren, zodat 
alles en alles uit is! En mag dat zo maar afhangen van 'n 
eigen mening van Reinout, die beter vindt dat 'et land in 
rust blijft, omdat Lanseloet toch niet meer Sanderijn terug 
kan winnen? 

De kwestie zit dieper, dunkt ons. De „eigen mening" is 
Reinout maar omgehangen, voor 'n uiterlik verloop. De eisen 
waren van te voren gesteld. Lanseloet moest zedelik vallen: 
Sanderijn moest zedelik staan en ri/>6n. En dat doet Sanderijn. 
Zij blijft de reine; wordt niet minder dan ze geweest is; is 
de trouwQ liefhebbende echtgenoot geworden van 'n edelman, 
haar waardig; met 'n edel dapper „baroen" leidt z'n leven 
van liefde en geluk, geacht door hoog en laag. Voor de tijd- 
genoot en 't nageslacht is zij quitte. 

Maar nu moet de balans nog opgemaakt voor Lanseloet. 
Hij moet vallen, 't is onvermij delik. Blijft de vraag, op welke 
manier hij 't zekerst getroffen wordt. Hem kennis laten nemen 
van Sanderijns geluk? Van zelf niet; of, — Reinout had het 
al in z'n mond, — hij zal getart door haar tegenstand 'n 
oorlog beginnnen; en kies gevoeld is, dat dan Sanderijn, verre 
van in haar stille vle'vkeloosheid boven 't werelds woelen te 



224 J. Eoopmans. 



staan, middellik de oorzaak zou zijn van grote beroeringen 
en zware rampen met verlies van mensenlevens. Reinout 
laten sterven uit jaloesie over 't geluk van Sanderijn, zou 
evenzeer de kiesheid kwetsen: het „abel" spel kan onmogelik 
de bijsmaak dulden van 'et burleske. Daarom worden in Rei- 
nouts gang naar Denemarken, Sanderijns en Lanseloets toe- 
komst voor goed gescheiden. In Reinout draait na Sanderijns 
weigering, datgene wat Lanseloets bestaan had kunnen rekken, 
rechtstreeks om en uit op z'n onmiddellik verderf. Ze is dood 
voor hem: voor hem is haar toekomst 'n vacuüm^ 'n graf; 
daar grijpt hem 'et verschrikkelik besef aan, dat in zijn 
doen 'n zedelike moord besloten ligt: hij sterft van hartzeer 
en spijt. 

Men begrijpe nu dit werk. Wie doet als Lanseloet doet, 
vermoordt zedelik de vrouw ; en wie dat doet, wordt zedelik 
zelf gestraft. Niemand kan opstaan tegen z'n conscientie. 

Maar ook dit staat er. De vrouw die op deze wijze, tegen 
haar wil, door verraad in haar eer wordt belaagd, zal niet 
ondergaan. Als 't hart rein is, is ze zonder zonde. 

Meer gebeurt het in de ME, — en ook latere stukken, — 
dat 'et verhaal uit z'n lijst springt, om spiegd te worden. En 
wat deed niet de kunst 1 Om maar eens te noemen de prentjes 
in Vondels „Gulden Winckel"! 

. Beide Lansdoet en Sanderijn zyn spiegels, 't Zijn hoofd- 
stukken uit de boete-leer. Ze illustreren zedelike waarheden. 

Reinout zegt 'et in de narede, bij 't lijk van de in klachten 
gestorven Lanseloet: 

Ghi heren, vrouwen, wijf ende man. 
Nu nemt hier exempel an: 
Soe wi dat mit trouwen mint, 
Als hi sijn lief te wille ghewint, 
Hi spreke hoveschelike daervan. 

En in 't algemeen, na gewezen te hebben op Lanseloet en 
wat hem wedervoer. 



£en abel spel van Lanseloet van Denemarken. 225 

Daeromme radic boven alle dinc, 
Hoveschelike te sprekene eiken man, 
Waer hi mach ende waer hi can: 
Ende sonderlinghe van allen vrouwen 
Sprect hoveschelike ende mint met trouwen, 
Soe moeghdi troest van vrouwen vercrighen. 



Er zit veel Middeleeuws in de Lanseloet. Vooreerst, zo als 
we zeiden, dit: dat het stuk 'n spiegd is. De ME. litteratuur 
kon niet anders als spiegelen, leren, beter maken. De Kerk 
kon niet anders. 

Dan ligt er 'n hoog ideaal besef in 't stuk: de ethiek 
stygt uit elke versregel omhoog, hangt er boven in 'n wolk. 
Sanderijn is als 'n heilige in de legende, de zuster van 
Beatrijs. Lanseloet die 't kies gevoel geweld aandoet, gaat 
lichamelik en zedelik dood. 

Zo teer waren deze ME. mensen. Als bloemetjes „hoog 
gheboren ende noyael" wel, maar daarom des te teerder van 
weefeel, en verwelkende bij 't minste zeer. 

Ook de riddertiepen zijn zuiver. Lanseloet, die als 't er op 
aankomt, „al denghenen die hem bestaen Ende ten tienden 
lede anegaen" zal avonturen in 'n oorlog om Sandeprijns 
bezit; — de „baroen", waarop Sanderijn roemt als „een 
ridder vermeert", „vaelyant van hoghen moede", „geradich 
epde vroet", „te wapene goet Ende van grote doene bekint" ; 
en Sanderijn zelf die 'n goed echtgenoot is, omdat ze is 
„ghetrouwe, ghehoersaem ende onderdaen"; 't zijn allemaal 
ME.mensen. Niet minder de koningin die lagen legt en listig 
alles bedisselt, zoals in de Seghelyn. 't Minst misschien de 
vertrouwde „wai-andehuedere" die voor 'n fooi 'n rendez- 
vous klaar speelt, en ietwat humoristies, — als in 'n Van 
Lennepje — aangelegd, in imitatie van de jagende baron. 



226 J. Eoopmans. 



met 'n knuppel nog wel, ook eens 'n meisje thuis wil 
brengen. 

En dan in de rhetoriek. In de hoogbenige verzekeringen, 
boven de grenzen geschroefd van 'et werkelike en 't mogelike, 

Al waer hi een coninc ende spien crone 
So en dadic mi niet te cleine 

(Sanderijn) 

Al woudi mi gheven te lone 
Dusend merct van goude roet, 
Nochtan woudic behouden emmermeer 
Mijn suverheit 

(Sanderijn) 

Al ware al di werelt an mi belane 
Ie woude wel, dat si ware mijn wyf. 

(Lanseloet) 

Ie hebbe u liever dan een everswijn. 
Al waert van finen goude gewracht, 

(Die ridder.) 

Al waer Lanseloet alsoe rike 
Dat hi ware Hectors van Troyen ghelike, 
Ende dat hi hadde van gode te lone, 
Dat hi droeghe die selve crone. 
Die die coninc Alexander droech, 
Soe en ware hi nochtan niet mijn ghevoech, *) 

(Sanderijn) 

In de betieteling, uitermate hoffelik en wijdsleeps: 

Ay edel ridder van hogher aert^ 
God, die alle dinc vermach, 



1) Vgl. VS. 110—113; 132-135; 142—145; 383—385. 



Een abel spel van Lanseloet van Denemarken. 227 

Die moet u gheven goeden dach, 

Edd ridder van herten vri 

(Sanderijn) 

Al woudi mi gheven te lone 

Dusent merct van goude roet, 

Uoghe baroen^ edel ghenoet 

Nochtan woudic behouden emmermeer 

Lansdoet^ hoghe gheboren heer^ 

Mijn suverheit; 

(Sanderijn) 

Als ie ze met oghen aenscouwe 

Lieve moeder^ edel vrouwe 

Ie moetse minnen, wat gesciet. 

(Lanseloet) 

Nu biddic u, scone maghet Sanderijn 
Dat ghi wilt gaen te Lanseloet. 

(Sine moeder) 

Och edel ridder van prise goet^ 
Nu en doet mi ghene dorperheit: 

(Sanderijn) 

Och edel ridder^ om ghenen man 
En sta ie hier, hoghe haroen: 

(Sanderijn) 
enz. 

In de ophef van iemands voortreflfelike hoedanigheden. 

In de vele aanroepen van god en de heilige maagd; vooral 
hij komen en gaan. Meestal is de wens: God moet u gheven 
goeden dach^ of zo iets. Ook : 

Ood onse here moet u bewaren 
Ende aÜoes in doghden sparen 
Waerweert dat ghi u bekeert. 



228 J. Koopmans. 



De ridder bidt god, de boswachter, Reynout; — Sanderijn, 
onteerd, begint: 

Ay god^ die hem crucen liet 

Wat valscher wijf es Lanseloets moeder ! 

En later, in gebedt: 

O vader ^ scne heilich gheest 

Ie bidde u dat ghi bewaert mijn lijf. 

Dies biddic u, moeder en mctghet vri 
Fonteine cdder suverheit^ 

Dies biddic u, fonteine, der doghden vloet 
Werde moeder ende maghet reine *). 

In de eenvoudige zoetvloeiende taal, vooral in de parabels, 
en de klachten van Lanseloet en Sanderijn. 
In de vele herhalingen, soms van gehele versregels: 

Dat mi oosten zal mijn lijf (vs. 67) 
Dat sal mi oosten dieven mijn (vs. 70) 

Aleest, dat ie u gherne magh sien (vs. 74) 
Aleest, dat ie u met herten minne (vs. 79) 

Ende oec wiUic gheens mans vriendinne (vs. 80) 

Syn 

Ende ie en wil sijn gheens mans vriendinne (vs. 105) 

der minnen cracht 
Ansiet hoghe geboert no rijcheit van goede (vs. 211) 



1) Verg. Die ridder vs. 367—371 ; 380, 388, 392, 430, 432, 447, 466, 694, 612, 
628, 640, 644, 680, 818, 888, 926. 



£en abel spel van Lanseloet van Denemarken. 229 

Gherechte minne en let geen merc 

Aen rijcheit noch ane grootheid van magen (vs. 219) 

Si anesiet ghene hoghe gheboert ! (vs. 223) 

Dies doeght mijn herte grote pijn (vs. 305) 
Dies doeght mijn herte swaer verdriet (vs. 309) 

Ie dancke god der scoender jacht 

Dat ie heden merghen vroech opstoot (vs. 401) 

Noch dancic gode der avonturen 

Dat ie heden mergen vroech opstoot (vs. 433) 

Noch dancic gode der saliger tijt 

Dat ie heden merghen niet vaste en sliep (vs. 467) 

En dit is zeker nog maar de helft. 

De dichter van de Lanseloet is geen bekend man. Een 
Middeleeuwer voelde zich opgelost in 't algemeen. Om roem, 
'n ding van de wereld, gaf hij niet. 

Toch was 't 'n man van smaak en met dramaties talent. 
Vele trekjes wijzen er op. Wat is 't eerste wat Lanseloet 
onder de egelentier aan Sanderijn toewenscht? 

O scone maghet, god die si ons bi 
Ende moet u ende mi in doghden sparen 
Ende van allen quaden bewaren, 
Ende sonderlinghe van niders tonghen. 

Is 't niet, alsof wat als 't hoogste in hun wensen vervat 
is, hun zo aanstonds zal benomen worden? 

Evenzo Sanderijns wens: „Noch tan woudic behouden emmer- 
meer Mijn suverheit". En straks wordt genomen, wat voor 
geen goud prijs te geven was! 

En als bij de samenkomst onder de egelentier Sanderijn zegt: 



230 J. Eoopmans, Een abel spel van Lanseloet van Denemarken. 

Lanseloet, wi zgn hier te lanc, 
Ons mochte iement horen of te sien, 
Want nijders sijn altoes uit om spien 
Of si iemand mochten te scande bringhen. 

dan wordt de aandacht van de toehoorders onmerkbaar geleid 
op de zo aanstonds te voorschijn komende moeder. 

Aardige trekjes zijn ook: het drinken bij de bron, waar- 
door Sanderijn zich onwillekeurig als 'n verschuilend levend 
wezen voordoet; de loerende boswachter, die alvast iemand 
ziet naderen; de zoekende Reinout, die iemand tracht op te 
sporen om inlichtingen te geven, en 'n loerende man neer- 
gehurkt ziet: wendingen waarmee hij effekt moest verkry gen. 
Maar de mooiste passages heeft hij ons geleverd in de tonelen 
die werden afgespeeld tussen Sanderijn en Lanseloet, en vooral 
tussen Sanderijn en de ridder: zoals dan ook de creatie van 
Sanderijn, als tiepe van de edel vrouw in 't ME.hoofse leven, 
en om de hoge eisen van ME.moraliteit, — daargelaten 
haar schone en welsprekende taal, — een blijvend kunst- 
werk is. 

J. KOOPMANS. 



NIEUWE TAALPSYCHOLOGIE. 



Völkerpsychologie. £ine Untersnchung 
der Entwicklnngsgesetze von Sprache, 
My thns und Sitte von Wilhelm Wündt. 
Erster Band : Die Sprache, Zwei Teile. 
Leipzig, Wilhelm Engelmann, 1900. — 
Grundfragen der Sprachforachung^ mit 
Rücksicht auf W. Wundta Sprachpey- 
cbologie erörtert von B. Dblbrück. 
Strassburg, Karl J. Triibner, 1901. — 
Sprachgeschichte und Sprachpsycholo- 
gie, mit Bücksiclit auf B. Delbrücka 
Grrundfragen der Spradiforschnng von 
Wilhelm Wündt. Leipzig, Wilhelm 
Engelmann, 1901, — 

Juist twintig jaar na de verschijning van het werk, waarin 
voor 't eerst door een philoloog de psychophysiese faktoren 
van taalleven als 'Prinzipien der Sprachgeschichte' werden 
samengevat, is een werk van de 'Altmeister der Psychologie' 
in Duitsland uitgekomen, waarin in wezen dezelfde taak wordt 
volbracht, maar tevens in wezen op geheel andere wijze. 
Reeds in 1899 heeft O. Dittrich in zijn belangrijke aankon- 
diging van de 3^ druk van Pauls Prinzipien *) op het diep- 
gaande verschil gewezen, dat bestaat tussen opvatting en 
verklaring van taalleven volgens Herbarts 'Vorstellungsme- 



1) Zs. f. roman. Philologie, 23. Bi. (1899), 538/53. 



232 J. G. Talen. 



chanik' en die volgens de *Experimentalpsychologie', van 
welke laatste juist Wundt de medegrondlegger en voor een 
niet gering gedeelte de opbouwer kan worden genoemd ^). En 
met gebruikmaking ook van die recensie ^) heeft de taaivorser 
Delbrück in zijn bovengenoemde Grundf ragen — na een korte 
historiese inleiding over de vier grote duitse verklaarders van 
taal en taalleven: Wilhelm von Humboldt, Heymann Stein- 
thal, Hermann Paul en Wilhelm Wundt — in de eerste 
plaats een beknopte doorlopende vergelijking (blz. 6/44) menen 
te moeten geven tussen de psychologie van Herbart, waarop 
Steinthal en Paul steunden % en die van Wundt ; een verge- 
lijking, door Wundt in zijn Sprachgeschichte und Sprachpsychologie 
op de ene plaats genoemd een 'lichtvoUe Dai'stellung', opeen 
andere 'ein Muster klarer, objectiver Schilderung'. En zeer 
zeker terecht heeft Delbrück deze uiteenzetting aan zijn toet- 
sing van de nieuwste theoriön omtrent de gewichtigste pro- 
blemen van taalleven laten voorafgaan, omdat toch wel *nie- 
mand die Meinungsverschiedenheit zwischen . . . Paul einerseits 
und Wundt andererseits wirklich verstehen kann, der sie 
nicht bis in ihre in der psychologischen G-rundauffassung 
liegenden Wurzeln verfolgt'*). 

Wie dan ook in 't vervolg Wundts Sprache (— een 1250 
bladzijden I — ) wil doorwerken, zal zeker goed doen, eerstin 
Delbrücks Grundfragen de 'Vergleichung der Herbart'schen und 
der Wundt'schen Psychologie' na te lezen. Delbrück heeft 
met die heldere vergelijkende uiteenzetting aan vele, zo niet 
aan 't meerendeel der taalmannen, ongetwijfeld een goede 
dienst bewezen. En wie dieper in deze psychologiën wil door- 



1) Wundt richtte in 1879 het eerste psychologiese laboratorium te Leipzig in, 
wat aan verschillende hogescholen nagevolgd werd. 

2) Zie Grundfragetit 177, noot. 

3) Wilhelm von Humboldt staat onafhankelik van zijn tijdgenoot Herbart en 
was meer taalphilosoof als taalpsycholoog. De voorgangers van Paul en Wundt 
warden, als niet meer aktueel, hier alleen in 't voorbijgaan genoemd. 

4) Grundfragen, Vorrede, blz. IIL 



Nieuwe taalpsychologie. 233 



dringen, vindt bij hem de gewenste opgaven van de bronnen *). 

Het spreekt vanzelf, dat aan geen taalman de eis kan 
worden gesteld, dat hij tevens, in de grondige betekenis van 
't woord, psycholoog is, evenmin als 't omigekeerde een rede- 
lik verlangen zou zijn. Er komen immers in elke wetenschap 
allerlei biezonderheden en strijdvragen voor, waarvan alleen 
de vakman op de hoogte hoeft en gewoonlik ook slechts kan 
zijn. Maar waar twee wetenschappen op veel plaatsen zo 
diep in elkaar grijpen en zo organies met elkaar verbonden 
zijn, als dit uit de aard van de zaak^) met taalwetenschap 
en zielswetenschap het geval is, daar kan een achteloos voor- 
begaan aan de ene wetenschap de andere niet anders dan 
groot nadeel veroorzaken, ja zijn bloei, zo niet zijn voortbe- 
staan, op 't spel zetten. 

Daarom moest ieder wetenschappelik taalman zich in de 
laatste twintig jaren met Pauls Prinzipien vertrouwd en met 
Herbarts intellektualistiese psychologie bekend maken; en 
daarom is 't nu nodig, dat hij daarnaast kennis neemt van 
Wundts ^Sprachpstfchalogie^ en van Wundts voluntaristiese psy- 
chologie in 't algemeen : hoe nauwkeuriger, hoe beter natuurlik. 

En als hij dat doet, dan zal 't moeilik kunnen uitblijven, 
of hy verklaart zich — evenals Dittrich heeft gedaan — yoor 
die ^psychologische Grundauffassung', die hem als de meest 
juiste voorkomt. Want men mag dan leek zijn in de psyche- 



1) Oriënteren, ook eens op andere wyze, in de psychologie van Herbart kan 
reeds een geschiedenis van de philosofie, b.v. de GeschichU der neueren Philo- 
sophie von Richard Falckenberg, Leipzig, Veit & Co., 1898-^; of ook al de Ge- 
schiehte der Philosophiê von W. Windelband, Tübingen und Leipzig, J. C. B. 
Mohr, 1900». — 

Bepaald nodig te achten tot goed begrip van Wundts Sprache is zeker bekend- 
heid met z^n Grrundriss der Psychologie^ Leipzig, Wilhelm Engelmann,1901<. — 

Overigens z^n — vooral ook om hun verschillend krities standpunt tegenover 
Wundt en tot verruiming van gezichtsveld — ter raadpleging aan te bevelen : 
Th. Ziehen, Leitfaden der phyeiologischen Psychologie in 15 Vorlesungen, Jena, 
Gustav Fischer, 1900^, en Eduard von Hartmann, Die moderne Peychologie^ Leip- 
zig, Hermann Haacke, 19(H. — 

2) Immers taal is in de eerste en voornaamste plaats een zielsprodukt en taal- 
uiting een komplex van zielsfunkties. Vgl. T, e. L. 11e jg. (1901), 155. 



234 J. G. Talen. 



logiése wetenschap, daarom is 't nog niet verboden, aan de 
ene opvatting van zielsleven en methode van zielsvorsing de 
voorkeur te geven boven de andere. Ja, ik acht dit kiezen 
de regel, gedeeltelik om redenen, die met de gehele levens- 
beschouwing ten engste samenhangen, gedeeltelik ook om 
redenen, die met de opvatting van wetenschap in 't nauwste 
verband staan. 

Zo zou dan ook het indifferentisme, dat Delbrück in zijn 
Grundfragen^ blz. 42/4, voor de taaivorser in 't algemeen en 
voor zich zelf in 't biezonder in bescherming neemt, juist 
van hem, die zo goed in de nieuwere psychologie tehuis is, 
moeilik te verklaren zijn, als hij — metterdèad indifferentist 
was *). 't Komt mij toch voor, dat iemand, die in de psycho- 
logie van Herbart is opgegroeid, niet zo genoemd kan wor- 
den, wanneer hij aan 't slot van zyn beschouwingen [Ghrund- 
fragen^ slotbladzijde) verklaart, dat de ^Wundtsche Sprach- 
psychologie' — die dan toch heel andere fundamenten voor 
't verklaringsgebouw van taal legt — aan de taaivorser goede 
diensten zal kunnen bewijzen, ^sowohl durch die allgemeine 
Anregung auf dem ganzen öeblet, wie durch die Förderung 
an . . . einzelnen Punkten'. Delbrück verklaart trouwens al in 
't begin van zijn Orundfra^en (blz. 6), dat hij zich ten doel 
stelt, *den Gewinn zu verzeichnen, den die Sprachwissen- 
schaft . . . aus dem Wundt'schen Werke ziehen kann', wat 
in zich sluit, dat dit werk naar zijn mening winst afwerpt. 

Maar — zo kan worden tegengeworpen — Delbtück zegt 
toch op dezelfde slotbladzijde onweersprekelik : 'Von festste- 
henden Resultaten kann auf diesen Qebieten selbstverstand- 
lich nicht die Rede sein. Die Wissenschaft kennt keine Dog- 



i) Ik bedoel vanzelf: ten opzichte van psychologiese taal verklaring. Delbrück 
kon voor zijn doel zich met recht zoveel doenlik tot dit terrein beperken en be- 
hoefde das 'nicht etwa eine Wanderung durch die neuere Psychologie überhaupt, 
und noch weniger isine Stellnngnahme zu ihren Problemen* in zijn Qrundfragen 
te boek te stellen (zie Grundfr.y 5/6). Dit zou 't werk van een psycholoog zgn 
geweest en kan men o. a. vinden in het (hiervóór blz. ^33, noot 1) genoemde 
werk van Ed. v. Hartmann. 



Nieuwe taalpaychologie. 235 



matik, und die Sprachforscher werden auch in Zukunft nicht 
müde werden, ihre Ansichten so umzugestalten, wie der un- 
abiassig neu zuströmende Stoflf und die geiauterte Erkenntnis 
es verlangen'. Dit doelt met betrekking tot de psychologiesè 
interpretatie wel daarop, dat, nu en later, daarvoor weer 
andere psychologiesè fundamenten gelegd kunnen worden; 
immers, het is a priori niet aan te nemen, dat met Wundt 
de psychologiesè wetenschap de eindpaal zou hebben bereikt ^). 
Volmaakt waar. Maar de niet-vakpsycholoog heeft slechts — 
evenals Delbrück zelf deed — met deze werkelikheid te reke- 
nen, dat er op 't ogenblik bestaan twee aktuele principewer- 
ken voor taal verklaring : Pauls bekende Primipim^ gebazeerd 
op de altijd nog metaphysiese psychologie van Herbart^), en 
Wundts ^Sprachp8ychologie\ gebazeerd op de empiriese psycho- 
logie van hemzelf; wat niet meer aktueel is, kan alleen his- 
toriese waarde hebben, en wat komen zal, is nu nog hele- 
maal waardeloos. Nu lijkt *t me onmogelik, dat men ter ver- 
klaring van 't éne taalverschijnsel te rade zou gaan met 
Herbart-Paul en van 't andere met Wundt; of, om een ander 
geval te noemen, dat waar Wundt, niet genoeg vertrouwd met 
de jongste rezultaten van onderzoek op dit of dat onderdeel 
van taalwetenschap^), geen bevredigende verklaring geeft, 
het nu geoorloofd zou zijn, bij Paul ter leen te gaan, waar 
diens Primipien wèl verklaren. Dit zou zeker al biezonder prak- 
ties zijn, maar tegelijk toch ook — zeer onwetenschappelik. 



1) Vgl. eens de verschillende fandamentele opvattingen van tegenwoordig, b.v. 
in Ëd. V. Hartraanns Moderne Psychologie, Dat deze Schr. zelf een scherp afge- 
tekend standpunt inneemt, geeft in zeker opzicht aan zgn werk te meer waarde. 

2) Vgl. o. a. £d. V. Uartmann, t.a. pi., blz. 10: 4n der ersten Hftlfte des 19. 
Jahrhunderts hatte die Psychologie sich wesentlich auf die Metaphysik gestützt 
und nach dem Ruhme gestrebt, eine deduktive oder konstruktive Wissenschaft 
von apodiktischer Gewissheit zu sein'. — En niet overbodig mag ook de volgende 
historiese opmerking zijn, die op blz. 14 voorkomt: 'Die alteren Schalen suchten 
durch grossere oder geringere Zugestandnia^ dem Zeitgeist Rechnung zu tragen, 
ohne ihre Prinzipien zu verleugnen. Indess darf ... die Herbartsche [Psychologie] 
mit den 80er Jahren als erschöpft gelten'. 

3) Delbrück noemt o.a. ' Wortstellung' en 'Satzbetonung' {Grundffagen, 175). 



236 J. Gr. Talen. 



Dat Delbrück zo iets niet doet, ligt voor de hand. Hij heeft 
bij de toetsing van Wundts verklaringen op (werkelike of 
vermeende) tekortkomingen gewezdti, maar daarom nog niet 
nu eens k la Herbart, dan weer h, la Wundt verklaart. In- 
tegendeel streeft hij er blijkbaar naar, volgens de *psycholo- 
gische GrundauflEiassung' van Wundt te verklaren *) ; en waar 
hij dit niet vermag, wordt 't opgegeven. Van de andere kant 
kon door hem met volle recht erop worden gewezen, dat 
Paul en Wundt in sommige gevallen overeenstenmien, b.v. 
waar beide van mening zijn, dat kinderen geen taal maken, 
of liever voortbrengen en ontwikkelen, maar dat ze integen- 
deel van hun omgeving taal kant eü klaar meegedeeld krijgen. 

Toch kan niet worden ontkend, dat de blzz. 42/4 van de 
Grundfragen^ met de slotzin: ^Man sieht: far den Praktiker 
ld,sst sich mit beiden Theorien leben', hun bedenkelike zijde 
hebben. En al moet mischien worden to^egeven, dat indiffe- 
rentisme in de beide door Delbrück aldaar opgegeven voor- 
beelden de historiese taal vorsing niet op zou houden, de taal- 
wetenschap in z^n volle betekenis kan er kwalik mee gediend 
zijn. Yoor de laatste kan immers alleen de beste verklaring, 
dus ook de beste psychologiese verklaring, waar deze wordt 
verlangd, werkelik waarde hebben, 't Komt mij dan ook voor, 
dat Wundt in zijn Sprachgeschichte und Sprachpsychohgie (blz. 
10/8) gemakkelik spel had, toen hij tegen die onzijdige op- 
vatting van Delbrück principieel opkwam en dat hy (t. a. pi. 
en ook nog later) duidelik heeft aangetoond, waarheen het 
motief van praktiese nuttigheid, dat Delbrück laat gelden, op 
wetenschappelik gebied voert. Trouwens, zo meent Wundt 
ongetwijfeld terecht, het zou zeker wel geen genade in de 
ogen van Delbrück vinden, als omgekeerd de psycholoog een- 
zelfde bewering met betrekking tot de taalvorsing waagde 
(t. a. pL, blz. 10). 



1) Vgl. o. m. Qrundfragen, 71 y.v., 109/10, 140 en 't hoofdstuk 'Der Bedeu- 
tungswandel*. 




Kienwe taalpsycliologie. 237 



Tegenover de aangehaalde woorden van Delbrück, die op 
blz. 44 van zijn Orundfragen voorkomen, stelt, mij dunkt met 
weinig kans op tegenspraak, Wundt in zijn Sprachgeachichte 
und Sprctchpsychologie^ blz. 12 : 'Ich würde . . . kaum etwas da- 
gegen einzuwenden haben, wenn Delbrück erklarte, er halte 
die Herbart'sche Auflfassung der Seele und des seelischen 
Geschehens mit allen den Consequenzen^ die sie flir die psy- 
chologische Behandlung der Sprache hat, für die richtige, und 
er ziehe es deshalb vor, bei ihr zu bleiben. Wie man aber 
beide Auflfassungen für gleich richtige oder — was wohl auf 
dasselbe hinauskommen würde -- für wahrscheinlich gleich 
unrichtige, aber vorlaufig gleich brauchbare Interpretationen 
der Thatsachen halten kann, das verstehe ich nicht'. 

Afgescheiden nu van de vraag, of Wundt in 't bezit van 
de objektieve waarheid is — wat hij licht begrijpelik niet 
beweert *) — , moet worden erkend, dat hij volgens een methode 
te werk gaat, die tegenwoordig als de enig juiste wordt aan- 
gemerkt, en wel deze : het opsporen van psychologiese wetten 
uit de taal en die^) dan aanwenden bij de interpretatie van 
taal, in tegenstelling met hetgeen vóór hem maar al te zeer 
gebeurde en zo geheel in de Herbartse sfeer past — al heeft 
Paul aan deze methode zo min mogelik geofferd ^) — : het 
toepassen van psychologiese normen op de taal*). Dit ver 
schil in methode, of om 't tegenover Paul nauwkeuriger uit 
te drukken: deze konsekwente toepassing van de omschreven 



1) *Nan behaupte ich natürlich nicht| dass aaf meiner Seite allein die objec- 
tive Wahrheit zu findeh sei*. Spraehgeseh. u. Sprachpsychologie, 11. 

2) Waarbij ^selbstverstandlich auch die A.nwendung der anderwarts, namentlich 
bei den einfacheren Problemen der experimentellen Psychologie gewonnenen Ge- 
sichtspankte und Ergebnisse auf die Sprache nicht ausgeschlossen [ist]'. Sprcuih- 
gesch, u. Sprachpagchologie, 8. 

3) Vgl. hetgeen hiervoor op blz. 235, noot % is aangehaald uit Ed. v. Hartmanns 
Moderne Psychologie^ blz. 14. 

4) Vgl. Wundt, Spraehgeseh. u. Sprctchpsgehologie, 8 v. en 21, waar tevens 
er op wordt gewezen, dat Delbrück dit verschil in methode — Wundt noemt *t: 
*das verschiedene Verbaltnis beider Psychologien zur Sprache', t. a. pi., 21 — niet 
heeft opgegeven. 

T. EN L. m. 16 



338 J. G. Talen. 



methode bij Wundt, moet wel diens werk van een weten- 
schappelik gehalte doen zijn, waardoor het aan innerlike en 
blijvende waarde tegenover Pauls Prineipien in 't voordeelis, 
hoeveel onvergankelike verdienste laatstgenoemd werk juist 
in methodies opzicht overigens ook heeft ^). Terecht z^ dan 
ook Wundt op blz. 11/2 van zijn Sprachgeschichte u/ndSprach- 
psychologie: ^Ich kann mich im Ëinzelnen vielfach geirrt haben. 
Wenn ich darauf vertraue, dass trotzdem meine Gesammt- 
auffassung der sprachlichen Ërscheinungen keine unrichtige 
sei, so geschieht das nicht deshalb, weil ich mein Urtheil fdr 
untrüglich halte, sondern weil die psychol(%ischen Yorausset- 
zungen, aus denen ich die Sprache interpretire, wesentlich 
aüs der Sprache selber geschöpfb, nicht von einem zuvor ge- 
schaffenen System aus auf sie übertragen sind'. 

En ook in dit opzicht kan 't aan geen redelike twijfel 
onderhevig zijn, of Delbrück staat metterdèad aan de zijde 
van Wundt. Een zeer duidelik bewijs daarvoor bevat het 
hoofdstuk ^Der Bedeutungswandel' in de Ghrundfragen. Nadat 
toch Delbrück daar in een paar biezonderheden een andere 
verklaring heeft gegeven als Wundt, komt hq, voor wat 't 
geheel betreft, tot de konkluzie, dat Paul in zijn Pringipien 
(Kap. IV: * Wandel der Wortbedeutung'), zowel wat de opvat- 
ting van de betekenisverandering als wat de methodiese be- 
handeling van dit onderwerp betreft, te kort schiet en Wundt 
juister psychologies verklaart en niet, zoals Paul, logies, maar 
psychologies indeelt. Wundt brengt alles op associatieve pro- 
cessen terug — waarin 'ein entschiedener Fortschritt vor- 
liegt', zoals Delbrück terecht zegt (Qrundfragen^ 173) — en 
stelt nu ook naast deze psychologiese verklaring 'die weitere 
Qliederung des Stoffes nach psychologischen Motiven' ((jrtind- 



1) Dit verschil in waarde heeft dus alleen tot oorzaak de verschillende tendenz, 
waardoor zich implicite de psychologie van Herbart van die ^an Wnndt onder- 
scheidt en heeft niets te maken met de wetenschappelikheid, waarmee Paul en 
Wundt hun taak hebben volbracht : die is zeker even hoog te schatten. 




Nieuwe taalpsychologie. 239 



fragen^ 173) op, m. a. w. gaat nu ook verder volgens streng 
psychologiese methode te werk *). 

Uit het voorgaande mag 't gebleken zijn, dat er in Del- 
brücks Grundfragen iets tegenstrijdigs — een disharmonie 
tussen theorie en praktijk zou 't kunnen worden genoemd — 
niet te ontkennen valt. Of die tegenstrijdigheid hieruit te 
verklaren is, ^dass ein Philosoph [resp. psycholoog] und ein 
Historiker infolge der überlieferten Verschiedenheit ihrer 
Arbeitsgewohnheiten sich demselben Stoff gegenüber immer 
verschieden verhalten werden' {Orundfragen^ Vorrede), dan 
wel hieruit, dat Delbrück uit piëteit voor Pauls eminent werk 
geaarzeld heeft, met de Herbartse psychologie ook formeel te 
breken, of uit welke andere oorzaak ook, moet hier in 't 
midden worden gelaten. Belangrijk zou 't zeker zijn, Del- 
brück zelf daarover te horen, b.v. in antwoord op Wundts 
SprachgeschicïUe und Sprcuihpsychologie^ waarin nog zo menig 
punt principieel besproken en verduidelikt is, waartoe in de 
Völjcerpsf/chologie of geen gelegenheid was öf geen aanleiding 
bestond. 

Daar ik met deze aankondiging een oriénterende inleiding 
voor de bestudering van de aan 't hoofd genoemde werken — 
in de eerste plaats natuurlik van Wundts hoofdwerk — 
wenste te geven, scheen 't me niet van belang ontbloot, het 
standpunt te bepalen, dat een bekend taalgeleerde tegenover 
Wundt inneemt. Dat daarbij ook terloops de verhouding van 
Wundts werk tot dat van Paul ter sprake moest komen, 
ligt voor de hand. Hierover nog een enkel woord. 



1) Mettertijd zal nu ook wel blijken, hoe anders het semasiologies materiaal 
te behandelen is, dan tot nu toe, en in de laatste jaren niet zonder ambitie, is 
gebeurd. Ik behoef hier niet die semasiologiese werken en studies te noemen, die 
met verrijking van materiaal en verscherping van philologiese omlijning zo weinig 
in psychologiese kernwaarde toenamen. — Vergelijkenderwijs mag hier er aan 
herinnerd worden, hoe eeuwen en eeuwen lang hetzelfde van de leer der tropen 
en fieguren valt te konstateren, en er eerst met behulp van de psychologiese me- 
thode (van Wundt) door Ernst Eister in z^n Primipien der Lüteraturtoisaen- 
schaft 1, 359 v.v. geheel andere uitkomsten zijn verkregen. Vgl. ook T, e, L. 8 
(1898), 177 v.v. 



240 J. G. Talen. 



Zei ik hiervóór (blz. 231), dat Paul en Wundt in wezen 
dezelfde taak volbrengen, zo bedoelde ik hiermee, dat beide 
het wezen van taal en taalleven trachten uit te vorsen en 
de taaiverschijnsels psychologies, of wil men liever: psycho- 
physies, te verklaren. Toch is de gehele aanl^ van beider 
werken merkbaar verschillend, wat vooral daarin z'n ver- 
klaring vindt, dat Paul in de eerste plaats philoloog en Wundt 
psycholoog is. Wundt tracht èn uit de taalverschijnsels in 't 
algemeen èn uit de taaihistorie zowel de psychologiese weten- 
schap als de taaiinterpretatie te verrijken. Paul tracht de 
historiese taaiwording psychologies te verklaren en wendt 
daartoe de Herbartse psychologie aan. Hierbij is als zijn ge- 
heel eigene verdienste — tegenover zijn voorgangers Lazarus 
en Steinthal — in 't biezonder te noemen 'die [Ableitung 
der] Sprachentwickelung aus der Wechselwirkung, welche 
die Individuen auf einander ausüben' (Primipien^ 12, noot); 
waartegenover de ruimere opvatting van Wundt staat, die 
de taaiwording niet beschouwt als uitsluitend het gevolg van 
de wisselwerking tussen enkeling en enkeling Oi maar veeleer 
als de rezultante van velerlei sociale inwerkingen op enkeling 
en gemeenschap. Ook dit moest van invloed z^n op de aanleg 
van beider werken. 

Hiermee staat in 't nauwste verband, dat Paul zich zo 
goed als uitsluitend tot 't Indogermaans kon beperken, terwijl 
Wundt 'sich eine weitere Umschau verschaffen' en een niet 
gering quantum taalmateriaal ook van buiten het Indoger- 
maans aanvoeren moest. Belangwekkend is 't nu zeker voor 
ieder, die zelf wel eens twijfelend Wundt op het zoveel uit- 
gestrektere taalgebied heeft gevolgd, Delbrücks kritiek op 
Wundts 'SprachlJches Material' ^) na te lezen, maar tevens 



1) Vgl. ook H. Hirt in zijn aankondiging van E. Wechssler, (xid)t es LauU 
gesetze? — Ameiger für Indogerman, Farschungen, 12 (1901), 6 v.v. — , die 
de uitbreiding van klankwetten over een groot gebied nooit heeft kannen ver- 
klaren volgens de 'Paulsche(n) Ansicht, die vom Individnum ausgeht*. 

2) Grundfragenf 44/8. 



Nienwe taalpsychologie. 241 



daartegenover het pleidooi van Wundt te volgen % dat onge- 
veer hierop neerkomt: Waar Böhtlingks werk Ober die 
Sprache der Jakuten^ Tschudis werken over de Ketshuataal 
of de litteratuur van Meinhof e. a. over de Bantutalen toch 
wel zonder bedenken ter verwerving van algemene taalpsy- 
chologiese begrippen mogen worden geraadpleegd — en ook 
door de Indogermanisten voor hun doel met voordeel geraad- 
pleegd werden en worden — , daar behoeven de talen van 
zgn. natuurvolken — overigens een 'ebenso beliebte, wie nichts- 
sagende Kategorie', meent Wundt ^) — , waarvan in Friedrich 
Müllers Grrundriss der Sprachunssenschaft specimina voorkomen, 
niet te worden geweerd. Er doen zich immers verschillende 
vragen van taalleven voor, die, omdat ze op indogermaans 
gebied niet (of niet meer) voorkomen, de indogermaanse taal- 
wetenschap alleen niet beantwoorden kan en waarvan de 
beantwoording toch voor de taaipsycholoog van dierekt, voor 
elk taalman van dierekt of indierekt nut is. Heeft Wilhelm 
von Humboldt, de taalphilosoof ^), anders gehandeld ? Er mogen 
in biezonderheden in de optekening en weergeving van ame- 
rikaanse, oceaniese of negertalen fouten voorkomen, het alge- 
mene syntaktiese karakter (attributief of predicatiefb. v.) van 
de betreffende taal of talen zal wel juist zijn weergegeven, waar- 
voor verschillende optekenaars borg zijn. Hetzelfde geldt zeker 
van de optekening van b.v. onomatopoeëtiese vormingen, die 
bij 't probleem van 't ontstaan van taal in 't algemeen van 
zoveel belang zijn. Nu is 't voor 't algemeen psychologies 
karakter toch zeker hetzelfde, waar en wanneer dergelijke 
taal verschijnsels worden waargenomen. Immers ook voor de 
taalwetenschap geldt reeds lang 't axioma of principe, dat de 
faktoren van taal wording — dus ook de psychiese — , die nu 
werken of werken kunnen, evenzeer vroeger konden en overal 
nog kunnen werken: alleen de biezondere uitingen in taal zijn 



1) Sprachgesch. w. Sprachpaychohgte^ 24 v.v., 76 v., 81 v. en 84 v. 

2) Sprachgeach. w. Sprachpsychologiey 30. 

3) Wat in dit verband geen verschil maakt met taaipsycholoog. 



242 J. G. Talen. 



naar tijd en volk verschillend *). Ten slotte voert Wundt 
terecht aan, dat het steeds zijn streven is geweest, waar 
histories taalleven werd onderzocht, in de eerste plaats van 
het tegenwoordige en bekende uit te gaan en het bistoriese 
materiaal niet te verwaarlozen. 

Hieraan kan nog de zeker juiste opmerking van Wundt 
worden vastgeknoopt, dat de taak van de taaipsycholoog een 
andere is als die van de taaivorser, hoe dikwels overigens 
beiden dezelfde of evenwijdige wegen moeten begaan*). En 
daarmee gaat gepaard een in hoofdzaak andere wijze van ver- 
werking van 't materiaal, wat ik kort zo zou willen formu- 
leren: de taaivorser verwerkt het taalmateriaal hoofdzakelik 
kwantitatief, de taaipsycholoog kwalitatief. 

Een andere vraag van meer algemene betekenis is deze: 
Ontstaan taalveranderingen — in de ruimste zin genomen — 
zonder bedoeling en dus ook zonder vinding van de enkeling ? 
Wundt geeft bij herhaling daarop een bevestigend antwoord ^) ; 
en de weinige uitzonderingen (zoals b.v. in de zgn. nieuw- 
vormingen) laten zich als regel tot bekende taalpsychologiese 
gevallen herleiden, zodat ze als faktor van taaiwording van 
zeer weinig belang zijn. Delbrück is van mening, dat gewilde 
wijzigingen een gewichtiger rol in de taal wording spelen dan 
Wundt aanneemt en noemt tot staving daarvan in zijn Crrund- 
f ragen (82, 100 v. en 111 v.) een paar voorbeelden : bij klank- 
nabootsing (in 't geven van namen aan vogels b.v.), bij 'voor- 
name uitspraak' en bij 't geven van een betere uitdrukking 
(= woord) voor een begrip. Hij wijkt hierin, naar 't me 
toeschijnt, enigermate zowel van Paul als van Wundt af, 
tussen wie ik geen verschil ontdekt heb*). 



1) Zie T. en L, 11, 188. Vgl. verder Wundt, Sprachgesch, u. Sprachpsycholo- 
giej 27 en dez. Spraehe o. m. 1, 314 v.; 567; 573; 623; ook Paul, Frinzipien 
o. a. g 122. 

2) Zie ook Sprachgesch, u. Sprachpsychologie, 1 v.v., Spraehe 1, Einleitung; 
en vgl. nog o. m. Spraehe 1, 623 v. Vgl. ook hiervoor blz. S40. 

3) Zie Spraehe passim en vgl. Sprachgesch, u. Sprachpsgchologie, 59 v.v. 

4) Paul heeft in de 3e druk van zijn Prinz'pien op gewilde veranderingen in 



Nienwe taalpsychologie. 243 



Daarentegen bestaat er wel verschil van mening tussen 
Wundt en Paul in 't volgende (vgl. blz. 240 hiervóór): Voor 
Paul begint een taalnieuwigheid steeds bij de enkeling, m. a. w. 
in de taal kan volgens Paul alleen dat ^usueir worden, wat 
oorspronkelik 4ndividueir is geweest^). Deze opvatting, die 
vooral door Pauls Prinzipien zo algemeen is geworden, deelt 
Wundt niet en hij bestrijdt ze bepaaldelik in zijn Sprachge- 
schkhte und Spachpsychologie^ 59 v.v. De weinige uitzonde* 
ringen, die Wundts mening, dat wijzigingen in taal bij de 
enkelingen en niet bij de enkeling beginnen, schijnen te 
weerleggen, worden door Paul, Delbrück, e. a. overschat, en 
de konsekwentie zou leiden tot de vroegere opvatting van 
taal als een uitvinding van de mens^). Wundt ziet in de 
opvatting van Paul nog een nawerking van de Herbartse 
school, volgens welke de taak van de Tölkerpsychologie' zou 
zijn, de psychiese processen ^) van de gemeenschap eenvoudig 
uit de feiten of de 'normen' van de individuele psychologie 
te verklaren. 

Voorts valt nog hierop te wijzen: Het behoort ook tot de 
ruimere opvatting van taaiverklaring (vgl. blz. 240 hiervoor), 
dat Wundt aan zijn onderwerp in engere zin een uitvoerige 
behandeling van de uitdrukkingsbewegingen — als onafschei- 



taal iets meer nadruk gelegd dan in de 2e *t geval was, en wel in 't hoofdstuk 
* Wandel der Wortbedeutung'. En op blz. 29, zowel reeds van de 2e als van de 
3e druk, lezen we: 'Veranderungen [des Sprachusus], welche durch die bewusste 
Absicht einze! ner Individuen zu Stande kommen, sind nicht absolut ausgeschlos- 
sen\ Waarop intussen spoedig volgt: 'Die eigentliche Ursache für die Verande- 
rung des Usus ist nichts anderes als die gewöhnliche Sprechthatigkeit. Bei 
dieser ist jede absichtliche Ëinwirkung auf den Usus ausgeschlossen.' Vgl. ook 
blz. 30. 

Verschil in algemene opvatting bestaat er in dit opzicht tussen Wundt en Paul 
dus blijkbaar niet; en *t komt me voor, dat er tussen Delbrück en Wundt (of 
Paul) alleen gradueel verschil bestaat. 

1) Zie Prinzipien^ 30: 'Aus dem anfanglich nur Individuellen bildet sich ein 
neuer Usus heraus'. En passim. 

2) Of deze laatste gevolgtrekking nodig is ? 

3) Bg Wundt, Sprachgesch, u, Sprachpsychologie, 63, 'Erlebnisse*, waarvoor 
ik hier geen betere vertaling weet. 



244 J. Gr. Talen. 



delike begeleiders van affekten — en van de gebarentaal laat 
voorafgaan ^). Taal als klank heeft de psychophysiese betekenis 
van uitdrukkingsbewegingen ^), terwijl taal in 't algemeen 
niets anders is ^als diejenige Qestaltung der Ausdrucksbewe- 
gungen, die der Entwicklungsstufe des menschlichen Bewusst- 
seins adaquat ist' ^). 

Wie zich enigsins in Wundt heeft ingewerkt, kan zich 
wel niet verwonderen over diens verwerping van de zgn, 
^Wurzeltheorie' *). Evenmin daarover, dat hq met betrekking 
tot het probleem van de oorsprong van de taal een ziens- 
wijze heeft, geheel verschillend van de roman ties-poêtiese 
opvatting van Jespersen % hoewel beiden het daarin eens 
zijn, dat spreken uitdriïkkingsbeweging is. En niet zonder be- 
langstelling zal men het verschil in standpunt kunnen waar- 
nemen, dat Wundt en Delbrück^) innemen tegenover Arbeit 
und Bhythmus van Karl Bücher (1902^), waarin op zo verrassende 
wijze de psychophysiese interpretatie van arbeid leidt tot een 
beantwoording van de vraag naar de oorsprong van poëzie. 

Maar op dit alles en nog veel meer kan hier niet nader 
worden ingegaan. 

't Spreekt wel haast vanzelf, dat niet alle verklaringen van 
taal verschijnsels bij Wundt van gelijke overtuigende kracht 
zijn, en dat men, naar gelang van de psychologiese 'Vorschu- 
lung', een verschillend standpunt tegenover Wundt zal in- 
nemen. Uit het voorafgaande mag dit laatste reeds voldoende 



1) *Die Ausdrucksbewegungen', Sprache i, 31/130; *Die Geberdensprache*, id., 
131/243. 

2) Vgl. Sprache 1, 245. 

3) Sprache 2, 606. 

4) Vgl. vooral Sprache 1, 554/9 en Sprachgesch, u. Sprachpsychologie^ 83 v.v., 
met Delbrück, Grundfragen, 113 v.v. 

5) Vgl. Sprachgesch, u, Sprachpeychologie, 92 v.v., met Delbrück, Grrundfragen, 
85 v.v. — De theorie van de Deen Otto Jespersen is, zoals bekend, te vinden in 
zijn Progress in language, dat van 1894 dateert ; en virel aan H slot, blz. 328 v.v. 
(vooral § 279 v.v.) Vgl. nog de uitvoerige bespreking van dit werk door prof. 
Logeman in T. en L. b (1895), 265/81 en 329/52. 

1) Vgl. Wundt, Sprache 1, 263 en Sprachgesch. u. Sprachpsychologie, 103 
v.v., met Delbrück, Orundfragen, 88 v.v. 



Nieuwe taalpsychologie. 245 



gebleken zijn. En om voor het eerste ook een voorbeeld aan 
te halen: Wundts verklaring van de germaanse klankver- 
schuiving uit versnelling in 't spreken, dat door geestelike 
kultuurinvloeden zou onstaan, heeft, voor zover ik heb 
kunnen nagaan, nog niet veel instemming gevonden. Ook 
Delbrück kan Wundt ^hierin nicht beistimmen' *). Toch kan 
deze theorie 'belangwekkend'^) worden genoemd, en zowel 
van deze nieuwe verklaringswijze als van de kritiek op de 
oudere esthetiese en teleologiese theoriên zal men in elk 
V geval niet zonder nut kennis nemen ^). 

Het is mogelik, dat hiervóór bij 't teruggaan op de ver- 
schillende 'psychologische GrundaufiTassung' de schijn is ont- 
staan, alsof voortaan de leuze zou zijn : Paul of Wundt. Toch 
zou dan die schijn maar ten dele aan de werkelikheid beant* 
woorden. Want vooreerst behoeft Herbarts of Wundts psy- 
chologie niet voor iedereen de enig mogelike zielswetenschap 
te zijn. Zo kan immers aan niemand het recht worden ont- 
zegd, om b.v. evenals Ziehen (vgl. t. a. pi.) met de appercep- 
tieleer te breken, die, hoewel verschillend van betekenis, 
zowel in de psychologie van Herbart als in die van Wundt 
een gewichtig bestanddeel is. Zulke verschillen in de 'Grund- 
auffassung' wijzigen vanzelf ook menige verklaring van bie- 
zonderheden. In de tweede plaats — en hierop werd al ter- 
loops hiervóór op blz. 236 en op blz. 242 (ook noot 4) ge- 
wezen — stemmen Paul en Wundt op verschillende punten 
met elkaar overeen, waar het verschil in 'psychologische Grund- 
auifassung' geen onmiddelike invloed kon uitoefenen. En in de 
derde plaats vullen de 'Individualpsychologie' met de uiterst 
gewichtige uitbreiding van Paul tot de wisselwerking, die de 
enkelingen op elkaar uitoefenen, en de 'Völkerpsychologie', 
zoals Wundt die opvat, elkaar in menig opzicht aan. 



1) Qrundfragen, 102. — Het jongste mij bekende getuigenis hieromtrent is 
van prof. Sijmons, die op blz. 20 van Verdam, Uit de Geschiedenis der Neder- 
landsche taalj Wundts verklaring niet overtuigend noemt. 

2) Prof. G. Heymans in H Museum, 8e jg. (1900), kol. 316. 

3) Zie Sprache 1, 413/24 en Sprachgesch, u. Sprachpsychologie^ 52 v.v. 



246 J. G. Talen. 



Waar er intussen van de psychologiese grondslag in engere 
zin sprake is, daar zal 't niet kunnen uitblijven, dat men öf 
op de psychologie van Herbart voortbouwt — wat niet juist 
meer zeer modern zou zijn — öf op die van Wundt of van 
welke moderne psycholoog dan ook. En daar er nu eenmaal 
naast de Prineipien van Paul de niet minder gewichtige ^Sprach' 
psychciogié* van Wundt bestaat, is het te voorzien, dat de 
taalwetenschap in z'n onderscheidene vertakkingen voor lange 
tijd evenzeer met Wundts werk zal rekening houden als ze 
het twintig jaar lang met het werk van Paul heeft gedaan 
en 't vooreerst zeker nog wel zal blijven doen. 

Bij de tegenwoordige bloei van de psychologiese wetenschap 
kan 't niet anders, of de taalman moet tot intensieve deel- 
neming aan de arbeid op zijn terrein van wetenschap de 
psycholoog ongehinderd toelaten, evengoed als 't omgekeerde 
het geval is. ^Wederzijds hulpbetoon' — ziedaar het wachtwoord, 
waardoor die toelating mogelik, wenselik, ja noodzakelik is. 
Men kan niet meer buiten elkaar en alleen de exacte wijze 
van arbeiden geldt als voorwaarde voor een blijvende vreed- 
zame en steeds intiemer wordende verhouding. — 



J. G. Talen. 



NASCHRIFT. 

Een paar dagen, nadat bovenstaande aankondiging was 
neergeschreven, kwam mij het nieuwste werk in handen, 
dat uitvoerig over Wundts ^ Sprachpsychólogie' handelt, namelik : 

Das Wesen der sprachlichen Oebilde. 
Kritisclie Bemerkangen zn Wilhelm 
Wnndts Sprachpsychologie von Lud- 
wiG SüTTBRLiN. Heidelbcrg, Carl Win- 
ter. 1902. — 

Een vluchtig doorlopen ervan heeft me geen aanleiding 
gegeven, om aan mijn bovenstaande aankondiging iets te 




Nieuwe taalpsychologie. 247 



veranderen. SQtterlin waardeert Wundts werk in 't algemeen 
als in 't biezonder, en geeft voor 't overige een door vrij 
wat voorbeelden opgehelderde zeer welkome kritiek. En ook 
zijn streven, zowel als dat van Delbrück, is er kennelik op 
gericht, het door Wundt opgerichte gebouw innerlik en uiter- 
lik te vervolmaken. Alleen met Herbalt wordt daarbij geen 
rekening meer gehouden, ook niet in theorie (vgl. hiervoor 
blz. 239). 

Meer erover te zeggen is hier onnodig — en de kennis- 
making zou er ook te vluchtig voor zijn geweest. 

Van reeds in tijdschriften verschenen kritieken op Wundts 
^Sprachpsychologie' hier melding te maken, lag niet in mijn 
bedoeling. Dat een werk als dat van Wundt tot heel wat, 
meer of minder uitvoerige, besprekingen door taalmannen 
aanleiding en stof zou geven, kon niet uitblijven. En de taal- 
wetenschap zal er wèl bij varen. — 

J. G. T. 



POTGIETERS JAN EN JANNETJE. 



Vervolg van de Aantekeningen i). 



Pag. 12 reg. 1 v. o. : „in de laatste jaren .... maar .... wie 
eijn neus schendt^ schendt gijn aangeeigt": eerst zinspeling 
op al de verkeerde spekulaties van de Nederlanders in de 
laatste tijden toen : maar .... hij zal er maar niet meer 
van zeggen, want „wie te veel kwaad van z'n familie zegt, 
vermindert zijn eigen goeie naam". 

Pag. 13 reg. 13 — 15 : „hoe heb ik er voor géboety dat ik hem in 
zijne wieg een aardig unchtje vond^ dat ik hem tot mijn cupi^ 
dootje madkte^^ : ontaarden in het lafEe, zoetsappige, onmanlike, 
zouteloze, doet vooral licht de minnepoözie, en zo, geeft 
Potgieter hier te kennen, is het ook bij ons geweest, van 
de tijd af dat de fan-SdHe-geest opkwam. Cupido is 't Minne- 
godje, personificatie van de Liefde, — meest voorgesteld als 
een kind-knaap, vaak van noch jongere godjes vergezeld, 
wiege-kin deren noch zelfs, die dan ook Kupido's heten. En 
een ventje nu hls de kleine Jan Salie, bolwangige dikzak 
met slaperige oogjes, zö'n tiepe zegt Jan de Poëet, is een- 
maal mijn Cupido geworden. Potgieter denkt aan minne- 
poözie zonder verhefflng, zonder innigheid, zonder gloed 
van schone passie. Hij karakteriseert ze blijkbaar met de 



1) De bladzijden zijn genomen naar de gewone uitgaaf van Potgieters Proza 
1837 — 1845. — N. B. : v. o. = tan onder. De bladzij telt 45 regels. 



Potgieters Jan en Jannetje. 249 

de enkele regel: Oupidoatje met lodderige oogjesl — Is deze 
regel aan een minnedicht ontleend (van waar?), dan be- 
tekent lodderig daarin wel „verliefd". Toegepast op de 
kleine Jan Salie, dienen we 't echter wel in de andere be- 
tekenis van „slaperig" te nemen. 

't Latijnse Cupido heeft het accent op de twede syllabe. 
Maar in de XVII^e eeuwse volkstaal heeft het het accent 
op de eerste gekregen, als zoveel woorden ('t Germaanse 
accent!), en zö moet het hier ook gezegd worden. 

Pag. 13 reg. 17—24: Jan de Poëet: in de XVII^^^ eeuw was 
Poëet het edele woord voor „dichter"; het was het echte 
Renaissance-woord, dat onze grote mannen van Letteren 
bij voorkeur gebruikten. In de XVIII^e eeuw werd Rijmer 
de term. Potgieter heeft vooral het oog op die vracht van 
rijmelarij die jaar in jaar uit de lading uitmaakte van de 
Dichterlijke Almanakken. Maar de Poëzie was toch weer 
op beterweg gekomen, ook de Minnepoözie. 

ik gou de koorts krygen van ergernis^ cUs ik weer naargyne 
pijpen dansen moest '^ aia ik weer moest toeknikken bif zijn lof- 
lied : „ fVat ben je lief^ etc.^^ : men is licht geneigd deze ge- 
hele alinea op te vatten alsof er sprake is van de minne- 
poözie (in verband met het vorige), maar duidelik is de 
plaats dan allesbehalve: Wiè z'n „loflied"? — „loflied" 
aan wie dan eigenlik? Liever zou ik de alinea buiten diret 
verband met die „Cupido" houden, niet speciaal aan minne- 
poözie willen denken, alles algemeen opvatten. Het „loflied" 
is dan niet eroties gemeend, maar een gewoon loflied van 
Jan Salie grootge worden, aan Jan de Rijmer; Potgieter 
denkt hier dan misschien aan de XVIIIde eeuw toen Jan 
de Rijmer öök bröödpoëet was en danste naar de pijpen 
van de zelf rijmende Jan Salie, hem voor geld z'n nare 
gelegenheidspoëzie had te bezorgen. Bij dit laatste past 



250 J. H. yan den Boscli. 



dat „simpele bloed'\ — maar niet dat „hartedief ". Maar 
in de mond van Jan Salie tegen' zijn broer past het rgm 
eigenlik in geen geval. Zit er toch wat eroties in ? Maar dan 
kan het ook geen gewoon loflied zijn. Dan zou het weer 
wèl met het voorgaande te maken hebben, met Cupido. 
Is het een loflied van Jan Salie aan zijn meisje, dat Jan 
de Poëet goed moet keuren, poözie moet vinden? Dan is 
dat „simpele bloed" al heel raarl — Waar die regels van- 
daan zijn, is mij niet bekend. 

naar zijne pijpen dansen : d. i. oorspr. „dansen zoals een 
ander voorfluit" : pijp = fluit. Potgieter vat in naar iemands 
pijpen dansen^ pijpen als pluralis van pijp op, zoals ook het 
volk doet (zonder zich echter van de betekenis van 't woord 
rekenschap te geven). Het komt al vroeg in de XYP® 
eeuw voor, en mogelik is pijpen ook wel als infinitief 
genomen. 

Pag. 13 reg. 17 — 18: een Mugenalmanak met louter proza- 
stukken: het in 1818 door de Rotterdamse dichter en boek- 
handelaar Immerzeel opgerichte Poëtiese Jaarboekje de Ne- 
derlandsche Mugen- Almanak was voor de jaargang 1842, toen 
het (onder de aandrang van Bakhuizens kritiek in de Oids 
van 1840) een meer moderne redakteur (niemand minder 
dan Nicolaas Beets) had gekregen, ook voor proza-bijdragen 
geopend. Dit nu was volkomen in de geest van die tijd; 
litterair proza stond omtrent '40 hoog aangeschreven, een 
Almanak met louter gedichten was niet op de hoogte, de 
nieuwe Jaarboekjes Tesselsckade (Redakteur Bakhuizen van 
den Brink, 1888) en Aurora (1841) waren voorgegaan. In 
de Gids (juist in dezelfde aflevering, Januari 1842, waarin 
Potgieters Jan en Jannetje te lezen stond), was de herboren 
Muzen- Almanak zeer vriendelik ontvangen : ^11 y a du pro- 
grèsl" begint de criticus: „Eere den Redakteur, welke de 
behoefte van zijnen tijd heeft begrepen, welke dien toe- 
stand van overgang, waarin zich de Poêzij in de armen 



Potgieters Jan en Jannetje. 251 



van het Proza ter ruste heeft gelegd^ opdat beide met 
nieuwe kracht zouden verrijzen, ook in zijnen Muzenalmanak 
vertegenwoordigd wenschte; die, ondanks het geschreeuw 
der Conservatieven, wie zelfs het opnemen van het Proza 
van Mejufvróuw Toussaint, met de afwijking van het plan, 
door wijlen Immerzeel twee en twintig jaren lang gehand- 
haafd, niet verzoenen kon, gemeend heeft de Muzen meer 
te huldigen, door haar gebied uit te breiden, dan door geur- 
en kleurlooze vruchten op haar altaar te offeren!" En de 
poëzie in de nieuwe jaargang? Wel waren er verscheiden 
onbetekenende dichternamen in de Inhoudsopgaaf wegge- 
bleven, maar het koren van Potgieter, Beets, Beelo en ter 
Haar lag toch tussen allerlei kaf; zie de merkwaardige 
kritiek zelf: CHds 1842 BoekbeoordeeMngen 50—64. 

Pag. 13 reg. 14 — 17: „Weet ge niet^ datïk het Cats nog naau- 
welijks vergeven kan^ dat hy het jongsken aan 0ijne knieën spelen 
liet: Cats stond bg Potgieter in slechte reuk, men leze de 
bekende karakteristiek van onze XVII^e eeuwse hoofddich- 
ters in z'n stuk Het Rijks-Museüm te Amsterdam (pag, 8S0 — 
335 in de gewone uitgaaf van het Prom 1837 — 1846 en de 
bladzij van Jan en Jannetje die ons hier bezig houdt, zal 
duidelik zijn. Cats is voor hem de incarnatie van het min- 
der goede in de XVII^^e eeuwse burger, dat, in deXVIII<^e 
eeuw het betere waaruit wij, naar zyn opvatting, groot 
waren geworden, overwon. In hem was niet de komplete 
Zeventiende-eeuwse „Deugd": hem ontbrak manlikheid, 
kracht, en drang tot het ideale. In het laatste kwart van 
de XVII^e eeuw was de XVIII^i© al bij ons begonnen, ook 
in de Poëzie, en Cats had er, volgens Potgieter, mee schuld 
aan gehad, Cats was Jan Salie z'n peet geweest. En meest 
karakteristiek in de poëzie van Cats vond hij die grote 
belangstelling in de gewone huisbakkene, in zijn schatting 
poëzie-loze liefde van de XVII^e eeuwse burgerman, „man 
en vader". 



252 J. H. van den Bosch. 



Pag. 18 reg. 13 v. o.: Hooft^ in wiens torentje aUerlei nymphen 
stoeiden^ Grieksche en Italiaansehe^ Lcdynsche en Oooische 
nymphen^ Hoofi^ die van kusjes en knepen eang^ maar ee nooit 
a4in de poffertjeswangen van onzen sukkel zou hébben verkwist : 

men stelle naast elkaar Hoofts minnepoözie, heerlike poëzie 
van de passie- volle Minne der Jeugd, en Cats z'n Houwelick 
(dat is „het gansch beleyt des Echten-Staets") en men vat 
de tegenstelling van Potgieter : of men leze Cats ook b.v. 
in zijn ^nne- en Minnébedden. — Het „torentje" is het be- 
kende van waaruit Hooft, op zijn slot, ook zijn brieven zo 
dikwijls dateert. Wat die „nymphen'' betreft. Potgieter denkt 
hier aan de gewoonte van Hooft om de geliefde te ver- 
eren onder allerlei aan de Erotiese Litteratuur van Grieken, 
Romeinen, Italianen, (Fransen en Spanjaarden), ontleende 
namen : Deianira, Electra, Phillys, Qalathea, Iphigenia, 
Amaryl, Granida, phariclea, Diana, Charite, Felicia, Julietta : 
Vluchtige nimph waer heen soo snd — Galaihea wacht u wel: 
Deianir'ick kent u wezen: Diana soo ghij lièht cunt overwinnen. 
Maar ook doelt Potgieter op het uitheems (meer bepaald 
Italiaans) karakter van die Poëzie (men zie de aardige op- 
merking over de beurtzang van „Galathea" in lAef en leed 
in H Qooi^ 1839, pag. 224, en vergelijk in Bet Byksmuseum 
te Amsterdam^ pag. 342 en 344). Met de „Gooische nymphen" 
zijn gemeend Rosemondt en Elaere, in de bekende gedich- 
ten, Eerrijckje, Swaentje, Valkenoochje en Haesje in de 
kleine Madrigals („Veltdeuntjes"): zie vooral Lief en leed 
in H Grooi in Proza^ pag. 224, en Het Ryksmuseum 343. 



kusjens en knepen: knepen in de letterlike betekenis wel 
blijkens het volgende: „nooit verkwist aan de poflTertjes- 
wangen van Jan Salie" (de minnaar in Hoofts Poëzie be- 
doelt Potgieter hier, is ook niet het tiepe „Jan Salie"). 

„de poffertjeswangen van onzen sukkel": denk aan de 
„drie goedige boUebuizen" van jongelui die Hildebrand op 



Potgieters Jan en Jannetje. 253 



de jonge-meisjespartij bij Bakker de Groot in De Famüie 
Kegge^ laat komen : te Meppel heten de poffertjes boUébuisjes 
en naar de kloosterbroeders noemt men het gebak poffert 
(of boffert) elders een broeder^ de poffertjes broedertjes. 

Pag. 13 reg. 7—9 v. o. : En Vondel — Vondd^ wiens oogen 
zouden gebliksemd hebben^ als ik sijne reien had gestoord door 
het salieroepen van ons broertje : Potgieter stelt zich hier het 
grote XVII^Je-eeuwse gezin van Jan voor, Vondel zijn 
reien zingende : maar Jan de Poöet heeft Jan Salie uit het 
gezelschap geweerd, dat hij er niet tussendoor om z'n salie 
roept. — In het volgende wordt Vondel geschilderd als de 
verhevenste van onze poöten, als de religieuse geest bij 
wie, in zijn onvoldaanheid met het aardse, de hoogste poö- 
tiese verheffing was — te schouwen in de Hogere We- 
reld van het in 't Oosten geboren Christendom, 't Is of 
Potgieter hier gedacht heeft aan Da Costa's: „Tk ben geen 
zoon der lauwe Westerstranden — Mifn Vaderland is daar de 
Zon ontwaakt — En cUs de gloed der lAbycumsche eanden — 
Zoo is de dorst naar Dichtkunst die mif blaakt, — Wat 
de minnepoëzie bij Vondel betreft, ziehier wat Potgieter 
zegt van zijn bruiloftsdichten in Het Bijksmuzeum (355): 
„Verkwik u aan zijne zangen der liefde, vol gloeds, het is 
waar, mits ge vol gezonden gloeds zegt; weelderig, ik geef 
het u toe, maar zoo als weldige naturen het zijn in den 
bloei harer kracht! Lofliederen van den echt, in één woord, 
zoo als een volk er gaarne zingen hoorde, er zingen mogt, 
dat zich voor het zinnelijke van den band niet schaamde, 
dewijl het voor al het zedelijke van dien eerbied had. Von- 
del was ook de dichter van d^Opregtste Trouw,^' 

Pag. 13 reg. 1 — ^3 : maar ik wilde der menigte gevallen^ ik hield 

me aan Cats^ hij had op fnet het stiUe^ huiselijke^ bescheidene 

jongsken ; hy maakte er versjes zonder tal voor! Toen hij stier f ^ 

was ik al half onder den invloed van Jan Salie ingedommeld ; 
T. EN L. XII. 17 



254 J. H. Tan den Bosch. 



ik eou anders de leerlingen hebben getuchtigd^ die den meester 
in zyne gebreken navolgden : men ziet, Cats had het gedaan ! 
Maar men merkt licht ook, op een plaats als deze, wat 'n 
hachelik genre die litteraire allegorie is, zoals we al aan- 
toonden in onze Beschouwing van het stuk in Taal en Letteren 
1896 bladzij 87—88. Want „Jan" is de natie immers, en de 
natie is de „menigte". En Cats was van 't begin af de Poéet 
van de menigte, vè,n de natie. Of, indien de natie voor Pot- 
gieter alleen maar de gezeten burgerij mocht zijn, wie is dè.n 
de menigte die de Jan-Salie-geest voedde en de „natie" er 
mee deed bederven ? In werkelikheid, geefb Potgieter zich van 
z'n begrip „natie'' niet al te scherp rekenschap. Hij (zelf door 
en door aristokraat des geestes), denkt maar aan een klein 
getal van biezondere geesten, maar idealiseert daarin heel de 
„natie" : bewust möèst 'et 'em echter wel blijven dat de massa 
anders was dan zijn enkelen, en zo spreekt hij dan ook weer 
van een profane „menigte" die eigenUk niet deugde, die 
ook Jan- Salie de hand boven 't hoofd hield, die Jan de 
Poëet ook genoopt had zich „te houden aan Cats". Men 
ziet wat *n invloed die „menigte" deed! Daar was het ook 
„de menigte" voor! Vrage: als de massa zo slap en zo 
slecht was, hoe was Jan dan zo'n man? — de natie zelf! 
Of, was Potgieters Jan toch eigenlik niet de natie ? Was de 
natie ook soms wèl = aan de „menigte" en is 't Potgieters 
fout dat hij een kleine geestelike aristokratie van 'n be- 
paald merk met de natie vereenzelvigt. De zaak is, dat juist 
Cats, de ware, naïeve uitdrukking is van het denken en 
doen van de kern der XVII^^e eeuw, van de eigenlike, de 
echte Jan. Dat we verbasterden was dat we geestelik en 
stoflFelik gingen leven van 't geen onze vaders hadden ver- 
worven, ophielden te arbeiden. Jan Salie was de zoon van 
Jan's overvloed. Dit is de zaak, dat de jonge liberalen van 
de Romantiek (1840—1850), mochten ze ook Potgieter en 
Jonckbloet heten, op Cats niet de rechte kijk hebben gehad. 
Cats stierf in 1660. 



, Potgieters Jan en Jannetje. 255 

Pag. 14 reg.. 3: cUf'Oas herhalende^ — flaauw tot wcUgens toe: 
eigenaardigheid van Cats^ die op zich-zelf geen on-deugd is 
maar waarin hij zeker veel heeft gezondigd, is zijn ver- 
wijlen bij de dingen en zijn herhalen. De kernachtige Pot- 
gieter beschouwt dit wel als zijn hoofdfout — fltiauto tot^ 
tocUgens toe: nl. als de diep- versmade salie. 

Pag. 14 reg. 6: Ook werder tvif uitgevraagd zoo vaak er wafelen 
werden gebakken^ 000 vaak er slemp werd gdept; o, dagen 
m^ner schande : d. i. wij poëten. Potgieter denkt hier aan 
de banale gelegenheids-dichterij van de XVIIPe eeuw. (Vgl. 
Krit. Stud, I, 175). Er mag hier noch wel weer bij opge- 
merkt, dat Cats hiermee helemaal niets heeft uit te staan. 

Pag. 14 reg. 8: Antanides: Johannes Antonides van derQoes, 
meest Antonides genoemd, Amsterdams Poöet, gestorven 
1684: dichter van „hoge vlucht", een krachtig talent maar, 
met dit talent, vooral imitator van Vondel. 

Pag. 14 reg. 16—20: Het heldendicht — Oy wat eposjes ! — het lier- 
dicht — o, wat odetjes! — het minnedicht — 0^ wat Magtjes ! — 
ieder genre was in predikatie^ s ontaard: Potgieter noemt hier 
een paar van de mode-genres van de XVIII^e eeuw. Aan 
het epos, het heldendicht waartegen de grote dichters van 
de XVII^ie eeuw als tegen de zwaarste dichterlike taak 
hadden opgezien, durfde in de XVHI^e eeuw iedere poëta- 
ster zich wel wagen: er zijn zeker wel een twintig werken 
te noemen die als grote epiek te gelden hadden. En veel 
„beoefend" werd ook de verhevene Ode (anders lierdidUge- 
naamd: niet te verwarren met „lyries gedicht"; het lier- 
dicht is een soort van lyriek). En zeker was alles „predi- 
katie" geworden: 't zij puur verstandelike redenering en 
betoog, 't z\j retoriese „welsprekendheid", brallende frase- 
ologie. 
ik urist in verzenbundels van aUes wat te vertéllen^ maarden 



256 J. H. van den Bosch. 



hartstocht werd ik vreemd ; Foèzij en Jan Scdiegeest^ hoe ionden 
eij eamen gaan: want in alle echte poëzie is een element 
van hartstocht^ immers is ze uit „emotie", uit een innerlike 
ontroering der persoonlikheid geboren. 

Pag. 14 reg. 19 y. o. : Van Haren : Büderdijk moest me tot hem 
optrekken : Hoog stond voor Potgieter Onno Zwier van Haren 
met zijn Oeneen: „dat de schare van zyne lezers dag aan 
dag grooter worden mogt!" — schrijft hij in het begin van 
Vgf en twintig jaren Hoüandsche Poezy (1149) — „het be- 
hoort voor het volksleven tot onze vurigste wenschen. 
Huwelijkstrouw en moederweelde, wie heeft die inniger 
bezongen dan de dichter van Rozemondt? — maar ook 
de liefde voor de vrijheid, die het bloed der burgeren veil 
had tot cement van het gemeenebest, — maar ook de 
liefde voor Oranje, het stamhuis, dat in vier geslachten 
op vijf verhevener helden mogt bogen, dan uit eenig vor- 
stelijk bloed gesproten zijn, — maar den lust in wereld- 
handel, en den overvloed dien het voorgeslacht er aan had 
dank te weten ; maar den zin voor wetenschap en kunst, 
én de gouden eeuw, die beide in Holland beleefden, wie 
deed die tevens regt als hij?" In 1769 verschenen de Ghu- 
zen^ in 1772 noch 'eens, omgewerkt. Door een krachtige 
patriotiese bezieling werd het grote lyries- vertellende dicht- 
werk gedragen, doorademd werd het van de edelste vrij- 
heidsliefde, een héroïese geest leefde er in. Maar tot. de 
tijdgenoten sprak het niet. Van Haren had zijn leven lang 
in het Frans gedacht, gesproken en geschreven en zijn 
werk botste fel met de eisen van zoetvloeiende regelmaat 
en grammatikale „keurigheid", toen aan poëzie gesteld ; 
het was vol weerbarstige ritmen en kreupele taal. „De ruw- 
heid van versmaat", zegt Bilderdijk, „of liever, gebrek aan 
een geregelde en draaglijke versmaat, de hardheid, de ge- 
dwongenheid der uitdrukkingen, de ongelijkheid van den 
stijl, het volstrekt gebrek aan een zuivre, dikwijls aan 





Potgieters Jan en Jannetje. 257 

een leesbre en verstaanbare taal; een volslagen gemis van 
alle schoonheden van den tweeden rang, op welke onze leef- 
tijd 6n landaart zo gezet, zo kiesch en zo keurig is, die 
somwijlen het gemis van eerste, van verheven schoonheden 
vergeten doen, die de wezenlijke misslagen bedekken, en 
schijnen te kunnen vergoeden, en zonder welken zelfs de 
innige schoonheden van een Dichtstuk zich in onze (be- 
schaafde I) dagen niet kunnen doen gelden: dit alles moest 
noodwendig De Geuzen in hunne geboorte als versmoren, 
en in de vergetenheid brengen, zelfs eer zij bekend konden 
zijn. Slechts weinigen, tot wier kennis zij kwamen, konden 
zich zo veel geweld aan doen, om het boek te doorblade- 
ren; nog minder, om de lezing van meer dan vierduizend 
gebrekkige verzen door te slaan. Van daar dat eenparig 
verslag in de Letterkundige berichten, die den Schrijver 
alle aanspraak op den eernaam van dichter ontzeggen." 
Bilderdijk de Poëet was het, die in de Geuzen een waar- 
achtig werk van poözie erkende: „zij echter, die moeds ge- 
noeg hadden, om een werk van zoo ruw een uiterlijk na te 
gaan, zij vonden een waren, een verheven, een voortref- 
felijken Dichtgeest in die slechte verzen besloten: een 
Dichtgeest, dien ze zich niet verzadigen konden bij her- 
haling te bewonderen." Met hulp van Feith deed Bil- 
derdijk de Geuzen in 1785 verbeterd en beschaafd het licht 
zien. — Telkens en telkens spreekt Potgieter over van 
Haren. Opmerkelik zijn voor ons hier noch de woorden die 
hij tot de dichter Beeloo richt in de beoordeling van zijn 
'sGravmhage (1843): „handhaaf u als een onzer eerste Lyrici, 
er is plaats voor u naast Onno Zwier! en eene hooge 
plaats is het, eene plaats, welke Bilderdijk u benijden mag, 
want zoo ten onzent vaderlandsliefde nog de harten der 
gemeente blaakt, ondanks de koelheid des volksaards, de 
lasten des lands, de flauwheid des tij ds, de onverschilligheid 
der hoogere standen, de gebeurtenissen der laatste jaren 
de Geuzen houden het heilig vuur brandende, dat door den 



2&8 J. H. van den Bosch. 



eersten Vondel ontstoken werd; de tweede {nl. Büderdyk) 
was nooit grooter, dan toen hij zich kromde om de vlam 
aan te blazen, dan toen hij zich boog, om haar te doen 
opgloren!" 

Büderdifk schudde my wakker: ziehier wat Potgieter elders 
zegt van hem die „de natie tot van Haren optrok": „wie 
is waardig, wie is in staat in het licht te stellen, wat onze 
taal hem verschuldigd is? De wedergeboorte der HoUand- 
sche dichtkunst dagteekent van zijne verschijning, de Hol- 
landsche proza schittert van den weerschijn van haren 
glans" (in Jacób van Heemskerk en Fijf en Twintig jaren Hd- 
landsche Poe0ij\ Krü. Stud. II. 224). 

Pag. 14 reg. 15 v. o. Of al mijne eangers als ik beu van hem 
waren; of zg inzagen dat hij onder het mom der rhetorica op 
nieuw binnen eoékt te dringen: merk op hoe Jan de Poëet 
zich hier weer onderscheidt van de dichters zelf; op andere 
plaatsen is hij de dichters-zelf („ook werden wij uitgevraagd 
zoo vaak er wafelen werden gebakken"). Potgieter heeft 
het nu weer over zijn eigen tijd en Jan de Poëet is daarin 
eigenlik het dichterlik kompagnonschap van de Qids, Pot- 
gieter—Bakhuizen zei ven. Zie de Inleiding (hiervoor) over 
de eis van oorspronkelikheid, van zelf iets te zijn, door hen 
aan de poëten gesteld. Die met deze eis geen ernst maakte, 
die die niet begreep en in zich zelf die drang niet voelde 
en evenwel poëet wilde zijn, die was voor Potgieter Jan 
Salie in de "Poëzie. Het was de retoriese dichter, de frase- 
dichter die de werkelike poëten achterna dicht ; die van 
zich-zelf niets bezittende, de kracht missende om op zich- 
zelf iets te veroveren, — daar woorden een betekenis heb- 
ben, in 't ijdel gebruiken van andermans woorden de schijn 
kan verkrijgen van iemand te z^n. Retoriek nu, schijn- 
poëzie niet uit werkelik leven, niet uit echte ontroering, 
niet uit schone aanschouwing geboren, zulke retoriek zat 



Potgieters Jan en Jannetje. 259 

er dik in de toenmalige nieuwe Litteratuur en de Gids 
arbeidde daar onverdroten tegen. 

Ik wens hier weer op te merken dat Cats dan toch aller- 
minst een frase-dichter geweest is. — Maar Antonides? 

Pag. 14 reg. 13 v. o.: Ik weer hen met vuist en voet va/n myn 
drempel^ die minnelijmers^ wier stukjes de hotste kan invuüen^ 
ais hij maar de eindrijmen kent: ,,Ik Jan de Poëet'': d. i. 
hier de Qids^ Potgieter-Bakhuizen zelf ; men zie b. v. de recen- 
sies van de Dichterlike Jaarboekjes. De regels De schroom 
In den droom^ etc. hebben de schijn van uit Braga afkom- 
stig te zijn, maar .... Braga was er toen noch niet. Pot- 
gieter rijmelt ze ongetwijfeld zelf aaneen als staaltje van 
een vierregelige strofe die uit niet veel anders dan de rijm- 
woorden bestaat. Men zie ook het gedicht Ooede Nacht van de 
Thouars, Muzenaimanak 1841: ,Jn mijn moeders koestrende 
armen — Rees voor u mijn kinderklacht — Die mijn jonk- 
heid moest beschermen — Maar mij toeriep: goede nacht^': 
in alle elf strofen van dit prulvers is „goede nacht I" het 
slot en rijm-echo van de twede regel, maar ettelike malen 
herhaalt zich een rijmpaar, ook kiacht — nacht ; misschien 
stond Potgieter dit voor de geest. En het slordig gerij mei 
bloesem — boezetn ontmoet men in de poëzie van die tijd 
inderdaad ieder oogenblik ; b.v. Alm. v. het 8ch, en Ooede 1842^ 
76, Mueenalmanak 1840, 140, 1841, 102, 127, 1842, 102; 
sommigen maakten de fout nog erger door dan Uoeeem te 
schrijven. Potgieter bedoelt tegelijk het rijmen van om- 
kra/nsen-gla^zen {Alm, v. het Sch. en Goede 1840, 113), bruisen — 
suizen {Muzenalmanak 1841, 136), bruisen — sluizen (ibid. 1841, 
141), bruizen (!) — sluizen — ruischen (Leidse Studentenalma- 
nak 1840). Maar ook de dichters van naam (Ter Haar, 
Hofdijk, Beets) misgingen zich hierin wel. Wat later spotte 
ook Braga (1842) met dekombinatie „boezem" en „bloezem" 
(met zï) in Hoe maakt de kwartpoëet zijn vaerzen, evenals 
met ^smarten en harten, geflonker en donker, gewemel 



260 J. H. van den Boach. 



en hemel, bepereld en wereld" etc. — Minnelijmers : „Iqmen" 
is term voor „slechte verzen maken", hoewel indeXVII^^e 
eeuw ook wel in gunstige zin; elders bij Potgieter verzen- 
lytners. 

Pag. 14 reg. 6—10 v. o.: Ik ufeer die nog ondragelijker spreek- 
tooorden-berijmers^ toelke den vcikeeenelescumschouwd^kmaken^ 
die hel reeds gdf in beelden heeft gebragt: Zo waren er, men 
doorbladere de tijdschriften, jaarboekjes en almanakken, en 
bundels van die tijd maar! Potgieter zal wel biezonderhet 
oog gehad hebben op Brester, die sterk was in dit genre 
blijkens zijn H Is goed roeyen onder 't zeyl (in de trant van 
Cats), Hooghe boomen geven meer schaduw dan vrucht (k la 
Huygens), Op oud ifs vriest het ligt^ Trekt als 't nopt^ De 
beste stuurlui staan aan wal^ Als H kalf verdronken is, dempt 
men de put^ Een Spaansch spreekwoord HóUandsch uitgelegd, — 
Het citaat van de „versleten doedel" kan ik niet terecht 
brengen. De „doedel" of „doedelzak" komt, als zinnebeeld 
van de rijmelarij, bij de toenmalige dichters veel voor; 
vooral bij Goeverneur die z'n eigen instrument altijd zo 
noemt; zo ook doedelen en doedelaar) ook bij Potgieter wel. 

Pag. 14 reg. 2 — 5: Ik weer bovenal die venters van aardigheden 
welke mij in een hansuH>rstenpak steken^ als had ik geene andere 
roeping dan te goochelen met woorden en klanken — etc. : Pot- 
gieter oogt hier op van Lennep*s Hoe loopt de Dusse langs 
H hol van Neander en zijn Elegende^ op Bosscha's A-saga 
{Paaschmaandag) en A. des Amorie van der Hoeven's 
0'Sprook {Cdhoms Roos). De E-legende (1840) was een klein 
proza- verhaal met enkel de e als vokaal (wel te verstaan 
er waren drie vokalen in nl. de drie in b.v. ezelsvel^ maar 
die hebben hetzelfde teken); het was een knutselarij met 
zinnen en woorden die de moeite van 't kennisnemen niet 
loont, maar de geleerde Heren Van der Hoeven en Bosscha 
zagen er iets „letterkundigs" in en kwamen in 1841 met 



Potgieters Jan en Jannetje. 261 



iets dergelijks voor den dag; (in 1879 zijn de legende, de 
sproke en de sage noch eens samen uitgegeven). In de Muzen- 
almanak voor 1842 deed toen van Lennep dat andere woor- 
den-kunst-stuk van Hoe loopt de Dtisse verschijnen (in ver- 
schillende bloemlezingen wel te vinden). Het was, zoals in 
1843 in Braga met de stukken bewezen werd {Merkwaardig 
voorbeeld van Litterarischen diefstal) gevolgd naar Southey's 
Cataract of Lodore (1831), wat van Lennep er niet bij gezegd 
had. Terzelfder tijd werd het hier noch eens geparodieerd 
in Hoe maakt de kwartpoëet zijn verzen (nieuwe proeve van 
van den rijkdom onzer Taal I) Vroeger had in Braga al te 
lezen gestaan: „Wij hebben de A-Saag' al, benevens de 
E -legende; — Ook de 0-Sprook heeft de rei der wonderen 
vermeerd; — Waar blijft ge, Nimeczec's van onze schrij- 
versbende? — Ten dans! het IJ -rijm en het V-prtd nog 
mankeert!*' — waarbij men weten moet dat Nimeczec de 
eigenaar van een paarden- en koordedansersspel toen was 
„waarin hij zelf door zijn vreemde sprongen het publiek 
vermaakte" (Braga^ Nieuwe Uitgave met Inleiding en Toe- 
lichting, 1888, bladzij 97) *). In dezelfde Gidsaflevering nu 
waarin Potgieters Jan en Jannetje verscheen (Januarie 
1842) lezen we in de Recensie van de Nederlandsche Mt^en- 
almanak voor 1842 o. m. aldus (pag. 62) : „Van Lennep wilde 
ons door woorden en metrum afbeelden Hoe de Dusse loopt 
langs het hol van Neander^ en bezigde daartoe wel eens 
woorden, die niet HoUandsch zijn, of herhaalde hetzelfde 



In de Leidsche Studenten-almanak voor 1842 (pag. 192) vindt men een 
hekelende Lierzang aan Neêrlands Voeaal-KunstenaarSf in déze trant: 

Want eerst gleed van des Dichters luit 
De teemig kweelende E-legende, 
Straks barstte de A«$aag krakend uit, 
En de 0-Sprook lolde Oldgonds ellende; 
En met verrukking in gemoed 
Zag Hollands taal den wilden vloed 
Vocalen uit zijn kluisters breken; etc; 

*t Hele gedicht gaat hierover. 



262 J. H. van den Bosch. 



woord volgens verschillende dialecten. Het is verbazend 
sterk, en leert ons, wat de dichter zou kunnen, wanneer 
de gedachte zoo vlot voortwilde als het rym. De datum, 
10 Aug. 1840, doet ons echter hopen, dat de Dichter die 
periode zijner poëtische ontwikkeling, eens voor al, met 
zijne E-Legende zal besloten hebben." Ondertussen is zulke 
„poëtiese" kunstenmakerij later noch wel meer vertoond : 
in 1855 in van Lenneps jaarboekje Holland^ en in 1880 het 
I-gedicht, Prins Wiüi. 

Waar drommel haaU de brui de ivoorden ioch van daan: 
citaat uit Langendijk*s Don Qmchot^ Bedrijf II, waar Kama- 
cho zijn bewondering voor het prachtige dichten van 
Jochem de Schoolmeester, met allemaal woorden op — tie^ 
aldus uit: Waer haeU de gek dien brui quae woorden tog van 
daen: het speelde Potgieter ietwat verward door het hoofd, 
maar op het dichtstuk van de Dusse was het inderdaad 
biezonder toepasselik. 

Pag. 14 reg. 1 v. o. — pag. 15reg. 10: ,jBedaar Jongen I bedaar^*^ 
roept Jan — hy plagt van ouds van poëten te houden^ — eer de 
vreemden ons weer zouden uiüagchen^ ligge mijn jongste voor een^ 
doeniet Vhuis.^^ — ^Slechts aan hen^''^ herneemt Jan de Póèety 
^slechts aan de rhetorici^ die mij handen vol werks geven^ slechts 
aun deze heb ik het te wijten^ dat Jan Grediet mij ingewikkeld 
verwijt^ dat mijne kunst eene nuttdooze weelde^ dat haar tijd 
voorbij is" — „Wie weet of ge niet juist ziet^** valt Jan Ore- 
diet in : ^^wij^ de lui van de negotie^ we hebben dUijd ein gehad 
voor iedere glorie^ want we trokken van élke partij. Als ge 
meer op de hoogte onzes tijds waart . . . ." Zowel in de XVII<*e 
als in de XVIII^e eeuw waren de poëten bij ons in ere, 
ook bij de Hollandse koopman ; het blijkt uit genoeg feiten 
in de Geschiedenis van onze Letterkunde. Maar het schijnt 
Potgieter toe dat dit in zijn tijd niet mèèr zo was. Al is 
het niet rechtstreeks (ingewikkeld = j^implicité\ zo dat het 
niet uitdrukkelik gezegd is maar in de uiting ligt opge- 



Potgieters Jan en Jannetje. 263 

sloten), Jan Crediet geeft het wel te verstaan dat hij de 
poöet een nutteloos iemand oordeelt, poëzie ijdel spel, niet 
meer een werkelike kunst. Het is de schuld, meent Pot- 
gieter, terecht, het is de schuld van de frase-dichters, de 
retorici. En dan laat hij Jan Crediet de spijker op de kop 
slaan: laat de dichter een man zijn die staat midden in 
zijn tijd, die zijn tijd waarlik meeleeft, laat hij weer ziener 
en verklaarder van 't Leven zijn, laat hij weer hoog staan, 
en men zal hem weer tellen en weten te schatten, zeker 
ook „de lui van de negotie" die alle glorie wel in winst 
weten om te zetten. Belangrijk is, in verband met de 
plaats uit Potgieter, het Voorbericht van de Mt4zenalmanaJc 
van 1844, waarin de nieuwe Redaksie (van Lennep, Beeloo 
en Heije) z'n zienswijze ontvouwt over staat en toekomst 
der Nederlandse poëzie : er wordt geklaagd dat de dagen 
der Poözie voorbij zijn, men geeft niet meer poëzie: maar 
de Poëzie g^t niet voorbij, de dichters echter zijn achter- 
gebleven bij hun tijd: .en wel is de Romantiek gekomen 
maar in haar is veel „bloot spel met vormen", veel „jagt 
naar het vreemde, te weinig van die ware Poëzie die 
de veredelde uitdrukking is van het menschelijke in den 
mensch": eerst dan zal de dichter weer geacht zijn, als 
de poëzie weer zijn zal „de uitdrukking en tevens de 
leidstar van haar tijd", „als zij weer in haar tijd zal ge- 
worteld zijn en tevens hare kroon van bloesems en vruch- 
ten daarover uitbreiden" : „rijk is de tijd en krachtig wordt 
de behoefte aan dichterlijke opvatting des levens gevoeld", 
maar bij de dichters moet, voor Retoriek, grondige studie 
zijn van de tijd. 

Pag. 15 reg. 12: Ik tracM er te komen^ edp door de bokkespron- 
gen m'gner nieuwere school: nl. van de Romantiek, de school 
waarvan Potgieter zelf het hoofd was; — bokkesprongen: als 
die in Aant. pag. 14 reg. 2 — 5 vermeld zijn; te weinig be- 
zonnen navolging b.v. van Byron en Victor Hugo, ook bij 



264 J. H. van den Bosch. 



de beste talenten; en meer zo. De „bokkesprongen'* van 
de Nieuwe School werden om deze tijd duchtig gekritiseerd 
door vriend en vqand: men zie b.v, de Voorrede in de 
vorige aantekening aangehaald, men leze van Lenneps Ode 
Aan de Zanggodin in de Mueenalmanak van 1840 (gedateerd 
1838) merkwaardig manifest, door Bakhuizen uitgeplozen; 
leze in de Almanak van 1841 Yinkeles' gedicht DeOraMen 
(pag. 51 en v.v. over de uitspattingen der nieuwere poëzie), 
Helvetius van den Bergh z'n Rijm-epidd in de Aurora van 
1841, slechte satire op de bastaard-genres der Romantiek. 

Pag. 15 reg. 21: Hoe is het mogdyJc: hl. dat een vrouw wier 
leus het altijd geweest was (leus tot in 't kleine toe be- 
tracht 1) AUe ding zijn eis^ dat zulk een vrouw voor haar 
kind toch niet wilde wat éis voor hem, wat goed voor 
hem was. Let verder op de laatste periode van deze pagina : 
Gij^ die in een tijd^ etc. 

Pag. 15 reg. 21 v. o. : „AUe ding zijn eisch^'* was in hare jeugd 
haar woord: uit de vroeg-zeventiende-eeuwse Litteratuur is 
mij de spreuk niet bekend. Wel staat bij Harrebomée op- 
getekend: Alle ding zijn behoren^ en AUe ding zo H behoort^ 
eet de vrouw, en sij sloeg haar man met de tang. 

Pag. 15 reg 14 — 19 v. o. : üit een koperen vlootje etc.: Hier is 
weer een herinnering bij Potgieter uit Roemer Visschers 
Brabbeling (in Rommdsoo): 

Het schrale water uyt een koperen vlotele, 

Het groene wey uyt een houten schotele. 

Het poflfe bier uyt tinnen flappers wichtigh, 

De klare wijn uyt roemers heel deurlichtigh : 

Men magh 't welighe kandeel uit gulden stopen schincken ; 

Dan niet beter als mos uyt een aerden kopken drincken. 

Vlootje: denk aan ons botervlootje; — wei: of hui^ de 



Potgieters Jan en Jannetje. 265 

zoetige vloeistof die van de melk overblijft als de kaasstof 
er uit is, in de ouwe kluchten als boerendrank vermeld, 
in het kaasmakende Holland welbekend noch; — het poffe 
bier: pof = schuimend? — bij Kiliaen staat het adjektief 
pof genoteerd, maar = fungosus, turgidus, tumidus, spon- 
giosus, en in overeenstemming daarmee is pof brood of pof- 
fen-brood („panis albus" : wittebrood) er verklaard als „panis 
spongiosus" (sponsig, met holtes, pf blaasjes) ; — flapper : 
grote bierkan, flapkan (in Jan 8aly^ pag. 35: een flapkan 
met franse wijn): „kan met deksel" zegt Van Dale, dus 
zeker „die zo töè kon flappen"; — fluü: rank wijnglas, 
zoals in onze museums noch genoeg te zien zijn. 

Pag. 15 reg. 12 v. o.: kandeel: de bekende kraamvrouwen- 
drank, in hoofdzaak wijn gekookt met suiker, specerij, en 
eierdojers, ook bij de kraamvisite gebruikt; —brouwen had 
vroeger, en noch dialekties, de betekenis van „koken", niet 
enkel van bier gezegd. — stoop: later een maat, ook wijn- 
maat (zie Halmai), vroeger, en zo hier, een soort beker of 
bokaal (zie Kiliaen). 

Pag. 15 reg. 3—4 v. o.: gij^ die in mik een tijd Jan waardig 
ter eijde stondi: nl. in de Vrijheids-oorlog: denk aan Kenau 
Simons Hasselaer, en de zodanigen. 

Pag. 15 reg. 1 v. o.: AUe zin zijn wil: aanwijzen kan ik dit 
spreekwoord niet. 

Pag. 16 reg. 9: „TFfc zegt dat?^^ herhaalt onze oudste krijgsman: 
Jan Cordaat acht zich beledigd, dat men hèm met Jan 
Salie op wil schepen. — ome oudste krijgsman : immers 
tegenover onze XVIIde-eeuwse marine is het leger ouder 
bij ons. 

Pag. 16 reg. 14: de vrolijkste^ de welgedaanste^ de Moekmoedigste 
van Jan's kinderen: Jan Compagnie. Zie vooral het prach- 



266 J. H. van den Bosch. 



tige Lied van Jan Cofnpagnie in de Liedekens van Bantekoe^ 
daaruit 'strofe 2 : WcU hielp dat hrammetje in zijn tijd — 
Al meisjens H hoofd op hol l — Wat had dat boefje wijd en 
zijd — Den kerfstok spoedig vdl — jfWegV^ riep gijn vaêr^ 
en jfWeeV^ zijn moer. — j, ^Mijn rijk is uit^ adieV'^' — Hoe 
arm hij naar Oost-Inje voer^ — Hij werd Jan Compagnie; en 
strofe 3 : H Was in en uit met d'Atnboinees ; — Hij prees eijn 
specerij^ — Maar toffdde den Portugees^ — En heul de han- 
den vrij. — Ter nood verliep nog jaar en dag^ — Daar kwam 
een vloot in 't Vlie^ — De rijkste^ die ooit Holland zag; — 
Haar zond Jan Compagnie; en dan: De wilde snaak werd 
groot sinjeur etc. Die grote sinjeur kon licht „de welge- 
daanste zijn van al Jan's kinderen". In zijn jeugd was hij 
de vrolikste geweest: zie noch de laatste strofes van het 
Lied ; 't is bekend dat van 't eerste begin af zich aan 
Indië ging wagen — al wat, bij te overdadige levenslust, 
in de gewone omgeving „niet deugen wilde"; zie onze ge- 
schiedboeken over Indiö (Meinsma, Oesch. v. d. Ned. Oost- 
Ind. Besdtt.^ Terwogt, Het Land van J. P. Coen^ ook van 
Lith). En van zijn weergaloze „kloekmoedigheid", vermetel- 
heid zonder maat als het vereist werd, vertellen dezelfde 
geschiedboeken hoofdstuk aan hoofdstuk. Potgieter stelt 
zich zijn Jan Compagnie bij voorkeur als een donker tiepe 
voor, tiepe van pittige levenskracht, niet al te fijn van 
gevoel, niet zeer hoog in zijn aspiraties. 

Pag. 16 reg. 16 v. o.: Oei: „Oei! Mijn likdoorns!'' — „Oei! 
Wat brand ik me daar aan mijn sigaar!" — „Oei ! Mijn rug. 
Geen lid aan 't lijf, of 't doet mij zeer." (Van L e n n e p). 
Zie deze en meer voorbeelden in 't Grote Woordefd>oek. 

Pag. 16 reg. 14 v. o.: de stok^ de straf divisie : „de krijgstucht", 
lezen we in Onze Gouden Eeuw I 200, „was" (in het zeer 
gemengde leger in de dagen van de Republiek) „natuur- 
lijk streng en hard. Ieder kapitein of ofBcier voerde 



^^i 



Potgieters Jan en Jannetje. 267 

behalve z^n wapenen een stok, en niet voor niet; en in 
vele gevallen was zijn gezag zeer ver strekkend. Alleen 
erge vergrijpen werden door den krijgsraad berecht, die 
kort een streng recht deed." In het Reglement en Generade 
ordres voor de Regimenten Infanterie van den Stoet van 1772 
wordt in het hoofdstuk over Subordinatie en Discipline 
wel over de spitsroeden gesproken, niet over de stok; 
maar blijkens Hoofdst. VIII, Afd. II, Art. 31, dragen de 
korporaals hazelaren stokken van boven en van onder met 
geel koper beslagen, die niet te dik mogen zgn. In het 
Beglement van 1817 vindt men de bepaling (Art. 154): 
„wanneer de afdeeling op marsch zal zijn, zullen de sol- 
daten, die in de kamers van politie of in de provoost ge- 
detineerd waren, bij de achterwacht en met de rok omge- 
keerd aan, marcheren" en in Art. 157 dat ook de gear- 
resteerde onder- ofQcieren bij de achterwacht hebben te 
marcheren. Heeft dit nu iets met de „strafdivisie'' uit te 
staan? En was er nu in 1842 noch zulk een stok en een 
„strafdivisie" ? 

Pag. 16 reg. 5 v. o. : hoe ik gestreden heb onder vgf Vorsten uit 
hetzelfde Huis: nl. in de dagen dat Nederland een grote 
natie was : Willem I, Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, 
Willem III (t 1702). - Vanwaar het citaat? 

Pag. 16 reg. 4 v. o. : ü, die met den Prins over de Maas ben 
geweest: in 1568, toen de Zwijger zijn geprezen tocht over 
de Maas volbracht, die Alva hem beletten wilde. „Hij is 
met de Prins over de Maas geweest" betekende later dat 
iemand voor geen kleintje vervaard behoefde te zijn. 

Het citaat is uit Bedrijf V van Vondels Paiamedes^ 1931. 
In zijn: waar vond de schalk den regel^ uit Potgieter zeker 
bewondering voor dit vers. 

Pas. 17 reg. 1. Die met Mouringh bg Nieuwpoort, de zege jsoo 



268 J. H. van den Bosch. 



gcuirne bij de vleugds had gepakt^ om ons verder te voeren: 
Het is bekend dat de gehele ondernemiDg van het jaar 
1600 tegen de zin van Maurits plaats had en de Veldheer 
na de zege bij Nieuwpoort geenszins gestemd was om zijn 
leger „verder te voeren". Zelfe een eigenlike vervolging 
van de vijand liet hij achterwege. „Volgens Carnero 
[Spaans geschiedschrijver] werd dit (den Prins) als een 
misslag toegerekend, maar hij wijst zelf de redenen aan 
die (hem) tot omzichtigheid noopten'' (Fruin, Be dag bij 
Nieutopoort in Ferepr. Gesehr. III). „Zeer tegen den zin van 
de Staten dreef Maurits [ook] zijn besluit om terug te 
keeren door" (Blok, Gesch. v. het Nederl. Volk III). Let wel 
dat Potgieter volstrekt niet zegt dat de Prins „ons" gaarne 
verder gevoerd had: Jan Cordaat had gaarne zo gedaan; 
er wordt hier dus toch op het afbreken van de tocht ge- 
zinspeeld. — Mouringh: eigenlik een hier hartelike aanban- 
kelikheid uitdrukkend deminutief (= „Mauritsje"), waarmee 
de Prins bij 't volk genoemd werd. — Het citaat is uit 
Hooft's Geeraerdt van Velsen^ uit de profetie van de Vecht : 
Voor wien aUe^ oorlochsman in zijnen tijdt scd wijcken^ waarin 
het inderdaad ook van Maurits gezegd wordt; Potgieters 
zou is op die profetie een fijne toespeling: „zou" d. i. zoals 
eenmaal voorspeld was geworden (het is geen „voor waarde- 
like wijs", maar de gewone „verleden toekomende tijd"). 

Pag. 17 reg. 4: Die met Fredrick Henrick zeven steden nam: 
Grol, 's Hertogenbosch, Venlo, Roermond, Maastricht, Breda, 
Sas van Gent (en Hulst: dat zijn er acht, maar Potgieter 
rekent liever met het traditionele volkomene getal van 
zeven en neemt een paar van de kleinere veroveringen 
samen). — Het citaat is uit Vondel's Verovering van Grd^ 
uit het begin, waar Vondel van zich zelf spreekt tot Fre- 
derik Hendrik, als die „G^een leidstar kent^ als 't lickt dat 
op uw* hdmtop blinkt^ Een onwillekeurige verandering is 
wel dat jjheilstar^\ want wèit hij veranderde in de verzen 



Potgieters Jan en Jannetje. 269 

heeft de schrijver overal met biezondere druk te kennen 
gegeven (hier blinkt in blanck). 

Pag. 17 reg. 9: „Die met Willem den Tweeden voor Amster- 
dam*..J* — y^Wat haper je?** roept Jan tuit: een merk- 
waardige plaats: duidelik komt hier uit, Potgieters eigen 
partijkiezen in de grote staatkundige strijd van de XVII^® 
eeuw: hij is oprecht Vriend van de Oranjes, maar hij is 
ook Amsterdammer! Maar zie voor zijn staatkundige ge- 
zindheden vooral de bladzijde uit Staatshervormen^ aangehaald 
op het einde van de AavUekeningen^ bij Pag. 23 reg. 11. 
Met Willem de Twede was Jan Cordaat ook eenmaal opge- 
trokken (1650) om Amsterdam te belegeren en te bezetten, 
Amsterdam en zijn grote burgers klein te maken. En Pot- 
gieter's Jan is natuurlik Hollander en Amsterdammer! 
Daarom aarzelt Jan Cordaat om voort te gaan. „Wat is 
het, dat je niet voortgaat?" valt Jan uit (let op datje"!) 
„Neen ik ben het nog niet vergeten hoe de Prins het 
Hoogste gezag, die Soevereiniteit aan zich wenste te trek- 
ken waarop de Zwijger, Maurits en Frederik Hendrik aan- 
spraak gehad mochten hebben, maar hij die in 't begin 
van zijn loopbaan was (en de oorlog was nu voorbij!), 
zeker niét." Nijhoff, in de Staatk. Oesch. v. Nederland (189S; 
H), besluit aldus zijn hoofdstuk over de gebeurtenissen van 
1650: „Hedendaagsche geschiedschrijvers zijn het nagenoeg 
allen eens in de veroordeeling van Prins Willem H. De 
poging door Groen van Prinsteren aangewend, om hem 
als den voorstander der Generaliteit te verdedigen in zijn 
handelwijze tegenover Holland, moet als mislukt beschouwd 
worden. Laat staan, dat de Prins daartoe het recht had 
gehad, dan nog kan het niet bevestigd worden, dat een 
hervatting van den oorlog met Spanje, een ingrijpen in de 
Engelsche toestanden, hetgeen des Prinsen hoofdbedoeling 
was, met de ware belangen van de Unie der zeven ge- 
westen in overeenstemming zou zijn geweest. In naam 

T. EN L. XII. 18 



370 J. H. van den Bosch. 



der generale belangen van ons land durven we gerust 
als slotsom uitspreken: Goddank dat de poging van den 
jongen Vorst, om hier een vorstelijk absolutisme te vesti- 
gen, Üdel geweest is/' — In latere drukken van Potgieters 
Prasa (in welke het eerst?) staat: Wat hapert je? d. i. 
„Wat scheelt-je?" — maar verkeerdelik. 

En let wel: Jan de Poöet ook zwijgt! ~ op het einde 
van hetzelfde jaar 1660 was Willem II gestorven, en geen 
glorie van poézie omgeeft zijn naam. 

Pag. 17 reg. IS: Hd is alsof Jan de Poëeé het stikwygen straks 
door hem bewaard wü vergoilyken: vergodghen hier = „goed 
maken", niet met de gewone betekenis. Over Willen III 
zal hij zich dubbel laten horen 1 Het citaat is uit Vondels 
gedicht De Bidderschap van Amsterdam onder Zijne Kcnink- 
lijke Hoogheid WïUem van Oranje. In Juni 1660 bracht Maria 
Stuart, de Prinses Weduwe, met haar tiei^'arige zoon een 
bezoek aan de Stad Amsterdam (door Vondel bezongen in 
de Bruüoft van den Theems en Jsmtd). Omringd van een 
erewacht deed de Prins toen ook een wandelrit: 

Prins Willem draaft alle Amstelridders voor, 
Verbonden aan Graefs standerd en kornette. 
Heer Wa veren en Tulp bewaren *t spoor 
Des Prinsen, als geoefende manhaften. 
Zoo volgen zij de straten van de stad. 
De singels en de schaduwrijke graften. 
Langs huizen, vol gepropt van weelde en schat, 
Door wolken van veel duizend burgerijen. Etc. 

In het dan volgende citaat (waar is het ook weer uit?) 
wordt Willem III gevierd als beschermer van de Vrijheid 
der Europese Volken en het Protestantisme tegen de aan- 
slagen van Lodewijk XIV. 

Pag. 17 reg. 15 v. o.: de ütrechtsche vrede: 1714, einde van de 



Potgieters Jan en Jannetje. 271 

Spaanse Successie-oorlog. De politiek van Willem III had 
ons eindelik voor goed gebroken. — de Bidassoa: aati deze 
rivier (die in de West-Pyrenöen ontspringt en een klein 
eindje de grens is van Spanje en Frankrijk), niet ver van 
waar hq uitmondt in de Golf van Biscaje, werden de Fran- 
sen in 1813 tweemaal verslagen. ~ de Berezina: de ramp- 
spoedige overtocht, in 1812! — Hasselt en Leuven: 8 en 12 
Augustus 1881 : Potgieter herdenkt hier de opwekking van 
de Volksgeest tijdens de Belgiese troebelen. Hij is tevreden 
over Jan Cordaat: „nog even kloek, nog even koen in het 
geweer als zijn groote voorzaat," zegt hij in HMandsche 
Pdüieke Pome. (Krü. ^ud. II, 204.) 

Pag. 17 reg. 5 v. o.: ïk heb gijn woord^ dat hij Vader van het 
Leger zal wezen] ai mijne jongens zijn tegenwoordig Lands- 
kinderen: 7 Oktober 1840 deed Willem. I afstand van de 
regering, die overdragende aan zijn zoon ronder dagtekening 
van 8 Oktober 1840 werd door de Direkteur-Generaal van 
Oorlog ter kennisse van het Leger gebracht de navolgende 
Dagorder des Konings: 

Generaals^ Officieren van alle rangen^ Onderofficieren en 
Gijy Soldaten en Schutters l 

De gewichtige gebeurtenissen van gisteren zijn u alle thans 
bekend gemaakt. 

Gij hebt den Eed van trouw aan Mij afgelegd^ en voor het 
eerst verschijn Ik ah Koning in uw midden^ ma^r steeds ook 
nog ais uw Opperbevelhebber, daar de betrekkingen^ dietusschen 
u en den Veldmaarschalk bestonden^ niet door Mij worden neder- 
gelegd; want de Koning^ zoolang God hem daartoe de krachten 
geeft^ is in tijden van gevaar de ware leidsman zijner krijgs- 
lieden^ en in tijd van vrede hun toeverzigt^ de Vader^ die voor 
hen zorgt. Etc, 

Op dit woord slaat ook wel Potgieters ^^Landskinderen''. 

Pag. 17 reg. 1 v. o. : 't Citaat is achter uit het vierde Bedrijf 
van Vondels treurspel Faëton. 



372 3. H. van den Boach. 



Pag. 18 reg. 2: fFdke herinneringen: let, even verder, op hoe 
anders plagt hij in gijn jongheid Oudejaarsavond te vieren: 
daarna schildert Potgieter wè.t herinneringen alzo by Jan 
oprijzen. En dan, pag. 13, hervat hg: Stredende herinnerin- 
gen l UHMTom wordt gij verbitterd door de vergdijking met hei heden. 

Pag. 18 reg. 7: hoe springt deze hem des ondanks nog in de 
oogen: deee d. i. die ^^gevaarlijke invloed"; het voorafgaande 
hij moge zich verheugen op te vatten als „er moge reden 
voor hem z^jn zich te verheugen. 

Pag. 18 reg. 15: Want Jannetje moge Magen over den zin voor 
vreemde muziek en vreemde pretj aria*s en walzen; heeft zij 
zelve niet om het gezeur van Jan Salie vedd en luite der vade- 
ren weggeborgen: vgl. pag. 4 — 5 hiervoor: Jannetje ziel nog 
zuurder als zij de piano hoort rammelen en haar oor uitheem- 
sche kUmkem vangt^ in plaats van de liedekens^ welke zij plagt 
te kwden; zie de aantekening daarop. Bij de dichters en 
letterkundigen van de Romantiek merken we een grote 
bewondering voor het oud- vaderlandse Lied. Diep vooral 
was de indruk van Hoofts Minnepoözie. Potgieter was vol 
weemoed dat het ook in dit opzicht zo anders was geworden 
(zie vooral Gids 1837 I, 204—211). In zijn Jaarboekje Tes- 
selschade^ van 1838, deed hij zijn gedicht De Luit van P, C. 
Hooft verschijnen. Na de dichterlike beschrijving van de 
. Erotiese Luit, klaagt hij : Stroeve ernst heeft die luit onzen 
dichtren ontnomen^ — En de Minnegod schreit om den roof 
van H kleinnoodl — Onz* hartstocht slaakt zuchten^ hijgt Tda^h- 
ten^ dweept droonwn\ — Heeft hij vuur? Liefde in verzen is 
koud als de dood. In 1839 vernemen we van hem, bij 't ge- 
denken aan Rozemond en Klare, onder de wandeling door 
het „toneel van Hoofts minnezangen" in Lief en leed in H 
Oooi^ de verlangende uitroep : O de luite van Hooft ! urie bespedt 
haar weer? Hoor hem wederom in Be Zusters (1844): Toen 



Potgieters Jan en Jannetje. 273 

de muzijk weder de uitspanning oneer beschaafde wereld u>erd^ 
stond de hms schoon^ om de dagen der dochteren van Boemer 
Visscher te doen herleven! Of men ten minste eene poging hadde 
beproefd^ de vingers oneer jonkvrouwen weder te gewennen aan 
de gulden snaren der luUe van Hooft! En gelijk hier in Jan 
en Jannetje, maar uitvoeriger en schoner noch, werd de 
betekenis van het oude Lied en de heerlikheid vanHooft's 
Minnezang in het mjlcs-museum te Amsterdam (1844, geschil- 
derd. Ook van Heye hebben we een gedicht: Be Luite van 
Hooft, En merk- waardig is wel de aanhef van Ten Kate's 
Aan een Vriendenkring in de Almanak voor het Schoone en 
Goede van 1848 (peg. 170): Dichterlijk Choor^ waar 'k in dar- 
tele weelde — H Murmelen opving der luite van Hooft] — 
Waar % als uw vinger de harpsnaar bespeelde^ — My aan het 
heden ontrukt héb geloof d\ 

Die Vriendenkring was de bekende Doopsgezinde studen- 
ten-klub te Amsterdam, wiens beschermheer Vondel was 
en waar ieder lid en iedere poötiese gast de naam van een 
van de XVII^^e eeuwse dichters voerde en de bestudering 
van deze het eerste punt was van het programma; ten 
Kate, Utrechts student, . had er eenmaal gehospiteerd (zie 
A. Winkler Prins, Feestavonden van den Studentenkring N. 
E. K, 1895) Van deze klub het lid De Hoop Scheffer be- 
zorgde met J. Tideman in 1844 bij van Paddenburg en Cie 
te Utrecht, de Bloemlezing van Nederlandse Minnedichten 
uit de XVII<ïe en XVIII^e eenw Owp/do, waarin met muziek 
Hooft 's Qalathea siet den dach comt a,en en Het vinnich strar 
len van de Son. Geen wonder, dat het oud-HoUands Lied, 
dat vooral Hooft, ook werd nagevolgd. Potgieter dichtte in 
oud -Hollandse trant o. m. dat voortrefFelike elftal, op oude 
melodieën, dat hij plaats gaf in zijn Dichterlik verhaal de 
Liedekens van Bontekoe (1840). Zie hierbij zijn denkwijze 
over het herleven van de Volkszang in zijn Recensie van 
het bundeltje de Zuid-Hollandsche Thdlia {Gids 1837) en z^n 
aardige paradoxale kritiek van de pogingen van het „Nut" 



274 J. fi. van den Bosch. 



tot opwekking van edeler zanglast, in de eerste bladzijden 
van Aïbert 1841 (Sehdsen en Verhalen U) ; ook Bakhuizen's 
beoordeling van de lAedekens van Bontehoe in de Qids van 
1841, de bladzijden ook meegedeeld in de SttécUen en Sehet- 
sen^ III. Meest verdienstelik om de natie weer tot nationaal 
gezang te brengen, maakte zich Jan Pieter Heye, zelf ook 
zingende op eigen en „naar ouden trant''. Beetsgafin 1840 
en '41 in de Enkhuieer Almanak zijn door en door volks- 
aardige, ö6k uit de bezieling van de oude poöten ontstane 
Liedekens. Al in zijn bundel van 1886, had ten Kate een 
zangstukje in de trant van Hooft; in Aurora van 1841 
vindt men zijn Elsje^ evenals Potgieters Dieuwertje in het 
ritme van Hoofts Klare^ en beter proeve dan z n ballade 
Geesten (NederL Muzenahnonak van 1841), iets Heiniaans, in 
belachelik kontrast met de Hooftiaanse vorm. 

aria^s en walzen: meermalen schrijft Potgieter waUz^waÜ- 
een^ walteer^ de Duitse vorm, en zo zal zijn walzen wel met 
z = ts zijn op te vatten. 

Pag. 18 reg. 15 v. o.: maar boeten zul je er voor : waar voor ? — 
den inheemschen volksdans^ waarin de meisjes een kusje achter 
de ooren niet konden ontwyken: herinnering bij Potgieter 
(Taai en Letteren 1891, evenals noch volgende, reeds door 
Terwey aangewezen) uit Roemer Visscher; bij wie we 
Quicken III, 24 aldus lezen: 

Ochl ie mocht hoer niet soenen dan achter hoer ooren^ 
En dan moest het noch te pas comen in de dans. 
De inheemse volksdans is wel het „Patertje langs de 
kant"; zie pag 8. 

Pag. 18 reg. 7 v. o. : teru>yl de overige dansers en danseressen 
als malloten stonden te kijken: d. i. „beteuterd," „verwezen," 
min beschaafd „als gekken." — Oorspronkelik is malloot 
een dolle en al te dartele meid, waaraan noch wel herinnert 
de naam Goudse Malloot d. i. de boeren- en boerinnen-pret- 



Potgieters Jan en Jannetje. 275 

dag de Donderdag na Sin te Eathiijne 25 Nov (de Grote 
Malloot ] een week na Kerstmis is het de Kleine); dat bet 
de oorspronkelike betekenis is, vindt men betoogd uit de 
etymologie (Oudfrans malot) Leidse Tijdschr. XVI. 

Ongetwijfeld is het woord al vroeg door de „spraak- 
makende gemeente" onbewust van mal afgeleid, de beteke- 
nis leidde daartoe, en zo werd het in ruimere zin als „zot- 
tin", „malle" opgevat en niet alleen op jonge maar ook op 
ouwere en ouwe personen toegepast: een ouwe maUoot; ook 
in ons taalgevoel komt het van mal. 

Pag. 18 reg. 3 v. o.: de luit: in de XVIPe eeuw en noch in 
de XVIIPe, het huiselike muziekinstrument bij uitnemend- 
heid, dat men èn op de schilderijen van Rijks-museum en 
Mauritshuis, èn in de ouwe boeken zoals in de Zinne- en 
Minnebeelden en de Spiegel van den ouden en den nieuwen Tijd 
van Cats, zeer veel vindt afgebeeld. Het was een snaso:- 
instrument dat onder de rechterarm steunde en met de 
vingers van de linkerhand op manier van de gitaar bespeeld 
werd. Het had een aan de achterzij rondgewelfde dunne 
kas en een vrij lange aan 't bovengedeelte waar de schroe- 
ven zaten, in een stompe hoek omgebogen hals. 

Pag. 19 reg. 1 : 0ij wist wél^ hoe zoet een jent neen zeggen is met 

een lachje daarby: herinnering uit de Brabbelingh en wel 

uit de Ghedichten van H. L. Spiegel (XXI): 

Een soet neen segghen^ met een lachgen daer by^ 
Dat is seer jent^ liefhen^ ghy moettet leeren: 
Al wout ghy ja segghen teghens my^ 
f En sou my soo wel niet contenteren; etc. 

Ygl. noch aldaar in de Rommdsoo: 

Een soet neen en een weygheren mede^ 

Versiert met een lachsJcen van u, schoone maeght^ etc.^ 

geheel dezelfde gedachte. — jent is „aardig'\ „lief, „be- 

koorlik". 



276 J. H. van den Bosch. 



Pag. 19 reg. 2: ondanks het bekende tafdregt^ dat ieder voor het 
nUnst een liedeke hwden moet : bedoeld wordt bet „Tafelrechf" 
van Roemer Visscber (y^Dese Wetten gaf Boemer in 0gn 
eighen huys, — Dieae niet en béhaghen, die Idyve thuys'^ 
waarin wij lezen o. m, : Elck moet eitten daert de Waertsal 
beoden — Ten minsten moet dek een Liedeken quden. Eigen- 
aardig dat wy in de twee stel TaféiweUen die wij van Cats 
bezitten (acbter in de Tachtigh-jarighe Bedendcingcn) van 
„Liedjes kwelen" niets vernemen; zoals wij b\j Boemer 
minder nadrukkelik horen over bidden en danken. 

Pag. 19 reg. 3: eindelijk echter kwam het mopsje met dessüveren 
sloten idt de beugdtasch aan het licht: mopsje was een Noord- 
Hollandse (speciaal West-Friese) naam voor het liedeboek. 
Een macht van allerlei liedboeken is er uit de XVII^« eeuw 
over en ze bestonden in verschillend formaat, verschillende 
uitvoering en montéring. Het formaat in 't begin van de 
eeuw was meest 4^ oblong (langwerpig : dwars- oktaaf) ; later, 
behalve gewoon oktaaf, ook in 12^ (duodecimo), maar meer 
noch in 16® obl. en in 82® obl. Ze waren al of niet geïllu- 
streerd, al of niet met muziek of ook ten dele, met 
gewone of met verschillende luxe-letter, met of zonder 
verguld op snee. Men had ze in gewoon sitsen omslagje, 
in gewoon perkament, veel in groen perkament, al of niet 
met verguld stempelwerk; maar ook in leer, in groen of 
zwart fluweel, of geborduurd ; dan, met zilver of schildpad 
(„krettebandjes") ; en de betere soort met een of twee zil- 
veren of gouden slootjes of krappen („krabbetjes"). 't Klein- 
ste model (32®) waren de Hoornse Liedboekjes (bij Reiner 
Beukelman), de enkele en dubbele eigenlike Mopsjes : dubbel 
als het Hoornse Liedeboek was verenigd met het Enk- 
huizer en Alkmaarder (ook bij Cornelis, Eannewet, van 
Rijschooten, te Amsterdam). Zonder het liedboek ging men 
niet ter feest of altans ontbrak daar het liedboek niet, want 



Potgieters Jan en Jannetje. 277 

op deftige partijen werd het op zilveren schenkbladen aange- 
boden; gemakkelik lieten de kleinere formaten, vooral de 
„snoezige" mopsjes, zich ook in de zilveren beugeltas ber- 
gen, — in de grote fraaigewerkte beurzen met zware ronde 
zilveren beugel, die noch in het Oosten des lands door alle 
boerinnen worden gedragen, in onze tijd bij de dames weer 
een mode zijn geworden; gemakkelik ook werden ze mee- 
genomen in de ebbenhouten of baleinen emmertjes of mandjes, 
„de ridicules van die tijd" zegt Scheltema in zijn Van Vrijen 
en Trauwen (Deel IV, boek 3, pag. 45 van z'n Mengelwerk^ 
1832, zie ook Abbing; Bekn. Gesch. der stad Hoorn 1839; 
sommige andere biezonderheden in 't meegedeelde zijn uit 
de Kunst- en Letterbode van 1846 I 226—228; maar zie 
de boekjes zelf, in de grote Bibliotheken I) 

Pag, 19 reg. 6: de grote vraag y^wat er gezongen zou ijoorden*^ 
iets geestelijks of iets iverddlijks: in de bespreking, van de 
ZuidrHiMandsche Thalia (Gids 1837, I) kenschetst Potgieter 
onze XVII<*e eeuwers als mensen „die naar geene verbloe- 
ming van het natuurlijke streefden": „zij bonden psalmen 
en bruiloftszangen in éénen band", voert hij dan betogend 
aan, — „zulk een exemplaar ligt vóór ons — zij waren 
sentimenteel noch romantisch; zij waren menschen, jeug- 
dige, dartele, krachtvolle, heeriyke menschen." Men kan 
het zien aan Den nieuwen Lusthof van 1602 (derde druk 
1607) waarvan het Bruylofts Bancket van Michiel Vlack 
binnen der Goude de geestelike helft is. Wel eigenaardig is 
een Tafdlied in deze trant (koepl. 3): Om hoerery temyden^ 
en overspel daer neven — Heeft 6od van éC eerste tyden^ dees 
ord're gegeven; — Christus verheven^ — Heeft (zoo Marctés be- 
wijst) — Oock wet in dies beschreven^ — Waer met den echt 
hy prijst: 3de koepl.: Den Joden hert van zinnen^ Moses een 
scheijdbrief deede. — tWdc niet was int beginnen^ zo Christus 
hoer verbreede — Of Paulus meede^ etc.: en dit op de wijze 
De soete coele Meye^ is ons ontdoen. Maar ook b.v. het zoveel 



278 J. H. van den fiosch. 



latere algemeen gebruikte en steeds vermenigvuldigende 
Nieuto Qroat Hoorns Lied- Boekje bestond in „veel stigtige en 
vermakelijke BruyloftsLiedekens," en hierin vinden we 
inderdaad de schrilste tegenstellingen, van ongtbandenste 
dartelheid en rechtzinnigste Protestantse Oodsdienst-zin^ naast 
en door elkander: de wonderlijkste vertoning maken wel 
Psalm 23, 83, 100 en 128 als Ferscheyde Bruylofts-Fsdlmen 
geheel op de manier van de oude kerkboeken doorlopend 
op dat bekende ruitjes-notenschrift gesteld ; ook zo 't Qébed 
onses Heeren Jesu Christi. 

Pag. 19 reg. 11: want het meesterstukje der gangster^ die wd 
wat dartd eag^ nuiar toch niet onbeschaamd was^ het j,Heüige 
VenusV' Uonk door de kamer^ en Jannetje wist niet^ hoegaauw 
zy de luit maar weirom eou nemen^ opdat zij niet te ved 
Mappen mogt: vlg. hierbij uit die andere schildering van 
musicerend gezelschap in Bd Rijks-museum te Amsterdam 
(gewone uitgaaf 341—342): Een nieuw liedeboek werd 
medegebragt door den schalk, die bij het binnentreden de 
dochter des huizes in de plooijen van zijnen mantel van- 
gen wou, om haar een en kus te ontstelen ; . . . Een nieuw 
liedeboek, zeg ik, waaruit [hij] aanhoudt, dat zij een beurt- 
zang met hem zingen zal; ,,de wijze kent ge," beweert hij, 
„de woorden zijn . . . ." „Laat zien," valt mooi Machteld 
in ; . . . . Hoe [ze] dubbel schoon wordt, door het blosje, 
waarmee zij het liedeboek weêromgeeft! „Aelbrecht," zegt 
ze, „het ging aan dat te zingen als ik Galathé heette," en 
de schalk mag haar te liever, om den schroom voor dien 
dartelen deun, al stemt hij voor alle wederwoord zelf de 
luit; al zingt hij het eerste lied uit den bundel, dat zeker 
ook niet zedig is; dat des ondanks in ademlooze aandacht 
wordt aangehoord ; . . . . „Schel uit T' smeeken de meisjes ; 
„vaar voort!" roepen Aelbrecht's vrienden; „een leelijk 
liedje," zeggen de schoenen ; „honderd rozenobels waardig !" 
juichen de knapen; maar mooi Machteld springt vanharen 



Potgieters Jan en Jannetje. 279 

stoel, en legt met haar blank handje Aelbrecht het zwijgen 
op; om het voorr^t dat te kussen, had Pieter Cornelis- 
zoon Hooft zelf den zang aan de Heilige Yenus gestaakt. 
Immers, het was geen ander liedeboek dan het zijne, . . . ." 
Het eerste in deze aanhaling bedoelde gedicht is de prach- 
tige ,, beurtzang" : Galathea siet den dach conU oen: Neen 
mijn lief wiU noch wcU marren — T sijn de starren — Neen 
mign lief tmU noch taat marren^ 't is de maen : etc. Het twede, 
ook in Jan en Jannetje gemelde, is dat andere heerlike 
dat eerst begon met 

O Venus^ die hé)t yders hart in handen 
later met (in Minneplicht ende Kuysheyts-kamp^ 1625) 
Heylighe Fenus^ die 7 roer hotuU aUer harten. 

Tot beter verstand mogen hier enkele strofen aangehaald: 

Maeghden bedeest^ en onervaren horsjens 
Kunt ghij, wanneer H u lustj haer vreese korten^ 

En moedt in storten. 

Dan heren zij ten sachten bed uitstijghen 
En in een ondersid ter venster vaaren 

Op sang en snoeren. 

Dan leeren 0ijj om d' ouwdelien te mompen^ 
Haer voetjens setten^ dat het niemandt luister^ 

Alleen bij duister. 

Dan leeren gij ter sluich haer boel in laeten. 
En vloecJcen 't kraecken van de deur en trappen 

Dié 't wtUen Mappen. 

Dan leeren zij als afgement van minne 
Het geven op^ en in liefs armen glijen; 

Haer lipjes vlijen. 

Dan leeren eij van flaeuwt haer ooghjens luicken 
Haer lipjes aen haer liefjes lippen lijmen] 

En 000 beswijmen. 



280 J. H. van den fiosch. 



Zie het gehele gedicht, behalve in de grote Hooft-uitgave, 
in het bundeltje Liederen van P. C. Hooft in Verwey's 
Nederlandsche Dichters^ bij van Looy. Het is van 1619 en 
was het eerst gedrukt in het door Vondel verzamelde Min- 
neplicht van 1626. 't Is als beeldspraak op te vatten fantasie 
van Potgieter, als hij het in het „Rijks-Museum" aanduidt 
als het eerste lied uit „het liedeboek van Hooft", — liede- 
boek „dat der hollandsche zangster eene plaats verzekerde 
aan de voeten, neen, ter zijde van de muze van Ausoniö" 
(d. i. Italië). 

de gangster^ die wd wat dartd zag etc : d. i. de erotiese 
oud-HoUandse Muze. Sinds lang noemen onze dichters de 
personificatie van de poëtiese bezieling (de „Muze" van 
de Ouden), de „Zangster", Zij die zingt, de Zingende in 
de Mens. 

Pag. 19 reg. 21: Welk is dit oude treurspel? — Als Jan 
zegt: „men kan niet alles van te voren weten", dan is dit 
een zelf-ontschuldiging ; maar hij is verstandig genoeg om 
zichzelf niet al te veel wijs te maken ten opzichte van zich 
zelf, ook is hij van dat biezondere tiepe dat met zich zelf 
weet te spotten. 

Pag. 19 reg. 10 v. o. : al $chreeft gij hem drie A's op den rug: 
het Grote Woordenboek geeft hiervoor de volgende aan- 
halingen: uit JVülem Leevend^ I, 367: Ik moest Vader gijn^ 
of ik Monsieur Ligtmis eens eventjes het Texelsche gat uit boeg- 
geerde ; of ik hem naar H AapenUmd om Peper zond en de drie 
H (Hou Hem Hier) mee tot een recommandatie gavel — uit 
de Brieven van W. Büderdijk^ II, in een brief aan J^ de 
Vries van 1825: Wees met de uwen hartelijk van ons gegroet^ 
en gedenk aan de drie letters die men wd eens in de brieven 
van aahbevding voor die n<mr Oost-Indien gingen^ placht te zet- 
ten] maar^ naar de verklaring die een slimme knaap eraan 



Potgieters Jan en Jannetje. 281 

gaf\ H. H. H. Want ieder dag is er een voor mijy en iJc %oü 
de varianten liever nog gebruiken^ dan ee meè in de kist nemen 
om de reten te stoppen. De verklaring uit de dagen van Betje 
Wolflf deugt natuuriik niet, van 't moederland uit zou de 
rekommandatie altijd ,,Houdk hem daar!*' hebben geluid; 
„Houd hem hier!" zou gewone onzin zijn, zulke als waar 
niemand zich aan schuldig maakt. Bilderdijk in z^jn brief 
bedoelt Help hem haastig^ ook volgens noot van de uit- 
gever (J^ de Vries zelf); maar hij geeft het niet als de 
eigenlike verklaring. Maar ziehier wat we lezen bij van 
der Lith, Nederlandsch Oost-lndie 1875, pag. 217 — 218 waar 
hij spreekt over het uitschot dat in de XVII^e enXVIIIde 
eeuw naai" Indië gestuurd moest en de verschillende 
soorten daarvan opsomt: „Daarbij kwam nog een ander 
soort, de aanverwanten en gunstelingen der bestuurders, 
die met aanbevelingsbrieven naar Indie gingen, „ „schoon 
ze wegens hunne ligtmisserij in 't verbeterhuis waren op- 
gesloten," " zoodat menigeen uit de letters H. H. H., waar- 
mede de aanbevelingen voorzien waren, niet „„Help hem 
haastig"" las, 't geen zij moesten beteekenen, maar 
„ „Houdhem hier" " opdat deze fetsoenlijke-lui's kinderen 
in 't vaderland hunne bloedverwanten niet te schande 
zouden zijn." 

Pag. 19 reg. 8 y^o.: de Heere: heere is de middeleeuwse vorm 
van heer; de bewerkers van de Statenbijbel kozen die oudere 
min dagelikse vorm als de eerbiedige en plechtige naam 
van het Opperwezen, die als zodanig ook in de kerkelike 
prediking overging en in de taal der vromen God noemde 
in Zijn innige betrekking tot de Gemeente en de waarach- 
tige Gelovige ; noch is het zo in de Calvinistiese kringen. 
Toch had ook Heer zijn eigenaardig gebruik; zie over 't 
onderscheiden gebruik van beide vormen Dr. A. Kuiper's 
Bede om een dubbel yjCorrigendum'' aan Dr. A. W, Bronsveld 
1880, voor de taalkundige hoogst lezenswaardig. 



282 J. H. van den 6060I1. 



Pag. 20 reg. 1 : ik leide geen louter Nabob'deüen : niet, bij ver- 
gissing, op te vatten als Verleden Tijd; leide is de ouwer- 
wetse Tegenwoordige Tijd die in de litteratuur van de 
eerste helft der XIX<^« eeuw volstrekt niet zeldzaam is, 
bij de beste prozaïsten, ook bij Potgieter, voorkomt. 

Nabóbdeoen : in Engels-Indie waren de Nabobs de inheemse 
;;ader'; later heetten in 't algemeen zo de aanzienliken in 
Indië. Bij ons, in Europa, is het woord niet meer zuiver 
eer-gevend: w^j denken bij Nabob aan iemand die zijn in 
Indiö verworven rykdom in vorstelike weelde ten toon spreidt. 
Zie over nabob Dozy's Oosterlingen. 

Pag. 20 reg. 5: de maaier^ die hier tusachen eijne schoven en op 
zijn Beissen inslaapt^ heeft nooit evoaarder gearbeid^ dan ik etc. : 
voor het punt van vergelijking denk aan Staring's Oogst- 
liedl — zeissen: andere vorm van geis^ geen meervoud. 

Pag. 20 reg. 12: de indigo^ de thee^ de coeheniUe, die Bengaien 
en China en Mexico euUen beschamen: de Bengaalse indigo 
is de beste; de tee en de cochenie^e zijn op Java ingevoerd 
van uit China en Mexico. 

Pag. 20 reg. \h\ het handelshuis mijns vaders \ d. i. de Veder- 
landsche Handélsmaatschappg. „Om den handel en de vaart 
op 'slands buitenlandsche bezittingen aan te moedigen, 
werd in 1824 de „Nederlandsche Handelmaatschappij'' op- 
gericht. Zoozeer kwijnden toen de handel, de Ikbrieken, 
de reeder^en en de scheepsbouw, dat de regeering meende 
te moeten voorgaan, om bij b^ zondere personen den uit- 
gedoofden zin voor groote ondernemingen te wekken. Door- 
dien de Engelschen de voortbrengselen hunner Ikbrieken 
en manufacturen in Indiö invoerde en, b^ het nemen 
van retourladingen, een zeer hoogen prijs gaven voor de 



Potgieters Jan en Jannetje. 283 

producten, der koloniën, dreven de Nederlanders den han- 
del op Indiê niet dan met verlies. De handelmaatschappij 
werd dus geen mededingster der handelskantoren, want 
die kantoren waagden zich destijds niet aan belangrijke 
ondernemingen. Bij het octrooi van 1824 verwierf zy voor 
den duur van 25 jaren verscheidene voorrechten. Hoewel 
de vaart voor alle Nederlandsche schepen en voor die 
der met Nederland bevriende Staten bleef opengesteld, had 
de maatschappij alleen het recht, de voortbrengselen van 
den Staat uit de koloniën te halen, ze in het moederland 
te verkoopen, troepen, geld, enz. naar Indië over te voe- 
ren. De handelmaatschappy begon met een kapitaal van 
f 87,000,000. De Koning, die er zelf voor f 4,000,000 deel 
aan nam, waarborgde een rente van 4V2 pCt. Het hoofd- 
kantoor, eerst te 'sGravenhage gevestigd, werd in 1829 
naar Amsterdam verplaatst. Behalve den werkkring, door 
de Regeering afgebakend, had de maatschappij nog een 
bijzonderen handel in koffie, katoen, enz." (Wijnne, Geschied. 
V. h. Vaderland). 

Pag. 20 reg. 18 : de stemme . ,., dat j^urie meester is van Java^ 
beheerscher kan teerden van Indië'^ : op wiens gesproken woord 
dit slaat is mij niet bekend. 

Pag. 20 reg. 23 : Oij steekt mij een^ riem onder het hart : sinds 
lang bestaat deze spreekwas naast de oorpronkelike iemand 
een hart ander de riem steken^ die in de XVU^^e veelvuldig 
voorkomt; zie b.v. het Grote Woordenboek. Vgl. Hoogd. 
einem ein Rerz einsteeken^ Fr. mettre Ie caeur au ventre & qud- 
qu^un (ventre betekent ook ;,löf ')• 

Pag. 20 reg. 19 v. o. : ik begon mif welven te verwijten watplanr 
nen ik al voor Jan Salie heb gemaakt \ Jan Salie dit, Jan 
Salie dat: ik verbeeldde m^, waarachtig,^ dat hij het al wasï 
ik meende overal $ijn geest te zien : nl. zoeven in dat neer- 



284 J. H. van den Bosch. 



slachtig mijmeren, waaruit Jan Ciompagnie hem nu weer 
heeft opgewekt. Dan geeft Jan er reden van hoe hij sdles 
zo zwart inzag: Immers ft, etc. Maar nu heeft hij aan ver- 
scheiden van zijn zonen gemerkt, dat waarlik noch niet 
alles verloren is. 

Pag. 20 reg. 12 v. o. : vermaard — om de wysheid^ wdke er 
van mijne hoogeschólen uitging: zie O. a. Busken Huet, Het 
Land van Bembrandi II 2, het eerste hoofdstuk: De Weten- 
schappen en de Letteren. Ook in de XVIII^e eeuw was Neder- 
land wetenschappelik niet een land zonder betekenis ge- 
weest: Tiberius Hemsterhuys, Wyttenbach, Ruhnkenius 
blonken uit op het gebied van het Grieks; de Schultensen, 
vader en zoon, en Schröder: in de Oosterse Talen; Frans 
Hemsterhuys: in de wijsb^eerte; Petrus Camper en Al- 
binus: als Ontleedkundigen ; Boerhave en Van Swieten: 
in de Geneeskunde; op het gebied van Wis- en Natuur- 
kunde: 's Gravesande, Musschenbroek, Cunaeus; om te 
zwijgen van zoveel verdienstelike Vaderlandse Geschied- 
schrijvers, Oudheidkundigen en Taalgeleerden. Daarom spreekt 
Potgieter vervolgens van een hahe eeuw dat het anders ge- 
weest was. 

Pag. 20 reg. 8 v. o. : heb ik er niet op gestofte dat ik de kron- 
keiwegen der staatkunde beu werd? ft, die de dimde diphmaoit 
ter wereld plagt te gijn; etc.: over onze staatkundige bete- 
kenis in de XVII<*« eeuw zie het begin van het Rijks- 
Museum te Amsterdam; noch in de aanvang van deXVIII^^^ 
eeuw waren wij bij de buitenlandse vraagstukken van 
zodanige betekenis dat „zonder de Republiek niets tot stand 
kon komen" (Nijhoff, Staatkundige Gesch, van Nederland II 
160). Na de geweldige krachtsinspanning voor het behoud 
van de Vrijheid der Protestantse volken, trok Nederland 

■ zich terug in een „karakterlooze neutraliteit'' (Nijhoff, II 
299). Wij hielden op ons te laten gelden, om lui te 



Potgieters Jan en Jannetje. ^85 

kunnen rusten bij onze rijkdommen; wij wensten niet, 
langer mee te doen, en wy werden weldra ook niet meer 
geteld, men handelde buiten ons om en tot onze schade. 
Van de periode 1767—1780 zegt Fruin (aangeh. bij Nijhoff 
II 209): „Ons volk geleek op een weigestelden rentenier, 
die zijn koetjes op *t droge heeft en in kalm zelfbehagen, 
om zich heen ziet naar het woelen en werken van min- 
der gegoede of minder voldane buren." — De woorden van 
Potgieter ^héb ïk er niet op gestoft'' doen echter aan een 
bepaalde uiting denken, die ik niet aanwijzen kan. 

Pag. 20 reg. 4 v. o. : of weet ik mij op het punt van mijn ge- 
loof niet maar kwalijk naar mijne Grondwet te schikken: in 
de Grondwet was het beginsel gehuldigd, dat, in de Staat, 
aan de belijdenis van welke godsdienstige gezindheid ook, 
volkomen vrijheid moet gewaarborgd zijn en geen gezind- 
heid van wege de Staat bevoorrecht zijn mag: Staat en 
Kerk behoren gescheiden en de Staat neutraal te zijn. Van 
1834 — 1839 en daarna noch, hadden echter de zogenaamde 
„Afgescheidenen*' op de tastelikste wijze moeten ondervin- 
den, in een formele vervolging, dat de geest van een Grond- 
wet en de geest van het Gezag twee kunnen zijn. Willem 
II nu wenste, dat zijn onderdanen ten opzichte van de 
gewaarborgde godsdienst- vrijheid niets te kort werd gedaan. 
In de allereerste maanden van zijn Koningsschap al, werd 
erkend het recht der „Afgescheidenen," weer aanhangig 
gemaakt de zaak van het Concordaat met Rome, een Kom- 
missie benoemd die te overwegen had hoe men te gemoet 
zou komen aan die Katholieken en die rechtzinnige Pro- 
testanten die bezwaren hadden kenbaar gemaakt tegen de 
bestaande Schoolwet. Het Concordaat (overeenkomst tussen 
een wereldlike Regering en de Paus, waarbij de Paus, onder 
bepaalde voorwaarden, vrijheid bekomt tot regeling van 
Kerkelike aangelegenheden), dagtekende van 1827 maar het 
was nooit tot uitvoering gekomen; noch altijd bevonden 

T. EN L. xu. 19 



286 J. H. van den BosoL 



de Nederlandse Katholieken zich, hebbende geen bisschoppe* 
like regeling, buiten de Algemene Eerkstaat Willem II 
was van oordeel dat wat de kerkvorm aanging, behoudens 
de Grondwet, volkomen vrijheid behoorde te bestaan; hij 
opende daarom de onderhandelingen over het Concordaat 
weer, en ondertussen werd op verschillende verzoeken van 
de Katholieke Geestelikheid reeds gunstig beschikt. Bij de 
Protestanten werd deze goedgunstigheid met weinig vrien- 
delike gevoelens waargenomen en het verzet bleef niet uit. 
„Eene maand na de Inhuldiging (op 28 Nov. 1840) gaven 
de Dagbladen het berigt van de naar Rome gezonden be- 
velen: en in plaats van 'sKonings bedoelingen in verband 
te brengen met den algemeenen geest dien de nieuwe 
Regering deed blijken, werd het huwelijk van Willem I, 
dat op 16 Februarij 1842 werd voltrokken, te baat genomen 
om het lasterlijk verzinsel uit te strooijen, dat de grijze 
Vorst aan zijnen zoon de toezegging tot het in werking 
brengen van zijn Concordaat als voorwaarde zijner Abdi- 
catie had gesteld, daartoe belezen door de Katholieke Gra- 
vin D'Oultremont. Weldra werd het Vorsteiyk Kabinet 
bestormd met Adressen, Vertoogen en Brieven van waar- 
schuwing en raadgeving. De drukpers zette zich iii bWe-. 
ging. Men twistte of de Grondwet een Concordaat gebood 
of verbood, of de Koning tot het sluiten bevoegd of .onbe- 
voegd was. Men betoogde, dat een Concordaat aan geene 
zijde noodig, in alle opzigten onraadzaam, vernederend 
voor de Kroon, grievend voor de Natie was. Men wees aan, 
hoe de verheffing der Roomsche Geestelijkheid door den 
luister van Bisschoppelijke Waardigheden onder een kerk- 
bestuur afhankeiyk van Rome, een overwigt aan de Room- 
sche kerk zou geven, 't welk op den bodem voor Protes- 
tantsche beginselen vrijgevochten niet zou geduld worden^ 
en dat zelfs eene poging om te Amsterdam een Bisschop- 
pelyken zetel te vestigen — het mocht in 1827 doenlijk 
z^n geweest - de rust des Lands en welligt het aanwezen 



Potgieters Jan en Jannetje. 287 

van den Troon zou in de waagschaal stellen. Geruchten 
van allerlei aard werden er verspreid : „ „de Utrechtsche 
Hoogeschool zou in een Bisschoppelijk Seminarium her- 
schapen worden." " Geschriften, gloeijende van verontwaar- 
diging, zag men te voorschijn komen." (Bosscha, Het Leven 
van Willem 11^ Boek UI, hoofdst. 3). „De gisting die er 
onder alle standen der Protestantsche bevolking ontstaan 
was, bleef den Koning niet verborgen. Mannen, op wier 
bezadigdheid en goede trouw hij rekenen kon, en die ieder 
in z^ne betrekking bekend waren met de stemming van 
onderscheidene volksklassen, gaven er hem hunne bezorgd- 
heid over te kennen deels by geschrift, deels mondeling 
toen hy in de zomermaanden van 1841 eene reis deed door 
de Provinciën. De antwoorden echter, die hij of zelf gaf 
bij menig mondelijk onderhoud, of die hij deels schriftelijk 
deels door onderscheidene Staats-ambtenaren deed geven, 
toonden dat geen bedreigingen hem zouden terughouden 
van 't geen hij als zijn Koningspligt beschouwde." (Bos- 
scha, aldaar). Kort zij hier aangetekend dat er ten slotte 
toch niet kwè.m van het Concordaat; het heeft noch aan- 
gehouden tot 1853 dat de Katholieken hun regelmatige 
kerkvorm met Bisdommen en Aartsbisdom kregen, niet 
zonder krachtdadig Protestants verzet wederom. — Terzelf- 
der tijd begon de grote School-strijd. Bij de school wetgeving 
van 1806 was een Staatsschool in 't aanzijn geroepen die 
kerkelik neutraal was en het Katholicisme en de Protes- 
tantse rechtzinnigheid wensten een onderwijs dat het karak- 
ter van hun kerkelike belijdenis droeg. Maar diezelfde 
school-wetgeving had geen vrije oprichting van bijzondere 
scholen gedoogd en hiertegen nu was de strijd. Ook in 
dezen was de Koning, die inderdaad eigenaardige kerkelike 
sympathieën koesterde (zie daarover Bosscha, lieven ^ Nieuwe 
uitgaaf 440—443), op de band van de klagers en eisenden. 
Van dier kant en door de voorstanders van het Nationaal 
onderwijs van 1806 werd met brochures, verhandelingen. 



288 J. H. van den Bosch. 



artikelen onverdroten gestreden. Hoezeer nu de Koning 
persoonlik geen vriend was van de Neutrale School en het 
Kon. Besluit van 2 Jan. 1842 recht indruiste tegen de 
praktijk en de geest van de Wet, daarbij ook op verschil- 
lende punten werd toegegeven aan de Ontevredenen, de 
Vrije School werd eerst in 1848, met de nieuwe Grondwet, 
door hen veroverd. — Potgieter zal echter wel biezonder 
op de strijd om het Concordaat het oog gehad hebben. 

Pag. 20 reg. 3 v. o. : [of weet ik^ my op het punt van mijn ge- 
loof niet maar kwalijk ncuir mijne Grondwet te schikken;] ïk^ 
die terugdeins voor het onderzoek naar de vroegere partijschap- 
pen-^ »i, die roestte in mijne rust: De Grondwet had alle ge- 
loven gelijkgesteld en geen verschil van godsdienst zou (naar 
't scheen) ooit weer op politieke strijd uitlopen. Maar het 
Liberalisme van 1840 durfde aan zijn eigen beginsel van 
vrijheid niet getrouw zijn (zie de vorige Aantekening) en 
zélf noopte het alzo de kerkelike minderheid tot de poli- 
tieke strijd om de Staatsmacht. En toch vreesde het oudere 
geslacht dat in 1840 de macht had, de partijschappen. Na 
1815 had men dat tijdperk van de „rustige rust*' gekregen, 
het tijdperk 1830. Er zou nooit weer tweedracht in Neder- ^ 
land zijn, niemand zou ooit weer ontevreden zijn, niemand 
weer diepzinnig, niemand weer hartstochtelik, niemand ooit 
weer overdreven. Eflene, poëties getinte huiselikheid was 
het hoogste ideaal. Hoe misdadig scheen toen een Da Costa 
als hij tegen „den Geest der Eeuw" zijn ontzaglike be- 
zwaren inbracht, inbracht, dat men het horen möèst! 
Moest men in Bilderdijk niet een vijand van het Vader- 
land zien, als hij aan zijn leerlingen de geschiedenis van 
dat Vaderland voordroeg uit het oogpunt van noch niet 
volstreden partij -strijd en tégen de traditionele opvattingen 
in? De geest van 1880 nu was in 1840 noch niet geweken ; 
tegen die geest immers streed ook Potgieter. Biezondere 
aanleiding om het onderzoek naar de oude partijschappen 



Potgieters Jan en Jannetje. 289 

hier te pas te brengen, is voorzeker voor hem geweesf, 
dat de historici zich toenmaals tot dat onderzoek geprik- 
keld voelden door 't verschijnen van Bildérdijks Geschiede- 
nis des Vaderlands (1832 — 1853), uitgegeven door H. W. 
Tydeman. Zo was de Bosch Kemper's Staatkundige Partijen 
in Noord-Nederland (1837), ontstaan (zie het belangwekkende 
voorbericht), dat noch in 1840 met ingenomenheid in de 
Gids werd ter sprake gebracht „met het oog op het tegen- 
woordige oogenblik waarin de vroegere staatkundige par- 
tijen maar al te veel verlevendigd worden" : het boek wordt 
in handen gewenst van wetgever en uitvoerende machten 
beide : „de Geschiedenis van het voorledene zij eene les voor 
het tegenwoordige, eene waarschuwing voor de toekomst." 
Maar sommigen vreesden herleving van de twisten die de 
Republiek vroeger of later hadden verdeeld, juist van het 
onderzoek en de hernieuwde belangstelling. En zö laat Pot- 
gieter de vader van Jan Salie zich zelf veroordelen met 
dat veelzeggende woord: „ik deins terug voor het onder- 
zoek mijner vroegere partijschappen en evenwel weiger ik 
rechtvaardig te zijn overeenkomstig mijn eigene grondwet." 
Ook elders uit hij zich hierover : zie in Huygens^ Clnys-werck 
(1842; Krü'Stud. II p. 12), in Het Rijhs-museum te Amster- 
dam (1844 ; pag. 327) : „Eendracht" predikte men, „eendracht" 
zong men, tot voorbijziens toe, of deze haren oorsprong 
nam uit overtuiging of uit onverschilligheid ; als de fakkel 
der partijschappen maar werd gebluscht, mogt ook de 
vonk der belangstelling uitgaan" (Potgieter spreekt hier 
meer bepaald van 1825). Zie ook vooral de opmerkelike 
bladzijde uit Staatshervormen die we op het slot van deze 
Aantekeningen noch hebben aan te halen (bij Pag. 23 
reg. 11). 

Pag. 21 reg. 7: Hij houdt een oogenblik op^ maar vermant zich: 
zie de Beschouwing van het stuk, in Tacd en Letteren 1896, 
pag. 97-98. 



290 J. H. van den Bosch. 



Pag. 21 reg. 10—19: Ik toas maar een koopman: „denkt niet, 
dat ik er mijn' beroep om smaad als ik beken dat het lager 
is dan een man van Eunst en Wetenschap te zijn": „want 
een koopman als ik was in mijn tijd, kan geen klein man 
was": j,maar ioch^ ik was een koopman": het twede maar 
een koopman is niet = het eerste maar een koopman; het 
eerste maar is = „niet meer dan," het bijwoord, — het 
twede is voegwoord en knoopt onmiddellik aan bij het pas 
voora^egane: „maar in elk geval toch niet meer dan een 
koopman." 

Pag. 21 reg. 22—27: Jan Salie is de zoon van mijn^ overvloed 
etc.: Zie over de toestand van de natie in de eerste helft 
van de XVIII^e eeuw o. a. : Nijhoff, Staatkundige Gesch. van 
Nederland II Hoofdst. IX; Jorissen, Historische Bladen I. 

Pag. 21 reg. 15: Toen ik een gdoof op mijne eigen hand had^ 
toen ik er driest vo^ uitkwam^ dat ik het mijne het best van 
aUen hield: nl. toen de Cal vinistiese Geloofsbelijdenis die van 
de Staat was, de Gereformeerde (of Nederduits-Hervormde) 
„Publieke"- of Staatskerk. Met de Grondwet van 1798 was 
Kerk en Staat gescheiden; het beginsel dat alle burgers, 
van welke belijdenis ze zijn mogen, voor de Staat gelijk 
behoren te zijn, had daarin gezegevierd. 

Pag. 21 r^. 13 v. o. : toen beschermde ik alle vervolgden^ die tot 
mij vloden: denk aan de Portugese Joden, aan de Brow- 
nisten, de Socinianen. De Réfugié's, die zelf Cal vinist waren, 
komen hier niet in aanmerking. 

Pag. 21 reg. 12 v. o. : waarom leert ge mij^ nu ik dllm gdijk 
heb gesteld^ niet den wotarachtig-verlichtste^ niet den tvaarachtig 
vroomste^ niet den waarachtig-liefderykste van aUen te worden: 
zie de Aantekening bij pag. 20 reg. 4 v. o. en in verband 
daarmee die bladzijde uit Salmagundi (1851), waarin Pot- 



Potgieters Jan en Jannetje. 291 

gieter zich schoner dan ergens elders noch, in zijn opvat- 
ting van grondwettige politieke verdraagzaamheid, het tiepe 
van een oprecht en konsekwent Liberaal toont: als hij er 
voor uit is gekomen het te betreuren, dat de Katholieke 
geestelikheid zo weinig studie en ontwikkeling voorstaat bij 
de schare waarover zij gebiedt, in verband met het feit dat 
noch zo weinig Katholieken mee het roer van zaken houden, 
dan verklaart hij : „wie er zich over verbaast, dat wij 
wenschten het [hen] te zien doen, verklare ons, welk een 
b^rip hij zich vormt van eene nationaliteit der XIX<ie 
eeuw, die twee vijfde deelen der bevolking niet medetelt, 
niet in zich verlangt op te nemen I Ondanks al onze be- 
wondering der XVII<*e eeuw, zijn wij de eersten om toe te 
geven, dat de tijd der uitsluiting voorbij is, dat eene ver- 
eeniging aller krachten er ons nog niet te vele belooft! 
Welkom daarom m dezen kring, lutherschen en remonstran- 
ten! die u beide over de vroegere heerscheresse hadt te 
beklagen; waren uwe gezindheden hare moeder en hare 
dochter niet? Welkom boven alles gij, wier ernst u nog 
altgd onderscheidt, al hebt gij uwe eigenaardige kleeding 
afgelegd, uwe nog eigenaardiger strengheid van zeden, ten 
minste in wat die voor de maatschappij te stroef had, 
getemperd! Er mogen zijn, die het bevreemdt of bedroeft, 
dat de doopsgezinden niet langer weigeren zitting te nemen 
op de zetels der eere, wij die in de overtuiging deelen, dat 
onze tegenwoordige regering geen hooger belang heeft of 
kent, dan de steden door de eerlijkste en bekwaamste 
mannen, die tevens het vertrouwen der burgerij bezitten, 
zonder eenig aanzien van godsdienstige overtuiging te laten 
besturen, wij verbazen er ons niet, wij verheugen er ons 
integendeel over, dat zij u in groeten getale kiest. Er schuilt 
in uw genootschap een schat niet enkel van stoffelijke, 
maar ook van verstandelijke, van zedelijke kracht vooral, 
wier verspreiding door het gansche staatsligchaam slechts 
weldadig werken kan!" 



293 J. H. van den Bosch. 



Pag. 21 reg. 8 v. o.: Bravissimo^ Jan!: = „noch beter," „noch 
mooier!" -- de klimax van BravOy Jan\ boven aan bladzij 
21 ; wie kent niet het „Bravo bravissimo", — waarin bravo 
't zelfde woord als ons braaf is (= knap, flink) en bravissimo 
een superlatief daarvan. 

Pag 22 reg. 3: Jan leunt met welgevallen op den arm van Jan- 
maat : 800 ey hetj eoo blijve het : symbolies dus op te vatten : 
handel en zeevaart onafscheideiiji aan elkander verknocht. 

Pag. 22 reg. 10: hofje: de Hollandse naam voor die meestal 
partikuliere stichtingen („Fondatie's") waarin arme oude 
lieden, of ook toel op royaler voet tegen zékere storting beter 
gesetene^ huisvesting en verzorging verleend wordt; vooral 
in de Bestandstijd zijn er, als verschuldigde liefdadigheids- 
betoning voor verkregen rijkdommen, veel zo gesticht, uit 
hun fondsen noch steeds voortbestaande, waarvan ook tal 
van ouwe poortjes en ingangen met opschrift, in de Hol- 
landse steden vooral, noch getuigenis afleggen. Het ho^e 
behoort tot de zogenaamde „Godshuizen" (liefdadigheids- 
gestichten). Beets brengt ons op een zodanig in de Famüie 
Kegge. En Potgieters tekening van een Haarlems hofle mag 
wel bijdragen ter verklaring van ons stuk: Al blijks genoeg 
tooi ergernis — De samheid van een hofje me ts ; — Van omvang 
engy van aanleg stijf — Vervdings schemerziek verblijf: — 
Een pleintje^ dat voor ruimst verschiet — Der buren Meene 
vensters biedty — Een perkje^ dat geen vogds trekt — Wijl 
iedWe zoo^ tot bleekvdd strekt; — Een pompj die weigert meer 
te gaan — Zoo langzaam leerde dutten slaan \ — Het voor- 
versterf van hart en hoofd — Dat onder de asch de vonken 
dooft! 

Pag. 22 reg. 12: Houdt het Jannetje ten goede^ dat gij met haar 
voorschoot langs hare oogen strijkt! — doch zij rept zich reeds 
hare plaats aan tafd in te netnen; — luistert nog een oogen- 



Potgieters Jan en Jannetje. 293 

blik naar een paar jongens^ die het langst hij den "haard blijven 
drentelen: de zin met doch wel èildus op te vatten: ^doch 
laten wij hier niet meer bij verwijlen, de maaltijd begint" — 
mogelik met de bijgedhchte „Jannetje houdt zich goed". Men 
kan een ogenblik geneigd zijn om het te verstaan als „doch 
Jannetje vermant zich" — maar dit verbindt zich toch 
slecht met de Imperatief „Houdt het Jannetje ten goede" ; 
en het, even verkeerd, te verbinden met de mTcelïke inhoud 
van dai zij met haar voorschoot langs hare oogen strijkt^ doet 
men liever niet, als betere opvatting mogelik is. 

Pag. 22 reg. 16 v. o.: een snaaksche bogchel: Jan Klaassen die 
van ouds een bochel was, een dubbele bochel, en spille- 
böentjes had, een wonderlik© (ook een grauwlederen?) b.v. 
een hoge naar voren overgebogen gepluimde muts droeg 
en veel een houten sabel voerde. Jan Klaassen (over wiens 
geschiedenis Aem. W. Wijbrands, Vriendjes uit onze jeugd 
in Volksalmanak v. 1873), is voor Potgieter hier de ver- 
waarloosde genius van de Oud-HoUandse komedie. Kalvinis- 
tiese strengheid, de verfljndheid van de Renaissance bescha- 
ving, en Patriciese deftigheid hebben in de XVII^^ eeuw 
reeds de ontwikkeling van Blijspel en Klucht onmogelik 
gemaakt. De Romantiek had wel een enkel goed Blijspel 
óók gebracht {de Neven van Helvetius van den Bergh, 1837), 
maar herleving van het komies genre was zelfs niet in 
uitzicht. Maar in de Jan-KIaassen-kast werd noch altijd op 
volksaardige wijze het leven gedramatiseerd! Ook in Albert 
Schetsen en Verhalen II, 33) zegt Potgieter: „De Jan Claes- 
sen is nationcUer dan dat basterdkind van een Griekinnetje met 
een Franschnan*' (de Achüles van Huydecoper). 

Pag. 22 reg. 19: Jan Oat en Jan Hen: de eerste is de sukkel 
die nergens toe deugt, Jan Hen het onmannelike individu 
dat zich bij voorkeur bemoeit met de dingen die de vrouw 
aangaan, het ver-wijfde mannetjes-mens. Jan Goddomme en 



294 J. H. van den Boaoli. 



Jan Kalebas laat Potgieter door Jan ontvangen (pag. 12), — 
dit edel tweetal niet. 

Pag. 22 reg. 21 v. o.: Huygens had pleeier in me, etc.: nl. in 
zijn jeugd, de XViy« eeuw. Zelfs een man als Huygens 
(voor Potgieter een van de mooiste XVII^^e eeuwse tiepen; 
zie z^jn studie over hem in Krü. Stud. II), Huygens zelfs 
heeft zich minstens eenmaal met alle ernst op een komedie 
toegelegd; zijn Trijntje Comdis (1659) is een van de mees- 
terwerken onzer Letterkunde, veel te weinig gelezen en 
gewaardeerd. Terecht wordt het door Potgieter hier aange- 
haald. — Als Potgieter echter schrijft: Sinds hebben de poe- 
ten my verstooten^ nl. sinds Huygens, — dan is dat toch 
moeielik te rechtvaardigen :^ om, uit de XVIII<J« eeuw, van 
Langendijk te zwijgen, er zijn op het laatst van de XVII^^e 
toch verscheiden zeer verdienstelike echt-HoUandse blij- 
spelen gedicht I 

Huygens die de geheimen van drie Prinsen wist: WBXit hij 
is Sekretaris en Raad geweest van Frederik Hendrik, Wil- 
lem II (en de Prinses- Weduwe Maria) en Willem III. 

Pag. 22 reg. 17 v. o.: op straat met je ronzebons : de ronzebons 
is de Jan-Klaassen-kast; is het een speciaal- Amsterdams 
woord daarvoor? — van Lennep gebruikt het geregeld in 
zijn bekende schets Over drie groote en miskende stadgenooten 
(in In en over Amsterdam in het bundeltje Vertellingen van 
vroeger en later tijd). 

Pag. 22 reg. 3. v. o.: doldijnen: echt Hollands woord voor het 
troetelend spelen, het dollen en sollen van de moeders met 
hun schootkleintjes, ook doUedifnen en in intensieve forma- 
tie doUemedijnen^ doldemedijnen^ luidruchtig dollen van moeders 
met kinderen, en dolderdemedijnen^ wild stoeien van jongens, 
mekaar omgooien. Er is ook een dodijnen en een doudijnen. 
En een Frans dodiner: „heen en weer bewegen" ; „wiegen" ; 
„koesteren". Uit de wiegeliedjes kent men difnen („sujen. 






Potgieters Jan en Jannetje. 295 



sujen, dijnen"). En uit Stijn Streuvels douwen: „Horieneke 
nam het schreiend kindje uit de wieg en schuddend en 
douwend ging zij ermee in 't hoveke." Gehoord wordt ook 
soUemedijnen. 

Pag. 23 reg. 1: ik heb van mijn Huygens geleerd: ^Ik spaer de 
roede niet^ ik heb het volk te lief: Huygens zegt in het 
gedicht Aen Barlaeus^ toen Barlaeus hem bestraft had dat 
hij Tesselscha zo lastig viel om haar „mis-geloof (1642; 
Worp III, 180, V. Vloten V, 37): Het vleyen is een* gunst 
van dooddick gerief — lek spaer de roede niet^ick hébb het 
Mnd te lief. Wat Jan Elaassen, de hekelaar, de man die 
lachende de waarheid zegt, dus van Huygens geleerd had, 
was in 't algemeen, te kastijden, zo nodig, wie men lief heeft. 

Pag. 23 reg. 3 : eijne ietwat paradoxale Uagt : Een ,,paradox" 
is een stelling die, naar de letterlike betekenis van het 
Griekse woord, „tegen de gewone mening" indruist en die 
evenwel door de manier waarop ze geuit wordt, indruk 
maakt en, verwondering of bevreemding wekkende, prik- 
kelt, dat men er zich mee bezig houdt. Veel wat lè.ter van 
zelf spreekt en voor iedereen een waarheid is, heeft de 
mensen soms èèrst een tijd lang paradoxaal toegeklonken, 
toen het door deze of gene zonder veel betoog maar met 
gezag, tegen de heersende opinie's in was verkondigd. Een 
echt paradoxaal schrijver, was Multatuli. En zo verrast en 
bevreemdt het ons, als de verachte Jan Klaessen van zich 
zelf spreekt als de waarachtige personificatie van het nati- 
onale Blijspel, op zodanige wijze dat het zich aan ons 
opdringt, ons beetpakt. 

Pag. 23 reg. 7: Jan Claassenl — als hadden komt^ is hd>ben te 
laat ; maar een ding beloof ik je^ wanneer Jan Salie zich van 
zijn hofje waagt^ dan zal ik het al wie hem loof opnemen loof 
maken^ ik ben niet voor niemendal Jan Kritiek: er was geen 
uitzicht dat uit Jan Eiaassen vooreerst noch de man zou 



296 J. H. van den Bosch. 



groeien die bij in de XYII^^e eeuw getoond had te kunnen 
worden, geen uitzicht op een Blijspel dat voor de Natie 
spiegel en leerschool zou kunnen zijn: maar de roede zou 
evenwel weer gezwaaid worden, de tuchtmeester was er: 
het was Potgieter en de öiefa, Jan KrUiek; waar weer een 
Ideaal is, daar komt de kritiek weer ! — Zie de Beschouwing 
van het stuk in Taal en Letteren 1896, pag. 90—91, en de 
Inleiding^ aldaar pag. 86. 

het iemand loof maken: „het iemand meemaken." „Ik ben 
die drukte al lang loof' zegt men in N.-HoUand (Bonman, 
De Vdtkstaal in N.-HoUand^ 64). Ook b.v. bij Brederode 
komt het meermalen voor. Zie ook het Middelnederlands 
Woordenboek. 

Pag. 23 reg. 1 1 : Oranje in f hart^ en niemands slaaf: uit 
van Haren's Geuzen^ Zang XXIV, 10: j^Oranje in 't hart\ 
en niemands knecht V\ als leus der Noord-Hollanders in 
1572: voor de Liberaal Potgieter de leus van de oprechte 
en wei-bewuste Constitutionele Monarchist. Zie voor zijn staat- 
kundige gezindheid de tekenende bladzijde uit het opstel 
over Mr. A. W. Engelens Staatshervormen (1845; Erit.Stud. 
pag. 126—127), na zijn strenge oordeel over de natie van 
na '30: „Eendragt!" riep men, schreef men, zong men; 
maar waarlijk, ik wilde geen tweedragt, toen ik onder de 
mannen van het vorige bestuur, vergeefs naar de Hoofts 
(C. P.) en de Bickers omzag, die voor Maurits en voor 
Willem den Tweede wel van zwichten, maar niet van 
plooyen wisten; die geloofden aan de magt van zedelijken 
moed. We wijken voor niemand, gelooven wij, in eerbied 
en gehechtheid aan het Huis van Oranje; maar om den 
wille van dat Huis zelf, we wenschten, dat de laatste vijf 
en twintig jaren mannen hadden opgeleverd, niet van die 
staatkundige partij, maar mannen van dien staatkundigen 
stempel; en de Heer E. boude het ons ten goede, dat wij 



Potgieters Jan en Jannetje. 297 

daarom geen' vrede kunnen hebben met de verzen, waarin 
hij aan onzen Koning Willem II zegt: 

Dien naam droeg ook de telg uit uw doorluchten stam, 
De krijgsheld, die, ten spijt van 't muitziek Amsterdam, 
Den overmoed bedwong van 's lands geweldenaren. 

Plebejer als we zijn, eischen wij in naam der historie niet 
enkel eerbied voor de gevallene grootheid onzer patriciërs; 
eisehen wij onpartijdige waardering van bezielende begin- 
selen; eischen wij die, gelooven wij, met dubbel regt in 
een' tijd, die zich op zijne beginselloosheid verheft! Vurig 
als wij verlangen, van onzen tijd als we zijn, dat het 
democratische element zich ontwikkele, eerbiedigen wij in 
Jan de Witt een genie, dat aan Willem III slechts ééne 
kans liet, ooit in zijne voorvaderlijke waardigheden te 
worden hersteld, die van een groot man te zijn, die van 
hem te overtreffen. Verre er van de herleving van vroegere 
geschillen te verlangen, het zou het onmogelijke gewenscht 
zijn, al ware het wenschens waard, — vreezen wij niets 
zoo zeer als een volksgeest, „die loomheid wijsheid acht," 
en onverschilligheid vaderlandsliefde!" 

Jan is met Oranje gevallen: nl. in 1795 toen de oude 
Republiek viel, het Stadhouderschap vernietigd werd, Wil- 
lem V zelf zijn land verlaten moest. Toen was meteen het 
tijdperk van onze vernedering ingetreden. 

Pag. 23 reg. 16: de andere JcaraktertreJc: nl. zijn vroomheid: 
zie de Inleiding^ Taal en Letteren 1896, pag. 50. 

G. V. D. B. 



BOEKAANKONDIGING. 



Die Niederlandische Lyrik von 
1875—1900. Eine Studie u. tlber- 
setzungen von Otto Hanser. 
Grossenhain, Banmert & Bonge, 1901. 

Niet vele Nederlandse auteurs worden genoten in het Bui- 
tenland. Dr. Hauser poogt dit voor de jongeren te bereiken. 
Maar meer nog maakt bij die studie en vertolkingen voor 
zijn eigen landgenoten. Immers 77 Wie sebr mit unrecht die 
hollandische Lyrik bisher übersehen ward, zeigt dies Bucb .... 
die Erschliessung dieser reicben Scbatze von Schönheit-in- 
Worten ist geradezu eine Entdeckung für die deutscbe Lit- 
teratur." 

Zo geeft hij dan onze karakteristieke Woordkunstenaars 
van de laatste 25 jaren. En van elk van deze geefb hij in 
de Inleiding biezonderheden, zodat het geheel een beknopt 
overzicht wordt van onze jongste litteratum. Een boek als 
dit hebben we ook nog niet in ons eigen land. 

Aan de vertaler is wel gebleken dat niet allen geheel oor- 
spronkelik zijn; engelse en ook franse invloed is waar te 
nemen. Maar er is geen navolging, 't is slechts de „por" ge- 
weest om eigen mooi te geven. 

„Trotz aller Anregungen, die sie vo^ auszen empfing, ist 
die moderne niederlandische Lyrik eine ganz antochthone Ein 
volk, das der Welt eine neue Musik und in Rembrandt einen 
Maler gegeben, der einer der grössten Farbendichter aller 






Boekaankondiging. 299 



Zeiten ist, bezeugte dadurch, dass in seiner Seele eine Fülle 
poëtischer Eraft gebunden lag, die nur der endlichen Befreiung 
entgegenschlief *)• 

En dan geeft hij grotere en kleinere maar bijna altijd de 
mooiste verzen van: 

Jacques Perk, Hélène Swarth, Willem Klops, Albert Ver- 
wey, Frederik van Eeden, Herman Gorter, Lucie Broedelet, 
Marie Boddaert, Fiora della Neve, W. G. van Nouhuys, Louis 
Couperus, Eduard Coster, Eduard Brom, Joannes Reddingis, 
Pol de Mont, Prosper van Langéndonck, August Vermeylen, 
Victor de Meijere. 

Als hij bij Gorter, Kloos, Verwey, Van Eeden 
e. a. ook opneemt Fiora della Neve, Van Nou- 
huys, Eduard Koster, Eduard Brom, e. a., dan 
leidt hij dit in met: ,,manche stehn der Moderne so nahe, 
dass man sie nur des Überwiegens der Retorik wegen den Con- 
servativen beizahlen muss. Sie sind nicht individuell genug, 
um ganz mit der Tmdition brechen zu können" . . . . ^), 

Van deze allen geeft hij vertaalde verzen. Zelfs van Gorter, 
van wie hij schrijft: 

„Niemals hat ein Dichter so ganz die gewöhnliche Kunst- 
form missachtet und, indem er jedes ihrer Gebote (freilich 
mit Grazié) übertrat, eine neue geschaffen, die in allen Ein- 
zelheiten persönlich und nur ihm eigen ist. Wie Segantini 
und Rysselberghe, der „Pointillist", das Licht in seine Far- 
benelemente zerlegen, um auf ihren Bildern das Flirren und 
Irisieren der Luft wiederzugeben, so war Gorter zu ahnlichen 
Mitteln zu greifen gezwungen, wenn er, was er sah, schildern 
woUte, loie er es sah" ^). 

In ihm ist Gorter ganz Impressionist, ganz Dichter in Far- 
ben, und zwar in stets einheitlichen, in Gold, in Silber, in 



1) Blz. 13. 

2) Blz. 29. 

3) Blz. 27. 



300 Boekaankondiging. 



Rot, in QrüD. Man wird &st an den genialen Schweden Alm- 
qoist erinnert, dessen Gefdhle stets Farbe annahmen und der 
sich deshalb beim Niederschreiben oft verschiedenfarbiger Tin- 
ten bediente. Ein hollandischer Eritiker sagt über Qorter: 
„Gorter ist ein Dichter, der seine Worte nicht braucht, um 
Denkbilder auszudrücken, sondern seine Worteselbst seine 
GefQhle ausdrücken lasst. Seine Worte, seine Versregeln wir- 
ken demnach nicht indirekt, durch Gedanken, die sie im Leser 
anregen, sondern direkt, durch das Erwecken von Stim- 
mungen" *). 

Welke Hollander nu voortaan beweert dat hij Gorter niet 
begrijpt, omdat deze geen nederlands schrijft, — die moet 
deze duitser lezen. 

Zijn vertalingen zijn mooi; over deze zijn kunst schrijft 
hij : „Bezüglich meiner Art zu übersetzen bemerke ich, dass ich 
jeden Dichter in einer der seinen congenialen Sprache zu 
verdeutschen suchte, dass demnach alle Abweichungen von 
dem gebrauchlichen Schema, alle „reichen" Reime, alle En- 
jambements auf entsprechende Eigentümlichkeiten des Origi- 
nals zurückgehn. Selbstverstandlich behielt ich dieVersmasse 
durchwegs bei. Charakteristische Ausdrücke und Wendungen 
sind stets wörtlich wiedergegeben. Auf diese Weise soUte den 
Gedichten der Reiz des Persönlichen gewahrt bleiben, den 
wir selbst in vorzüglichen JSachdichtungen nur zu oft ver- 
missen" ^). 

Ik heb met aandacht deze vertalingen gelezen. En op nieuw 
genoten. De vertaler was opgetogen: hoe had hij anders ook 
kunnen vertalen zoals hij die. 

En toch — als ooit nodig is te bewijzen hoe vertalingen 
nooit weergeven wat klank er in taal zit en wat eigenaardigs, 



1) Blz. 28. 

2) Blz. as. 



Boekaankondiging. 301 



dat een vreemdeling onmiddelik laat herkennen, omdat „on 
ne dit pas Qa" O 5 neem dan maar dit van Gorter : 

Mijn liefste was dood 

toen ben ik gegaan 

alle werelden door, 

ik heb gevonden, de wereld is groot 

maar zij was dood. 

Ik heb veel gevonden, de wereld is groot, 
er zaten veel in den nacht 
met witte vingeren wenkend, de macht 
van mijne doode was heel groot .... 

en dan daarna het duitse: 

Tot war mein Lieb, 
Durch alle Weiten trieb 
Dahin mich mein Loos, 
Ich fand: die Welt ist gross. 
Doch tot war mein Lieb. 

Ich fand wohl, die Welt ist gross, 
Und viele sassen in der Nacht, 
Winkend mit weissen Fingern; die Macht 
Meiner Toten war ganz gross ^). 

Zeer juist is de vertaling. Maar de klank? 



1) Dit geldt Toor alle talen, maar is alleen in de praktyk maar waar voor 
de nieuwere. Bij de dode talen komt dit niet uit. En toch is daar nog een 
„bovendien". 

Men kent alleen b\j benadering de klank van de dode, — d. w. z. wetenschap- 
pelik. Men spreekt echter grieks en latijn uit, op z'n hoUands min of meer! 
Wat komt dan van de verzen-klank in die talen terecht?! 

2) Blz. 118. 

X. EN L. XII. 20 



302 Boekaankondiging. 



Lees het eerste koepiet maar; de eindstemming is ^dood' 
in 't holiands, en nieb' in 't duits! *) 
Neem een ander nog, dat eenvoudige 

Zie je ik hou van je, 
ik vin je zoo lief en zoo licht — 
je oogen zijn zoo vol licht, 
ik hou van je, ik hou van je. 

O ja, ik hou van je, 
ik hou zoo vreeslij k van je, 
ik wou het heelemaal zeggen — 
maar ik kan het toch niet ze^en. 

En nu de vertaling? 

Siehst du, ich hab' dich lieb, 
Ich finde so lieb dich und licht, 
Deine Augen sind so voU Licht, 
Ich hab' dich lieb, ich hab' dich liebl 

O ja, ich hab' dich lieb, 
Ich hab' dich so furchtbar lieb, 
Allemal wollt' ich es sagen, — 
Kann's aber doch nicht sagen ^). 

Hoe anders impressioneert en klinkt dat „ich hab' dich 
lieb", en „ik hou van je". 

„Wij willen Holland hoog opstoten in de rij der volken" 
schreef van Deyssel twintig jaar geleden. 
En deze Duitser ^) getuigt, die alles behalve vreemdeling is 



1) Vgl. in oorspronkelik duits 't beleende slot van Goethes Erlkönig 4n seinen 
Armen das Kind war tot*. 

2) Blz. 128. 

3) Hij schreef een Selbstbiografie in „Den Gulden Winckel*' van Juni. Wat men 
van die biografie ook zeggen mag, zeker blykt uit z^n vertolkingen een overwel- 
digend zich kunnen invoelen in vreemde talen. 



Boekaankondiging. 303 



T^ 



in de litteratuur van andere volken, die zelf Paul Verlaine, 
Dante Gabriel Rossetti in duitse verzen overzette, — hij 
oordeelt aldus: 

„Wahrend das letzte Vierteljahrhundert für so manche 

Litteratur eine Periode des unter glanzendem Schein nur 

schlecht verhehlten Verfalies war, bedeutet es für die Ge- 

samtheit des hoUandischen Volkes eine Zeit noch nieerreich- 

ter höchster Blüte, der, wenn all die werdenden Talente zu 

voller Entfaltung gelangen, noch eine schone Nachblüte be- 

schieden sein wird" *). 

B. H. 



Oids bif de Studie voor de Hoofd- 
acte, door T. Pin lm, hoofdonder- 
w^zer te Baam. P. Noordhof. 1902. 
Groningen. 

Deze Oids bevat: 

I. Algemeene wenken omtrent de stndie als inleiding. 
n. De wetteiyke bepalingen betreffende het examen en het 

officieële programma. 
III. De studievakken. „Aanw^zing van de zaken, waarop men 
. vooral te letten heeft, en opgave van de meest gebruikte 
of nieuwste leerboeken, met vermelding van prgs, druk 
en uitgever".*). 
ly. De verslagen der examencommissiën in 1901, „ontleend 
aan de Staatscourant, die alleen 85 cent kost '). Menig 
nuttige wenk is voor den studeerende uit deze verslagen 
te trekken." 
Y. De schrifteiyke examen-opgaven in 1899, 1900 en 1901. 
VI. Mondelinge examenvragen. 



1) Blz. 32, 33. 

3) Het fonds van de firma Tjeenk Willink te Zwol is doodgezwegen. 
Er staat in H Voorbericht, waarom. 
3) Toch geen reklame voor de Staatscourant? 



304 Boekaankondiging. 



Wat ons vooral aantrekt, zijn de Eksamen- verslagen. Om 
de „menig nuttige wenk'* in 't biezonder, die er uit te trek- 
ken is. 

In zake Nederlandsche Taal- en Letterkunde wordt 
dit gez^d: 

De Commissie kreeg nu en dan de indruk dat men zich 
zel& niet de moeite gegeven had zich de hoofdinhoud van 
een beknopte spraakkunst eigen te maken, zodat aan de zeer 
fragmentariese taalkennis alle fundament ontbrak. (Den Haag.) 
Of: de meeste examinandi hadden een zeer onvoldoende ken- 
nis van de spraakkunst. (Amsterdam.) Of (bij 't bestuderen 
van een uitvoeriger spraakkunst): meestal begraaft men het 
vroeger geleerde onder een nodeloze ballast van schijngeleerd- 
heid. (Den Bosch.) 

Dit raakt de kwantiteit. 

En de kwaliteit? 

Waar de kandidaten zich er op hadden toegelegd de ver- 
schijnselen op spraakkunstig gebied van buiten te leren, had- 
pen ze van de aard dier verschijnselen geen helder begrip 
(Zwol) ; vele adspiranten hadden stof niet goed verwerkt (Gro- 
ningen); ze hadden zich niet eens op de verklaring van vrij 
eenvoudige taal verschijnselen toegelegd (Den Haag); vanenig 
diep inzicht in de taal verschijnselen is meestal geen sprake 
(Den Bosch). 

' Ligt de schuld bij de kandidaten misschien ; aan 'n te lichte 
opvatting van hun taak? 

Een der Commissieën deelt deze mening niet. Zij heeft de 
overtuiging dat in slechts weinige gevallen 'n onbevredigende 
uitkomst te wijten was aan 'n minder ernstige voorbereiding 
van de zijde der kandidaten; de schuld van vele tekortko- 
mingen is te zoeken in 'n verkeerde manier van studeren of 
in 'n volslagen gemis aan goede leiding. (Gron) Evenzo zegt 
Den Bosch: Weinig hoop op verbetering kan worden gekoes- 
terd, zolang onder zo ongunstige voorwaarden, zonder vol- 
doende leiding moet worden gestudeerd. Ook by het monde- 



Boekaankondiging. 305 



liDg eksamen kwam uit, hoe de meeste kandidaten bij het 
bestuderen der taal behoefte hebben aan behoorlike leiding. 

De Commissie6n blijken in hun oordeel eenstemmig te zyn. 
En de klacht is niet nieuw. Jaar aan jaar horen we dezelfde 
echo: „het eksamen in taal vertoont ons droevige resul- 
taten." En wat geldt voor de hoofdakte, geldt ook voor de 
onderwijzersakte (56»). Zonder uitzondering is het algemeen 
gevoelen, dat de kandidaten in het vak Nederlandsche taai 
een slecht eksamen doen. 

Wat dit laatste eksamen, — dat voor onderwijzer — be- 
treft, schijnen de algemene eenstemmige verslagen in hun 
oppervlakkigheid, een schromelike verdeeldheid in de opvat- 
ting voor de wijze van eksamineeren te verbergen. 

„Er zijn eksaminatoren," — betuigde dezer dagen 'n ge- 
dacht spreker *), — die de volle nadruk leggen op de spraak- 
„kunst, die deze met de kandidaten tot in de kleinste bijzon- 
„derheden uitpluizen, zonder zich te bekommeren of de 
„kandidaat blijk geefb van letterkundige aanleg. Andere zijn 
„er weer, en dit zijn naar mijn mening de beste, die van de 
„spraakkunst geen hoofddoel maken, die met de kandidaten 
„de schoonheid van het gelezen stuk opzoeken, die geen taal- 
„regels laten opdreunen, doch alleen onderzoeken, of deze 
„kunnen worden toegepast. Meer eenheid is, vooral in het 
„belang van de kandidaten, zeer gewenscht." 

En bij dezelfde gelegenheid onderwierpen ook anderen de 
bestaande inrichting van het eksamen in de Nederlandsche 
taal aan een uitvoerige krietiek; en met overgrote meerder- 
heid werd de wenselikheid uitgesproken dat de eksamen- 
kommissieën ter verkrijging van de zo nodige eenheid vooraf 
voorbereidende vergaderingen zouden houden. Alle kontakt 
tussen voorafgaande en volgende kommissieön ontbreekt; en 



1) De Heer N. H. van der Toorn op de jaarvergadering van de ver- 
eniging: Opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen in Zuid-Holland, ge- 
houden te Rotlerdam, den 17 Mei 1902. Verslag van de N. R. G. van 18 Mei. 



306 Boekaankondiging. 



wanneer bij zulk 'n toestand geklaagd wordt over de kandi- 
daten die vóór ze zich aan 't eksamen onderwerpen, een 
geregelde kursus 't zij aan een Normaalschool of aan 'n 
Kweekschool, hebben doorlopen, — wat moet er dan niet 
terecht komen van 'n taaleksamen over diezelfde kandidaten, 
wanneer ze, aan zich zelf overgelaten of aan de hand van 
van dezelfde onderwijzers, zich over' een uitgebreider studie- 
progranmia voor de hoofdakte moeten bekwamen? 

Geen wonder dat er in de algemeene veroordeling van die 
tobberds „eenstenmiigheid" wordt bereikt 1 

Maar, helaas, ook een „eenstemmigheid" met de Engelse 
drijflacht-berichten. 

Zo gebeurt het dat wanneer 'n aan valslinie van vragen de 
kandidaten zoekt te drijven in 'n formalistiese richting, 'n 
bindend eindverslag ze teisterend onder handen neemt en ze 
in de tegenovergestelde koers terugwerpt; zoeken ze daarop 
elders 'n vrijere uitweg, dan schrikken ze terug bij 'n hun 
eensklaps opgedrongen besef van onvoldoende sterkte, en 't 
is alleen op goed geluk dat ze door het hen omspannend 
onzichtbaar net de slachting kunnen ontkomen. 

In Den Bosch vroeg een eksaminator, naar aanleiding van 
het lezen van ^De Organist van den Dom" van Thijm, mon- 
deling ^) aan 'n kandidaat: 

„Waarvan is organist afgeleid? Wat is een orgaan? Zins- 
ontleding van den eersten zin. Waarom is Aoe een voegwoord ? 
Is er verschil tusschen hegrijpen en zich begrijpen F In welken 
naamval staat zich? Hoe heet die derde naamval? — Van 
welk woord is spelen eene bepaling? Laat dat eens zien. 
Welke bèteekenis heeft hier de onbepaalde wijs? Geef nog 
meer zulke voorbeelden. — In den eersten zin staat konden 
en Jcon; vanwaar die d? Hoe heeten zulke werkwoorden? 
Neem er nog eenige. — Met halver stem; in welken naamval 



1) Het achriftelik deel van 't eksamen geeft *n heel andere richting aan. Bij 
Pluim, bh. 95—97. 



Boekaankondiging. 307 



staat stem? Kan het geen tweede naamval zijn? Maak dat 
eens duidelijk met andere voorbeelden. — Wat is een Jcapü- 
tel^ een kapüed^ een kapitaal ? Waarom staat er „onderwezen 
werd!'? Welke beteekenis heeft sclrml nu gewoonlijk? Hoe 
heet die figuur? Waarop berust ze? — Wat is een pijler- 
bundd? Kent ge nog een andere beteekenis van pijler? Wat 
is een beuk van een kerk? Hoe heeten de verschillende 
beuken"?*) 

Dit was in 1901. 

De kandidaten die deze vragen hoorden of lazen, konden 
om gevrijwaard te worden tegen een afwijzing, er nu allicht 
toekomen, de woordjes in de te lezen tekst in de eerste 
plaats te beschouwen als letterhoopjes^ en voor het aantal let- 
tertekens de gronden te zoeken in de spelregels, de afleiding 
en de syntactiese verhoudingen in de zin^). Grammatica, 
vooral zinsontleding, wordt dan de eerste vraag, en niemand 
zal 't hen kwalik nemen, wanneer zij in deze hun gezichts- 
kring eerder menen te moeten uitbreiden dan wanneer ze 
zich hierin tot het nodigste beperken. 

Maar wat moeten diezelfde kandidaten nu aanvangen, als 
zij uit het verslag van de Bossche Commissie te lezen krijgen, 
dat zij die het vroeger geleerde menen te moeten uitbreiden, 
door bestudering van 'n uitvoerige spraakkunst dit hebben 
begraven „onder 'n nodeloze last van schijngeleerdheid"? 

Het vroeger geleerde onderhouden alleen ? Maar dan 
het uitvoeriger programma! — Het vroeger geleerde laten 
rusten mischien? Maar dan de klacht over onvoldoende kennis 
der spraakkunst! — De studie meer litteraries opvatten dan ? 
Maar dan de vragende eksaminator? — Dus 't zoeken in de 
formalistiese richting? Maar dan de litteraire richting in 
't schriftelik werk, en de talrijke klachten over de onbehol- 



1) Blz. 128. 

2) De sterk klagende Anasterdaiuse kommissie moet dan ook erkennen : Met 
het ontbinden van zinnen had men daarentegen in den regel weinig moeite. 



308 Boekaankondiging. 



penheid in de paraphraséring, de gebrekkige synonimiek en 
gedachten-uitdrukking I 

Konsekwenter was in dit opzicht Zwol in 1900, dat — naast 
de taalvragen bij een parapbrase — een geheel opstel gaf 
over een onderwei^p uit de spraakkunst (oorz. voorwerpen) *), 
en waar. bet eksamen, eenmaal in die ricbting geleid, zicb 
zelf gelijk bleef in 't mondeling gevraagde: 

„Welk woord is wien (Huygens' Zeestraet, vs. 141 — 185)? 
In welken naamval ? Geef den 2den n v. Gebruik hem in een 
zin! Hoe komt toiens nog anders voor? Verschil! Hoe wordt 
wiens gebruikt? Verschil! Hoe heet wien hier in de red. ont- 
leding! Docht^ welke vorm van dunken? Wat beteekent het ? 
Regelm. of onregelm.? Wat beteekent die t? Wat is het in 
de taalk. ontleding? Wat is dat? Daer aen een menighte sich 
sott te lesen vond, welke zin? Welk woord is daer aen? 
Komt 't ook anders voor? Welk gramm. verschil is er tus- 
schen daaraan en waaraan ? Welk woord is satt ? Welk werkw. 
is afgeleid van zat? Dat in een oogenblick een blad voU let- 
tren stond, welke zin? Kent u de onderscheiding 
in bijzinnen naar rangen? Tot welke soort behoort 
deze? Welk woord is vóU. In welke nv. staat lett'ren? Ont- 
leed den zin redekundig! Soo dat de leck're.... sonder hand. 
Wat is 800 dat? Wat is dat?.... Wat beteekent de e in 
etvaerste? Geef een overzicht van 't leerboek 
der spraakkunst van Terwey!^). 

Waar de kandidaten aan een dergelijk onderzoek worden 
onderworpen, is 't voor hen 'n vereiste, al de „verschijnselen" 
in hun hoofd te hebben, zo ze zich op hun eksamenstoeltje, 
met 'n abnormaal hoofd, veel der gevraagde wetenswaardig- 
heden te binnen zullen kunnen brengen. Klaarblijkelik hebben 
de kandidaten te Zwol zich voor 1901 op een zelfde wijze 
van onderzoek wederom voorbereid, te horen altans naar de 



1) blz. 88. 

2) Meerendeels wordt overal zo gevraagd. Zie Leeuwarden in 1900 (blz. 
119). Een geheel andere richting wijst hel schriftelik werk uit (blz. 89.) 



Boekaankojidiging. 309 



klEicht van de Commissie van de vorige zomer. Zij heeft 
namelik de opmerking moeten maken, ,,dat vele kandidaten 
er zich blijkbaar meer op „toeleggen, een overzicht van de 
„verschijnselen op dit gebied van buiten te leeren, dan te 
„trachten, zich van hun aard een helder begrip te vormen. 
„Meermalen kwam het voor, dat de examinandus verlegen 
„zat, wanneer van hem gevorderd werd, hetgeen hij uit zijn 
„spraakkunst had geleerd, in verband te brengen met delec- 
„tuur, die hem was voorgelegd." 

Het komt ons voor dat de heer Van der Toorn de 
zaak bij de ware naam heeft genoemd. Er heerst in de taal- 
eksamens 'n soort inkonsekwentie. In de algemene opleiding 
ontbreekt 'n lijn, 'n karakter. Men wordt geslingerd tussen 
twee meningen, getrokken tussen twee polen. En ook in de 
bovengenoemde eksamenopgaven wordt merkbaar 'et begin 
van de strijd tussen twee leuzen, die als de commmissieön 
en de leiders van 't onderwijs met elkaar in 't gewenste 
kontakt zullen komen, neergelegd zullen moeten worden in 
't volgende alternatief: 

Wat zullen we voortaan als taal onderwijzen: 't vaste 
gebruik van de geijkte woordvormen, beheerst door de syn- 
taktiese wetten van de schoolse geschreven taal, of vaardig- 
heid in 't bewerken en herkennen van leesbare en geregelde 
compositie. Wat is taalkennis : de kennis van de vormleer en 
stijlleer, of, het intuïtief voelen en leiden van het klanken- 
verloop. Of ten slotte : hebben we bij 't woord aan de let- 
lets, of aan de klank te denken ; worden de letterhoopjes in 
hun vervormingen beheerst door uitwendige wetten of door 
processen in de schrijvende mens zelf! 

Een alternatief, waaraan geen ontkomen is, nu men in lit- 
teratuur en onderwijs zich niet meer met de oude vormen 
kan vergenoegen en behoefte voelt zich meer onmiddellike en 
eigene vormen te scheppen. 

De opleiders zelf is het niet zo kwalik te nam^n dat zij 



310 Boekaankondiging. 



de kandidaten voor het eksamen, hoe of wat het dan ook zijn 
mag, zoeken klaar te maken. Maar de Commissiên moesten 
liever voor klachten inzichten geven. Waarom zou het ook 
niet bij hen een punt van overweging kunnen worden, hoe 
het komt dat waar naar aanleiding van hun vragen de jonge- 
lieden een reeks van jaren voor de vraag gesteld worden of 
ze de of den^ welke of welken^ dezulke of denzulken moeten 
schrijven, de aanstaande onderwijzers al vroeg 'n onjuist 
begrip krijgen nopens auteur stctal; dat zij bij zelfkrietiek en 
bij krietiek op anderen zich spitsen op dingen buiten het 
geestelik scheppen en het geestelik zelf bezit om; dat zij 
woordveranderingen, in plaats van op klankbewegingen terug 
te brengen, herleiden op syntaxiöele groeperingen en afge- 
dankte historiese klankafbeeldingen ; dat zij niet in staat zijn 
zich 'n juiste voorstelling te maken van het wezen en het 
leven der taal, maar bestendig klank en spelling 
verwarren ; dat zij 't lezen niet in de eerste plaats opvatten 
als zelfbewust klank- vertolken ; M dat zij de taal, gesproken 
door 't volk en door de volks-voelende auteur, nooit erken- 
nen als klankgenot, en niet zoeken te luisteren naar zich 
zelf en naar sprekende karakters, omdat voor hen de taal 
als gesproken niet bestaat en niet mag bestaan ! ^) 

Maar we hopen. Hoe mooi zou 't zijn, eerstdaags van Com- 
missieén te horen, die, in onderling kontakt, onafhankelik 
van geest, en in voeling met de veranderde meningen, zich 
gingen opwerpen als leidend instituut, en hun bevindingen 
gingen formuleren in algemene wenken met juiste vinger- 
wijzingen ! 



1) Blijkbaar lezen de kandidaten zelden of nooit hardop en zodoende hebben 
ze niet leeren luisteren naar zich zelven en weten ze zich geen rekenschap te 
geven noch van het lezen noch van het gelezene (Gron. 4901.) Met vele goede 
opmerkingen. 

2) Oorzaak der slechte cijfers in 't lezen : ligt o. a. in *t stijl- en kleurloze dat 
hun eigen spreken kenmerkt en de daaruit geboren onmogelikheid om de stijl 
van enig auteur tot z*n recht te doen komen. (Gron. 1901) 1 1 



1 



Boekaankondiging. 311 



Onder punt III, geeft de heer Pluim z'n „Gids", zoals we 
zeiden: „De studievakken. Aanwijzing van de zaken waarop 
men te letten heeft, en opgave van de meest gebruikte of 
nieuwste leerboeken, met vermelding van prijs, druk en 
uitgever." 

Als „Gids", die volledig wil wezen, geeft de bewerker 'n 
ruime keus. In taal b.v. worden genoemd Terwey, Kum- 
mer, Den Hertog, Kat, Jacobs en Koenen, de 
oefeningen van De Vries en van Meerkerk. In 't stel- 
len" is de opgaaf nog ruimer. Uit de aard van de zaak zijn 
die „oefeningen" voor 't eksamen, en er is dus veel bij, dat 
we als „dienende ter opleiding" zouden moeten afkeuren. 
Evenwel de auteur zelf geeft ook wenken. Yf e vrezen echter, 
dat de leerling hiermee evenmin vooruitkomt. Niet aanprijzen, 
maar ontraden moeten we de leerling, wat de heer Pluim 
hun voorhoudt, n.1. „dat het groot geheim dezer kunst (be- 
„doeld wordt het schrift el ij k uitdrukken der g e- 
„dachten) hierin bestaat, dat men een uitstekend voor- 
beeld tot model kiest en dus bij onze groote stij listen in de 
„leer gaat. Heeft men een schrijver gevonden, die ons treft 
„om zijn fraaien stijl^ welnu, men leze hem aandachtig en 
„trachtte op te sporen, wat die styl zoo aantrekkelijk maakt." 
Het „grote geheim" nu is geen geheim, en de „kunst" is 't van 
meet af luisteren naar de natuur. Bij 't kiezen van de model- 
len van „fraaien stijl" blijft er zo dikwels een aan de „leer" 
hangen, en brengt het niet verder dan tot 'n levenloze stijf- 
heid. Ook kunnen we bij de bewerker van de „Gids" lezen 
hoe de auteurstaal dienstbaar wordt gemaakt als „toetssteen" 
van de grammatica-kennis, en dus de kandidaat in z'n lezen 
vooral het morphologiese leert betrachten. „Wie aandachtig 
„studeert, — en dat is eigenlijk een pleonasme — zegt de 
schrijver, „zal met eenige volharding de spraakkunst wel 
„onder de knie krijgen. Daarbij is het vooral zaak, niet uit- 
„sluitend aan de voorbeelden van het leerboek te blijven 
„hangen, want onze spraakkunstschrijvers zijn — met alle 



312 Boekaankondiging. 



„reverentie gezegd — ooiijk genoeg, om bepaald moeilgke 
„gevallen weg te laten. Heeft men dus een stuk grammaire 
„behandeld, dan neme men een boek en toetse daaraan het 
„geleerde. Bijv., gij hebt den genitief geleerd of het voeg- 
„ woord verzwolgen, en gij gaat vervolgens op de aangeduide 
„wijze tot proefneming over. Niet zelden zult gij dan op ge- 
„vallen stuiten, waar over het leerboek een deftig zwijgen 
„bewaart, doch dat u juist moet aansporen achter de waar- 
„heid te komen. Zoodoende vordert gij veel meer dan gij 
„vermoedt, en gij zult op het examen ook beter voorbereid 
„zijn, op dingen, waaraan gij anders niet gedacht had." 
Zo gaat 't door. 

Wij vrezen dat de schrijver van deze „Gids" uit zich zelf 
aan niemand iets te zeggen heeft gehad. Liever hadden we 
van hem 'n principieëler inzicht in taalonderwijs gehoord, 
en zo we dit niet hadden mogen verwachten, dan had hij 
ons toch moeten vrijwaren voor de lijklucht van „School en 
Studie". Inmiddels zijn we hem dankbaar voor de uitgave 
van, de verslagen, de schriftelike eksamenopgaven en mon- 
delinge vragen. Werkelik geven ze te lezen, „nuttige wen- 
ken" zelfe, al bedoelde de heer Pluim het anders. Voegen 
we er nog bij dat deze „Gids" f 1.20 kost; de verslagen, ont- 
leend aan de Staatscourant, kosten, zegt de schrijver, alleen 
al 85 cent. 

J. K. 



KLEINE MEEDELINGEN OVER BOEKWERKEN. 



Oost Indisch Landjuweel^ verzameld door S. Kalff. 

Of waarom bestaan er zooveel Nederlandsche chrestomatliieën, en 
geen enkele Nederlandsch-Indische? 

Het is beweerd dat op het veld dier letterkunde een bloemlezing 
geen reden van bestaan zon hebben, simpel omdat de „bloemen" er 
nog te schaarsch z^n. En indien men alleen met de aesthetica wilde 
te rade gaan, alleen met die Indische werken welke uitblinken door 
meesterschap over den vorm of r^kdom van gedachten, of adel van 
voorstelling, door akademischen stijl of vernuft van goeden huize, — 
ja, dan zou die bewering juist mogen heeten. Maar uit een oogpunt 
van geschiedenis, ethnologie, reisbeschryving, romantiek, biografie, 
natuurkennis, fabelleer, topografie enz. had een grooter werk dan dit 
er reeds mogen wezen. 

Sommige namen en daaronder van de beste, moesten hier verzwegeii 
worden, omdat een zoo klein bestek als het onderhavige slechts luttel 
keuze gedoogde. Doch zoo de sprokkeling blaken mocht te beantwoor- 
den aan het doel des verzamelaars, d. i. eene opwekking en eene weg- 
wgzing naar den kolonialen letterschat, welke recht heeft op de belang- 
stelling, jk op de studie inzonderheid van het opkomend geslacht; zoo 
deze vruchten uit den Indischen „fruytkorf' naar smaak mocht wezen, 
welnu ze groeiden geiyk de pruimpjes van den kinderdichter „aan een 
boom zoo volgeladen" — en die nog vaak geschud kan worden. 

Uit de voorrede. 

Nederlandsche Klassieken, (Gulden-Editie), uitgegeven door 
H. Beckering Vinckers. 

De uitgave geschiedt in afleveringen, die elk een compleet werk van 
een der volgende schryvers bevatten: Joost van den Yondel, Pieter 



314 Kleine meedelingen over boekwerken. 



Comeliszoon Hooft, G-erbrand Adriaansz. Bredero, Jacob Cats, Constan- 
tyn Hnygens, Roemer Viaacher, Starter, Campbnyzen, Brandt, Wester- 
baen, Job. Antonidns van der Groes enz. enz. De eerste aerie zal bestaan 
nit 24 afleveringen, welke 6 deelen vormen. Elk deel bevat de hoofd- 
werken van een auteur, benevens diens portret. 

De uitgave gescbiedt in afleveringen van f 0,25; in deelen è. f 1, — ; 
en gebonden in keurigen band f 1,40, met duidelgke letter en op 
boutvry papier gedrukt. 

Oeschiedenis der Noord-Nedêrlandsche letteren in de XIX' eeuw^ 
door Prof. Dr. Jan ten Brink, (1730—1900) 2e Herziene en 
uitgebreide Druk, bggewerkt en aangevuld door Ta«o H. de Beer. 

Eene nieuwe uitgave is noodig geworden; noodig omdat geen ander 
boek bestaat, dat zoo een juist en volledig beeld geeft van onze Letter- 
kunde in de 19^ eeuw. 

Daartoe aangezocht, was Prof. Ten Brink weder gereed het boek te 
herzien en uit te breiden; niettegenstaande een ernstige kwaal z^ne 
gezondheid ondermynde, hem zelfis meer dan eenmaal op het ziekbed 
wierp, werkte h^ met onverdroten yver voort en reeds was de taak 
b^na voltooid, toen de onverbiddeiyke dood den ny veren geleerde voor- 
goed de pen uit de hand deed vallen. 

Wy hadden het geluk, den heer Taco H. de Beer bereid te vinden, 
de taak over te nemen en den arbeid te voltooien. De zorg hiervoor 
berust dus in goede handen. 

Het verschynt thans volledig tot op onze dagen, dus ook behande- 
lende de nieuwe richting. 

Kinderspel en Kindsrlust in Zuid-Nederland door A. de Cock 
en Is. Teirlinck. Bekroond door de Eoninkiyke Ylaamsche 
Academie voor Taal- en Letterkunde. 

Dit de Inleiding. 

De volgende verzameling behoort tot het gebied van de folklore — 
de wetenschap, welke eerst dagteekent uit de XIX^ eeuw. 

wy hebben dezen tekst in den breedst mogeiyken zin opgevat. Wy 
hebben ons niet bepaald by de zoo volledig mogeiyke en nauwkeurige 
besohryving der Elnderspelen, zooals men die gewooniyk beschouwt; 
allen kinderlust hebben wy in onzen werkkring .opgenomen. 

&eene moeite hebben wy gespaard om onze studie zoo volledig moge- 
lyk te maken. !Wy zeggen met de Academie „;(oo. volledig mogeiyk*'; 



Kleine meedelingen over boekwerken. 315 

• 

want kan eene verzameling als de onze wel „volledig" z^n? Al wie 
aan folklore meedeed of -doet, zal zonder aarzelen antwoorden: Neen! 
En onderstellen w^, voor een oogenblik, dat znlk werk volledig zyn 
knnne : morgen zon het reeds onvolledig wezen, zonde het reeds op- 
nieuw moeten aangevuld worden; want voortdurend worden bestaande 
spelen gewgzigd of vergeten, terwgl nieuwe ontstaan of in zwang 
komen. Geboorte, groei, bloei, dood, vervorming bestaan voor de spelen 
evenals voor alles wat leeft. 

Doch, indien w^ in volle nederigheid bekennen dat ons werk niet 
volledig kan heeten, toch durven wg beweren, dat wg in onze ver- 
zameling bgna al de kinderspelen hebben beschreven; en mocht het 
gebeuren, dat een kinderspel, dat in zekere gouwen van ons Ylaamsche 
land gespeeld wordt, niet in ons werk zoude te vinden zign, toch zal 
men voorbeelden van gelgken aard, met dezelfde speelphasen, met ge- 
Igkende wetten, die het beheeren, er in ontmoeten. 

Om tot die gewenschte volledigheid te geraken hebben wg zelf met 
de kinderen gespeeld, ze zien spelen, ze geraadpleegd; talrgke geloof- 
waardige briefwisselaars hebben ons hunne hulp geschonken, al de 
folkloristische werken en tgdschriften van Zuid-Nederland, al de Idio- 
ticons, in ons land of in Holland verschenen, hebben wg, bladzgde 
voor bladzgde, nagezien ; vele andere werken, die ons voor onzen arbeid 
konden van nut zgn, hebben wy onderzooht; ook de nitheemsche stan- 
daardwerken over kinderspelen hebben wg niet vergeten. Men gelieve 
enkel één oogslag op de uitgebreide bibliographische Igst te werpen, 
om hiervan overtuigd te zgn. 

Dit légt genoegzaam xdt hoe het ons gelukt is zulke overgroote 
hoeveelheid documenten, alle uit het kinderleven gegrepen, te kunnen 
bgeenbrengen. 

De grootste zorg hebben wg besteed aan de nauwkeurige beschrifving 
van ieder spel. 

De merkwaardige varianten van ieder spel of van deelen van het 
spel, de verschillende speelphasen, de talrgke rgmpjes, onder het spelen 
geroepen, gezongen of opgedreund, dit alles hebben wg met nauwge- 
zetheid opgeteekend, omdat wg gemeend hebben, dat niet éene eigen- 
aardigheid — hoe gering zg ook scheen — mocht verloren gaan. Een 
enkel woord, in slechts èene lezing weergevonden, zal wellicht den 
zoeker op het goede spoor brengen om menig deuntje, dat ons zinloos, 
onuitlegbar voorkomt, klaar en verstaanbaar te maken. 

Al de gebruikte idiotismen hebben wg niet uitgelegd : enkele, onver- 
staanbaar schgnen woorden werden verklaard. Op etymologisch gebied 
hebben we weinig gissingen geopperd. Ons werk is geschreven vooral 
voor die, welke zich met taal en folklore bezighouden en die lezers 
zullen wel de niet uitgelegde woorden en wendingen begrgpen. 



316 Kleine meedelingen over boekwerken. 

■ ■ — 9 ' • • '■ ' ■■ • — "- 

Bg zondere zorg werd besteed aan het samenstellen der lasten van 
namen onzer kinderspelen. Hier en daar hebben wy gebruik gemaakt 
van uüheemsche spelen. Telkens als het er op aankwam de Ylaamsche 
kinderspelen te volledigen of te verdoidel^ken, een eigenaardigheid 
er van in een helder licht te stellen, of wel er de beteekenis van aan 
te toonen, hebben wy Noordnederlandsche spelen, ook Eoogdnitsche, 
Fransche, Engelsche, soms Zwitsersche en Italiaansche ter hnlp ge- 
roepen. Inzonderheid hebben wg getracht, in de mate van het moge- 
Igke, de uitheemsche synoniemen op te geven; want dit alles vraagt 
zeer veel tgd, groote belezenheid en bevoegdheid en buitengewoon vele 
opzoekingen. 

In onze verzameling komen vele kinderliederen en -deuntjes voor. 
Waar het voor ons mogelgk is geweest, hebben wg de muziek dier 
liederen opgegeven. Wg meenen te mogen zeggen, dat wg de reeds 
bestaande verzamelingen van volksliederen verrgkt hebben met om- 
trent drie honderd min of meer nieuwe melodieën — een niet onaan- 
zienlgk getal — waarvan, buiten een paar, niet een aan een boekwerk 
is ontleend; slechts enkelen zgn genomen uit folklorische tydschriften ; 
al de rest is uit den volksmond opgeteekend. 

Wat de noteering der zangw^zen betreft, daarin zgn wg streng 
wetenschappelgk te werk gegaan. Wg zelf evenals onze correspondenten, 
hebben steeds de zangwgze getrouw uit den kindermond opgevangen, 
ons het recht ontzeggend er eene iota aan te veranderen. Het beste 
zangeresje der school — de school vooral schonk ons dien rgken oogst — 
werd steeds uitgekozen; waar het echter bleek, dat zg, ten gevolge 
van eenige schuchterheid, de hooge noteii der melodie niet durfde of 
niet kon laten uitkomen, deden wg telkens een aantal kinderen in koor 
zingen: Die samenhang van de echt goede stemmetjes geeft, trouwens, 
den besten waarborg voor de nauwkeurigheid eener melodie, zooals ze, 
op 't oogenblik der genomen proef, in de kinderwereld voortleeft. 

Daar, waar de liedertekst te wenschen overliet of de muziek, in 
opzicht van maat, rhythmus of anderzins ons gebrekkig voorkwam, 
en wg beide gemakkeiyk konden verbeteren, hebben wg ons niettemin 
die vrgheid nooit veroorloofd. 



Inhoud : 



Loopspelen. 

Echte loopspelen, 
Loop- en kampspelen, 
Loop- en bergspelen, 
Loopspelen in 't rond. 
Loop- en sprookjesspelen, 



Kleine meedelingen over boekwerken. 317 



Bmgspelen, 

Slangespelen. 

Draaispelen. 

SpringspeUm, 

Eenvoudigste springapelen, enz. 
Haasje-over en varianten, 
Bok-sta-vast en varianten, 
Hinkspelen, 
Varia. 

Dansspelen. 

Eenvoudig dansen, 
Touwtje springen, 
Bondedansen, 
Beidansen. 

Werpspelen. 

Werpen in 't algemeen, 

Werpen met steenen, * 

„ „ stokken, 

„ „ muntstukken of knoppen, 

„ „ vruchten, 

Balspelen, 
Bolspelen, 
Varia. 

Vinger-^ hand- en vuistspelletjes, 

Eenvoudigste handspelletjes, 
Klop- en slagspelletjes, 
Wgs- en telspelletjes, 
Draaispelletjes, 
Vingerrgmpjes. 

Ambaehtspelen. 
Raadspelen, 

Echte raadspelen, 
Zoekspelen, 
Orakelspelen, 
Lottrekken, 

Blindei-slaan. J 

T. EN L. XII. 21 I 



318 Kleine meedelingen over boekwerken. 



Sehomtnelspelen. 

Echte schommelspelen, 
Wiegen en wiegeliederen, 
Paai- en koozeliedjes, 
Kniergden en kniergdersdenntjes, 
Jeznken- in 't kapelieken. 

Marhehpelen. 

Het speeltuig of de marbel, 
De speel w^ zen in het algemeen, 
Andere vaktermen, 
De speelw^zen in het byzonder. 

Topspelen, 

Het speeltuig, 

De speelw^zen in het algemeen, 

Andere vaktermen, 

De speelwyzen in het bgzonder. 

KinderspeeUuig. 

Draaiende speeltuigen, 

Hoepelen, 

Vliegende speeltuigen, 

Wapens, 

Varia. 

Kind en Natuur. 

Eind en dier, 

Eind en plant, 

Eind en natuurversch^nselen, 

Sneeuw- en gsspelen. 

Kind en Kalender. 

Nieuwjaar, 

Driekoningen, 

Vastentgd, 

Van Paschen tot Sinksen, 

Juni: St. Jan en St. Pieter, 

Van St. Maarten-in-den-zomer tot 

St. Maarten-in-den-winter, 

Omstreeks Eerstdag. 

Een en ander. 



Kleine meedelingen over boekwerken, 319 



Kind en School, 

Schoolfeestjes. 

Pandspelen. 

Yiertafelen en varianten, 

Oken-rigen, 

Tel- en cyferspel, 

Gnitenstukjes. 

Kind en Muziek, 

Vocale mnziek, 
Snaartnigen, 
Blaastnigen, 
Slagtnigen. 

Tergapelletjes, 

Ëohte tergspelletjes, 

Terg- en spotr^mpjes, 

Strikvragen, antwoordenen dergel^k spel. 

Voor- en naspel. 
Varia. 

Dit is een nitgave, de Koninklike Vlaamse Akademie waard. 
£n zo de volgende delen zyn gelyk dit, zal het een „Fundgrube" 
voor velen blaken te wezen. 

B. H. 



Nederlandsche Volksboeken^ opnienw uitgegeven vanwege de 
Maatschapp^ der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Boek- 
handel en Drukkery voorheen E. J. Brill. Leiden, 1902, 

De Maatschappy der Nederlandsche Letterkunde besloot de belang- 
r^kste Nederlandsche Volksboeken opnieuw uit te geven. De oude, 
dikwyis zeer fraai uitgevoerde drukken uit het laatst der 15^^, de 16^^ 
en de 17*« eeuw — waarvan de blauwboekjes afstammen — zgn uiter- 
mate zeldzaam geworden. In verschillende opzichten zgn de oude volks- 
boeken van belang. In de eerste plaats voor de kennis van den letter- 
kundigen smaak onzer voorouders in de 16^^ eeuw en 'later. Maar daar- 
voor niet alleen. Natuuriyk geven zij ook een interessanten k^k op 
het leven en de zeden in vroeger dagen« Voor den geleerde zgn z^ 



320 Inhoud van TydBchriften. 



een gewichtig hulpmiddel bg de studie der middeleeuwsche litteratuur. 
Toch z^n deze herdrukken geenszins alleen yoor geleerden bestemd en 
w^ hopen dat onze volksboeken in ruimen kring belangstelling zullen 
vinden. 

Het doel van de Maatschappy is den besten tekst waarin het volks- 
boek ons is overgeleverd op te sporen en onder het bereik van ieder 
belangstellende te brengen. 

De reeks van herdrukken wordt geopend door Den droefliken sirift 
van Baneevak. 

De herdrukken zgn versierd met afbeeldingen van de origineele 
houtsneden en titelbladen. 

Uit het „Prospectus". 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

Boon^s ge^luatreerd Magazijn^ afl. Mei 1902 o. a. Doe Hans, Yer- 
zen. — ld. Scheiding. — A. lis en, Jan en z'n Oom. 

afl. 36, Juni 1902 o. a. La „Strega." Naar het Ëngelsch van 

O ui da door Mevrouw de Graaff-van Capelle. Geïllustreerd door 
A. Klinkhamer. — A. 1 1 s e n, „Ik visch alleen voor m^n plezier". 
Amsterdamsche Schets. — A. M. Yerhegen, Terugkeer. Schets 
in één bedr^L 

De XX' eeuw^ 8e jaarg., afl. 6, Juni 1902. o. a. Stgn Streuvels 
Vrede. — H. Roland Holst-vander Schalk, Uit „De 
nieuwe Geboort'\ — Dr. A. Aletrino, Hoe een roman wordt 
geschreven. 

Van Nu en Straks^ 5e jaarg. afl. nummer IV — VI o. a. Paul H a- 
m e 1 i u 8, De theorie van het romantische Blyspel. — A 1 f r e d 
Hegenscheidt, Verzen van P. v. Langendonck. — Stgn Streu- 
vels, Naar Buiten. Dit tydschrift wordt niet verder uitgegeven. 

De Nieuwe Gids, afl. 10, Juni 1902 o. a. Marie Marx-Koning, 
Angst, — Willem Kloos, Verzen. — Jeannette Nghuis, 
Verzen. 

De Gids, Jaargang 1902 afl Juni 1902 o. a. Hélène Lapidoth- 
S w a r t h. Verzen. — A. J. Derkinderen, kunst- en ambachts- 
onderwgs. — Prof. A. G. v. Hamel, Fransche Symbolisten. — 



Inhoud van T^dschriften. 321 

W. G. van N o n h u y s, Driemaandeiykscli Letterkundig overzicht. — 
Dr. P. C. B o n t e n 8, Sonnetten. — Aanteekeningen en opmerkin- 
gen, Vreemde talen en moderne letterkunde in Duitschland. 

De Gids, 66e jaargang, afl. Juli 1902, o. a. : Augusta de Wit, 
De Godin die wacht. £en zoeker naar het leven. 

Elsevier*8 Maandschrift, 12e jaarg., afl. n^ 6 Juni 1902 o. a. Jean- 
nette N^huis, Verzen. — F e n n a, Ëduard. — 

, 12e jaarg., afl. 7, Juli 1902, o. a. iFiora DellaNeve, 

Karel en Elegast, dramatische idylle in vier tafereelen. — Anna 
van Gogh-Kaulbach, Huwel^k. 

Nederland^ Jaargang 1902, afl. n^ 6 o. a. Marie Mar x-K o n i n g, 
Fatum. — S i 1 Hen, Marie. — W. F. Gouwe, Een plicht. — 
Dorothee A. van Walree, Vader Morre's bezittingen. 

, Jaarg. 1902, afl, 7, o. a. : J a n F e i t h , Ter zonne. — K y r 

Pan o, Een bachelor. — J. H. Altona, Misdeeld. 

De Tifdspiegely 59e jaarg., afl. 7, Juli 1902, o. a. : B. P. van der 
V o o , De plant in het volksleven. 

Noord en Zuid, 25e jaarg., afl. 1 en 2, Jan. en Febr. 1902, o. a. : 
Schelts van Kloosterhuis, Lezen IV (met vele goede op- 
merkingen over toonshoogte enz.). — J. E. ter Gouw, Taal en 
zeden onzer vaderen, toegelicht door eenige oude kluchtspelen, V. eeten, 
drinken en rooken. — J. H o b m a , Dr. Samuel Coster en de Aca- 
demie. — A. B., De filosofische eieren. — A. B., MüUer, Honigh, 
Pol de Mont. 

25e jaarg., afl. 3, Maart 1902, o. a. : Dr. A. S. Kok, Eefreinen. — 

P. C. van Antwerpen, Eene plaats in Potgieter's „Eene halve- 
eeuwswake". — Schelts van Kloosterhuis, Hagar, vs. 
12 — 15. — Mr. C. B a k e , De psalm wg zen van den ouden heer 
Tours. 



— 25e jaarg., afl. 5, Mei 1902, o. a. : Dr. G. A. Nauta, Dadel^k = 
door daden (Camera Obscura, Bd. 336). 



322 Nieuwe boeken. 



NIEUWE BOEKEN. 

S. Abramsz en J. Eigenhnis,- Personen en landschappen. Lees- 
boek voor het her halings- onderwas, de hoogste klasse eener lagere 
school of voortgezet onderwas. Met teekeningen van J. J. Damme. 
Amsterdam, W. Versluijs. 80. [15* X 20*] I deeltje. (103 blz. m. afb.) 

f— ,45 

J. Appeldoorn en Dr. W. F. van Vliet Jz., Oefeningen in het 
stellen ten dienste van het onderwas aan hoogere burgerscholen, 
gymnasia, enz. *s Gravenhage, Joh. Ykema. 80. [13* X 19*]. 

Ie deel. B. (150 blz.). f —,90 

Mevr. De Bourbon-du Quesne van Bruchem [Eimae], 
Een verwoest leven. — Het pleegkind van de spoorhoeve. — Twee 
oorsponkel^ke, romantische verhalen. Eotterdam, B. van de Watering. 
80. [14 X 20]. (III, 219 blz.) f 2,25 

Mr. H. L. Eigail Certon, Kinderloos. Oorspronkeiyke novelle, 
's Gravenhage, N. Veenstra. 80. [13* X 20]. (72 blz.). 

f —,90; geb. f 1,25 

De gekroonde E, door een oud-Haarlemmer. Utrecht, J. L. Begers. 80. 

f 2,25 ; geb. f 2,90 

Rud. FeenstraKzn., Godshonger. Oorspronkel^ke roman, 's Gra- 
venhage, N. Veenstra. 80. [13*X20]. (III, 236 blz.). 

f 1,90; geb. f 2,40 

Flandria's Novellen-Bibliotheek, afl. n°. 21, mevr. Cl. Cogen- 
Ledeganck, Mandus. f — ,10 

Tjeerd Flappuith, Toen ik Indisch student was. Met krabbels 
van hemzelf. Amsterdam, C. A. J. van Dishoeck. 80. f 1,90 ; geb. f 2,40 

W. L. van Heiten, Die altostniederfrankischen Psalmenfragmente, 
die Lipsius'schen Glossen und die altsüdmittelfrankischen Psalmen- 
fragmente. Groningen, J. B. Wolters. 80. 

Ier Teil: Texte, Glossen und Indices. f 1,90 

Dr. D. C. H e s s e 1 i n g, Byzantium. Studiën over onze beschaving na 
de stichting van Eonstantinopel, Haarlem, H. D. Tjeenk Willink 
& Zoon. f 3,75 ; geb. f 4,30 

J. H. Jacobs, „Concordia Res Parvae Crescunt." Een woord tot 
Nederlanders en stamgenooten. 's Gravenhage, Fred. H. Verschoor. 
[In deze brochure is veel dat ter harte kan worden genomen]. 

S. Kalf f, Oost-Indisch landjuweel. Haarlem, H. D. Tjeenk Willink & 
Zoon. 80. f 1,90; geb. f 2,50 



Nieuwe boeken. 323 



Willem Eloos, Verzen, Dl. I. 2e druk. Amsterdam, W. Versluys. 4o. 

geb. f 4,50 

H. J. K r e b b e r s, Un korf völ dennepenkels. Deventer, Firma Brink- 
greve. 8o. Gecart. f 1,75 

Jan Ligthart, Letterkundige studiën. Groningen, J. B. Wolters. 8o. 
I. Frederik van Ëeden, De kleine Jobannes. f 1,60 

Anna de Savornin Loman, Vrouwenliefde in de moderne 
literatuur. Met portret. 2e druk. Amsterdam, P. N. van Kampen 
& Zoon. 8o. [14X20]. (VIII, 274 blz.) f 2,40; geb. 2,90 

Dr. Ni M a n s V e 1 1, Het onderwys in Zuid- Afrika, vooral met be- 
trekking tot de Nederlandscbe taal. Lezing. Amsterdam, J. H. de 
Bussy. 8o. f — ,75 

Uitgave ten voordeele van de Transvaalsche onderwijzers in de 
verstrooiing. 

Marie Marx-Koning, Nacbt-silene. Teekeningen van S. Moul^n. 
Amsterdam, C. A. J. van Disboeck. 16o. [155X21^]. (V, 230 blz.). 

f 2.90; geb., verg. op sn. f 3,90 

J. van den Oude, Litterariscbe interludiën. Nieuwe uitgaaf. Leiden, 
S. C. van Doesburgb. 8o. 

Ie bundel. f 1,90 ; geb. f 2,40 

2e „ f 1,90; „ f 2,40 

Allard Pierson, Uit de verspreide geschriften, 1882 — 1894. Dl. I. 
's Gravenbage, Martinus Nijboff. 8o. [14 X 22]. (VII, 394 blz.). 

f 3,— ; geb. f 3,75 

De Snelschrgver, Tydschrift voor Stenografie, Redacteur M. A. 
Pont, 's Hage, prgs per jaargang van 12 nummers, voor Nederland f 2,50 

(Teanne Keyneke van Stuw e, De beer van de state. 2e druk. 
Amsterdam, L. J. Veen. 8o. f 3,25; geb. f 3,75 

Schetsen. Eerste bundel. 's Gravenbage, N.Veenstra. 8o. [14 X 19^]. 

(in, 237 en 2 blz.). f 2,40 ; geb. f 2,90 

A. Verschuur, Klankleer van het Noord-Bevelandsch. Amsterdam, 
Ten Brink & en De Vries. 8o. [16^ X 24^]. XV, 174 en 3 blz., m. 
6 pltn, en 1 afb.) f 3,90 

„Wie is dat?" — 1902. Biografische naaml^st, welke de vraag 
„wie is dat?" beantwoordt met mededeeling omtrent levensloop, wer- 
ken, enz. ten opzichte van alle landgenooten, die door ambt of be- 
diening, beoefening van kunst of wetenschap op den voorgrond treden, 
in dagblad of tijdschrift genoemd worden, of van zich doen hooren. 
Amsterdam, Uitgevers-maatschappg „Vivat". 8o. [15 X 20*] (520 blz. 

Geb. f 2,90 



324 Nieuwe boeken. 



End. Eisler: W. Wnndt's Philosopliie n. PBychologie, in ibren 
Gmndzügen dargestellt. Leipzig, Joh. Ambr. Bartb. 80. M. 3,20; 

geb. M. 4, — 

End. Petersdorff, Grermanen n. Griecben. Übereinstimmnngen 
in ibrer altesten Knltnr in Anschluss an die Germania des Tacitus 
u. Homer. Wiesbaden, C. G. Kunze's Kachf. Gr. 80. M. 2,60 

Hub. Eoetteken, Poetik. 1. Tl. : Yorbemerkungen, Allgem. Ana- 
lyse der psych. Yorgange bèim Genusz einer Dichtung. München, 
C. H. Beck'sche Verlags-Bucbb. Gr. 80. M. 7, — ; geb. M. 8,— 

Yollstandig in 3 Teilen. 

Th. S i e b s, Geschichte der friesischen Litteratur. 2. völlig umgearb. 
Aufl. Straszburg, Karl J. Trübner Gr. 80. M. 6, — 



Dr. SCHEPERS' BRAGI. 



Bragi. Tweede en Derde Boek, 

Uit leed nieuw leven. 

Walhal .... kan niet zijn, want onrecht 
woekert daar. 

Geloof ! De zon komt weer ! 

Gaven wij van het Eerste Boek een uitvoerige Inhoud^ om 
het eigenaardige van het werk zoveel mogelik te laten uit- 
komen, wij volgen hier alleen de Bragi-lijn. 

Na de blijde dag, toen Bragi en Idoena door Wodan 's gunst 
in Walhal weer verenigd waren, trof hun en al de Goden en 
Godinnen een zware slag: Idoene, „glans van Walhal's levens- 
zon", op weg om Bragi's zieke moeder in 't vennewoud door 
haar verjongingskracht te redden, werd met haar kinderen 
geschaakt door zeereus Tjazi. 

En ouder werden nu de Goden; hun „moed zonk weg uit 
lichamen en ogen," nu de Ouderdom, „Idoena's eenge vijandin", 
haar macht in Walhal kon doen gelden, 't Werd Donar te 
erg. Die wilde er op uit om de Godin der Eeuwige Jeugd 
terug te halen. Maar toen hij met Bragi en Loke zou ver- 
trekken — en elk een eigen kant zou gaan om Njord te 
zoeken en van hem de straf voor vrouwendieven te eisen — 
zei Wodan zonder dat de Dichtergod het merkte: 

T. EN L. XII. 22 



326 Jacob Ek. 



;,Zoek ginds maar niet, 7 is ^en beproeving voor 
De dichter^ die z'n zang tot hoger Jdank 
Zal brengen^ waak dat niets hem overkomt! 
Volg hem onzichtbaar na het scheiden! Qa!"*) 

Zo kwam nu Bragi in het woud, 

Waar hij z'n jongesjaren had doorstoeid 
Waar hij z'n jonge liefde voor zich zag 
En z'n Idoena dwepend aan z'n zij ^). 

Hij zag z'n moeder weer, die oud en ziek-bleek nederlag, 
vernam van Vengod, die hem noch van vroeger kende, hoe 
de roof door Tjazi was volbracht, en moest langs 't oude 
beekje trekken naar de zee. Herin'ring na herin'ring leefde 
in hem op, nu hij de plaatsen van z'n vroeger leven-onder- 
mensen zag; de hut van Folkert, voor wiens kind hij eens 
't eenvoudig lied niet vinden kon, dat hij daarna in Zangburg 
voor zijn eigen kleinen zo vaak gezongen had — o, zijn 
Idoena! — ; hij zag het plein, waar eens z'n heldenleven was 
begonnen; de mooie Gerda, die in 't nachtgewaad hem tege- 
moet trad en ook Sigyne, Harald's grijze weduwe. 

Toen zette hij z'n tocht naar zee weer voort en kwapi in 
't duinlandschap bij Radbout's woning. Daar zou hij blijven, 
om dan door strijd te trachten zijn Idoene terug te winnen. 
Nu Loke en Donar hem daar veilig wisten, stegen zij naar 
Walhal om aan Wodan van hun reis verslag te doen. Een 
nieuwe opdracht gaf Alvader Loke \ 

Die strijd zou brengen in deez' stille streek 

Maar strijd die loutren zou hun, die hem streden^). 



1) Brctgi, II, pag. 13 vs. 12 Vervolgg. 

2) II, pag. 15 onderaan. 

3) U, pag. 56 VS. 10—11. 

4) n, pag. 67 VS. 6—8. 



Dr. Schepers' Bragi. 327 



Hartstocht gloeide aan in Ava, Radbout's dochter, voor die 
vreemde man, 

Die met z'n weemoedsoog zo staren kon, 
Zo sombre tonen uit de Noordse balk 
Kon halen 

en van Walhalla's goden zong*). Toen hij pas kwam, had 
reeds z'n fonkeloog een ongekend gevoel in haar gewekt^), 
had zij z'n fors en schoon lichaam bewonderd ^). 

Maar ook in Bragi laaide hartstocht op: al ging hij naar 
het strand om door z'n wraaklied de zeereuzen tot strijd te 
roepen, of om Njord's uitspraak te verkrijgen, zij hoorden 
hem niet en werhdaos moest hij z'n dagen slijten. 

Z'n mannekracht kon nu geen daad meer doen. 
Die geestkracht sterkt als lichaamsmoeheid komt. 
Alleen in 't lied moest hij vertroosting vinden 
In week niets-doen zat hij daar tegen duin % 

In die stemming kwam nu onzichtbaar Loke tot hem en 
fluisterde van min voor Ava hem in 't oor 5). 

Maar staande hield hij zich: Idoena's reinheid was z'n 
steun. Ën eindelik, toen Ava hem haar zoet geheim niet 
langer kon verbergen, toen klonk het flink: 

„Wat zou 
Ik moeten uiten als ik niet van trouw, , 
Van ware liefde zingen kon in Walhal. 
En als ik zelf ontrouw terugkeerde, als 



1) II Pag. 59 VS. 7 vervolgg. 

2) II Pag. 38 VS. 8. 

3) II Pag. 41, onderaan. 

4) II Pag. 60 VS. 15 vervolgg. 

5) II Pag. 67 VS. 8 vervolgg.; pag. 70 vs. 16 vervolgg. 



328 Jaoob Ek. 



Er daar geen Eeuwge Jeugd zou zijn en ik 
De kwelling had van een ontsteld geweten (?) *) 

Toen nam hij z'n snarentuig en spon met melodieus gezang 
om Ava's brein een weefsel, zodat haar liefde voor hem in- 
sliep, en stilte en kalmte in haar kwamen 2). En vriendliker 
zag zij haar bruigom Bernlef voortaan aan ^). 

Noch eenmaal zou nu Loke Bragi zwaar beproeven: Was 
al Ava's zielsrust teruggekeerd en was voor Bernlef grote 
liefde in haar gekomen, haar lichaam kwijnde*) en Loki gaf 
het Bragi in, met haar de golven op hun rug te laten bre- 
ken % Dkt zou haar helpen ! Hem was het immers ook al- 
dus gegaan, toen hij vermoeid na zware strijd met zeereu- 
zen — die eindelik hem dan toch gehoord hadden ^) — ont- 
waakt was en de koele golven hem een ongekende sterkte 
en frisheid gaven ^). Maar toen zij beiden naakt in zee ston- 
den en een meeuw opvloog en dan omlaag schoot^ volgden z'n 
gedachten hem naar haar, die daar omlaag in Aegir's hof hem 
hopeloos verwachtte. „O kon hij daar ook komen ^)r' 

En „trouw, onkreukbaar trouw" ^) bleef Bragi's liefde. En 
nu mocht Wodan z'n beproeving laten eindigen. Nii mochten 
Loke's list en Donar's kracht hem z'n Idoene weergeven ! *°) 

Maar è.nders was 't in hem geworden, nu hij vol geluk weer 
naar Walhalla opsteeg. Voorheen zong hij „alleen van strijd 
met kracht van wapens, van heldenmoed of mannetrouw *^)." 
Door Ava's schuchterheid, toen hij noch niet wist van haar 



4) II Pag. 79 onderaan. 

2) II Pag. 80 midden. 

3) II Pag. 82 VS. 12 vervolgg. 

4) II Pag. 85. 

5) II Pag. 89 VS. 41—19. 

6) U Pag. 72 midden tot pag. 74. 

7) U Pag. 76 VS. 6—11. 

8) II Pag. 92 VS. 8 vervolgg. 

9) II Pag. 99 VS. 1—2. 

10) Zie ^Herenigd". 

11) n Pag. 87 VS. 14^-15. 



Dr. Schepers' Bragi. 329 



liefde voor hem^ had hij vermoed, dat zij een zoet geheim 
verborg : 

Wat was de mens gelukkig, 
Die bij veel leed ook 't zaligste genot 
In zich kon voelen trillen, heerlijk was 
H Naspeuren ook van ^smensefi fijne zid! 
Genoot hij hier niet meer dan in Walhal, 
Wa^r de altijd effen waterspiegel van 
Goden» en heldenzielen niets te denken gaf? *) 

En nu zag hij in : 

Aan mijmerij bij andren had hij nooit 
Gedacht ^). 

Nu zou hij kunnen zingen, zoodra weer Walhal voor hem 
openging, van zielsgeluk en zieleleed ^). En dieper zou z'n 
zang dan worden, want hij bepeinsde : 

Als Bernlef eens door strijddood bij Al vader kwam en Ava 
in Hel's oord van zwijgen *), was dan hun liefde dood ?^) — 
En ben ik-zelf dan wel gelukkiger dan zij? Want eens zal 
immers Walhal's rijk vergaan! En waar is dan de liefde van 
Idoene en mij ? ^) Als alles dan zo sterven moet, waartoe het 
leven dan ? Waartoe het matelooze leed ? ^) 

Maar nee. 
Dat kan het eind niet zijn, zelfs Walhal's val niet! 
Dat denken, strijden, lieven dat wij doen 
Werkt na bij Goden, mensen die dan zijn. 
En wie dat leven gans doorziet en zegt 



1) Pag. 62 onderaan. Cursivering van mij. E. 

2) Pag. 63 VS. 7. 

3) Pag. 63 VS. 10—11. 

4) Zie Aantekening. 

5) Pag. 86 VS. 7. 

6) Pag. 86 VS. 7 vervolgg. 

7) Pag. 87 VS. 1—2. 



330 Jaoob £k. 

Het na aan anderen, om ook hun te wyzen 
Op 't mooie en lelike in ieders ziel, 
Zoodat ze zich vermoeien na dat woord, 
Die leeft z'n leven niet onnut, van hem 
Big ft ergens nagalm klinken; God of mens 
Ze wijzigen hun zelf naar vroeger denken. 
O heerlik nu de gave van mijn lied ! ^) 

Nu h\j het mensenleven, -lijden, mensenslechtheid ging 
doorschouwen, nu voelde hij, dat béter hun zijn lied moest 
maken : 

M'n idealen moeten zweven voor 
Hun oog in goudgloed^. 

En kon hij onder hun niet zélf die taak volbrengen, dan 
zouden anderen 't doen ^) en hij zou in Walhal dat nieuwe, 
reine lied — volwassen kunst — vol ernst en vreugd onder 
de ruwe schaar van goden en helden brengen % 

Had „Bragr* met dit Tweede Boek niet kunnen eindigen ? — 
De Goden hadden immers nu hun Eeuwge Jeugd terug en 
Bragi had „titó leed nieuw leven'* als een rijke schat verwor- 
ven. Zo lijkt het, maar we hebben te bedenken, dat die schat 
een zware taak hem opgelegd had: z'n nieuwe kunst moest 
gans Walhal nu gaan verreinen. En daartoe was de geest er 
veel te ruw. Het fijner zieleleven van de Dichtergod moest 
botsen tegen 't oppervlakkige gedoe van de bewoners van 
Walhalla. En dan: was daar ook niet de god, die onzichtbaar 
listen en lagen lei, die haat verwekte en boosheid — Loke? 
Hoe moest Bragi tegenover hem wel staan ? We zullen zien. 



1) Pag. 87 V8. 4 vervolgg. 

2) Pag. 87 onderaan. 

3) Pag. 117 VS. 12. 

4) Pag. 117 Ts. 13 vervolff. 



Dr. Scheper'B Bragi. 331 



In dit Berde Boek is de stof minder gegroepeerd om Bragi, 
dan wel om Bernlef, nu al oud en grijs. Vaak was hem de 
Dichtergod als Bode uit Walhal verschenen, om hem raad te 
geven, wanneer hij tot z'n dorpsgenoten spreken moest. Pries- 
ter en zanger was hij ; z'n Ava — almee door Bragi's vriend- 
schap — wijze vrouw *). Maar Christenen, tegen wie bij 't 
oud geloof verdedigde, hadden haar vermoord en hem de 
oogen uitgestoken. 

Geschokt had et zijn geloof: 

„O Wodan, Wodan, vreeslik is me 't raadsel. 
Waaraan ik dit verdiend heb, waarom ik 
Moest zwerven, alles missen; oud, armzalig 
En blind m'n dagen einden zonder licht 
Van binnen, zonder levenslust. Waarom? 
Waarom ? 2) 

Maar de ziel van de oude Wodansdienaar zou sterker noch 
beroerd worden : met ontzetting vervulde hem 't vizioen, dat 
Bragi hem te zien gaf: ^) Hij rilde, toen hij Wodan door Loke 
hoorde vloeken, omdat die meende door Al vader te zijn 
teruggezet voor Balder. 

En Bernlef eag 
Be flikkerdólk hem dringend in de nek % 

Op èè.rde was niet alleen haat, 

Walhal's mooi 
Was ook bezoedeld door het bloed van moord, 

en ongestraft bleef Loke leven — zij 't ook niet meer in 
Walhalla ^). 
En opnieuw schrikte 't Bernlef op, toen Bragi hem liet 



1) m Pag. 19 VS. 12—19. 

2) m Pag. 5 VS. 1—6. 

3) m Pag. 39 VS. 5—6. 

4) \YL Pag. 40 vs. 15 — 16. Cursi veering van mij. E. 

5) m Pag. 49 onderaan. 



332 Jacob £k. 



zien ^), hoe Loke ook Tjazi vermoordde uit felle, lèing-gevoede- 
wraakzucht ! Had niet Loke eenmaal — lang geleden nu al I — 
na Tjaeüs roof van de Eeuwige Jeugd^ een zilvren draad in z'n 
vrouws donker haar ontdekt?^). Töèn had h\j wraak gezworen. 
Nu was zijn dag gekomen! 

En vreeslik was nu Bernlef dit: Donar-zelf had immers 
Tjazi vrijgesproken ! ^). Waar bleef Godentrouw, als dè,t zelfe 
niet meer hielp?*). 

Wat Walhal had in stand gehouden, vrede en trouw, was 
nu ver-gaan I Nu zou het einde komen! En toen die nacht 
de wilde storm het water opjoeg tot de kruin der terp, waar 
Bernlef huisvesting gevonden had, had hij aan Wodan niet 
om uitredding, In hem verbrijzeld was het hoog geloof! *) 

Nu ging hij ook meer peinzen over wat door de Christen- 
predikers verkondigd was. En hij hoorde van z'n kleinzoon: 
't bleef in de natuur als vroeger, al was Balder dood. Van 
het voorspelde einde liet zich niets bemerken ! ^) Blijheid en 
levenslust was er in de kinderen van de boer, bij wie hij 
woonde. Zou wèrkelik het eind dan wel aanstaande zijn bij 
zo veel vreugd en leven? En zou het dan toch waar zijn: 

Wodan's rijk 
Zou 't wijken voor het eedlere, het Hoogre? 
En zou deez opgewektheid zijn 't begin 
Van 't nieuwe Godsrijk?^) 

En verder ging z'n weifeling. Wodan is immers onder- 
worpen aan het Noodlot, dat de Schikgodinnen zeggen. Welnu, 

Geen hoogste God wie buigt voor hoger wil ®). 



1) III Pag. 55 onderaan. 

2) n Pag. 52 VS. 7—9 en H pag. 107 vs. 10—16. 

3) II Pag. 107 VS. 6—10. 

4) III Pag. 56 VS. 16—21. 

5) m Pag. 59 VS. 4-7. 

6) lU Pag. 42 VS. 11—21. 

7) III Pag. 66 bovenaan. 

8) III Pag. 68 VS. 9. 



Dr. Schepers' Bragi. 333 



Toen kwamen op het wrak van zijn geloof als golven slaan 
de woorden vol vertrouwen van een jonge Christenpriester. 
Hij trachtte noch te strijden voor het oude, dat hij zoo lang 
had liefgehad ^), maar plotseling zweeg hij midden onder z'n 
verdediging, want: 

De twijfel sloeg de nagels in z'n ziel 

En kneep die stuk met forse druk; in pijn 

Riep hij : „O 'k weet het, Walhal zinkt in 't niet 

En kan niet zijn, want onrecht woekert daar 

En Wodan zwijgt en brandt die wond niet uit: 

De ziekte tast al de eedle deelen aan 

En weldra is het met zijn rijk gedaan!" —2) 

En hij moest erkennen de hoogheid en de reinheid van 't 
iedeaal, dat door de prediker verkondigd werd % 

Hij kon alleen maar wèièirschuwen tegen het persöönlike 
van de nieuwe God: 

het hoogste is nooit 
Veilig voor mensenijd en -waan, wanneer 
Het is in een persoon % 

Ook zijn godsverering had daardoor geleden, want hij re- 
kende Wodan al wat hij niet begreep als fouten aan, die hij 
hem niet vergeven kon % En hij voorspelde : het volk zal 
voor z'n Wodan een ander gaan aanbidden als persoon, maar 

twijfel zal (dan) komen 
Bij velen en waar twijfel groeit, daar sterft 
Geloof «). 



1) UI Pag. 76 onderaan en pag. 77 geheel. 

2) ni Pag. 78 bovenaan. 

3) lil Pag. 79 VS. 10—13. 

4) m Pag. 78 VS. 17—19. 

5) III Pag. 79 VS. 16—17. 

6) III Pag. 80 VS. 7—9. 



334 Jacob £k. 



Voor zichzélf voelde hy echter, dat Wodan's diepste ik 
nu samensmolt met dat van de Cbristelike God. En terw^l 
hü voelde en sprak was het hem helder geworden, dat Wal- 
hal met z*n goden zou verdwenen: Bragi-zelf, de reine dichter 
die het zou verbeteren met z'n zangen, moest z'n mooie taak 
opgeven! Als dapperheid en vechttalent geweldenaars voor 
Walhal welkom wezen deed, moest hij z'n lied aanheffen ! 
En eerden zij hem dan noch maar om 't mööie in z'nstrijd- 
lustlied. Maar nee. 

Voor 't dappere in z'n zangen juichten zy, 
Gevoelsuitzeggen liet hun koel, gegeeuw. 
Geroep antwoordde op zulke uitingen" *). 

Het hoogste wat hy geven kon werd niet geacht ^). Idoena 
sprak het uit, wat ook in Bernlef leefde : Lóki ongestraft voor 
gbdenmobrd ! Donar^s rechtspraak door een Ood geschonden] Hoe 
konden mensen dan op Goden ooit vertrouwen meer?^) En 
Wodan vroeg ze, wat de toekomst dèm wel brengen moest *). 
En Bragi zei: hij kön niet langer in Walhalla blijven, waar 
de vrede en 't recht zö was verstoord^). — Maar Wodan 
sprak : 

„Niet mij is 't straffen Bragi ; 'k durf niet zeggen, 
Idoena, wat de toekomst wezen zal : 
Te zwaar te dragen dunkt het me; de hand 
Van 't Noodlot ben ik en het Noodlot zwijgt 
En geeft mij geen bevelen : mist is 't alles, 
Maar, wht de toekomst z|jn zal voor Walhal, 
Wie hier van de aarde God werd, keert terug 
En blijft verheerlikt over de aarde zweven. 



1) m Pag. 30 VS. iO— 22. 

2) UI Pag. 74 onderaan. 

3) III Pag. 75 bovenaan. 

4) III Pag. 83 VS. 6—7. 

5) lU Pag. 83 VS. 9—15. 



Dr. Schepers' Bragi. 335 



Omdat hy in het Godsrijk is geweest! — *) 

Zo zag nu Bernlef het door Bragi's gunst : 

't Zorgloos Walhalla, 
Weg waasde het in wolken van mist. 

Niet stortte het neer door sterke reuzen, als de voorspel- 
ling zei^), 

't Brokkeld' en beefde en brak en viel ! ^) 

Maar Bragi en Idoena — Bernlef s God en Vrouwe, dier- 
baarder dan Wodan*) — die zich aan de mensenwereld 
wijden willen, zuHen beiden blijven boden van heil, die 

't Leven verlichten met lieflike glans, 
't Sombere zorgen met zonnige blikken 
Mogen verminderen ^). 

Met hun kunstrijke kinderen zullen zij naar de aarde dalen, 
om daar de kunstenaars - der wereld weldoeners — te 
wijden, om de macht der liefde en de troost van 't lied te 
brengen onder 

... de tobbende tastende mensen ^). 

Maar ook Loke kwam van de aarde en ook hij zal daarom 
blijven bestaan. Der mensen boosheid zal hij fel aan 't 
gloeien brengen, 

Onzichtbaar zal (hij) de zielen verpesten 
Haat zal (hij) er hoog helpen groeien ^). 



1) lil Pag. 83 VS. 15 vervoigg. 

2) m Pag. 91 VS. 2. 

3) III Pag. 91 VS. 3. 

4) ni Pag. 83 VS. 3. 

5) m Pag. 91 VS. 9—16. 

6) lll Pag. 91 VS. 17 tot pag. 92 midden. 

7) III Pag. 93 onderaan. 



336 Jacob £k. 



£n toch kon de oude Bernlef op z'n sterfbed nu getuigen : 
„Zalig ben ik/' want 

De Dichtgod en d' Eeuwige jeugd, Idoena, 
Zullen verslaan de sluwe Listgod. 
geloof! en hun liefde maakt U gelukkig! 
Nu smelten te zaam mijn zinrijke Goden 
Met het werklike wezen der winnende Godheid, 
Der Christenen komende Koning van d'aarde. 
Nooit zal 't geloof in de liefd' nu vergaan, 
Maar 't slechte verslaan in 's levens strijd! 
Idoena, druk mij d' ogen nu toe !" *) 



Enkele Opmerkingen. 

Ook bij het Tweede en Derde Boek wordt de aandacht van 
de lezer getrokken door de frisse, eenvoudige, kernachtig0 
wijze van zeggen. Als bij het Eerste Boek zouden we hier 
een bloemlezing kunnen geven van plaatsen, waar dit vooral 
uitkomt. Wij zullen dit echter niet dóen, evenmin als van 
de talrijke mooie beelden en van de vele verzen, waaruit 
blijkt hoe de dichter met de natuur heeft meegeleefd. Door- 
dat al deze mooie détails goed op hun plaats staan en zij door 
hun ongezochtheid bij de lezer haast ongemerkt de indruk 
wekken of versterken, die de dichter bedoelde, blijft het 
werk ondanks z'n omvang — ongeveer 7000 verzen — tot 
het einde toe fris. Men voelt overal, dat men hier geen quasi- 
dichterlike taal voor zich heeft, waarvan het gewild-verhevene 
of deftige de armoede der stof moet verbergen, en waarin 
dus een grote onevenredigheid is tussen gevoel en woord, 



1) ni Pag. 95 bovenaan. 





Dr. Scheper's Bragi. 337 



hier blijft nergens het gevoel beneden het woord en vindt 
men enkel mooie harmonie. 

Dat de vergelijkingen zo uit het leven gegrepen zijn — 
en niet maar kunstig bedacht — is herhaaldelik duidelik 
merkbaar. 

Wanneer men b.v. zelf eenmaal heeft gezeild op door 
storm zö wild bewogen water, dat men voor ongelukken 
vreesde; wanneer men zich dan schrap heeft gezet, de hoed 
diep in de ogen en in vaste greep het roer houdt, en men 
ziet dan eindelik een kreekje waar men veilig binnenloopen 
kan, dan - na noch enkele ogenblikken van spanning, waarin 
men strak het doel in 't oog houdt — komt men in rustiger 
water; het eerst sterk-overhellende vaartuig komt weer recht 
te liggen ; de hand die 't roer omklemt, ontspant zich ; buiten 
ziet men de witte koppen der grote golven en boven zich 
hoort' men de wind met geweldige rukken door de takken 
gieren, en ~ in losser houding nu — ontvangt men door 
't verschil van 't woeden buiten en boven met het rustiger, 
beschutte water waarin men nu ligt, een indruk van rust^ die 
men nimmermeer vergeel. 

Zo gaf de Merwede ons hier te genieten ! Zo moet ook dr. 
Schepers het gevoeld hebben, voor hij schreef: 

Zo komt de schipper, als de storm luid bruist. 
En giert door 't touwwerk van z'n zeilend schip 
Plotseling tot rust achter de hoge schuur, 
In 't boompriéel verscholen, op zich richt 
Z'n schip, z'n houding wordt wat losser, stil 
Is 't om hem heen, ruist ook 't geboomte ^). 

Hoe juist de dichter de kracht van z'n woorden kent, komt 
al heel duidelik uit in de volgende verzen: , 



1) Bragi III pag. 95, vs. 17 vervolgg. 



338 Jacob Ek. 



(Idoena) mijmerde over *t lot, 
Dat baar zo ver van Bragi had gevoerd, 
Waar 't kil en stil was, waar geruisloos om 
Haar heen de vissen gleden, waar de grond 
Soms leven ging van grote schollen^ grijs 
Als bodemzand(.) *) 

Dit is mooi gezegd en gezien: de bodem is er grijs door 
't zand; daarop liggen schollen van dezelfde kleur; men be- 
merkt ze dus niet en ziet alleen maar die eenkleurige bodem. 
Nu gaan van die schollen zich enkele bewegen, en 't lijkt 
of de bodem leven gaat, zegt de dichter . . . nee, de bodem güU 
er leven^ zegt hij. Men voelt dat tussen die twee wijzen van 
zegg^i noch een groot verschil bestaat. Iemand die 't op de 
eerste manier neerschrijft, ziet daar plotseling leven in de 
grond; hij staat verwonderd en lacU z'n verstand hem zeggen: 
„Dat kkn toch niet, dat die bodem zich beweegt!" Hij kijkt 
nu scherper, ziet dat het schollen zijn, vindt z'n vergissing 
van 't eerste oogenblik wel aardig en als-ie nu een poos 
daarna een vers maakt, schrijft-ie — hèèl juist en ö zo ver- 
standig! — „Bet lijU^ of... enz., want de lezer moet toch 
voorè.1 weten, dat het niet wèrkelik de grond was, die 
bewoog ! 

Maar een ander ziet hetzelfde feit; van de grijze bodem 
maakt zich iets van dezelfde kleur los en dat blijkt een schol 
te zijn. En nu is bij hem die èèrste indruk van dat bewegen- 
gaan — de grond lèèfdel — zö sterk, dat-ie niet heel nauw- 
keurig komt vertellen, hoe z'n verstand lè.ter — al was 't 
dan ook maar een ogenblik! — z'n zien kwam corrigeren, 
maar dat hij, waar en eerlik, z'n indruk zegt. 

De eerste man was een verzenmaker ~ hoewel noch niet 
van de slechtste soort — de tweede een dichter. Men zie 



1) Bragi II Pag. 100 vs. 8 vervolgg. 



Dr. Scbeper'B Bragi. 339 



voor dergelijke wij zen- van-uiten onze beste dichters van tegen- 
woordig. En öök moderne schilderijen! 

Dichters hebben vaak een sterk gevoel voor die andere, 
nauwverwante, kunst die zo uitstekend de menselike aan- 
doeningen kan uitdrukken. Hier en daar vindt men enkele 
verzen, waarin van de grote macht-van-uitdrukking der 
muziek pai'tij getrokken is, om een indruk te versterken. 

Wanneer Ava hartstochtelik haar liefde bekent aan Bragi 
en deze haar met medelijden heeifl aangehoord, en zegt dat 
hij een God is, dan heet het: 

„'En God!" en eerbied straalde er uit haar oog 
En temperde de wild' hartstochtlikheid, 
Zo klinkt, door 't angstig roepen der muziek 
Om Gods hulp, de eerbied voor z'n heiligheid *). 

In deze verzen komt tot uiting het voelen van de juiste 
kracht der expressie en ook het zuiver-ontleed-hebben van 
muziek : wanneer in koor- of solozang of orgelspel Gods hulp 
wordt ingeroepen, als dringende nood of twyfel wild de ziel 
beroeren, dan zal de indruk die gewekt wordt, zooveel te 
sterker zijn, indien onder en in het roepen om bijstand noch 
een eerbied doorklinkt, die zelfe de hevigste zielsmart niet 
kon doden. Getemperde kracht, die geeft; hier het meeste 
effekt. 

Dergelijke beelden — men zie ook het volgende citaat — 
worden niet verzonnen^ maar men voeit dit in z'n ziel geboren 
worden onder werking van de werkelikheid. Dan blijft het 
daar, lang onbewust soms, leven en komt plots in sterke 
erinnering, veel sterker vaak dan ooit de werkelikheid was, 
weer boven en dringt tot zeggen. 

Wanneer, na 't verfrissend zeebad, weer kalmte in Ava is 
gekomen, zegt de dichter: 



^ i) Bragi II, pag. 79, ts. 12 volgg. 



340 Jacob Ek. 



— — — — — ZO zinkt de vrede neer 
Op de eerbiedaadmende gemeente^ als 
Het orgelspel tot samenzingen noodt ^). 

Drukten deze verzen de stillende macht der muziek uit, 
op een andere plaats wordt mooi gezegd het vertroostende, 
het opwekkende: 

— — — — — — — — — Diep bedrukt 

Loopt de armeaan-blijheid rond door 't leven, vaak 
Verlangt hij maar naar 't einde, daar zwelt aan 
Zachte oi^elklank en alle leed waast weg: 
Hij zit in 't Godshuis in het bad van klanken 
En alles krijgt 'en zonnig tintje weer*). 

Dat de dichter ook eenmaal op andere wijze het tot-rust- 
gebracht- worden heeft ondervonden, blijkt wel uit: 

— - — kalmte ging er van haar uit als van 
De vloksneeuw die geruisloos valt en valt 

En valt, en rust spreidt ze op de grond, en kalmte 
Glijdt in de ziel van wie daar over staart^). 

Breed opgezette en tegelijk krachtig gecondenseerde beel- 
den als in een sonnet — die echter in een gedicht van 
grotere omvang als ^BragV^ wel wat zouden afmatten — vindt 
men hier niet, maar wel voortdurend van die kleine, met 
vaste hand en in vol-goed weten van hun kracht neergezette 
trelqes, die blijk geven van het artistiek waarnemen van de 
dichter en die de eigenlike oorzaak zijn voor de frisheid en 
de bekoring van dit werk. Natuurlik is daarvoor allereerst 
nodig geweest, een grote gevoeligheid, die het mogelik 
maakte scherp en toch mooi te zien; maar ook was stellig 



1) Bragi U, pag. 93 vs. 21. 

2) Bragi m, pag. 46 vs. 19. 

3) Br(igi III, pag. 31 onderaan. 



• ' Pt' 



Dr. Schepers* Bragi. 341 



wel een belangrijke faktor voor het onbewust in-zich-opnemen 
van de stof, die aan zulke waarde-volle détails het aanzijn 
gaf, de natuur-omgeving van dr. Schepers en het innige ver- 
keer daarmee. En dat was allereerst „te Grouw in Fries- 
land — waar z'n Vader dokter is — op lange wandelingen 
met hem door de grasvelden, op roeitochten naar zieken 
over meer en vaart; het genieten van die mooie waterlandse 
zonsondergangen, van onweer, grillige wolkenvormen, wind- 
gesuis door het riet rondom het meer en het gieren van 
rukwinden door de touwen van boten en schepen, waarmee 
(zij) zeilden; dat alles maakte (hem), dunkt (hem) achterna, 
vatbaar voor de symbolizering van ons Nederlands natuur- 
leven" *). Later „als leraar aan de R.H.B.S. te Tilburg (sedert 
Sept. '91) leerde (hij) het Brabantse heidelandschap voor 't 
eerst kennen en vooral het geheimzinnige vennebos bij Ois- 
terwijck, waar zo niemand bijna kwam en waar het zoo bie- 
zonder mooi was en stil, gaf de noodige kalmte om te be- 
komen van het drijven van 't dageliks bestaan"^). 

En eindelik kreeg hij door een verplaatsing naar Haarlem — 
waar hij sedert '95 leraar aan 't Grymnasium is — een nieuwe 
mooie omgeving: de bossen, de duinen, de zee. 

Het zuivör waarnemen van en het innig meeleven met de 
natuur, zodikwijls al te bemerken aan een enkele karakte- 
ristieke uitdrukking, heeft tot gevolg gehad dat dit werk is 
geworden nationaal in de goede betekenis; Brabant in het 
Eerste Boék\ Kennemerland in het Tweede ^y^n Friesland 
in het Derde Boek^) vormen het toneel, waar de handeling 
voorvalt, waardoor grote aanschouwelikheid en realiteit in 



1) Dên Gulden Winekely Maandschrift voor de Boekenvrienden in Groot- 
Nederland, aflev. 1, pag. 2: nOver het ontstaan en de wording van fkBragi^y 
door dr. J. B. Schepers. 

2) Ibid. 

3) (beschreven te Tilburg — Grouw van 22 April tot 26 December 1894. Uit de 
bgvoeging Groaw in verband met de datum, is wel af te leiden, dat dit een 
tijdelike afwezigheid uit Brabant is geweest (Kerstvakansie). 

4) Geschreven te Haarlem van 28 Mei 1897—2 Julie 1898. 

5) Geschreven te Haarlem van 23 Sept. 1898-5 Febr. 1899. 

T. EN L. xii. 23 



342 Jacob £k. 



de natuurbeschrijvingen verkregen is, die de belangstelling 
ten zeerste verhoogt, terwijl ook herbaaldelik aan die natuur 
mooie vergelijkingen zijn ontleend. Men zie noch eens even 
het keurige, dichterlike lied van Bernlef „éSansopgang'* ^). Dit 
zijn ook verzen met een tintje mythologie, maar men ver- 
gelijke ze eens met het mythologies krulwerk uit de acht- 
tiende eeuw! 

Wanneer wij nu ten slotte ons de inhoud in grote trekken 
noch even voor de geest brengen, dan zien wij, dat het 
Ttoeede en Derde Boek dieper gaan dan het Eerste^ omdat de 
dichter ons daarin de ontwikkeling van Bragi's kunst voor 
ogen stelt. 

De drie ,motieven', waaruit het wérk is opgebouwd, zijn: 
lo. Bragi is de zoon van Wodan en de aardse Gunlod ; hij 
wordt de geliefde van Idoena en komt later in Walhalla 
(Eerste Boek); 2o. zij worden gescheiden ten gevolge van de 
schaking van Idoena door de reus Tjazi. Daardoor krijgt het 
gedicht in het Tweede Boek noodwendig meer psychologiese 
diepte; vooreerst omdat de scheiding een beproeving voor 
Bragi's liefde is (Ava^ Fin,% maar vooral doordat de dichter- 
god door z'n gedwongen blijven onder mensen gaat voelen 
van hun strijd, hun zieleleed en liefde. Dat was gèins eenders 
dan wat hij had gezien van 't ruw en oppervlakkig leven 
van de goden en de helden in Walhalla. De uitdrukking van 
Bragi's zien van 't ongewetene, van 't niet vermoede, ligt in : 

Aan mijmerij bij andren had hij nooit 
Gedacht ^). 

En toen — langzamerhand 

— — — leek hem heerlijk 't denken over-, 't zijn 
Bij mensen, grof maar al te vaak, doch fijn 
Van ziel en zintuig ook ^). 



1) Bragi ffi, pag. 53. 

2) Bragi II, pag. 63, vs. 7. 

3) Bragi II, pag. 117, vs. 9 volgg. 



Dr. Schepers' Bragi. 343 



Dkt zal z'n zang voortaan dieper betekenis geven. Maar 
in Walhalla vindt z'n nieuwe kunst geen waardering. Ze 
paste er niet! Dèirom — en ook om 't onrecht dat onder 
goden niet had mogen woekeren — zal hij 't lied, op de 
aarde geleerd, weer daarheen terugbrengen. Het volle men- 
senleven zal hij bezingen ; troosten en sterken, verheffen zal hij : 

(Het) lied dat een licht in 't leven is 
En duisternis drijft uit de diepten der ziel; 
O mijn leeuwerikslied, laat het nu klinken 
Tussen de tobbende tastende mensen ^). 

Aan dat heengaan van Bragi uit Walhalla verbindt de 
dichter dan de val van Walhalla (het derde ,motief in het 
Derde Boek), 

De eigenlike oorzaak van het verlaten der oude, opper- 
vlakkige zangen voor het diepergaande lied, dat het zieleleven 
kent en uitzingt, is gelegen in BragVs scheiding van Idoena, 
dus in BragVs leed. En hieruit blijkt hoe de dichter het leven 
van deze tijd heeft gevoeld en medegeleefd, dat in de littera- 
tuur van na '80 tot uiting is gekomen in deze formule: "het 
leed verdiept het zieleleven. In de verandering van Bragi's kunst 
ziet Dr. Schepers achterna beschouwd „de symboliek der 
verwording, onder invloed van het leed, van de aanbruisende 
oppervlakkige, warm-volle dichtkunst uit vroeger dagen tot 
de sombere, maar veel diepergaande, intense kunst en „son- 
nettenpoezie" van onze tijd ^). 



4) Brcigi III, pag. 92, vs. 10 volgg. 
2) Den Gulden Winckel, pag. 3. 



344 Jaoob £k. 



Aantekeningen. 
Tweede Boek. 

60) Pag. 5 VS. 2. Brede^ slappe hoederand. Zie Aant. 56. 

61) Pag. 5 VS. 3. Wodans foren = zyn hoogzetel. Zie 
Aant. 11. 

62) Pag. 6 VS. 5. Be noordse btük is een heel eenvoudig, 
oud- fries snaarinstrument. De snaren werden met een houten 
pennetje getokkeld. 

63) Pag. 6 VS. 14. SchüdhaVs zaal. Walhalla's gebinten be- 
staan uit speren en z'n dak uit schilden. (Q r i m n i s m ^ 1, 
strofe 9). 

64) Pag. 6 VS. 16. Zyn vaders snaartuig. Immers Wodan 
had het aan Bragi gegeven. Zie ^Bragi T\ pag. 93 vs. 14 
en Aant. 51. 

65) Pag. 8 VS. 1—3. Wodan* s onmacht. Zie Aan. 42. 

66) Pag. 8 onderaan. Loke is van reuzenafkomst. In de 
oudere sagen treedt hij op als een god, die door zijn dienst- 
vaardigheid en schranderheid de goden menige dienst bewijst. 
Hij heeft meegewerkt aan de opbouw van de wereld, o. a. bij 
de schepping van de mens, toen Lodurr (= Loke) hem bloed 
en kleur verleende (Golther S. 412). Hij dronk zelfs een- 
maal met Wodan bloedbroederschap, het sterkste verbond van 
trouw (A e g i s d r e k k a, strofe 9). Van hoe jonger datum 
echter de liederen worden, hoe minder goeds er van hem ge- 
zegd wordt. Dan wordt hij sluw, verraderlik, de kwelgeest 
der Goden en eindelik hun verderver. Golther zegt dan 
ook: „Loki's afval van het goede tot het boze is ontwijfel- 
baar. Zijn oorsprong ligt slechts voor het kleinste deel in het 
noordse heidendom, maar veel meer in de oud-christelike 
mythologie (S. 407). Bovendien schijnt een demon van het 
vuur (Logi), wellicht door de gelijkluidendheid van de naam 
en omdat ook werkelik de ondergang der wereld — waaraan 



Dr. Schepers' Bragi. 345 



Loki deelneemt — door vuur geschiedt, met hem versmolten 
te zijn (S. 409). Hij werkt voortdurend aan de ondergang der 
wereld: Idunn met haar appelen der verjonging levert hij 
over aan de reus Tjazi (zie Aant. 80), zodat de goden ver- 
ouderen; Freya brengt hij in de macht van een ruwe reus 
en zelfs poogt hij Thorr, de geweldige beschermer van goden 
en mensen (zie Aant. 12) in de macht der reuzen te bren- 
gen ; en eindelik is hij de oorzaak voor de dood van de reine 
Balder (zie Aant. 137). Tot straf voor deze laatste daad wordt 
hij na veel moeite {Gylfciginning^ daemisage 50, 51) door de 
goden gebonden. Een vergiftige slang werd boven zijn hoofd 
vastgemaakt, zodat het gif hem in 't aangezicht droop. 
Z'n vrouw, Sigyne, staat naast hem en houdt een bekken 
onder het afdruipende gif. Wanneer de schaal echter vol is, 
gaat ze heen om die leeg te gieten, maar Loki, onbeschermd 
dan, lijdt vreselike pijnen en wringt zich zo hevig, dat de 
aarde ervan beweegt. Dat noemt men aardbeving. 

De tijd dat hij van z'n banden los komt, betekent de 
ondergang voor de Goden en de wereld. Zo is ook in de 
middeleeuwen de algemene voorstelling, dat de duivel door 
Christus gebonden, in de hel ligt en eerst op de jongste dag 
zal loskomen. Zonder twijfel, zegt Golther (S. 425), zijn 
de duivelsagen de bron voor de voorstelling van de gebonden 
Loki, die bij de wereldbrand vrij komt. Omdat zijn verande- 
ring van God tot duivel en zijn vijandschap voor Balder een 
opvallende gelijkenis toont met Lucifer, komt Golther er 
toe, te zeggen dat Loki in hoofdzaak niets anders is als de in 
de noordse godensagen en wereldleer overgezette Lucifer (S. 412). 

Wanneer een godsdienst eenmaal een duivel heeft, dan 
worden alle boze geesten dm^el^-gebroed. Daarom werd Loki 
de vader in het biezonder van die monsters, die in de laatste 
kamp de goden verderven, zoals de wolf Fenrvr^ die dopr de 
goden geboeid, de tijd van de ondergang der wereld wacht, 
dan zijn banden verbreekt en onder aanvoering van Loki 
met heel zijn bende tegen Goden en Einheijars (helden) op- 



346 Jaoob £k. 



trekt, waarbij hij de zon verslindt en Odinn doodt. Het tweede 
monsterkind was de slang Jormungardr of Midgardsormr^ dat 
is de slang die Midgard omspant. Z|] is door Odinn in de zee 
geworpen en is de vijandin van Thorr. B^ de ondergang der 
wereld strijdt zQ aan de z^de van de Fenrirwolf. Van dit 
geweld barst de hemel, maar dan treft Thorr haar dodelik. 
Negen voeten verder valt ook hy neer, door 't vergif der 
slang gedood. De afschuwelike Hd is eveneens een van Loki's 
kinderen (zie Aant. 32). 

67) Pag. 9 VS. 6. Het huis = Bragi's woning. Onder de twaalf 
hemelburchten (zie Aant. 1) wordt er geen voor hem alleen 
genoemd. Zie verder Aant. 87. 

68) Pag. 9 VS. 17. ^te = zoals. 

69) Pag. 9 onderaan. Goed-geziene realieteit! Zie ook op 
pag. 10, VS. 21 : „Een najaarslucht vol vochtigheid — men kan 
de regen ruiken.^^ Verder vs. 25 en vervolgg. Dit zijn alle 
tekenen van meeleven met de natuur. 

70) Pag. 10 VS. 28. Schüdhal. Zie Aant. 63. 

71) Pag. 11 VS. 10. Sterke moet wel zijn sterkte. Zie week- 
heid en effenheid (vs. 10 en 11). 

; 72) Pag. 11 VS. 17. MjSinir. Zie Aant. 12. 

73) Pag. 11 VS. 18. LokVs vuurlansspits. Golther (S. 114) 
zegt, dat de Walkyren wanneer zij zich naar de strijd be- 
gaven, vlammen op hun speerspits hadden. Hier krijgt Loki 
ook zo'n speer. 

74) Pag. 11 VS. 22. Njord werd voor uitnemend wijs ge- 
houden en was een van de twaalf door Wodan aangestelde 
rechters op het Idaveld. 

75) Pag. 12 VS. 1. Aegir^ waarschijnlik de god van de open, 
bevaarbare zee, was goedaardig van natuur (Golther, S. 
174—175). Hij is in yjBragi" de diepzeegod in tegenstelling 
met Njord, die hier als kustzeegod optreedt. Aegir's vrouw is 
de roofgierige Ban. Zie Aant. 32. 

76) Pag. 12 onderaan. Bifrostbrug. Zie Aant. 1. 

77) Pag. 15 VS. 1. Balder. Zie Aant. 13 en 137. 



1 



Dr. Schepers' Bragi. 347 



78) Pag. 17 VS. 15. Het kind. Zie pag. 16 vs. 22. 

79) Pag. 18 VS. 14. Mn oude vrind. Zie y^Bragi r pag, 69 
onderaan. 

80) Pag. 18 VS. 16 tot pag. 19 vs. 5. Be roof van Idoena. 
De mythe is in 't kort zo: Drie Goden, onder wie Loki, 
trokken eens door woeste streken, waar zy maar weinig 
voedsel vonden. Eindelik zagen zij een kudde ossen, waarvan 
zij er een namen om die te koken. Telkens echter, wanneer 
zij in de pot keken, bemerkten zij dat hij noch rauw was. 

Toen hoorden ze een grote arend, die boven hun hoofd in 
een eik zat, zeggen dat het zijn schuld was dat de os niet 
gaar werd. Alleen op voorwaarde, dat hij er genoeg van 
mocht eten, zou hij zorgen dat de wens der goden werd ver- 
vuld. Dat stonden zij toe. Maar toen hij de beste stukken 
nam, werd Loki toornig en stiet de arend een lange stang in 
de buik. Hij vloog op, Loki's handen kleefden aan de stang 
vast en zo moest hij mee, terwijl zijn voeten sleepten langs 
struiken en bomen, zodat hij zeer bevreesd was. Hij smeekte 
om genade, maar de arend zou hem alleen dan loslaten, als 
hij Idunn met haar appelen der verjonging aan hem over- 
leverde. Hij beloofde dit en lokte de godin naar een bos, onder 
voorwendsel dat hij daar kostbare appelen had gevonden en 
dat zij de hare ter vergelijking mee moest nemen. Toen kwam 
de reus Tjazi in de huid van een arend, greep Idunn en vloog 
met haar weg. Daardoor werden de goden oud en grijs. Maar 
men had haar 't laatst met Loki gezien en dus moest hij, op 
straffe van pijniging en dood, zorgen dat zij terugkwam. Hij 
vloog toen in de gedaante van een valk naar Tjazi's woning, 
vond Idunn alleen thuis, veranderde haar in een noot en 
vluchtte met haar zo snel hij kon. De reus bemerkte zijn 
verlies al gauw en vloog Loki achterna. Toen de Asen zo een 
valk met een noot zs^en aankomen, vervolgd door een arend, 
brachten zij spaanders aan en zodra Loki in de burcht was, 
wierpen zij vuur in de spaanders. Tjazi kon niet zo gauw 
zijn vaart verminderen; door 't vuur gezengd viel hij neer 



348 Jacob Ek. 



en werd gedood. Zyn dochter Shadi (zie Aant. 46), die wraak 
zocht, werd tot zoen onder de Asen opgenomen. 

In het verhaal van Idoena's schaking in „Bragi" is op ge- 
lukkige wyze haar macht ter verjonging te pas gebracht: op 
weg naar Bragi's oude moeder, die zij de jeugd zou terug- 
geven, wordt ZQ geroofd. 

81) Pag. 19 VS. 7 tot vs. 13. Vergelijk pag. 12 vs. 17 tot 
VS. 24. 

82) Pag. 19 VS. 12. Zij, de golven. 

88) Pag. 19 VS. 18. Vergelijk pag. 15 vs. 10. 

84) Pag. 19 VS. 22. Vergelijk pag. 15 vs. 18. 

85) Pag. 20 VS. 5. De strijd, uit yjBragi T', Liefde en 
Strijd. 

86) Pag. 20 VS. 9-10. Hier blijkt, dat Dr. Schepers Wal- 
halla neemt voor gè,ns Asgard. 

87) Pag. 21 VS. 3. Dr. Schepers geeft Bragi's woning hier 
de naam Zangburg. 

88) Pag. 21 VS. 6 en vervolgg. Dit is een eigenaardig ge-» 
deelte. Er ligt een geestige mengeling in van natuur-Uke 
noodwendigheid en menselik willen: Bragi vermoedt Donskr's 
nabijheid niet en weet noch veel minder de reden voor het 
naderbij komen van de zwarte wolk. Maar door dit laatste 
breekt ook los — mbit losbreken! — het onweer, dat tegelijk, 
van Donar's denken uit beschouwd, de qpzettelike waarschu- 
wing voor Bragi is om voort te gaan. Deze echter, niet 
wetend van Donar*s doel, begrijpt die waarschuwing niet en 
vraagt onderdak voor 't noodweer bij Folkert en Geertrui. 

89) Pag. 28 onderaan, üw verhaal, schrijft de dichter en 
nergens vertelt Bragi uitvoerig zijn ongeluk aan Folkert. Zo 
zegt deze laatste ook: „Je zoekt haar niet vergeeft," terwijl 
nergens letterlik uit de tekst blijkt, dat Folkert weet, wie 
dat eigenlik is. Dergelijke opmerkingen zijn herhaaldelik in 
alle drie de „Boeken" te maken. Op die wijze worden heel 
wat herhalingen of onnodige mededelingen door de dichter 
achterwege gelaten, die hinderlike langwijligheid voorkomen 



Dr. Scheper's Bragi. 349 



en toch aan de duidelikheid geen schade doen. Zie b. v. ook 
weer onmiddelik hierop: pag. 24 vs. 11 — 12. 

90) Pag. 24 VS. 18. H Ventje-dhètr mjdde ik tot dichter. Zie 
pag. 22 VS. 10-13. 

91) Pag. 25 VS. 1. Bragi' s geleiders^ nl. Donar en Loke. 

92) Pag. 25 VS. 9—11. Ook dit is weer goed waargenomen 
realiteit. Wanneer men zich op enige afstand van een dorps- 
kom bevindt, dan hoort men daaruit het gehamer van de 
smid en het gejoel van kinderstemmen. 

93) Pag. 25 VS. 12. Het plein enz. Zie y, Bragi i" pag. 35 
en vervolgg. 

94) Pag. 35 VS. 16. Hoe mooi wordt hier met een enkel 
woord dit duingezicht geschilderd 1 De grond is golvend, alsof 
hij eenmaal zich bewogen heeft; tussen plekken groen be- 
vinden zich vlakken geel, van 't zand. En het is of dit alles 
in een moment van grote beroering plotseling alle beweging 
heeft verloren en zo in wonderlike levens-stolling stil is 
blijven liggen. 

Verbaasd zag hij de grond daar golven, 
Massief geworden zee van groen met strepen 
Van zandgeel als het schuim er over heen. 

95). Pag. 36 vs. 5. Ook dit is mooi gezien: 

Zie, van de zee dreven de wolken aan; 
Ze sleepten mee grijzige schaduwkleden{,) 

96) Pag. 37 VS. 28. Maar 't woord was louter Mank^ dus: 
Bragi verstond de taal niet, die zij sprak. 

97) Pag. 38 VS. 10 vervolgg. Hoe mooi is hier het avond- 
gloeien voorgesteld: Nanna wacht in 't Westen 's avonds 
Balder, om wiens naderen zij bloost, en die moe van zijn 
daagliks lichtwerk tot haar komt. Dan staat z'n zonnewagen 
even stil en mijmerend zien zij beiden even over de zee, die 
in Nanna^s blos meegloeit. Dan gaan zij naar Walhalla .... 



350 Jacob £k. 

98) Pag. 41 VS. 6. Zeeotam^ zware mist die uit de zee op- 
komt en vaak buiten de duinen blijft hangen. 

99) Pag. 41 VS. 10. „'* Heet Bragi OunhéTsr Duko hoeft 
volstrekt niet aan de God der dichtkunst zelf te denken, 
want er is meer dan een dichter geweest, die Bragi heette. 

100) Pag. 44 VS. 13 vervolgg. Zuxduwen^ nl. Donar en Loke. 
Zie pag. 42 onderaan. 

101) Pag. 49 VS. 9. Heemdal, WalhdCs toaekter. Heimdalir 
woont in Himinbjorg bij de Bifröstbrug, is de wachter der 
Goden en woont aan het eind van Walhalla om de brug 
tegen de bergreuzen te bewaken. Hij slaapt korter dan een 
vogel (zie ook pag. 49 vs. 10—11) en ziet nacht en dag hon- 
derd mijlen in het rond. Hij heeft een bazuin, Gjallarhoren, 
waarvan het geluid door de ganse wereld gehoord wordt 
(daemisaga 27). Op die horen blaast hij in de wolfetijd d.i. 
als de Fenrirwolf (zie Aant. 66) losbreekt bij het einde der 
wereld (Voluspd, strofe 47 volgens de telling van Möbius). 
Dan strijdt Heimdalir met Loki en beiden doden elkaar. 
G o 1 1 h e r (S. 360) meent, dat hij een deel van de lichtmacht 
verpersoonlikt, nl. de aanbrekende dag. 

102) Pag. 50 onderaan, &ƒ, de vrouw van Donar. Sigyne, 
de vrouw van Loke. Zij is niet te verklaren, zegt G o 1 1 h e r 
(S. 425). Zie verder Aant. 66. 

103) Pag. 51 vs. 6. Het blinkend Bredeblïk (Breidablik), Bal- 
der's burcht. Zie Aant. 13. 

104) Pag. 52 VS. 1—5. Dit trekje voegt de listige Loke! 

105) Pag. 53 vs. 10 vervolgg. Nu allen zwakker toerden Aoor 
de macht van Ouderdom, die voor Idoena's roof geen invloed 
op de Goden had, was het hoog nodig dat er meer hulp 
kwam in Walhalla voor de grote strijd bij swerelds einde. 

106) Pag. 56 vs. 10. Waarover Wodan met Loke fluisterde, 
is te vinden op pag. 67 vs. 5—8. 

107) Pag. 59 VS. 16. De fopperijen van de reuzen tegen Donar. 
Het spreekt vanzelf, dat de reuzen dikwels beproefden, om 
Donar te benadelen, of om hem zijn macht te ontnemen, 



Dr. Scheper's Bragi. 35i 



omdat hij goden en mensen beschermde, met wie zij juist 
altijd in vijandschap verkeerden. Een keer lukte het een van 
hun, Thrymr, om Thorr's hamer te bemachtigen en die acht 
wersten diep onder de aarde te verbergen. Door een list van 
Loki kreeg hij zijn wapen terug en doodde daarmee Thrymr 
en zijn ganse geslacht. Dit wordt verhaald in Thrymskvida of 
Hamarsheimt^ het lied van Thrymr of het terughalen van de 
hamer. Een toespeling hierop bevat „Bragi 1T\ pag. 111 en 
vervolgg. 

108) Pag. 67 VS. 10. Laufeja^ de moeder van Loke. 

109) Pag. 70 VS. 9. Zijn droom^ zie pag. 67 vs. 14 — 16. 
Deze twee plaatsen spreken elkaar niet tegen: In z'n droom 
had Loke hem laten zien, dat Ava van hem hield, maar nu, 
in wakende toestand, kan hij 't alleen vermoeden, maar niet 
zeker weten. 

110) Pag. 75 VS. 7. Immers, er was storm geweest; de 
stormreuzen hadden gewoed. 

UI) Pag. 75 VS. 14. Schüddak^ zie Aant. 68. 

112) Pag. 86 VS. 2. BedacA^ = overdacht. 

118) Pag. 87 VS. 8. Zelfs Walhal's val kan 't eind niet zijn. 

114) Pag. 87 VS. 22. Wat toestand zou het zijn, als Ava 
eens niet van Bernlef hield 1 

115) Pag. 89 VS. 13. „ Z^a^AieipjowooA," Zie pag. 76 vs. 6 -10. 

116) Pag. 91 VS. 14. Het wegzakkig mnd^ dat leefde waar ee 
trad. Hier was de allitteratie verleidelik: 't zand, dat toefde 
waar ze üep. Toch staat er trad. Dit woord vestigt veel meer 
de aandacht op de juiste plaats, waar Idoena de voet zet, is 
dus schilderachtiger, meer intensief. 

117) Pag. 92 VS. 8. Een meeuw. Dit is Loke natuurlik. 

118) Pag. 99 VS. 1. Begrijp: Tot zolang (tot diè tijd) deed 
Loke al wat hij doen móest op bevel van Wodan (pag. 56 
VS. 10—11). Maar nu Bragi, in weerwil van de beproeving, 
onkreukbaar trouw bleef aan Idoena, nu mocht Loki denken 
aan z'n wraak op Tjazi (zie pag. 52 vs. 9). Dit vers dus te 
lezen met klemtoon op s:o. 



352 Jaoob £k. 



119) Pag. 108 VS. 21. 

En wie de glimlach geldt van de Allerhoogste 
Blyder dan h^ leeft niemand, Qod noch mens. 

Dit laat de dichter dikwels en telkens andera gezegd uit- 
komen. Zie b.v. ffBragi I'\ pag. 7: 

(Wodan's) glimlach zei, ook hü dacht aan de rots. 
Die lach doortrilde 't woud en stilde 't ven: 
Op kind en moeder zeeg 'en blqde droom. 

Zo ook in: 

(Wodan) lachte Bragi toe — de wolk 

Verdween en zonlicht lag op 't voorhoofd weer 
£n biyheid klonk er weer uit z'n gezang. 

(„Bragi ƒ", pag. 95). 

Wanneer Bragi's lyk verbrand is, zien krggers zwij^nd 
^n ernstig naar de rook die noch lichtjes uit de mijt opstqgt. 
Mmt daarna ging bun tred vlugger, 

want Wodan had 

*En glimlach naar beneên tot hun gezonden. 
Ook over Hagen's hut zeeg kalmte neer: 
Berusting gaf die glimlach, uitgeschreid 
Omarmden Qunlod en Idoena elkaar. 

(„Bragi r\ pag. 98). 

\2sSS 1^. 110 VS. U. Dit is Donar. Zie Aant. 12. 

\tVS P»g. 112 onderaan. H Nieuwe streven in z^n kunsé. Dit 
VV4 v>|> pag* 96. 

iïJé^ E^ag, 113 VS. 4—6. Vervangt men de 2© naamval in 
XN. ft door z'n omschrijving het aanlichten van de zon^ dan is 
siv K^lekenis terstond duidelik. 

ik\'^^ Pag» 113 onderaan: 

Hot was een nacht, alsof heel de aarde nu 
YvHU* 't eerst uitrustte van het scheppingswerk(.) 

Ms'^vhU^ is hier de stilte gezegd. En dat moest hier: na 



Dr. Scheper's Bragi. 353 



Bragi's lang lijden, na de strijd met de zeereuzen, mocht 
de voortgang der handeling hier even pozen : Bragi en Idoena 
zijn verenigd. 

124) Pag, 114 VS. 15-16. Dit ziet op pag. 88 vs. 8-14. 

125) Pag. 116 VS. 19. Bragi's moeder was een halve god- 
heid en dus was 't niet zo heel vreemd, dat er onverwacht 
bloemen bij haar lijk lagen. 

126) Pag. 117 onderaan. Bragi stelde zich tot doel zijn 
nieuwe volwassen kunst reinigend in Walhalla te doen wer- 
ken. Maar dan moest die daar eerst begrepen worden en hij 
voelde nu al, dat hij dan veel tegenstand te wachten had: 
men zou 't onzin vinden, want het zou de goden en belden 
in 't begin vreemd en dus vijandig zijn. 

Derde Boek. 

127) Pag. 23 VS. 10. Zie Aant. 56. 

128) Pag. 23 VS. 11. Zie Aant. 58. 

129) Pag. 23 VS. 21. Een vreemd zticlUje deed de haardvlam 
wapperen. Brègi is bij Bernlef. Zie ook pag. 30 vs. 1 — 2. 

130) Pag. 24 VS. 18. Een snik. Zie pag. 30 onderaan. 

131) Pag. 24 onderaan. Be zwarten. Dit zijn vreemde aan- 
hangers van de priester, mensen van zuideliker ras. Dr. Sche- 
pers dacht hier aan de nalopers, de maraudeurs, schrijft hij 
mij. Zij zijn het, die de moord op Bernlef plegen (pag. 26). 

132) Pag. 26 VS. 3—12. Begrijp: De oude Bernlef zweeg 
en hoorde nu van zijn kleinzoon, dat de priester en z'n vol- 
gelingen door vrije mannen, die aan de oude Goden waren 
trouw gebleven, werden overvallen en voor een groot deel 
gedood in een noordeliker (pag. 24 vs. 8—9) gelegen duin- 
kom. Onder die gedode volgelingen behoorde ook oude Bern- 
lef s zoon. De rest der aanhangers van de priester was ge- 
vlucht naar het dal waar de grijsaard woonde, maar werd 
achtervolgd en in een woeste strijd gedood. 

133) Pag. 27. Bernlef verhaalt zijn reis over 't meer Flevo 
naar Friesland. 



354 Jaoob £k. 

134) Pag- 28 VS. 7-12. Bernlefs smart om de strodood, 
die zijn deel zal zijn. (Zie Aant. 32 en 54). 

135) Pag. 31 onderaan. Zie over deze mooie verzen pag. 340. 

136) Pag. 38 VS. 10. 't Hemdkind^ n.1. Balder, de zoon van 
Wodan en Frigg, beiden goden. 

137) Pag. 38 VS. 7 tot pag. 41 onderaan. In plaats van de 
mythe over Balder's dood is hier een nieuw, levendig verhaal 
gegeven van Loke's baat, van het sterven van de Zonn^od 
en van Nanna's smart. — De Jongere Edda verhaalt in de 
49« daemisage: De goede Balder werd gekweld door bange 
dromen over gevaren, die zijn leven bedreigden. Toen hij dit 
aan de Asen had meegedeeld, liet Frigg alle mensen en din- 
gen de eed afleggen, dat zij hem niet zouden schaden. Nu 
werd het voor de Goden een uitspanning — en voor Balder 
was het een groote eer — dat zij met spiesen naar hem 
wierpen en hem met zwaarden sloegen, zonder dat hij ge- 
kwetst werd. Loki speet het, dat men Balder geen leed kon 
aandoen en kwam, als vrouw verkleed, van Frigg te weten, 
dat alleen van een misteltakje geen eed was gevraagd, omdat 
het te onbeduidend leek. Loki trok nu de mistel uit de grond 
en vro^ aan de blinde Ase Hödr^ waarom hij ook niet naar 
Balder wierp. Hödr antwoordde, dat hij niet kon zien en 
bovendien geen wapen had. Loki gaf hem daarop de richting 
aan en reikte de mistel over. De blinde wierp en Balder 
stortte levenloos neer. — Niemand mocht wegens de heilig- 
heid der plaats het feit wreken. De Asen besloten dat een 
hunner naar Hel zou rijden, om te trachten de dode door een 
losprijs terug te krijgen. Hel wilde aan dit verzoek voldoen, 
mits alles wat bestond toonde. Balder werkelik te beminnen. 
Nu werden over de hele wereld boden door de Asen gezon- 
den met het verzoek om Balder uit Hel's verblijf terug te 
wenen. Allen deden het. Alleen een reuzin — maar dat was 
Loke, die zich veimomd had — weigerde. Daardoor kon Baldr 
niet terugkomen. 

De geliefde mythologiese uitlegging, zegt Grolther (S. 



Dr. Scheper's Bragi. 355 



380), ziet in Baldr het licht, dat om midzomer zijn hoogste 
punt en zijn grootste kracht bereikt, maar dan vermindert. 
Wanneer de dagen korten, sterft Baldr. Dit geschiedt door 
Hödr de blinde, die de duisternis voorstelt. Anderen beschou 
wen deze sage eenvoudig als ,,reine Dicbtung''. 

Zeer waarschijnlik is het, dat Balder trekken van Christus 
overnam. De versmelting van de lichte, reine Baldr met de 
reine Christus ontstond ten gevolge van de vertellingen, die 
de Noormannen in Engeland vernamen over „bealdar^\ zooals 
bij de Angelsaksen Christus heet. Dan raakt ook Hödr meer 
op de achtergrond en valt de nadruk als moordenaar van 
Baldr veel meer op Loki, Lucifer, die volgens de Christelike 
sage de blinde krijgsknecht tot Jezus voerde, opdat hij Jezus' 
zijde zou doorboren (Golther). 

138) Pag. 56 VS. 11. Zie ^ Bragi IV' pag. 52 vs. 7-9. 

139) Pag. 56 VS. 12. Zie ,^Bragi UV' pag. 40 onderaan. 

140) Pag. 56 VS. 17. Donars vrijspraak. Zie „Bragi Ji", pag. 
107 VS. 4 vervolgg. 

141) Pag. 58 VS. 6 tot pag. 59 bovenaan. Dit is een her- 
innering van Bernlef aan een voorval, dat noch niet genoemd 
is, maar gebeurde nk wat op pag. 95 vs. 13 {Tweede Boek) 
verhaald wordt en ook na de aanhef op pag. 99, omdat Loke 
toen pas aan wraak op Tjazi mocht gaan denken. 

142) Pag. 69 VS. 18—19. Donar, als de god van het on- 
weer — dat in 't voorjaar komt ^ als de bestrijder der reu- 
zen — die o. m. de machten van de koude winter personi- 
fiëren — staat met de landbouw en de vruchtbaarheid in 
nauw verband. 

Let op de bijvoeging: 00 meenden vden. Immers er waren 
er al, bij wie 't geloof in de oude goden geschokt was. 

143) Pag. 73 VS. 15. Het oude geloof was al niet hecht 
meer in Bernlef. Nu hij de priester gehoord heeft, wordt z'n 
onrust, die nu en dan wel even ingesluimerd was, wakkerder 
dan ooit. Dit wordt nu ook sterker gezegd: al maar door 
klonken die Godsberichten van de priester in hem na. Ze 



356 Jacob Ek. 



waren als vijandeiyice benden in een drukke nijvere stad. 
Hun aanstormen vol beweging en rumoer, bet fors hoezee* 
geroep brachten verwarring en angst. Zo ging 't ook in 
Bernlef s ziel, maar z*n denken drong hem tot stryd, om ten 
minste niet zonder weerstand bet nieuwe te laten overwinnen. 

144) Pag. 75. Hoe mooi en natuurlik is hier de overgang 
van Bernlef s vizioen tot de werkelikheid : Bragi en Idoena 
zien elkander aan en zwijgen. Door dat stü-zijn^ dat is hier 
eigenlijk, doordat er een ogenblik geen handeling meer in 
z'n vizioen is en z'n aandacht daar dus niet meer zèèr sterk 
op gevestigd is, möèt natuurlik de opnieuw opkomende drukte 
om hem, z'n beeld geheel verdrijven. Maar nu laat dr. Sche- 
pers tegelyk noch even uitkomen, hoe intens Bernlef' s zien 
was: in vreemde spanning, half noch in z'n droom, die h^ 
vodde heengaan^ trad liij vooruit. 

145) Pag. 77. Mooi en levendig is hier en op de volgende 
bladzijden de dialoog tussen Bernlef en de priester. 

146) Pag. 79 VS. 20. Bernlef zegt: „Het is verkeerd aan 
een persoonlik God te gelooven." De priester antwoordt: 
„Men kan toch niet geloven, voordat men heefb gezien! En 
daarom moet het beeld van God de mens vol majesteit en 
glans voor de ogen rijzen." 

147) Pag. 82 VS. 10. De hoge toren. Zie Aant. 101. 

148) Pag. 82 VS. 28. Wiekengeplooi^ van de Walkyren. Zie 
Aant. 6 en 38. 

149) Pag. 87 VS. 8. Loke's daad aan Bernlef. Zie „Bragilir\ 
pag. 58 VS. 6 tot pag. 59 bovenaan. Zie ook Aant. 141. 

150) Pag. 89 VS. 16. Het rijk van Walhalla week eer het werd 
verwoest door belagers = Walhalla's rijk ging onder vöör de tijd 
die door de Vala (zie Aant. 52) was voorspeld. Over die be- 
lagers^ zie onder Aant. 66. Ook was die ondergang geen ge- 
welddadige, zoals men zich voorstelde, maar een geleidelik 
verdwijnen van het oude en opnemen van het nieuwe ge- 
loof, soms zelfs een ineenvloeiïng van beide, zooals wij her- 
haaldelik hebben laten zien in deze Aantekeningen. Dit lang- 



Dr. Schepers' Bragi. 357 



zamerhand verdwijnen van Walhalla stelt dr. Schepers mooi 
voor : in een mist ziet Bernlef het, d. i. zwakker, onduideliker, 
waziger dan vroeger. 

151) Pag. 93 VS. 7. Een mens was Loke's moeder; daarom 
blijft macht hem bij, als de andere goden zijn heengegaan. 
Zie n Bragi III '\ pag. 83 vs. 20-24 en pag. 91 vs. 9-13. 

Dordrecht. Jacob Ek. 



VERBETERING. 

In Aantekening 23 slaat: evenals nu Bragi Idoena noch niet tot vrouw heeft; 
moet zijn: evenals nu Bragi lijdt om de zwaanmaagd. 



T. EN L. xii. Ü4 



THEOPHILUS. 



Comt hare, aiet ende ventaet, 
Dat ghene Bonden en syn soe quaet 
No ghene sonden en sgn soe groet, 
Onse Vronwe en hnlptse nter noet 
Die ghenade soeken an hare 
Met vasten ghelove oppenbare *). 

Dit „komt ziet en verstaat" geldt alle Maria-mirakelen. AI 
die wonderen willen laten zien welk 'n vermogen Maria heeft 
bij Christus baar kind, en hoe goed het daarom is de Moeder 
Gods aan te roepen, wanneer 'n mens in zwarigheid zit en 
wanhoopt of z'n zonden hem wel ooit zullen worden verge- 
ven. Want meer dan 'n gewone sterveling door 'n berouwvol 
bidden gedaan kon krijgen, kon zij door haar voorspraak bij 
God bewerken, en zo kwam het dat Maria als bemiddelaar- 
ster tussen God en de mensen, 'n eigen plaats kreeg in de 
geloofs- en boeteleer, en dat zowel de Mariaverering 'n 
afzonderlik hoofdstuk vraagt in de Christelike kultus, als het 
Maria-mirakel 'n a&onderlike vermelding in de legendaria en 
eksempelenboeken van de vervlogen eeuwen. 

Algemene waarheden vragen ter toelichting, voorbeelden; 
of wel, zo hier reeds alle twijfel als uitgesloten mag worden 
beschouwd, — ze tonen door nieuwe bewijzen 'n welkome 



ti) Theophilus. Middelned. Gedicht der X[Ve Eeuw. Op nieuw uitgegeven 
door Dr. J. Verdam vs. 3496—2502. 



J. Eoopmans, Theophilns. 359 

bevestiging; en de geschiedenis van Theophilus nu, is het 
doorslaand bewijs van het hulpbetoon waarmee Maria ook 
zelfe aan de grootste zondaars haar diensten biedt. En Theo- 
philus, — de wereld diende het te weten, was 'n groot 
zondaar. Geen moordenaars, dieven, brandstichters, echtbre- 
kers en dergelijke, mensen toch die meer of minder in 't 
spel van de hartstocht waren meegesleept en die in geen 
geval zich opzettelik hadden voorgenomen van öod af te 
vallen, — geen hunner geleek op Theophilus, die anachro- 
nisties gesproken, voor „Faust" had gespeeld, en gemoede- 
reerd weg bij kontrakt op „segel en brief' zich aan Lucifers 
dienst had verbonden. En de ME. verbeelding dacht daar niet 
licht over. De duivel zelf gaan opzoeken ; z n voeten richten 
naar 'et verblijf, waar men zeker weet z'n hoogheid te 
zullen vinden om zitting te houden; daar op de audiöntie 
kalm en beredeneerd de bezwaren weg te nemen van Satan 
die twijfelt of hij in de 'bezoeker wel 'n man met eerlike 
bedoelingen mag zien; de Duivel plechtig verzekeren dat hij 
voortaan aan niemand als aan hem zal toebehoren en deze ver- 
klaring terstond met z'n naamtekening willen bekrachtigen; 
dit alles was nieuw en ongehoord en stelde alles wat tot nog 
toe gebeurd was, in de schaduw. Zondaars waren er altijd ge- 
weest ; velen waren afgevallen van Christus door hem te ver- 
zaken; zij hadden dingen nagelaten, die Z'n woorden ge- 
boden hadden te doen. Maar dezulken waren tot heden door 
de duivelen verlokt en bekoord ; ze waren meegetroond door 
verleidelikheden, overgehaald met bloemzoete woorden en glan- 
zende beloften.; zwakke schepselen waren 't geweest ver- 
strikt door de listen van Satan. Theophilus evenwel had de 
bordjes verhangen. Hier gaat de mens zelf op weg, bepraat 
de duivel, en houdt vol, tot zolang hij sekuur staat. Het boze 
schijnt zich te hebben verplaatst ; heeft zich genesteld in 't hart 
van de mens ; treedt voortaan aktief in hem op. Drieste schep- 
ping van de fantasie, deze Theophilus ; hoge troef, uitgespeeld 
tegen „Onse Vrouwe gfacievol". In de uitbeelding van de 



360 J. Eoopmans. 



zondaar-tiepe reeds, schuilt een zoet vermeien. Theophilus 
moet ons laten zien hoe diep 'n mens kan vallen. In de 
uitvoerige beschrqving van verloren voortreffelikheden horen 
we de galmen van de hoogste toon. Boven al z'n tijdge- 
nooten had h\j uitgeblonken, vernemen we. Hij was goed 
van hart en mild van beurs jegens de armen geweest; want 
hij had z'n rijkdommen alleen besteed om goed te doen. Hij had 
God en Maria altijd met trouw en in ootmoed gediend ; had met 
z'n raad en oordeel waar 't nodig was de mensen gesteund; 
hij was 'n hulp en troost voor de weduwen en weezen ge- 
weest; hij had zich in ruime mate van de goede werken 
en de werken des geloofs gekweten, als vasten en bidden; 
en de kroon op z'n volmaaktheid was z'n nederigheid ge- 
weest om wars van de lof van de mensen, z'n ganse waarde, 
die hij innerlik droeg, van de buitenwereld af te sluiten. Maar 
desondanks hadden door het kleed van z'n ootmoed z'n gaven 
geschitterd, en als was hij ofBciaal de raadsman van de bisschop 
geworden die altijd gedaan had wat z'n helper hem aan had 
geprezen ; en ook na de dood van de bisschop, had rijk en arm, 
oud en jong, klerk en leek, zo de mond vol gehad van Theophilus' 
verdiensten, dat de aartsbisschop, op algemeen verzoek van 
de kanunniken, hem de vrijgekomen waardigheid had willen 
opdragen ; alleen Theophilus, die zich niet zuiver en zondeloos 
voor zulk 'n hoge en verantwoordelike post had gekend, had 
tot twee maal toe de opdracht van de hand gewezen. Vruch- 
teloos had de hoge prelaat hem van antwoord gediend; niet 
het gevoel van zondig te zijn, is 't ergste, had hij gezegd; 
geen mens toch had er geleefd of hij had zich somtijds be- 
zwaard gevoeld; het ware was dat men zich voornam z'n 
hart er van af te trekken. — Alles om niets; een gegeven 
uitstel om zich te bedenken, had evenmin gebaat; smekend 
en wenend had Theophilus op z'n knieön gebeden, hem te 
ontzien, omdat hij niet zonder zonde was; en toen eindelik 
de kerkvorst had toegegeven en 'n ander tot bisschop had 
aangesteld, was Theophilus in grote blijdschap heengegaan 



Theophilns. 361 



met 'n verlicht gemoed. Z'n nederigheid kende maar geen groter 
genoegen, dan het voorrecht te bezitten om in 'n bescheiden 
werkkring, Gode ter ere, anderen met z'n gaven in stilte te 
dienen. Dit was z'n deugd en z'n kracht, en geen roem en 
hoge staat onder de mensen konden z'n ootmoed bekoren. 
In z'n levensloop, meende de dichter, lag z'n hoogste lof. 

Tot zover, zal men zeggen, gaat het de held van 't ver- 
haal alles naar wens. Als men nu eenmaal geheel en al voor 
God wil leven, en zich in 't minst niet bekommeren wil om 
eer of 'n hoge staat ; ja zich onwaardig voelt bij zich zelf te 
erkennen wat anderen in hem prijzen, dan heeft zo iemand, 
als de menschen hem aan zich zelve overlaten, doodeen- 
voudig z'n zin, en kan het hem, zou men zeggen, ook in 't 
vervolg geen haar schelen, of diezelfde mensen hem goed dan 
wel niet goed vinden en of ze z'n blankheid witbont dan wel 
zwartbent noemen. Maar de Middeleeuwers waren niet dom, en 
in elk geval waren ze fijngevoelige psychologen. Ze wisten 
b. V. goed, dat iemand die nederig de onderscheidingen die 
men hem verlenen wil afwijst, ook al voelt hij voor zich zelf 
dat de eer van die onderscheidingen hem niet toekomt, toch 
onbewust in die hoogschatting voor zich 'n steunpunt be- 
waart; en dat bij eenmaal te verduren verongelijkingen, die 
'n rustig zelfgevoel kunnen schokken, hij er allicht toe komt, 
in de ondervonden waardering 'n vaste grond te zoeken bij 'n 
mogelike storing van 't evenwicht. Wat Theophilus overkwam, 
zou menselikerwijze gesproken, iedereen overkomen. Theophilus 
kwam als ofiiciaal in 'n ondergeschikte betrekking te staan tot 
iemand die bij de benoeming van een kerkvorst in eerste in- 
stantie de vlag had moeten strijken voor de befaamde en geliefde 
coadjutor zelf; en 't gevolg was, dat de „mindere" 't vertrouwen 
van z'n „meerdere" verloor. Hij die als 'n uitstekend raadsman 
eenmaal de geroepene was geweest, zonder wie de bisschop 't 
niet stellen kon, was bij de nieuwe functionaris de ereplaats niet 
langer waardig. „Kwade tongen", zei men, hadden 't gedaan. Zo 



362 J. Koopmans. 



geëerd ondertussen hy de vorige dag was geweest, zo verwaar- 
loosd wei*d hij tans ; die eenmaal 't hoofd voor hem bogen, groet- 
ten hem nauweliks of verwaardigden zich ternauwernood hem 
aan te spreken. De kriesis werd Theophilus te moeielik ; z'n ge- 
voel van verschoven te worden wekte de herinnering op aan 
voormalig eerbetoon, liet hem berouwvol denken aan 't geen hij 
eenmaal verworpen had, en prikkelde hem tot het verlangen, 
nog eenmaal aan te mogen nemen, wat hem eertijds zo goed- 
gunstig aangeboden, en door hem zo ondoordacht versmaad was. 
Even vast als hij te voren het oog voor de dingen der wereld 
gesloten had, kwamen tans aardse roem en aardse macht hem 
als begeerlike goederen voor; en de ommekeer in z'n denk- 
beelden werd zo volkomen, dat de zorg voor z'n zieleheil er 
door op de achtergrond werd gedrongen. Van nu af aan was 
z*n eerste streven, om te worden wat hij in de ogen van de 
mensen had behoren te wezen ; met alle middelen nam hq 
zich voor na te jagen wat hem naar z'n inzicht, tans rech- 
tens toekwam; geensins schroomde hij langer bedekt te 
weten te komen, of geen duivelskunstenaar soms hem aan 
de plaats kon helpen die hij tevoren bekleed had. Gelukkig, 
of liever ongelukkig voor Theophilus, liet er zich 'n verdacht 
handlanger vinden ; het Middeleeuws volksgeloof wees hem 
als zodanig 'n jood toe: satanskinderen, naar men dacht, 
behendige negocianten, die aan Christus vijandig, langs slimme 
wegen met de duivel betrekkingen onderhielden en hem zo 
veel mogelik mensenzielen verpatsten O* Behoorlik in de nacht, 
de ware tijd voor werken der duisternis, zocht Theophilus 
de jood op om werk van z'n zaak te maken; vertelde hem 
wat hem op 't hart lag, en of hij, 't kon niet schelen op 
welke manier, geholpen kon worden. De eerste conferentie 
liep daarop uit, dat Theophilus beloofde, eerst 't Christelik 
geloof te zullen afzweren : zolang Christus noch 



1) Zie Dr. De Vooys in z*n Midddelned. Legenden en Exempelen. Hoofd- 
stuk VI. De Joden in de Exempelen. 



Theophilus. 363 



macht over hem had, kon Satan niets voor 
hem doen. Bij 't volgende bezoek staat de kandidaat dan 
ook als vrij man. Gaarne grijpt de ME. bewerker hier de ge- 
legenheid aan er op te wijzen, hoe diep Theophilus al ge- 
zonken is; in z'n verblindheid had hij na z'n eerste bezoek 
heel den dag niet anders gedaan dan blij verlangen naar de 
nacht, die hem de vertroosting zou brengen. De man dacht 
nu sterker over zondige dingen, wou men laten opmerken, 
dan hij tevoren gestreefd had naar goede werken. — De jood 
stond klaar, vervolgt de legende, bereid Theophilus naar Satan 
te brengen, en voerde hem op 'n rijweg, hem onderrichtende 
in 't geen hem te doen stond. „Laat wat je te zien krijgt, 
je niet vervaren", waarschuwt de gedienstige; en zo je 
anders wordt dan gewoon, »zorg dan in geen geval 
je te zegenen met het teken des kruise s". 
Aan de weg gezeten, zagen z'n grote schaar mannen, met 
kandelaars in de hand, die vreugdezangen aanhievei), en 
defileerden voorbij iemand, aan wie ze hulde bewezen en 
aanbaden als een God en Vader. Dat was Lucifer, de eerste 
die in z'n hoogmoed het had bestaan God te weerstreven. 

In wat nu volgt stellen we ons voor 'n specimen van dezelfde 
soort aanschouwelikheid te geven, zoals we die b.v. hebben 
kunnen opmerken in Boendale's beschrijvingen van Jezus' kinds- 
heid en van de verlossing der heiligen en profeten door de 
„Koning des Roems" uit de kaken der hel — een aanschou- 
welikheid, die de geestdriftigsten onder de hoorders op 't 
denkbeeld kon brengen, de voor hen aantrekkelike stof nader 
te verlevendigen en te dramatiseren *). 

De jood, Lucifer ontwarende, nam Theophilus bij de hand, 
en bracht hem voor z'n Meester. Maar Lucifer vertrouwde 
't zaakje niet. Hij zag al dadelik dat Theophilus niet een van 
de zijnen was. „Wat moet die man hier," zei hij, „dat is er 



1) Boendale's Lekenspiegel, I, in 't Tweetnaandelijkseh Tijdschrift^ 
1899. 



364 J. Eoopmans. 



„een die God en z'n Moeder vereert. Ik wou toch wijzer 
„wezen, joodje, die man hier te brengen!" - „Neem me niet 
„kwaiik/' zei de jood, „die man wil van God en Maria afzien, 
„als U hem in z'n zaak behulpzaam wilt zyn." — En Theo- 
philus vertelde wat hij voor 'n boodschap had. Maar de 
duivel zei: „Hoor eens vrind, als je je God en je kerk wilt 
„afzweren, zal ik je helpen, en je weer zetten in des bis- 
„schops raad. Doch weet wel, dat ik aan je woorden niet 
„meer hecht dan aan de wind. Jullie Christenen hebt de ge- 
„woonte om als je wat begeert van je lieve Heer, en hij 
„wil 't je niet toestaan, je dierekt om te keren en naar mij 
„toe te komen, natuurlik met mooie beloften van God te 
„zullen afzweren en mij te zullen aanhangen; met dien ver- 
„stande dat als eenmaal door mij alles naar je zin is inge- 
„richt, je de eer hebt mij te groeten en weer terugkrabbelt 
„naar je eigen God, die in z'n goedertierenheid je dan weer 
„aanneemt. Zo ben ik al vaak bedrogen, en daarom zal ik 
„zo vrij zijn 't nu anders te doen. Je geeft me eenvoudig 
„'n schriftelike verklaring dat je mij voortaan toebehoort, en 
„om de belofte geldig te maken, bezegel je de brief met 
Je ring." 

Het verhaal vermeldt er bij, dat Theophilus dadelik toe- 
beet. Hij was in z'n hart al zo verzot op de wereld en haar 
ijdelheden geworden, dat de zaligheid hem geen oortje meer 
kon schelen. Hij liet God en de Kerk wie of wat ze waren, 
gaf de Duivel de gebruikelike hulde met de voetkus, ver- 
schafte hem het behoorlik gezegelde kontrakt, en ging met 
de jood weer vanwaar hij gekomen was 

Om de overwinning voor Maria des te eervoller en te be- 
slissender te maken, is blijkbaar aan de gesloten verbintenis 
de meest mogelike onverbreekbaarheid gegeven, eensdeels 
door de toeschietelikheid van de neofiet, anderdeels door de 
beslistheid van karakter van de Hellevorst. De duivel laat 
zich niet meer in de luren leggen: hij wil zwart op wit. 
Even vlug is hij bij de pinken, als 't op de kwijting van 



Theopliilns. 365 



z'n woord aankomt. Een prompte bediening voorkomt elke 
kreuk, meent hij terecht. De volgende dag al staan voor 
Theophilus de zaken zo gunstig mogelik. De bisschop heeft 
ineens berouw, voor z'n verdreven raadsman 'n ander gekozen 
te hebben die in alle opzichten de mindere is. Hij neemt zich 
voor, z'n maatregelen te nemen. Hij weet al, wie hem tot 
die slechte ruil hebben gebracht: kwaadsprekers waren 't 
geweest, die hem met onware betichtingen hadden willen 
dienen. Hij beklaagt zich zelf, 'n oor aan boze praatjes te 
hebben geleend. Theophilus moet terugkomen, en z'n oude 
betrekking weer opnemen. De verblijde bisschop zet hem 
naast zich, maakt z'n verontschuldiging, belooft dat hij de 
kwaadsprekers vervolgen zal, en dat al wat gebeurd is, ver- 
geten zal zijn. Voortaan is 't koek en ei. Theophilus is heer 
en meester; ze.t de zaken naar zijn hand; neemt toe in aan- 
zien en wordt nog meer gevierd dan ooit te voren. En 
Theophilus vaart er goed bij : hij doet wat z'n hart begeert, 
en wat z'n vleselikheid wenst, zonder er bij te denken of 
het al dan geen zonde is. Nu en dan vraagt hem de jood, 
hoe hij 't maakt, en of Lucifer 't niet mooi voor hem ge- 
schikt, en hem niet probaat van z'n zwarigheden ontheven 
had. Theophilus kan dan niet anders dan z'n levendige dank 
betuigen, aan de jood en aan hun beider Meester, voor het 
voorrecht van te kunnen doen wat z'n hart maar begeerde 
en van te mogen bezitten, wat z'n zinnen maar wensten. 

Alles is nu in orde. Altans, bij Theophilus, en bij de 
wereldsgezinden. Maar wat bij de wereldlingen goed is, is 
daarom nog niet goed bij God, Goed bij de mensen, is 
gemeenlik slecht bij God. Want niet dit is God zoeken: 
zich onmerkbaar laten glijden op de genietingen des levens; 
maar God zoeken is: zich slaan door de distels en doornen 
van de lijdensweg. God zelf had de weg gewezen : lijdende 
had hij de dood verwonnen, stervende had hij gezegepraald. 
De mensen vergaten het telkens; en daarom was 't zo goed 



366 J. Koopmans. 



er de mensen keer op keer op te w^zen. En dat deden de 
ME. trouw, en duidelijk, met scherpe afbakening van licht 
en schaduw. De wereld zoeken als Theopbilus deed, was 
verre afwijken van God; en op die verre afistand waarop 
Theophilus stond, was helder te zien, dat de eerste stap 
naar Qod het vaarwel-zeggen van de wereld meebracht. Wel 
was de weg moeielik van af zulk 'n uiterste grens! Maar 
God, zo leerden ze meteen, hielp altgd zelf. En ook die 
mensen, die wel wisten wat goed was en kwaad, maar die 
bekoord door de verlokkingen der zonde. God schandelik 
hadden verzaakt, ook deze werden door God geholpen. Niet 
alleen door God zelf, maar ook door z'n Uitverkorenen. Al 
de hemellingen streefden er naar, om de kinderen Gods die 
naar de stem van Satan hadden geluisterd, weer aan Satan 
te ontworstelen en bij God te brengen. Vooral deed dit 
Maria, de alvermogende Moeder Gods. Dat was haar roem, 
de Middelares te zijn tussen God en z'n verdoolden. De 
eeuwen vertelden haar lof: 't ene mirakel was al wonderliker 
dan 't andere. Wat had ze niet gedaan voor Beatrijs! Alles 
te vertellen wat haar oneindige liefde had vermocht, ging 
niet eens; maar de zwaarste kamp, en de schitterendste 
zege mocht aan de vergetelheid nooit ontrukt 1 De redding van 
de met woord en brief aan de Satan verbonden Theophilus, — 
was 't niet iets ongehoords? Dat geschreven kontrakt weer 
uit 's Duivels klauwen terug te wringen,^— was 't om te 
geloven? — Heel de wereld moest het weten; men schreef 
het op en over; vertaalde het in de landstalen, maakte het 
aanschouwelik in spelen en laste het als 'n eksempel anek- 
doties tussen de wetenschap der „Spiegels" en „Tresoren" *). 
En zo werden de lotswisseling van Theophilus, — met die 
van Beatrijs, — het voldingendste bewijs, dat het goede. 



1) Bij Verdam, Inleiding 1 — 3 ; De V o o y s Middelned. Legenden en exem- 
pelen, 188 en vlg. — Een dramatiese bewerking bestaat in het Frans van Rute- 
beu f, en twee verschillende in het middel nederduits, genoemd bij Verdam, blz. 
3, noot 1 en 2. 



Theophilus. 367 



door de barmhartigheid Gods en de voorspraak van de ge- 
nadevolle Maria, nog altijd de overhand houdt. God wil de 
zielen niet verderven, leerde men, maar behouden ; God straft 
niet en kan niet straffen wat tegen Hem wordt misdreven, 
dan na eerst met alle middelen te hebben beproefd de zielen 
tot berouw en tot boete op te wekken. Opmerkelik groot is 
Z'n goedheid, bewees men, en opmerkelik lang z'n geduld en 
langzaam Z'n wraak. Veel liever is hem 'n trage boete dan 
'n gerede straf ; want zo God eenmaal straft, straft hij zwaar ; 
en wie eenmaal ter helle vaart, besloot de waarschuwing, was 
onherroepelik verloren in 't grote Torment. 

Ingevolge hetgeen we opmerkten omtrent de door de 
ME. sterk gepousseerde kontrasten van val en verlossing, 
is Theophilus van 't oogenblik af dat hij zich verloren voelt, 
behouden; zodra z'n voet de weg van de passie betreedt, 
begint z'n zegetocht; en boven de voortschrijdende boeteling 
wappert de Heilsbanier en golft de bazuin Gods roem de 
ruimten in. Theophilus krijgt opeens, als bij ingeving, het 
besef dat hij z'n ziel heeft verkocht en voor altijd de Satan 
behoort. Nu krijgt onmiddellik de wereld 'n andere aanblik. 
Kort te voren was z'n eerst verloren ereplaats hem alles, verge- 
leken bij z'n zieleheil; tans komt de door hem weer beklede 
ereplaats nietig voor bij het bezit van z'n zielsrust en z'n God. 
Hy valt in jammerklachten. „Ai mij" roept hij uit, „hoe 
„kwam ik er toe mijn God te verlochenen, alleen om met 
„eer onder de mensen te leven ! Ik had het toch goed, genoot 
„van m'n rijkdom en have, en van de eer van m'n geslacht. 
„Rust vond ik in m'n vrijheid en in m'n zuiverheid van de 
„zonde! En nu? Tans zit ik zonder hulp en zonder raad. 
„Aan 'n jood heb ik meer vertrouwen geschonken dan aan 
„m'n eigen Christenwet. Niet alleen dat ik Hem, uit wie al 
„de troost dezer wereld is, bij kontrakt heb verraden, maar 
„door m'n schrifbelik verbond is ook mij de weg versperd 
„om te gaan tot de moeder Gods om haar m'n nood te 
„klagen. En zonder haar, wie zal m'n voorspraak zijn? Wie 



368 J. Koopmans. 

» ■ ■ » » I — ^l^^— !■■■■ ■«-»^^^i» 1 - 

;,zal mij helpen bij 't Oordeel, als zelfs de engelen zullen 
„beven?" — Daar gloort in hem 'n begin, 'n vonkje van 
hoop; God geeft hem als fluisterend in, om zich toch nog 
aan de Heilige maagd te wenden. Hij herinnert zich bytijds, 
dat zij tot dit oogenblik nog altgd gewoon is geweest troost 
te geven aan wie ze bij haar zoeken; en dat haar zoeken 
te naderen, de meest gewenste weg blyfb om voor z'n over- 
tredingen genade te verwerven. Als z ij hem niet helpt, weet 
hij zeker, dan is er bij niemand hulp. De vraag is maar of 
hij er de moed toe zal hebben; en hoe hq als de aarzeling 
voorbij is, de zaak zal aanvatten. Zou hij haar kunnen toe- 
spreken met dezelfde mond waarmee hq onterend zondigde? 
Zou hem bij zulk 'n heiligschennis, 't helse vier z'n tong en 
z'n verraderlik hart niet verzengen? En dan had hij nog 
rekening te houden met het gevaar aan de andere kant ! 
Immers zou de duivel, zodra hij maar vernam dat z'n cliënt 
z'n hart van de zonde wou aftrekken, terstond diens lijf en 
ziel opeisen. Evenwel, talmen wou hij niet langer. Wagen 
was beter dan wachten. Hij zou zich verkloeken; niet aan 
hem altans zou 't liggen, verlost te worden; al z*n levens- 
dagen wilde hij boete doen. En met deze voornemens werpt 
hij zich neer voor 't Mariabeeld, weent en klaagt, bidt en 
roept, in grote droefheid en in diep berouw, veertig dagen 
en nachten lang. Niemand, besluit de legende, had opit zo 
aanhoudend lang in penitencie gelegen als deze arme 
Theophilus. 

„God helpt die zich zelve helpt." En daarom is nu de beurt 
aan Maria, de afstand tussen de Hemel en de zondaar te ver- 
kleinen. In haar optreden herkennen we weer het eigenaardig 
lieftallige en moederlike, waarmee de ME.-legenden het beeld 
van de Moeder Gods hebben weten te bekoren, en tevens 
hebben we de gelegenheid de opvoedkundige leervorm te be- 
wonderen waarin de verhalers de waarheden die in de legende 
waren vervat, aan de schare hebben meegedeeld. 



TheophiluB. 369 



In de nacht dan ging Maria tot hem ; ze had z'n gedachten 
gepeild; en z'n droefheid aanziende, kon ze niet anders doen 
dan hem opzoeken, ook al had ze anders gewild. En bij hem 
komende, sprak ze hem aan, en zei tot hem: „Maar Theo- 
„philus, wat wil je toch! Je roept en klaagt zo dringend, 
„om mij met je tranen en gebeden tot genadigheid te ver- 
„murwen! Kon je daar heus toe komen, om mij genade te 
„vragen ! Zie je dan niet dat na je groote zonden, 't van mij 
„'n groot onrecht zou wezen je genadig te zijnl En hoe kom 
„je zo stout, dit te kunnen vragen ! Je weet toch wel 
„dat je mij en m'n kind verlochend hebt! En datje de duivel 
„je ziel en je leven gegeven hebt ! Dat je dus afstand gedaan 
„ hebt van alles waarmee ik je had kunnen helpen ! En al 
„wou ik voor me zelve vergeten wat je me hebt aangedaan, 
„dan zou ik je toch niet kunnen vergeven wat je je God, 
„m'n Zoon, hebt gedaan. Want Theophilus, dat is spotten, 
„man: eerst afstand van Hem doen op handslag en bij kon- 
„tral?t, om alle boosheid te kunnen doen : en dan als je 't 
„moe bent en tot je zelve komt, met tranen en gebeden op 
„mij te willen bewerken, dat ik Hem aanspoor tot vergiffenis 
„en ik voor je bidden ga ! Je zult toch wel wijzer wezen ! Hoe 
„k a n ik over je spreken ! Hoe kan ik durven verklaren 
„dat je graag vergiffenis hebt! Want öod, m'n Zoon, is wel 
„goedertieren, zelfs boven mate, maar hierom is z'n barm- 
„hartigheid nog niet zonder rechtvaardigheid! Daarom ben ik 
„bang, om voor je op te komen. Ik wil dus wel je boete ont- 
„ vangen voor de zonden die je tegen mij bedreven hebt, als je 
„althans belooft om je voor herhaling te wachten ; maar m'n 
„Zoon moet je zelf verbidden en genade vragen " 

De lezer behoeft niet te vrezen dat Maria de boeteling 
halverwege in de steek zal laten. Theophilus, we merkten 
't reeds op, is al gered; de aanspraak is niet zozeer voor 
hem, als wel voor de mens in 't algemeen, zondaar en boe- 
teling beide. Bij Theophilus, kan men ze^en, werpt Maria 




370 J. Eoopmans. 



'n visje uit, om te weten of z'n geloo&moed groot genoeg 
is om op de kracht van z'n penitencie te vertrouwen. En, 
gelukkig voor Theophilus, blijkt z'n geloofemoed even be- 
proefd, als z'n vertrouwen op Maria's bemiddelende macht 
ongeschokt is. „Zo God mij ooit genade wil doen, dan kan 
„'t alleen met Uw hulp zijn!" zegt hij. „En wat mij zelve 
„betreft," weet hij voor vast, „ik zal boete doen, om los te 
„komen van Satan, aan wie ik verbonden ben. En 'k twijfel 
„niet aan 't vermogen van mijn penitencie! David zelfs, die 
„Uria doden liet en diens vrouw hoereerde, — hij kreeg 
„door boete vergiffenis, en werd profeet van God zoals hij 
„tevoren geweest was. Petrus, die eerst de Heer verlochende, 
„kreeg door z'n boete de sleutels van 't hemelrijk, en werd 
„de gebieder der aarde! Paulus, eerst 'n groot vervolger van 
„de Kerk, werd een sant, alweer door penitencie. Maria Mag- 
„delena ten slotte, de overspeelster, redde zich door haar 
„boete van de hel, en was zelfe de eerste die God in Z'n 
„verrijzenis zag." — Geen zonde zo groot, vertrouwt daarom 
Theophilus, of ze kan door berouw worden gedelgd. En in 
dit vertrouwen smeekt hij nogmaals Maria, ook tevens bij 
God, haar Zoon, z'n bode te zijn. „Doe voor mij," vraagt hij, 
„wat Gij voor zoveel anderen voor dezen gedaan hebt, die 
„hun hart wendden tot ü en 't behoud van hun ziel aan U 
„verzochten. Bid voor mij, en geef Uw genade! Rijken en 
„armen, ouden en jongen, allen verkregen Uw hulp. Wees 
„niet wreed voor mij alleen."' 

Mensen, die zo praten en zo vast van geloof zijn, dienen 
we te weten, worden geholpen. — „Vriend," zei Maria, „'t is 
„je trouwe geloof dat mij er toe brengt je te troosten. Wht 
„er gebeurd mag wezen, ik zal je helpen. Je weet echter de 
„hoofdvoorwaarde : je moet geloven aan God, smetteloos van mij 
„geboren, God en mens tevens, en al wat verder de Kerk u leert." 

Zodra Theophilus door z'n besliste geloofetrouw de genade 
van Maria zich waardig heeft getoond, en dus de held op zal 



TheophiluB. 371 



gaan in de boeteling, wordt in de nieuwe en tans juister 
verhouding van smekeling tot de opheffende Maagd, de toon 
ineens devoot, en deemoedig en in 't diepst besef van z'n 
verachtelikheid als godverlochend zondaar, valt Theophilus 
voor de hem verschijnende Maagd op de knieën. Nu Maria 
hem niet onwaardig acht, acht hij zich onwaardig. Weer 
blijft de leende 'n onderwijs- vorm: de verhaler repeteert de 
boete-les. „Hoe zal ik,'' jammert de boeteling, „met dezelfde 
„mond waarmee ik God verloochende, genade durven vragen. 
„Nooit was mijns gelijke geboren!" 't Is op hare beurt Maria 
die hem moet sterken; hem aan moet sporen naar hare raad 
te luisteren ; hem op moet wekken, niet te twijfelen maar op 
Gods goedheid te hopen; en hem er toe brengt nogmaals z'n 
belydenis te doen. En nu komt het hoop^apunt in deze merk- 
waardige historie: Theophilus zegt z'^ Credo op. Hij ge- 
looft weer aan God, diens Zoon en zijn verrijzenis. Maria is 
voldaan ; het teken des geloofs dat hij met z'n belijdenis gaf, 
volstaat; zij zal hem helpen en z'n zaak in de Hemel be« 
pleiten. £n zij vaart heen, nu de dag aan de kimmen gloort. 

Drie lange dagen bleef Theophilus geknield in penitencie, 
handenwringende en klagende, en andere tekenen bedrijvende 
van diepe rouw, zonder te eten of te slapen, zonder op zich 
zelf te letten, aan niets anders denkende dan aan z'n leed. 
Toen kwam op de derde dag Maria, zeggende: „Theophilus, 
„uw zonden zijn u door God, mijn kind, vergeven, wegens de 
„volkomenheid van uw berouw, mits gij boetvaardig blijft 
„zoals tot heden, gij de goede werken blijft volvoeren en in 
„'t geloof van de kerk volhardt." En Theophilus beloofde het, 
en dankte de Moeder Gods voor haar raad en haar hulp. 

Doch er is nog meer te doen. De Satan heeft nog altijd de 
brief in handen, met het bewijs dat Theophilus' ziel hem recht- 
matig toekomt. Met dit kontrakt in handen, is Satan, ook na de 
bekering, nog heer en meester ; en de grote vraag is op welke 
manier dat noodlottige stuk aan de Boze afhandig gemaakt 
kan worden. Als voor deze moeielikheid de Moeder Gods ook 



372 J. Eoopmans. 



eens raad wist, en of door Haar beleid en bij Hare genade 
ook dit bezwaar uit de weg geruimd kon worden 1 „Gij hebt 
mij tot hiertoe geraden en getroost," vleit Theophilus, „wees 
„gezegend, Koninginne des Hemels, en help m\i ook aan die 
briefi" — En wederom bleef hij drie dagen en nachten in 
gebed. Maar toen was hij uitgeput; en toen de Moeder Gods 
hem de derde dag naderde, lag hij voor haar beeld, zonder 
besef te hebben dat zij in z'n nabijheid was. Maar Maria 
wekte hem niet. Wat zij meebracht, legde ze behoedzaam 
op z'n borst en liet hem stilletjes rusten. En toen Theophilus 
ontwaakte, en de brief ontwaarde, was het hem alsof hij 
zich van Satan had losgerukt: zozeer had hem tot nog toe 
z'n gebondenheid van de Duivel gekneld. 

De volgende dag, 'n Zondag, de vierdag van de „ghewer- 
ken", verhaalde Theophilus na de mis z'n lotgevallen aan de 
bisschop, en toonde als 't voldingend bewijs de terechtge- 
komen brief. Allen hoorden het, en allen verwonderden zich. 
Ook dankten allen God dat hij Theophilus deze dingen gedaan 
had, en daarmee getoond had, dat z'n goedertierenheid grenze- 
loos was, en dat hij nooit naliet z'n genade te geven aan die 
ze bij hem zochten. De bisschop nam hem bij de hand, en bij 
de geopende kerkdeuren riep hij de menigte samen. En van 
uit zijn mond ging de mare door 't land en door de eeuwen 
heen, wat groot wonder was geschied. Hij was het die riep: 

Gomt hare, siet ende verstaet. 
Dat ghene sonden en sijn soe quaet 
No ghene sonden en sijn soe groet. 
Onze Vrouwe en hulptse uter noet 
Die ghenade soeken an hare 
Met vasten ghelove oppenbare. 

En hij, wien deze grote ere en dit grote wonder was ge^ 
schied, lag onder het roemen door de bisschop van de goed- 



TheopMlms. 373 



heid Gods, ootmoedig wenende aan z'n voeten. En de brief 
werd in 't vuur verbrand. 

De bisschop, besluit de legende, gaf 'n teken met de hand, 
dat alle mensen zwegen. Toen vierde hij de mis, en gaf aan 
Theophilus 'et Sacrament, wiens aanschijn helderder werd 
dan 'et zonlicht. De menigte zag het, geloofde nog meer het 
wonder dat er geschied was, en werd in haar dienst in God 
gesterkt. 

Dit, moeten we aannemen, was de strekking van Theo- 
philus*, zo goed als van Tondalus' en Beatrijs' wondergeval: 
de menigte stichten en sterken in de dienst van God. Hun 
dienst voor de mensheid was hiermee vervuld; hun taak 
was afgedaan. Drie dagen nog bleef de boeteling in gebed 
voor de Moeder Gods en haar kind, gebonden aan z'n plaats, 
zonder 'n lid te verroeren. Toen scheidde hij van deze wereld ; 
de ziel voer op tot God; en z'n lichaam rust op de plaats 
waar God het wonder volbracht. 

Bidden wi Gode door sinen oetmoede 

Dat wi alle onse dinghen te goede 

Ënde bringhen ende werden vonden 

Ende quite sijn van onsen sonden 

Dies moet wezen onse volleest 

Die Vader, die Sone, die heileghe Geest 

Deze nriracle es volscreven; 

God gheve ons sijn ewelike leven, Amen. 

Een gewoon slot voor 'n ME. litteratuur-stuk. Want zij 
konden niet anders schrijven dan ter ere van God en ten 
bate van het mensdom dat aan die God z'n behoud was 
verplicht. 



De Theophihis-legende heeft, zoals vele andere verhalen, 
'n geschiedenis. In haar oorspronkelike vorm zou ze alleen 

T. KN L. XII. 25 



3f4 J. Eoopmans. 



't verbond met de duivel het onderwerp hebben gehad ; onder 
de invloed van de veldwinnende Maria-verering is het ver» 
haal verschoven tot in het kader van de legenden welke van 
de macht en de liefde der Moeder Gods getuigen *). Het feit 
dat dé zondaar door 'n schriftelike akte aan de Boze 
verbonden is en zelf met volle bewustheid het stuk heeft 
gedeclareerd, geelt tans, zoals we zagen aan z'n geschiedenis 
deze zin, dat ook in de zwaarste gevallen (zie ons slot-vers 
als motto) de Lieve Vrouwe nog redding brengt; inits, — 
en dit is aan de andere zijde de verplichting, — de bekering 
gewenst wórdt met de gehele ziel en de boeteling de op- 
rechtste blijken geeft van 't diepste berouw. De impuls tot 
de boete, moeten we weten, zal komen uit de mens, zo 
goed als uit hem de lust tot de zonde voortgekomen is. We 
mogen er prijs op stellen, op deze formulering te kun- 
nen wijzen; meestendeels toch zal de uitdrukking in 'n 
passieve vorm bëlichamiging zoeken, aangezien in de ME. ge- 
loofsleer de strijd tussen de goede en boze machten in de 
regel buiten de mens om door de trawanten des duivels en 
Maria met de heiligen wordt beslecht. In de Theophilus-sage 
daarentegen hebben de strijdige gevoelens in ft menselik hart 
hun uitgangspunt. Niettemin heeft de tekst in. de verschillende 
bewerkingen opmerkelike wijzigingen ondergaan ; zo ^zal in 't 
ene verhaal Theophilus wel Gbd afzweren^ madl* ntót, tenzij 
met grote moeite, Maria: 'n* zichtbaar blijk van de hoge stel- 
ling welke Maria, boven Gódy in ide verering van de massa 
innam; — elders wordt er klem en gewicht op de zonde 
van Theophilus' afval gelegd, door als bezwaar aan te voeren, 
dat de middelaar-jood 'n grote booswicht wa3, of wel, dat 
Satan, meester van de brief, het kostbaar pand meevoerde 
in 't diepst van de heP). 't Een en ander bewijst, hoe dè 

1) Vgl. S o mm er, Oe Theophilcura diabolo foedere (Halle 1844) aangehaald 
bij Verdam en De V o o y s. Zie blz. 5 b\j Verdam, noot. 

2) Bij De V o o y s, bh. 189, die ook spreekt over de inwerkingen pp andere 
sagen, als de Militarius enz. — Zie de volledige tekstvergelijking bg Verdam, 
Inleiding, blz. 5 — 18. 



Theophüus. 375 



denkwijzen van de eeuwen en de personen nooit hebben 
verzaakt aan het verhaal de betekenis te geven, die men 
wilde dat tijdgenoot en nageslacht er tot eigen geestelik 
profijt er aan zou hechten. Onze Middeneeuwse bewerking 
staat in dit streven niet achter. De vergelijking van onze 
tekst met andere lezingen laat zien, hoe onze - schoon 
onbekende — landsman, door middel van uitgewerkte en 
bijgewerkte trekken, aan de didaktièse richting, in 'n goede 
zin, getrouw blijft, omdat hij evenmin als z'n mede-Neder- 
landers die hem voorgaan of omringen, zich kan onthouden, 
het t r a g i e s e aan te dikken en te verbreden *), en de 
moralieseringen en verw ij zingen naar God te 
verlengen of te vermeerderen. Daargelaten nog, dat hij er 
prijs op stelt om, ondanks en ter wille van z'n stoutheid 
om uit het kerk-latijn gewijde histories te verdietsen, voor 
een eeriik inan en 'n godvrezend kind des Hemels te worden 
aangezien^). 

J. KOOPMANS. 



1) Vs. 187—216; 223—258; 259—270; 272—282; vs. 941—982. 

2) Vs. 315—340; 385—395; 683—704; 983—1040. Merkwaardig zgn hierin het 
sermoen van de bisschop over het nut van de boetedoening (vs. 1455 — 1546), en 
het streven om de beiydenis van Th. in overeenstemming te brengen met de 
XII artiekeleu des Geloofs. 

3) Vs. 1—58. 



366 J. Koopmans. 



er de mensen keer op keer op te w^zen. En dat deden de 
ME. trouw, en duidelijk, met scherpe afbakening van licht 
en schaduw. De wereld zoeken als Tbeophilus deed, was 
verre afwijken van God; en op die verre a&tand waarop 
Tbeophilus stond, was helder te zien, dat de eerste stap 
naar God het vaarwel-zeggen van de wereld meebracht. Wel 
was de weg moeielik van af zulk 'n uiterste grens! Maar 
God, zo leerden ze meteen, hielp altyd zelf. En ook die 
mensen, die wel wisten wat goed was en kwaad, maar die 
bekoord door de verlokkingen der zonde. God schandelik 
hadden verzaakt, ook deze werden door God geholpen. Niet 
alleen door God zelf, maar ook door z'n Uitverkorenen. Al 
de hemellingen streefden er naar, om de kinderen Gods die 
naar de stem van Satan hadden geluisterd, weer aan Satan 
te ontworstelen en bij God te brengen. Vooral deed dit 
Maria, de alvermogende Moeder Gods. Dat was haar roem, 
de Middelares te zijn tussen God en z*n verdoolden. De 
eeuwen vertelden haar lof: 't ene mirakel was al wonderliker 
dan 't andere. Wat had ze niet gedaan voor Beatrijs! Alles 
te vertellen wat haar oneindige liefde had vermocht, ging 
niet eens; maar de zwaarste kamp, en de schitterendste 
zege mocht aan de vergetelheid nooit ontrukt ! De redding van 
de met woord en brief aan de Satan verbonden Tbeophilus, — 
was 't niet iets ongehoords? Dat geschreven kontrakt weer 
uit 's Duivels klauwen terug te wringen,^— was 't om te 
geloven? — Heel de wereld moest het weten; men schreef 
het op en over; vertaalde het in de landstalen, maakte het 
aanschouwelik in spelen en laste het als 'n eksempel anek- 
doties tussen de wetenschap der „Spiegels" en „Tresoren" % 
En zo werden de lotswisseling van Tbeophilus, — met die 
van Beatrijs, — het voldingendste bewijs, dat het goede, 



1) Bij Verdam, Inleiding 1 — 3; De Vooys Middelned. Legenden en exem- 
pelen, 188 en vlg. — Een dramatiese bewerking bestaat in het Frans van Rute- 
beu f, en twee verschillende in het middelnederduits, genoemd bij Verdam, blz. 
3, noot 1 en 2. 



Theophilns. 367 



door de barmhartigheid Gods en de voorspraak van de ge- 
nadevolle Maria, nog altyd de overhand houdt. God wil de 
zielen niet verderven, leerde men, maar behouden ; God straft 
niet en kan niet straffen wat tegen Hem wordt misdreven, 
dan na eerst met alle middelen te hebben beproefd de zielen 
tot berouw en tot boete op te wekken. Opmerkelik groot is 
Z'n goedheid, bewees men, en opmerkelik lang z'n geduld en 
langzaam Z'n wraak. Veel liever is hem 'n trage boete dan 
'n gerede straf ; want zo God eenmaal straft, straft hij zwaar ; 
en wie eenmaal ter helle vaart, besloot de waarschuwing, was 
onherroepelik verloren in 't grote Torment. 

Ingevolge hetgeen we opmerkten omtrent de door de 
ME. sterk gepousseerde kontrasten van val en verlossing, 
is Theophilus van 't oogenblik af dat hij zich verloren voelt, 
behouden; zodra z'n voet de weg van de passie betreedt, 
begint z'n zegetocht; en boven de voortschrijdende boeteling 
wappert de Heilsbanier en golft de bazuin Gods roem de 
ruimten in. Theophilus krijgt opeens, als bij ingeving, het 
besef dat hy z'n ziel heeft verkocht en voor altijd de Satan 
behoort. Nu krijgt onmiddellik de wereld 'n andere aanblik. 
Kort te voren was z'n eerst verloren ereplaats hem alles, verge- 
leken bij z'n zieleheil; tans komt de door hem weer beklede 
ereplaats nietig voor bij het bezit van z'n zielsrust en z'n God. 
Hy valt in jammerklachten. „Ai mij" roept hij uit, „hoe 
„kwam ik er toe mijn God te verlochenen, alleen om met 
„eer onder de mensen te leven ! Ik had het toch goed, genoot 
„van m'n rijkdom en have, en van de eer van m'n geslacht. 
„Rust vond ik in m'n vrijheid en in m'n zuiverheid van de 
„zonde! En nu? Tans zit ik zonder hulp en zonder raad. 
„Aan 'n jood heb ik meer vertrouwen geschonken dan aan 
„m'n eigen Christenwet. Niet alleen dat ik Hem, uit wie al 
„de troost dezer wereld is, bij kontrakt heb verraden, maar 
„door m'n schriftelik verbond is ook mij de weg versperd 
„om te gaan tot de moeder Gods om haar m'n nood te 
„klagen. En zonder haar, wie zal m'n voorspraak zijn? Wie 



368 J. Koopmans. 



„zBl mij helpen bij 't Oordeel, als zelfs de engelen zullen 
„beven?" — Daar gloort in hem 'n begin, 'n vonkje van 
hoop; Ood geeft hem als fluisterend in, om zich toch nog 
aan de Heilige maagd te wenden. Hij herinnert zich bijtijds, 
dat zij tot dit oogenblik nog altijd gewoon is geweest troost 
te geven aan wie ze bij haar zoeken; en dat haar zoeken 
te naderen, de meest gewenste weg blyft om voor z'n over- 
tredingen genade te verwerven. Als z ij hem niet helpt, weet 
hij zeker, dan is er bij niemand hulp. De vraag is maar of 
hij er de moed toe zal hebben; en hoe hij als de aarzeling 
voorbij is, de zaak zal aanvatten. Zou hy haar kunnen toe- 
spreken met dezelfde mond waarmee hg onterend zondigde? 
Zou hem bij zulk 'n heiligschennis, 't helse vier z'n tong en 
z'n verraderlik hart niet verzengen? En dan had hij nog 
rekening te houden met het gevaar aan de andere kant! 
Immers zou de duivel, zodra hij maar vernam dat z'n cliënt 
z'n hart van de zonde wou aftrekken, terstond diens lijf en 
ziel opeisen. Evenwel, talmen wou hij niet langer. Wagen 
was beter dan wachten. Hij zou zich verkloeken; niet aan 
hem altans zou 't liggen, verlost te worden; al z'n levens- 
dagen wilde hij boete doen. En met deze voornemens werpt 
hij zich neer voor 't Mariabeeld, weent en klaagt, bidt en 
roept, in grote droefheid en in diep berouw, veertig dagen 
en nachten lang. Niemand, besluit de legende, had opit zo 
aanhoudend lang in penitencie gelegen als deze arme 
Theophilus. 

„God helpt die zich zelve helpt." En daarom is nu de beurt 
aan Maria, de afstand tussen de Hemel en de zondaar te ver- 
kleinen. In haar optreden herkennen we weer het eigenaardig 
lieftallige en moederlike, waarmee de ME.-legenden het beeld 
van de Moeder Gods hebben weten te bekoren, en tevens 
hebben we de gelegenheid de opvoedkundige leervorm te be- 
wonderen waarin de verhalers de waarheden die in de legende 
waren vervat, aan de schare hebben meegedeeld. 



Theophilns. 369 



In de nacht dan ging Maria tot hem ; ze bad z'n gedachten 
gepeild; en z'n droefheid aanziende, kon ze niet anders doen 
dan hem opzoeken, ook al had ze anders gewild. En bij hem 
komende, sprak ze hem aan, en zei tot hem: „Maar Theo- 
„philus, wat wil je toch! Je roept en klaagt zo dringend, 
„om mij met je tranen en gebeden tot genadigheid te ver- 
„murwenl Eon je daar heus toe komen, om mij genade te 
„vragen ! Zie je dan niet dat na je groote zonden, 't van mij 
„'n groot onrecht zou wezen je genadig te zijn ! En hoe kom 
„je zo stout, dit te kunnen vragen ! Je weet toch wel 
„dat je mij en m'n kind verlochend hebt! En datje de duivel 
„je ziel en je leven gegeven hebt ! Dat je dus afstand gedaan 
„ hebt van alles waarmee ik je had kunnen helpen ! En al 
„wou ik voor me zelve vergeten wat je me hebt aangedaan, 
„dan zou ik je toch niet kunnen vergeven wat je je God, 
„m'n Zoon, hebt gedaan* Want Theophilus, dat is spotten, 
^man: eerst afstand van Hem doen op handslag en bij kon- 
„trakt, om alle boosheid te kunnen doen: en dan als je 't 
„moe bent en tot je zelve komt, met tranen en gebeden op 
„mij te willen bewerken, dat ik Hem aanspoor tot vergiflfenis 
„en ik voor je bidden ga ! Je zult toch wel wijzer wezen ! Hoe 
„kan ik over je spreken ! Hoe kan ik durven verklaren 
„dat je graag vergiffenis hebt ! Want God, m'n Zoon, is wel 
„goedertieren, zelfs boven mate, maar hierom is z'n barm- 
„hartigheid nog niet zonder rechtvaardigheid! Daarom ben ik 
„bang, om voor je op te komen. Ik wil dus wel je boete ont- 
„ vangen voor de zonden die je tegen mij bedreven hebt, als je 
„althans belooft om je voor herhaling te wachten ; maar m'n 
„Zoon moet je zelf verbidden en genade vragen . . . ." 

De lezer behoeft niet te vrezen dat Maria de boeteling 
halverwege in de steek zal laten. Theophilus, we merkten 
't reeds op, is al gered; de aanspraak is niet zozeer voor 
hem, als wel voor de mens in 't algemeen, zondaar en boe- 
teling beide. Bij Theophilus, kan men ze^en, werpt Maria 



880 fioekaankondigiiig. 



king van z'n ongeö venaarde gevoelens en gewaarwordingen, 
aan z'n voor 't eerst in 't Florentijns geschreven woorden? 
En hoe verklaren we dat Brunette Latini, die in het voor 
wetenschappelike doeleinden nog zo weinig aangewende Frans 
gaat gebruiken, zo aanstonds, over het ganse gebied van de 
toenmalige kennis, het korrekte en bevallige woord neer- 
schrijft? Zegt Prof. Verdam niet zelf, dat wij voor ons Mid- 
delnederlands als 't ware plotseling staan als voor 'n taal 
welke geschikt is om uitdrukking te geven aan verheven 
gedachten, geestige satire, diepzinnige beschouwingen en over- 
peinzingen; en die „als rechtstaal door epische kleur, rhyt- 
„mischen gang en het gebruik van allerlei eigenaardige uit- 
„drukkingen en formules in dichterlijkheid de werkelijke 
„poëzie op z^de streeft?" Ën zou nu dit Middelnederlands 
deze geschiktheid tot een veelzijdig gebruik juist gekregen 
hebben op 't ogenblik, dat men zich voor 't eerst neerzette 
om ze in tekens neer te leggen? En zou werkelik van dit 
zelfde ogenblik af de taal z'n geschiktheid gaan verliezen, 
en zou waarlik bij 'n daarop in te treden splitsing de „spreek- 
taal" zich atavisties tot 'n zekere primitivitet ontwikkelen, 
en alleen de „schrijftaal" zich in staat betonen, het hoogste 
en diepste nauwkeurig te zeggen? Ons inziens, heeft Prof. 
Verdam zich hier niet voldoende rekenschap gegeven van 
het wezen van de taal in de door hem gebruikte termen 
„spreektaal" en „schrijftaal". 

De fout in 't algemeen bij ons onderwijs is, — en ook dit 
boek draagt er de blijken van, — dat datgene wat van de 
grootste geesten onder ons volk, aan 't beste wat zij van 
hun denken en voelen te geven hadden, in klank ontworsteld 
in onze litteratuur vóór ons ligt, door de scholen als norm- 
gevend wordt gepredikt voor het algemene ongedwongene en 
naar praktiese eisen van eenvoud en juistheid vragende ge- 
dachten verkeer. Dit is 'n dwaling en tevens 'n onrecht; iets 
wat hoogstens als 'n educatie-vorm mag gelden, kan niet uit 




BoekaankondJiging. 381 



^n zacht naar beschaafdheidsvertoon, eerlik en opvoedkundig 
gesproken^ aan 't opkomend geslacht als 'n gemeenschaps- 
middel worden opgedrongen. Dit misverstand nu zocht zich 
apriorist^ en dus geheel tegen de experimentele geest van 
deze eeuw in, te dekken met de willekeurige en onnationale 
ond^stelling als zou de taal op wetenschappelike grond be- 
staan eendeels uit diidecten of volkstalen, en anderdeels uit 
de alles-omvattende en alles-behoudende schrijftaal: een alter- 
natief zo 2^chtbaar dogmaties en tendentieus, dat het niet 
alleen geen plaats overlaat aan de individuele kunsttalen, 
maar evenzeer de algemene spreeknorm en omgangstaal ge- 
woonweg negeert, of zo ze al niet ontkend wordt, ze toch 
in elk geval onder de dialecten verdonkeremaant. En veeleer 
zou het omgekeerde dienen te worden gezegd; veeleer vallen 
de dialecten de algemene taal toe. Wat maakt het uit, dat 
de taal door de natie gesproken en geschreven, hier en daar 
in verschillende ricbting^i klankafwijkingen en begripsafwjg- 
kingen vertoont? Wie zal, omdat van het Westnedeïfran- 
kiese woord paard de m in 't Westfries naar de ee zweemt, 
en omdat diezelfde klank in 't Oostnederfrankiese Limburg 
naar de oa afwqkt, daarom van de Nederlanders de West- 
Friezen en de Limburgers willen buitensluiten? Wie zal 
iaxiands taal, alleen om de individuele klankwijzigingen, ver- 
oorzaakt door physiologiese gebreken, als onnederlands willen 
gispen ; wat meer z^t, wie zal z'n hand raken aan de klank- 
bewegingen in onze sterk-psychologiese momenten, welke zich 
uitspa*eken in spannender spraakspierwerki^g, en zowel in 
klank als in letterbeeld een strenger vertolking vergen? — 
En wat de eenzijdige „ontwikkeling" van de „spreektaal" 
betreft, zou 't wel geheel en al waar zijn dat de persoonlike 
en gewestelike afwijkingen voortgaan gevaar te leveren voor 
de verstoring van de eenheid in 't spraakgebruik? Toegege- 
ven moet worden, dat het gemeenschappelik letterbeeld 
het gemeenschappelik klankbeeld in herinnering brengt; 
dat door 't onderwqs en door lektuur, het geschreven Neder- 



dü2 JBIoekaaiikoiidiging. 



lands, en in 't algemeen, 'n geschreven taal, in beperkte kring 
'n pal kan zetten tegen een ongebonden verscbuivingsprooos 
van klanken en begrippen. Maar 't sterkste nog werkt op de 
handhaving van de taainorm, het geda,chtenverkeer van de 
beschaafde natie door middel van het gesproken woord in 'n 
levendige, gestadige omgang. Inmiers wegens de noodzakelik- 
heid van het vlug en ongestoord wisselen der gedachten^ bü 
'n onmiddellike bewustwording van klankbeeld en zaakbeeld, 
worden als van zelf de persoonlike en dialectiese klank- en 
begripsafwijkingen weer op 't algemene klankbeeld en op 't 
algemene begrip teruggebracht. 

Een andere konsekwentie van het alternatief volks- 
taal of schrijftaal is de bewering als zou het dialect 
„niet in staat zijn te schilderen wat er omgaat in het ge- 
smeed, tenzij het is bes(diaafd, verfijnd en veredeld"; en ddt 
alleen in de geschrevene taal de natuur zou staan in de 
dienst van de kunst .... Want ook in deze vage en onvaste 
uitspraak herkennen we 't oude misverstand. 

Om te „schilderen" wat er omgaat in 't gemoed, is één 
ding nodig : dat de taal is woord aan woord en letter aan 
letter, onmiddellik; dat ze de verhef^ngen en de ver^ningen 
van de stemmingen zo gevoelig mogelik in spannende kor- 
rektheid weergeeft. En met deze zuivere verklanking heeft 
niets te maken de vraag, of de klanken eventueel al of niet 
afwijken van de klanknormen neergelegd in de gecodicifeerde 
letterbeelden ; heeft niets te maken de twijfel of met het 
niet-algemene woord en met de niet-geykte woordenloop wel 
de verlangde beschaafdheid, fijnheid en adeldom kan worden 
bereikt. Altijd zal dit de grote vraag blijven : of de stemmin- 
gen zuiver zijn, en of ze zuiver worden weergeven. Hoe 
kunnen tijden als deze leren, hoe machtige kunst kan 
worden bereikt, als persoonlikheden, om^ hun .fijnere en 
nieuwere emoties klaar bewust te worden, zich, buiten de 
normen van 't geschrevene Nederlands om, eerst kunnen 
uitspreken door middel . van nieuwe en gewijzigde klank- 



Boekaankóndiging. 388 



ordeningen en begripsgroeperingen ; en niet minder leert onze 
tijd, hoe met woorden en wendingen, aan het met-opge- 
voede volk afgeluisterd, onmiddellik-treffend het zieleleven 
van massaas en individuen met ongeëvenaard talent kan wor- 
den vertolkt. 

Het fort van Prof. Verdams boek is het fort van de 
schrijver; n.1. in uitgebreide kennis van de woorden als be- 
grips- en letterbeelden in verband met aan die woorden 
verwante begrippen en woordvormen uit het hedendaagse en 
het oudere Nederlands. Begrijpelik is het dus, dat de dialec- 
ten bij hem daarom in hoge waarde staan, omdat ze 'n 
arsenaal bevatten van histories hulpmateriaal, waarin „veel 
„merkwaardigs en verrassends tot heden nog niet is afge- 
„luisterd en opgetekend". Zo we hieruit mogen afleiden dat 
de schrijver zich eerder archaeoloog dan psycholoog voelt, 
dient hiermee bij de beoordeling van z'n boek ook rekening 
worden gehouden; en zouden de hoofdstukken, die over de 
herkomst en de betekenis van de woorden handelen, verdie- 
nen door een bevoegder oordeel dan het onze, over meer 
dan een eigenschap geprezen te worden. Zo is het belang- 
rijke hoofdstuk over den Omvang van ons Taalge- 
bied (VII) een goedgeslaagde monografie; evenzo zijn leer- 
zame en bevattelik geschreven opstellen de Persoons-, 
Geslachts- en Plaatsnamen (X), de Spreek- 
woordenschat onzer Taal (XII), De Invloed 
van andere talen op het Nederlandsch, en 
andere. De litteratuur over 't een en ander is goed bijgehou- 
den; vele noten verwijzen de lezer naar het nieuwe dat in 
de laatste tijd er over is verschenen. Niettegenstaande al dit 
wetenswaardige heeft het werkje echter het karakter kunnen 
behouden van 'n leesboek, „zoowel voor het beschaafde 
„publiek als voor den taaibeoefenaar, en in het algemeen 
„voor allen die belangstellen in onze taal en hare geschiede- 
„nis". Wij wensen het werkje dan ook vele lezers toe, 



384 Boekaajikondiging. 



o&cboon wij by een volgende uitgave van deze arbeid ook 
gaarne het door ons gewraakte 8« hoofdstuk „in overeen- 
stemming" zagen gebracht met de tegenwoordige stand der 
taalwetenschap! Prof. Verdam zou dan met z'n verdienstelik 
boek onwetenschappelike misvattingen mee kunnen helpen 
bestrijden ! 

J. KOOPMANS. 



^ 



SEGHELIJN VAN JERUSALEM. 



Met enige moeite zouden we in staat zijn van de ME. wereld 
tussen de Seine en de Rijn 'n enigsins nauwkeurige achter- 
grond te tekenen van welvarende steden, versterkte burchten, 
en gegoede abdijen en kloosters, waaromheen welbebouwde 
akkers de bewoners van die bevestigde plaatsen van hun 
dageliks voedsel voorzien, en bossen en jachtterreinen aan de 
edelen 'n onschuldig genot, de keukens gebraad en hun 
schuren het brandhout verschaffen; binnen de ommuurde 
steden, om welke brede grachten beveiligde grenzen trekken, 
kruisen elkander de nauwe bochtige straten; over en tussen 
de puien en luifels giet de zon haar licht, de gevelspitsen die 
zich aftekenen tegen 't fiere blauw, met brede humor terug- 
werpend in schaduwvlakken tegen de stoepen en stenen ; langs 
de huizenrijen en op de marktpleinen woelt 'n bonte menigte, 
hun ambacht en nering drijvende met ruchtig geklop en ver- 
ward geroep; nu en dan viert dit volksleven opgewekt hoog- 
tijd, in processieën en in gilde-optochten, in landjuwelen en 
in blijde inkomsten, waarin de ganse weelde- en kleuren- 
pracht van de feestelikste stemming uitschittert ; ofwel, som- 
bere bezoekingen als pest en oorlogsbrand trekken over de 
dichtbewolkte landschappen brede strepen van rouw en van 
zwarte vernietiging des doods. 

Over deze ons uit kronieken, rechtsboeken, rekeningen en 
andere bescheiden vrij duidelik geworden wereld, trekken hoog- 

T. EN L. xii. 26 



386 J. Eoopmans. 



zwevend als vage foto's in helopgescbroefd kunstlicht, de brede 
gestalten uit de Bidder-romans, in hun geest zoekende naar 
iets wat niet bestaat, of, zo het in kiem aanwezig mocht zijn, 
het vergrotende en verwijdende tot 'n overspannen werkelik- 
heid, waarvan de onnatuur al dadelijk op de onmogelikheid 
van hun idealen terugwijst. In hun helden-wereld is slechts 
één stand en één kleur; hun hoofden hangen in gouden wol- 
ken, terwijl hun voeten geen bodem raken. In onze lO^e 
eeuwse ogen blinkt uit de ridder-litteratuur ons 'n glans als 
van 'n luchtspiegeling tegen. 

De Segbelijn ^), door onze letterkundigen, schoon op zwakke 
gronden, voor 'n oorspronkelik werk gehouden 2), is de tiepe 
van 'n ridderroman. Weliswaar, staat hy los van de Arthur- 
cyclus ; geen van de bekende Tafelridders komt er in voor. 
Evenmin hoort men van 'n hof te Kardoel, of van de Britse 
koning zelf; de handeling zweeft tussen Jeruzalem enBome; 
in de eerste stad is 'n koningshof; te Bome moeten we ons 
denken in de d£^en van Konstantijn. Maar overigens is deze 
roman uit het Oosten van dezelfde maat en snit als die van 
Westerse makelei. Even vaag als in de Arthur-epiek is in de 
de Seghelijn de historiese en geografiese plaatsbepaling. Het 
overige is navenant. Er is, als in de Torec, de Moriaan, de 
Ferguut en de Walewein ^) 'n held die 'n taak moet vol- 
brengen en na honderd avonturen toch nog terecht komt. Er 
zijn als in genoemde verhalen, gedrochten en reuzen, die 
kastelen bewaken en toegangen versperren ; er zijn wónder- 
mensen, wondermachines en wondermachten als in de Fer- 
guut en de Walewein; er zijn wonderpaarden, ware Beyaerts, 
als in de Walewein ; er zijn verliefde jonkvrouwen die de 
dappere by zich trachten te houden, als in de Ferguut. Wat 



1) Gebruik werd gemaakt van de uitgaaf door Dr. Verdam. 

2) Hiervoor de Inleiding bij Dr. Verdam. Zo het werk oorspronkelik is, is het 
compilatief. (Inl. VI). 

3) Zie Middelnederlandse romans, I— IV in Taal en Letteren^ 1900. 



Segheiyn van Jernzalem. 387 

Seghelijn van de andere romans onderscheidt, is het eigen- 
aardig mysties-christelik karakter, dat er in uitkomt. Er wordt 
hier geen jacht gemaakt op 'n verloren diadeem, als in de 
Torec; er wordt geen verloren vader gezocht, als in de Mori- 
aan ; geen schaakbord of wonderzwaard wordt er opgespoord, 
als in de Walewein ; geen schild of jonkvrouw zoals in de 
Perguut. Evenmin gaat het om de Heilige Graal, zoals in de 
Parcival. Wat Seghelijn in twee merkwaardige tochten naar 
Rome brengt, is 'n verzameling van de heiligste relieken : het 
zwaard van Petrus; de speer van Longinus ; de zweetdoek van 
Christus; het vat, waaruit de gekruisigde met azijn werd ge- 
laafd ; de balsem waarmee het hchaam gezalfd werd, en einde, 
lik het kruis zelf. Kortom, de christelike legende heeft zich 
samengeweven met de ridderepiek ; door al de vezelen van de 
heldenkracht en de wondermacht van de heros slaat de christe- 
like geloofsspoel de passie van de Christelike Ridder en Ver- 
losser; de Jeruzalemze koningszoon en Godsgezant, 'uit het 
Oosten opgeroepen, met bovennatuurlike gaven bedeeld en 
door bovennatuurlike hulp gesterkt, gaat Rome's basilieken 
wijden met de heiligste vondsten, zuivert en verovert het rijk 
van Rome, en richt de stad op de zeven heuvelen in als 't 
middelpunt van de Christen wereld. In Seghelijn bereikt de 
Christenridder het hoogtepunt. Niet genoeg is 't dat de ge- 
boren koningszoon als keizer te Rome het kruis plant; hij 
leeft als een heilig man, de eerste Benedictus, wien 'n drie- 
dubbele kroon de kruin dekt. In hem gaat 'n hemelse pro- 
feetsie in vervulling: de onoverwinnelike zal, ook door z'n 
heilige wandel, de dood verwinnen: hij vaart ten hemel in 
„der engelen stede". 

De Middeleeuwers misten elk accomodatie-vermogen van 
tijd en plaats. De zeden en de gewoonten, en wat zij als deug- 
den en gebreken van hun tijd beschouwden, droegen ze zon- 
der enig voorbehoud over op de toestanden en personen uit 
de voortijd; evenzo bevolkten en stoffeerden ze het Oosten 



388 J. Eoopmans. 

en het Westen van eertijds, met dezelfde dolende ridders, ge- 
drochten en kastelen als waarmee ze de „Yeesten" van hun 
eigen ridders illustreerden. Koning Prides verschilt geen haar 
van 'n koning Arthur of 'n koning Bichard ; z'n baronnen en 
edelen houden op dezelfde wijze tournooien, werpen elkander 
op dezelfde manier uit het zadel en bewijzen elkaar dezelfde 
beleefdheden als de ridders uit de britse sagen en de britse ge- 
schiedenis het elkander doen. Prides is 'n heiden; maar z'n 
heidendom is als het heidendom van Saladijn; hij zweert, en 
al de heidense reuzen en hun trawanten in en buiten z'n rijk 
doen het hem na, by „Mamet" en allen doen in hun stervens- 
ure hun geloof niet minder gestaan dan Seghel^n en z'n rid- 
ders het hunne. Waar men ook kijkt, 't staat alles op voet 
van oorlog; wie geen Christen is, is Sarrazijn, en wie geen 
Sarrazijn is, is Christen; de wereld bestaat uit twee helften, en 
telkens vliegen ze elkander in drommen van krijgers op 't lijf. 
Evenzo staat het met de topografie ; nergens geeft 'n naam van 
'n stad of 'n zee houvast ; en waar op de onbestemde tochten 
eens 'n naam wordt genoemd, hangt de plaats histories en 
geografies in de lucht. In dit gemis aan oriëntering, in weten- 
schap «en litteratuur beide, komt een der zijden zichtbaar 
van de ME. wereldbeschouwing, die het demonies geachte heiden- 
dom niet als medemensen, noch minder als 'n staat of 'n maat- 
schappelik volk kon denken. Zo komt het dan ook dat deze 
heidens van „Mamet", even grote vechtersbazen trouwens als 
de ridders van 't Kruis, zonder uitzondering woestelingen zijn, 
tevens reuzen of mismaakte dwergen. Ook geestelik zijn ze 
misdeeld met arglist en slimheid; honderd middelen beden- 
kende om hun vijand afbreuk te doen ; maar steeds eindigende 
met te wijken voor de half helden- half bovennatuurlike 
tover-kracht van de Kruisridder Seghelijn. 



Seghel^n van Jeruzalem. 389 



De held van 't verhaal is van z'n geboorte af 'n zondags- 
kind. Aan z'n ouders evenwel heeft hij niet veel, laat staan, 
aan z'n vader, die wel koning van Jeruzalem, maar altijd nog 
'n heiden is. Met de moeder Blenchefleur, is 't anders gesteld : 
zij is in 't verborgen 'n aanhanger van de nieuwe leer, en 
heeft de gelofte gedaan om als ze uit haar huwelijk 'n knaapje 
mocht winnen, haar kind in 't Christelik geloof op te voeden en 
zelf Gods wet in 't openbaar te belijden. Doch tegen het tijdstip 
van haar bevalling ontbiedt haar gemaal 'n wichelaar, en ver- 
neemt tot z'n ontsteltenis dat het te verwachten kind een- 
maal aan 't heidens geloof van z'n volk en tevens aan 't 
leven des konings 'n einde zal maken. Door deze voorspelling 
heeft Prides rust noch duur; de scherpzinnige koningin even- 
wel weet achter 't geheim te komen, misleidt de koning, en 
schenkt in 't eenzame woud in 't verborgen het leven aan 
'n knaapje. Het kind wordt bij 'n arme visser opgevoed ; doch 
de hemel heeft wat het jongske aan staat en rijkdom moet 
derven, aan buitengewone gaven ruimschoots vergoed: drie 
feeën of engelen dalen af en verlenen de jonggedoopte Seghe- 
lijn het voorrecht, nooit overwonnen te kunnen worden, z'n 
wensen op anderen vervuld te zullen zien, en na 'n heilig 
leven ten hemel te mogen varen. Op z'n rug en z'n borst 
draagt hij het kruisteken: aan z'n vinger 'n kostbare ring, 
waarvan de koningin de wederga bezit, en waaraan hij door de 
moeder herkend kan worden. Koning Prides weet nergens van 
af; z'n wichelaar die hem komt meedelen, dat de koningin 
hem misleidt, steekt hij gewoon overhoop; alleen de pleeg- 
ouders weten van 't geheim zoveel, dat Seghelijn niet hun 
kind is; zij zenden hem naar school, maar als de door en 
door wijze knaap van God en van zaken vertelt, waar hij en 
z'n vrouw niet van gediend zijn, houdt de man hem thuis, 
en gebruikt hem in z'n armoedig bedrijf. 

Op zekere dag wordt Seghelijn met 'n vismand naar 't hof 
gestuurd, en wordt er door de bedienden uitgelachen, omdat 



390 J. Eoopmans. 



kleine jongens als hij beter in 'n schoolbank passen. De 
koningin, begaan met z'n lot, geeft hem 'n goudstuk, met het- 
zelfde doel waarmee heden ten dage commissién. van kinder- 
kleding aan haveloze knapen onderstand verlenen. De visser 
echter kan het geld beter voor het nakomen van z'n verplichtin- 
gen gebruiken, en houdt het geld. Van schoolgaan komt dus niet ; 
en de knaap moet in z'n ouwe plunje weer naar 't hof. Hier takelt 
hij met z'n vismand de sarrende bedienden zo ongemakkelik 
toe, dat ze voor dood blijven liggen, en Seghelijn het op 'n 
lopen zet. De ontstelde visser, bang voor de gevolgen, ont- 
kent tans z'n vaderschap; en nu 't eerste woord er eenmaal 
uit is, wil de knaap weg, de wereld in, om z'n ouders te 
zoeken. De ring wordt nu voor den dag gehaald, waarmee de 
feeën eertijds de zuigeling begiftigden. Als de knaap dit sieraad 
by de koningin wil brengen om z'n beschermvrouw er mee 
te vereren, herkent de moeder haar kind. Bij hun grote blijd- 
schap blijft het vooralsnog geraden, z'n afkomst voor de koning 
verborgen te houden. De zaken worden nu zo beleid, alsdat de 
jongeling aan 't hof zal blijven en de koningin als page zal dienen. 
De koning laat hem opleiden in alle ridder- en wapenspelen; 
en weldra munt Seghelijn zozeer in de vechtkunst uit, dat 
hij z'n leermeesters verslaan kan. De verrukte koning wil 
hem tot ridder slaan. Tans echter komt in de fraai aflopende 
kabel 'n kink. Want als Seghelijn de riddereed moet doen, 
zweren moet dat hij de armen, de vrouwen en de kinderen 
zal beschermen, z'n overwonnen vijanden grootmoedig zal be- 
handelen en „Mamets" wet zal volgen, verklaart Seghelijn dat 
hij alleen de gekruisigde Christus kan dienen. Van ditoogen- 
blik af ontstaat tussen de jongeling en de omgeving des konings, 
door nijd en geloofsverschil, 'n gapende kloof. 

üit Seghelijns meerderheid in de kampgevechten hebben 
we de openbaring van z'n machtige gaven kunnen ontdekken. 
Hij heeft tot driemaal toe de koninklike bedienden verslagen ; 
de koning zelf is niet bij machte geweest, de dader z'n ge- 



Seghelgn van Jeruzalem. 391 

nade te onthouden en bij de weigering van de Biddereed z'n 
toorn lucht te geven; zo sterk werkt de invloed van 'sjon- 
gelings bovennatuurlik karakter. Wat daarby komt, het wapen 
reeds, waarmee Seghelijn vecht, is een reliek. Als 'n tweede 
Ferguut, had hij bij z'n vertrek, uit z'n pleegvaders rommei- 
kamer 'n ouderwetse uitrusting gekregen ; maar de Godgewijde 
knaap had onmiddellik in 't roestige zijdgeweer het zwaard 
herkend waarmee de heilige Petrus Malchus 'n oor had af- 
gehouwen, en welk wapen nu dertig jaar geleden uit Pilatus' 
burcht in de visserswoning was verhuisd. Voortaan is dit 
oude zwaard het wonderwapen, waarmee Seghelijn over stapels 
van lijken z'n roemrijke zegeweg baant. Wel komen, er in de 
campagne's, — zoals in de Arturromans — geweldig krie- 
tieke oogenblikken, waarin door verraad hem z'n vertrouwd 
wapen wordt ontfutseld, en de held zich met tweedehands- 
middelen moet behelpen. Maar deze hachelike momenten zijn 
met opzet in 't verbaal gebracht, deels als krachtmeters in 
de heldenode, deels als stootmiddelen ter verlenging en ver- 
levendiging van 't verhaal, waarvan de lengte het belang- 
wekkende moet bepalen. Psychologies z^n deze krietieke 
kampen zelden gerechtvaardigd. Evenmin psychologies is het 
telkens terugkerende en grillige verraad, dat opeens de hoor- 
der voor 'n nieuwe geleding in de historie stelt. Goedkoper 
middel is zelden kwistiger toegepast. Koning Prides, wiens 
dood door de hand van Seghelijn in 't begin van de roman 
voorspeld is, wordt de dupe van 't verraad] evenzeer Blen- 
cheflfeur ; evenzo Florette ; evenzo Tallifer ; respectievelik Se- 
ghelijns echtgenoote en neef; evenzo Seghelijn zelf. En bij 
éénmaal en tweemaal blijft het niet. Gelukkig staat tegenover 
deze menselike verderfelike grillen de onverwachte maar juist- 
bestelde tussenkomst van de hemelbeden, die hun bescher- 
meling niet nalaten moed in te spreken, met wondermiddelen 
te begiftigen en in hem het besef levendig te houden, dat hij 
de geroepene is, die 'n taak te vervullen heeft, en nooit heeft 
te vrezen uit kracht van z'n Onoverwinnelikheid, En geen 



392 J. Koopmans. 



gebed is vergeefs; onmiddellik openen zich de wolken, en 
bestraalt hem het Hemels licht 

De eerste moeielikheid, waarbij bovennatuurlike hulp hem 
uitkomst brengt, doet zich op te Jeruzalem zelf. De mokkende 
koning Prides weet niet wat hg aan moet vangen : beïnvloed 
door S^helijns wondergaaf, vermag hq hem niets te weigeren ; 
zodra echter is de jongeling niet uit z'n gezicht, of hij be- 
raamt boze plannen. 

Een jaloerse hoveling, Robbolijn, weet raad. De koning 
moet, blaast hij hem in, zogenaamd ter ere van Seghelijn, 
buiten de muren een groot toernooi beschrijven; de te ver- 
schijnen vechtersbazen kunnen alsdan de nieuwbakken ridder 
gemakkelik aftnaken. In de praktik blijken de zaken anders 
te lopen : voor Seghelijn toch is de kamp 'n welkome gelegen- 
heid om de deugdelikheid van Christus' wet boven het heidens 
geloof te tonen. Bovendien is datgene wat hem ten verd^^e 
heeft moeten strekken, in z*n gevolg hem tot 'n zegen ge- 
worden. Prides heeft namelik het paard van de gevaarlike 
tegenstander 'n aanzienlike hoeveelheid bloed laten aftappen, 
in de hoop, dat het verzwakte dier en daarmee z'n berijder 
'n gemakkeliker prooi van z'n belagers zal worden. Maar aJles 
om niet. Wel stort het paard in de strijd, maar de jongeling 
baant zich door de aanvallers 'n weg, dank zij z'n beroemd 
zwaard Bozenbrant; daarna bemachtigt hij 'n ander ros, be- 
horende aan 'n gesneuvelde koning; en eenmaal in 't zadel, 
houwt hij met het wapen dat Malchus op 't verlies van een 
zijner oren was komen te staan, even snel de koppen van 
de paarden als de hoofden en schouders van de ruiters ; bij één 
algemene aanval zelfö van de verwoede en teleurgestelde kamp- 
vechters, brengt hij er niet minder dan twaalf honderd om 
't leven; een algemeene vlucht alleen kan de overigen redden ; 
koning Prides ontwijkt knarsetandende binnen de poortenen 
laat Seghelijn buiten de muren achter, door de grachten ge- 
scheiden van z'n in duizend angsten uitziende moeder, 't Is in 



Seghelgn van Jeruzalem. 393 

deze nacht nu, ais de jongeling klagende over z'n vermoeienis 
en z'n ontberingen na 'n zware strijd, en z'n moeder aan- 
roepende, die hij in doodsnood, nooit meer meent weder te 
zullen zien, dat de hemel zich opent en 'n regen als van ^ 
witte steentjes nederlaat, om z'n beschermeling, ojp de wijze 
als de Israëlieten in de woestijn weleer bevredigd werden, met 
sp\js en drank te verkwikken ; wat meer is, op z'n ootmoedig 
gebed om z'n leven nog langer ter ere van Christus te mogen 
besteden, daalt 'n stem uit de hemel en wijst aan Seghelijn 
'n harnachement toe voor z'n trouw ros, dat het dier tegen 
alle wonden moet beveiligen en dat, voorzien van het kruis- 
teken, mede wijding geeft aan de eerlang aan te vangen ver- 
overingstocht. 

Moeder en zoon zien elkaar namelik nog voor eenige tijd 
terug. Koning Prides namelik, die Seghelijn zelf te lijf wilde, 
maar door 's jongelings grootmoedigheid zo goed als ontwapend 
wordt, heeft de jonge en dappere ridder nog eens in z'n 
burcht toegelaten. Maar wederom loert het verraad. Bobbol\jn, 
die gezien heeft hoe teder Blenschefleur Seghelyns wonden 
geneest, hoe vertrouwelik moeder en kind met elkaar spreken 
en elkaar liefkozen, heeft Prides in naijver ontstoken en de 
koning zint nogmaals op middelen om zich van z'n mededin- 
ger voor goed te ontslaan. Doch de hemel waakt. Een engel 
lokt in de gedaante van 'n wit hert, Seghelijn buiten de 
muren en wijst hem op het naderend gevaar. Van terugkeren 
is nu geen sprake meer. Voortaan zal al z'n werk z^n ter 
ere Gods. De hemel zorgt voor z'n uitrusting; 'n witte hals- 
berg met rode kruisen versierd, ligt klaar ; even rein en blank 
zijn z'n wapenrok, z'n schild, z'n kousen en z'n borstplaten; 
kruisen bedekken z'n helm en z'n kleding; en de vier kwar- 
tieren op z'n schild vertonen het aangezicht van Christus, 
de Koning, in wiens naam hij z'n heilige tocht begint. 



394 J. KoopmanB. 



Het antagonisme tussen het heidendom in Prides en het 
christendom in Blenchefleur zet zich voort in hun wederzijdse 
familie. Ergens in 'n hol verscholen voor de reuzen Clincker 
en Clinckaert, broers van Prides en ware bullebakken voor de 
door hen geteisterde omgeving, zit de broer van Blenchefleur, 
'n dwei^ nog wel, met z'n vijf zonen, wachtende op de dingen 
die zullen komen. Want ook over deze grillige wereld hangt 
de profeetsie, dat de gedrochtelike geweldenaars, tegen wie 
noch helden noch poorten bestand zijn, eeninaal zullen wor- 
den verslagen door 'n zekere Seghetijn, die van Jerusalem 
komt Over beide partijen sijn enige relieken verdeeld; de 
dwerg bewaart de gesel waarmee Christus gekastijd werd, en 
het drinkvat waaruit hij gelaafd was; de nagelen waarmee 
z'n handen werden doorboord, en de doornenkroon, bevinden 
zich in handen van de wederpartij. Dat Seghelijn de geroe- 
pene is, blijkt aan de dwerg al dadeUk. Tegenover de gewijde 
held wordt het gewijde zelf levend: De gesel gaat hevig bloe- 
den, èn valt uit zich zelf in 't heilige drinkvat. Verrukt 
^kent de oom, dat de uit de lucht gevallen neef bestemd is 
Gods passie te wreken en Gods vijanden te verslaan; en in 
de tans aan te vangen heilige werken worden hij en z'n 
zonen geestdriftige medestrijders. De reuzen worden gedood; 
eerst de snoevende Clinckaert, die nooit 'n sterveling binnen 
de omtrek van zeven mijlen geduld heeft; daarna Clincker, 
die met z'n doornenkroon de strijd merkelik weet te rekken. 
Tevergeefs echter: de reus verliest eerst z'n kroon, daarna 
het leven. De nagelen worden op de burcht gevonden. Chris- 
tus' meerderheid boven „Mamet" blijkt ook nog hieruit, dat 
Clinckaerts weduwe onmiddellik het oude geloof afzweert, en 
2ich in den echt verbindt met Priadan, een van Seghelijns 
nev^n. Ook de vijflarige Talifer, de zoon van de reus, om- 
helst dadelik de nieuwe leer, en wordt van z'n glorierijke 
neef de wapenbroeder en de rechterhand. Zonder dralen gaat 
men op nieuwe avonturen uit; de relieken, onderpanden van 
Gods wonderdadige bescherming, gaan natuurlik mee. 



Seghel^n van Jeruzalem. 395 



Opmerkelik is het bij deze gewijde zaken, hoe de geheim- 
zinnige kracht die ze bezitten, zich doet gelden zoowel bij de 
ongelovige heidenen als bij de vereerders van 't Kruis. Ge- 
rechtvaardigd is deze omstandigheid in werken van desen 
aard, waar het op hebben en houden aankomt, allesins: het 
heilige in onreine handen met onverminderde kracht van Gods 
Verlosserschap getuigende, moest wel de gevoeligheid van 'n 
Christusheid prikkelen en hem aanzetten tot daden van 'n 
geweldige inspanning van krachten. Ook als krachtmeter voor 
Seghelijns eigen wondergaven doen ze uitnemend dienst: de 
kampvechter van Christus moet z'n dapperheid oefenen tegen 
de bovennatuurlike krachten gelijksoortig aan die waarmee 
hij zelf is bédeeld. Wordt Clincker 'n arm afgeslagen, dan legt 
hij de doornenkroon op de wond, en de stomp geneest onmid- 
dellik. Gaat het zwaard bij 'n volgende slag diep in z'n 
schouder, de reus kijkt maar even op de kroon, en ook deze 
kloof is geheeld. Even wonderdadig is het vermogen van de 
heilige olie, die op 't eind van 't verhaal aan 'n zekere reus 
Gloriclaudes wordt ontweldigd. Deze olie, dezelfde waarmee 
Christus in 't graf was gezalfd, maakt zo goed als onster- 
felik. Wordt de reus 'n arm afgeslagen, — in deze verhalen 
toch doet men nooit iets half — dan haast de getroffene zich 
op staande voet het verloren deel op te rapen, aan de schouder 
te zetten en 'n teugje uit het gulden flesje te nemen; in minder 
dan 'n tel is deze handige toer met 'n volkomen genezing 
beloond. Evenzo gaat het met de overige houwen en steken, 
welke Seghelijn aan z'n tegenpartij toebrengt; eerst als op 
Clincker z'n kroon en op Gloriclaudes z'n flacon is veroverd, 
zijn deze heidenen kwetsbaar. Van zelfhebbendie wonderdin- 
gen en hun kracht geestelik geen vat op die gedrochten; zo 
Seghelijn hen al voorhoudt dat de aan hen betoonde mirakelen 
de bedoeling hebben hun van Gods meerderheid boven hun 
eigen geloof te overtuigen, dan wijzen ze z'n redenen af, 
gasteren de gekruisigde en eindigen met als onverzoenlike 



396 J. Eoopmans. 



Sarracgnen de hel in te gaan. In al die verhalen is het bui- 
gen of barsten. Al die momenten wikkelen zich af volgens 
'n zelfde proces; en twijfel is er nooit. Hoofden, armen, 
schouders, benen en bulten vallen aanstonds glad af; elke 
hak is raak; ja, bij 't begin van de kamp, onder 't snoeven 
en brallen, als ieder staat voor z'n God, voelt men te voren 
dierekt, dat het hier en overal gaan zal op leven en dood. 

Het Christen zijn omvat in de Ridderromans alle menselike 
eigenschappen, ook die welke wy in onze tijd minder over- 
eenkomstig de waarde van mens en christen zouden vinden. 
Blenchefleur misleidt Prides ten opzichte van de gebooi'te van 
z'n eigen kind; maar Prides is 'n heiden, en t^enover 
dezulken is, moeten we aannemen, waar het de belangen van 
Christus wet geldt, reeds alles geoorloofd. Ook geweld en list zijn 
wapenen Gods. De Hemel bevoorrecht hen, die God op welke 
wijze ook, dienen, 't zij met bizondere kracht, bizondere sluw- 
heid of bizondere kennis. De bemachtiging van de heilig espeer, — 
want deze reliek schuilt nog altijd in de burcht van de reus 
Bonacroy — steunt als 'n Qodgevallig werk op deze bizondere 
bevoorrechting. De reus loopt, bijna in letterlike zin, in de 
val, die voor Seghelijn open was gezet. De speer namelik, die 
de bezitter alweder onoverwinnelik maakt, is door Bonacroy 
verborgen in 'n kapel, waarin bouwmeesters 'n soort tombe 
hadden ingericht, rijk met goud, zilver en edelgesteenten ver- 
sierd, om de belangstelling van de bezoekers te trekken; 
binnen in de tombe lag de speer, waaraan nog 'n bloeddrup- 
pel uit Christus' zijde hing; het geopende deksel liet de be- 
wonderaars toe hun hoofd binnen de krypt te steken; maar 
bij 'n geringe handgreep kwam het bovenstuk in beweging, 
en de stalen rand van het deksel scheidde de ongelukkige 
wie de nieuwsgierigheid te ver had gevoerd, het hoofd van 
de romp. Op deze wijze bleef Bonacroy in 't bezit van z'n 
reliek, en naar hij meende, in 't monopolie van z'n onover- 
winlikheid en onkwetsbaarheid. Fier op z'n list en z'n schat 



Seghelgn van Jeruzalem. 397 



had hij buiten z'n burcht 'n rood-gouden bekken op 'n zil- 
veren pijler laten plaatsen en liet bekend maken dat wie 
binnen herberg begeerde, z'n waardschap met z'n zwaard kon 
veroveren. Tegen deze £onacroy komt natuurlik Seghelijn in 
het kamp; met het te voorziene gevolg, dat de wapens van 
de reus het moeten afleggen, en de ridder Ghristi z'n over- 
wicht met 'n stevige maaltijd ziet beloond. Na veel gegeten 
en gedronken te hebben, laat Seghelijn zich meetronen naar 
de kapel, waar de reus hem breed vertelt van de pracht van 
z'n monument en hoog opdoet van de waarde van het daarin 
verborgen kleinood. Inmiddels ziet de letterwijze held op de 
schacht van de speer in woorden gewaarschuwd staan, welk 
lot hem wacht die z'n hoofd verstout binnen de opening te 
steken. Vandaar dat de reus, die niet ophoudt bij z'n be- 
zoeker aan te dringen, om nog meer aandacht aan de inlig- 
gende speer te schenken, geen eer van z'n prijzen heeft. 
Integendeel. Seghelijn zelf slaat op het gunstige ogenblik de 
klink weg, en 't is de ongelukkige gastheer, die z'n hoofd 
onder het scherpe staal verliezen moet. Vanzelf wordt nu de 
heilige speer 'n gemakkelike buit. 

Hoeveel dit wapen waard is, blijkt uit de verdere tochten. 
Legt hij b. v. het ellenlange ijzer dwars voor zich over het 
paard, dan maait hij, waar hij rijdt, al wat vijand is in brede 
stroken tegen de grond. Eenmaal voert men een lange balk, 
met de einden op paarden gebonden, tegen hem aan; Seghe- 
lijn springt er over, keert zich om, en hervat de slachting. 
Niets is tegen hem bestand. De geweldigste zwaarden van de 
reusachtigste helden, vliegen tegen z'n gewijde rusting aan 
splinters. Even gevoelloos voor houwen en staken is de uit- 
rusting van z'n strijdros Glorifier. Iedereen heeft het op 't 
onvermoeide wonderpaard voorzien; maar het loopt onver- 
schrokken door 't dichtste gedrang en lijdt geen andere last, 
dan dat het van z'n gedekte rug en lendenen de stukken en 
scherven van de tot splinters geslagen zwaarden en aksten, 
in massa ter aarde voelt vallen. 



398 J. Eoopmans. 



Begrijpelijk is het^ dat het merkwaardige ros zich verheugt 
in de vriendsehap van z'n meester. Nei^ens dan ook ~ de 
Heemskinderen buiten beschouwing gelaten — vindt men in 
de Ridderromans zulk 'n nauwe betrekking tussen de kamp- 
vechter en z'n paard. Glorifier is z'n wapen, z'n makker, z'n 
boezemvriend. Ligt Seghelijn, door vijandelijke drommen be- 
nauwd en als ten einde raad, in gebed, dan houdt z'n paard 
met kop en hoeven het terrein rondom hem vrij. Bedeeld 
met de eigenschap nooit vermoeid te kunnen worden, maar 
juist onder het draven in krachten te winnen, voert het niet 
alleen z'n roemrijke berijder waar de meeste vijanden zijn te 
verslaan, maar neemt het zelf ook deel aan de strijd, door met 
z'n hoeven te trappen en met z'n tanden te bijten. De reus 
Gloriclaudes onder anderen, wordt, terwijl hij worstelend 
Seghelijn onder de voet tracht te krijgen, door Glorifier bij 
de keel gegrepen, zoodat hij 't onmiddellik besterft. Het hin- 
nikt, alsof het 'n gesprek tracht te voeren, waarschuwt, wekt, 
streelt en kust z'n heer. Elders is het ros z'n tafelgenoot, en 
Seghelijn, die zo pas 'n goed gedekte dis op 'n dievenbende 
heeft veroverd, schept er vermaak in, voor gastheer te spelen 
en z'n medehelper achtereenvolgens te voorzien van vlees, 
brood en water. Zelfs praat en schertst de held met z'n vriend. 
Hij verontschuldigt zich, z'n menu voor Qlorifiers maag tot 
het gekozene te moeten beperken, vraagt onder de maaltijd, 
of het dier genoeg heeft, en maakt z'n makker de opmerking 
dat het diens voorzaten wel niet overkomen zal zijn, taarten 
en kapoenen van fraai aangerechte tafels te eten; maar dat 
het in dit geval wel verdiend isl Natuurlik moet het paard, 
omdat het niet lachen kan, hinniken. Het blijft,als'n tweede 
Beyaert, in 't een en in 't ander, in z'n kleur, z'n dieet, en 
in z'n bescheidenheid bij de gemaakte genealogiese opmerking, 
volmaakt in de toon van z'n tijd. 

Evenzeer als in de kameraadschappelikheid tusschen de 
ridder en z'n ros, herkennen we de forse lijnen en buitenge- 
wone verhoudingen van het ME.-ideaal in het welbehagen 



Seghel^n van Jeruzalem. 999 

waarmede de overwinnaar^ tevens rechter, opzijn gevangenen 
z'n ruwe wi*aak uitoefent. Bij het beleg van Ysone — 'n ge- 
wichtige episode in de tocht van Helene de Keizerin*moeder, 
en haar schoonzoon, keizer geworden Seghelijn naar het Hei- 
lige Graf, — raadt de Jood Judas Macchabeüs de ingesloten 
Sarracenen aan loopgraven van uit de stad naar 't vrije veld 
aan te leggen, en door deze gangen, met mannen in schape- 
vachten gehuld, de belegerden van drinkwater te voorzien. 
Seghelijn komt achter de list; de gewaande viervoeters wor- 
den ondervangeu, en ondergaan het ironiese lot, levend als 
schapen te worden gevild en daarna te worden doodgeslagen, 
tevergeefs, na hun weigering om Christen te worden, hun 
„Mamet" aanroepende, die ze, zegt het verhaal met voldoening, 
niet eens in staat was te helpen. Ditzelfde villen vaa levende 
mensen heeft plaats aan 't eind van 't verhaal, als na aller 
terugkomst moet worden afgerekend met ^ttelike verraders. De 
zeven zonen van Seghelijn, penitenciers van de paus geworden, 
moeten het vonnis uitspreken over de moordenaar van hunne 
zeven moeders. Deze heilige en wijze mannen nu verzinnen, 
zonder enige neiging tot menselikheid ook zelfs maar te 
voelen, de meest barbaarse martelingen, te veel, om op één 
ongelukkige te kunnen worden toegepast. Zij zien in hem die dit 
alles moet ondergaan, alleen de moordenaar; zoals zij in hun 
kinderplicht alleen de vergelding kennen. De jongste — want 
ieder bepaalt z'n dag — begint met achtereenvolgens de vin- 
gers, de hand en de arm het vel af te stropen, ze in te zouten 
en af te hakken; de tweede brengt zn tijd zoek met de 
andere arm met zout en koper in te wrijven en af te zagen; 
de derde vilt, brandt en kookt het rechterbeen, met toevoe- 
ging van zwavel en lood ; de vierde behandelt het linkerbeen ; 
men eindigt met hem met 'n machine de darmen uit te 
winden, de ogen uit te branden, en hem gevild en met honig 
besmeerd ten prooi van de bijen en vliegen op 't rad te hangen. 
Na elke marteling laat men hem drinken van de heilige olie 
van de Verlosser, opdat de stompen weer kunnen helen en 



400 J. Eoopmaafl. 

- - - — -^-~^ 

het lichaam gesterkt kan worden tegen de folteringen van 
het volgend torment. Zo zon het alle verraders moeten ver- 
gaan, zegt onmeedogend nog de bevredigde wraakzucht op 't 
eind van 't verhaal. 



De uitverkoren ridder, opgeroepen om Gods rqk op aarde te 
stichten, is in zoverre aan het mens-zgn gebonden, dat ook 
hq, vóór h\j tot het heilig pauselik ambt waardig wordt ge- 
keurd, moet ondervinden dat elke a^w\jking van 'n deugdzame 
wandel met ootmoedige penitencie moet worden geboet. Twee- 
maal heeft Seghelgn aan de Hemel mishaagd ; tweemaal heeft 
hij in zware beproevingen het hemels misnoegen geleden. De 
aanleidingen tot die straf verschilden, en hadden niettemin 
één zelfde oorzaak: de vrouwen zyn 't geweest die hoewel 
in de ridderromans de tweede viool spelende, des Ridders har- 
monies samenwerkende machten en gaven tijdelik hebben 
verstoord. Seghelijn helpt namelqk met z'n neven 'n vijand 
verslaan, die het kasteel van 'n zekere ridder Olifier hebben 
belegerd. Op de burcht heeft de bezitter wel veel schone 
vrouwen, maar zeer weinig mondvooraad, en het eerste werk 
van z'n bondgenoot is dus, de belegeraars hun proviand af- 
handig te maken om daarmee het hart van de inwonende 
dames te versterken. Daarop vraagt Seghelijn de gunst, zelf z'n 
opwachting bij de schonen te mogen maken; en de partijen 
vullen elkander zo in de smaak, dat de gast in zeven achter- 
eenvolgende nachten bij zeven jonkvrouwen even zoveel kin- 
deren verwekt. Het minnespel wordt afgewisseld of besloten 
door zware gevechten met de altijd nog aanwezige vijand ; en 
't is in een van de hachelikste ogenblikken, dat uit de ver- 
toornde Hemel 'n engel daalt, welke S^helijn aanzegt dat hij 
tot straf voor z'n verbintenissen met nog niet gekerstende 
vrouwen, eerlang in 'n zwaar lijden zal komen. Weldra komt 
dan ook de droeve tjjd. Olifier, die terecht naijverig is op Seghe- 




Seghel^n van Jeruzalem. 401 



lijns bezoeken in de vrouwenvertrekken, maar die tegenover 
diens wondergave niet bij machte is, de tot hem gerichte vragen 
af te wijzen, besluit de jongeling door verraad ten val te brengen. 
In de nacht laat hij hem door de bevelhebber van Babyloniö 
oplichten en gevangen zetten. Vijftien jaar lang zucht de rid- 
der Christi in 'n nare gevangenis, getroost en gesterkt door 
hemelse visioenen en onder de leiding van God ervarende, dat 
hij die kwaad doet, z'n overtredingen ook moet bekopen, en 
dat de straf hem dient om van z'n zonden te worden gelou- 
terd. Zo wil het de rechtvaardigheid Gods, zegt het verhaal. 
De volgende gelegenheid, dat Seghelijn terecht wordt ge- 
wezen, doet zich voor te Rome, waar Seghelijn uit Konstan- 
tijns handen de keizerskroon heeft aanvaard en Konstantijns 
dochter Florette getrouwd heeft. Tegenover Florette nu heeft 
Seghelijn de zeven moeders van z'n zonen verlochend. Dit 
gaat niet aan, meent het Goddelik bestuur, om van de vrouwen, 
met wie men gemeenschap gehad heeft en bij wie men kroost 
heeft verwekt, te zeggen, dat men er niet zooveel of zooveel 
om geeft. Wie dit onderstaat, moet nadrukkelik bestraft worden, 
wil het recht. Toevallig verschijnt voor de keizerlike stad 'n Sar- 
racijnse vorst en reus, die niets minder dan het hele Roomse 
rijk voor zich opeist. Tegen deze Claudes, zo heet de snoever, 
trekt Seghelijn te velde. Maar 'n verrader Gallijn, met behulp 
van z'n broer Galles, verwisselt heimelik de gewijde kleding 
en de gewijde wapenen van de keizer met andere van minder 
allooi. Alleen Glorifier, het meer genoemde strijdros, blijft intakt; 
het dier bijt Gallijn in de schouder, zodat deze z'n voornemen, 
ook het paard z'n uit de hemel ontvangen uitrusting af te ruk- 
ken, niet kan volvoeren. Wie het te kwaad krijgt, is Seghelijn. 
In de kamp tegen Claudes, bezwijken z'n wapens. Zonder 
zwaard of schild moet hij te voet z'n noodlot afwachten. Ge- 
lukkig ziet hij 'n steen, en gedrongen door 't gevaar van 't 
ogenblik, weet hij met inspanning van alle krachten z'n 
vijand de kei tegen 't hoofd te werpen. Deze worp redt hem. 
Maria verschijnt, schenkt hem vergiffenis, geeft hem zn wapens 

T. EN L. xu. 27 



402 J. Eoopmans. 



en z'n kr^gsgewaad terug en geeft bem daardoor de gel^en- 
heid, de reus verder af te maken en tevens het verraderlik 
broederpaar te verslaan. 

Wij hebben in het reiaas van deze laatste harde, maar goed 
bedoelde vermaning kunnen opmerken, dat de geschiedenis 
van de zeven moeder geworden jonkvrouwen, eertijds be- 
horende aan Olifier, met Seghelijns vijftienjarige Babyloniese 
gevangenschap niet geëindigd is. De zeven zonen namelik heb- 
ben 'n eigen geschiedenis: wat uit Seghelijns lendenen is ge- 
sproten, mag niet zonder 'n bepaalde bestenmiing in 'n nevel 
verdwijnen; zij zullen worden de zeven wqzen van Rome 
De engel, die de vader over z'n vrijheden met de ongedoopte 
maagden berispte, vond het tegelijkertijd noodig hem over de 
toekomst van z'n aanstaande zonen te onderhouden. Geen van 
de kinderen, gelast hy, mocht ooit weten wie zij tot vader 
hadden gehad, voordat zij 'n deel der goddelike wijsheid 
konden verklaren. Door Seghelijns zorg worden in die geest 
de zaken beleid. Groot was de droefheid der maagden, toen 
ze voor altijd van de wakkere held moesten scheiden, vooral 
toen ze hoorden, dat het gepleegde minnespel voor hem nood- 
lottig zou zijn. Naarstig lieten zij haar kinderen onderrichten 
in Gods wijsheid, opdat de knapen de vragen, die Seghelijn 
in gesloten brieven de moeders toevertrouwd had, op rijper 
leeftijd zouden kunnen verklaren. Toen de zoons twaalf jaar 
oud waren, trokken de moeders tot in de nabijheid van Rome, 
waar de jongelingen zich weldra zozeer onderscheidden in kennis 
van de wet en de dienst van God, in de medicijnen en in de 
letteren, dat de wij sten in 't land voor hen moesten onder- 
doen, en zij op 'n gemakkelike wijze in het levensonderhoud 
van haar moeders konden voorzien. De eerste proef, die de 
moeders ondernamen, om hun zonen de inhoud der gewijde 
vragen te laten verklaren, mislukte. Hun oogen werden be- 
traand, en ze schreiden: 'n teken, dat de ware tijd nog niet 
was aangebroken. De tweede maal ging het beter. Zonder 



Seghel^n van Jerazalem. 403 

haperen wisten zij tegenover hun teruggekeerde vader op de 
kwestieön 'n voldoend antwoord te geven, en wat de deur 
dicht deed, hunne harten en aangezichten waren tot lachens 
toe verbiyd. Paus Celestinus, die het aanhoorde, was verrukt ; 
hij zegende ze, en noemde ze de geven vroeden van Bome. 

■ 

Met deze zeven problemen, gelijksoortig aan die welke de 
Dietse Lucidiarius vullen, en welke ons 'n proeve geven van 
het eigenaardig rationalisme dier tijden *), betreden wij de 
theologies-Christelike bodem, waarop 't zij door 'n oudere 
bewerker, 't zij door de Nederlandse vertaler of overschrijver 
hier en daar met zichtbaar welgevallen 'ndogmaties of mysties 
bloempje is geplant. De woorden waarin aan 't hof van Pri- 
des, Blenchefleur en Seghelijn elkander als moeder en zoon, 
en tevens als belijders van de Christenwet herkennen, zijn 
vrije berijmingen van de Artiekelen des Geloofs; het gebed, 
dat de jongeling aan 't begin van het monstertoernooi ten 
hemel zendt, is 'n brede uitweiding over de passie^); even- 
eens vermengt Blenchefleur, na het spoorloos verdwijnen van 
haar kind uit de burcht van de naijverige Prides, onder haar 
verklaarbare jammerklachten, zeer te onpas, de opmerking 
waarom de dag van de passie door Joden en Christenen, door 
de eersten ten onrechte, door de laatsten met reden, de ^o^da 
Vrijdag genoemd wordt. Hinderlik wegens de zichtbaar didak- 



1) Ze zijn : 1. In welk deel van onze menselikheid heeft God z'n schoonste 
werk gelegd t Antw, In *s mensen aangezicht. — 2. Hoe groot is de afstand tas- 
sen hemel en aarde? Antw. OnmeteUk, en toch beroepbaar, omdat God altoos de 
z\jnen hoort. — 3. Waar is de aarde het hoogste? Antw, Ter plaatse, waarboven 
de Zoon aan de rechterhand des Vaders zit. — 4. Waarom schiep God Lucifer, 
ofschoon Hij hem tot z*n ondergang schiep? Antw. Opdat de overige engelen God 
zouden bleven ontzien. — 5. Waarom leed God voor de mensen, en niet voorde 
engelen? Antw, Omdat de engelen hadden gezondigd uit eigen beweging, en de 
mens door Lucifer was verleid. — 6. Waarom bedeelt God de mensen zo ongel\jk 
met goederen? Antw, De armen z\jn niet arm; want na dit leven erven ze 't 
hemelr\jk; de r\jken kunnen het eerst met hun weldaden aan de armen be- 
kopen. — 7. Is God in alles almachtig ? Antw. Niet in deze drie dingen : h\j 
kan ons de vr\ie wil niet ontnemen ; hij kan geen zonde doen ; h\) kan z*n 
genoot niet vinden. — Sommige van deze antwoorden spreken voor boeken. 

2) Nog breder het gebed in de kerker; vs. 5835—5903. 



404 J. Eoopmans. 



tiese bijvoegingen is bij diezelfde gelegenheid de lengte van 
Seghelijns aanroep om 's Hemels bijstand ; het gebed is op 
die wyze meer 'n erkenning van eertijds betwiste geloofs- 
punten dan 'n door de nood ingegeven, en daar ter plaatee 
zeer gewettigde smeekbee om hulp; het bekende bewijs tot 
staving van Gods Drievuldigheid: laten wij mensen maken 
naar onze gelijkenis, — opent het betoog; daarna wordt ge- 
wezen op de verrassing van de engelen, als ze bij de Vlees- 
wording inzien wat menselikheid eigenlik is; *n verklaring 
waarom in de mis de priester zich vijfmaal naar de menigte 
keert en waarom op Kerstdag het Sacrament driemaal ge- 
vierd wordt, sluit het vreemd- ingerichte woord tot God. Elders 
nog worden in 'n andere aanroep de vijf smarten van Maria 
opgenomen. Doch waar ook, en wanneer ook, Seghelijn richt 
zich als 'n ootmoedig en gelovig zoon van de Kerk hoopvol 
en dankbaar tot God ; herkent dadelik diens macht bij 't aan- 
schouwen van de wonderen die de gewijde dingen in de 
handen van z'n tegenpartij verrichten ; doet als eerste eis aan 
z'n vijand, vóór hij ze aanvalt, dat ze zich tot die wonder- 
dadige God zullen bekeren, en doet geen slag of houw met 
beslissende afloop, dan in de naam zijns Heren. Q oen wonder 
dat z'n naam de wereld doorklinkt; de Sarrasijnse koningen, 
geprikkeld door zoveel roem en sukses, zoeken hem op, of 
gissen al wie hun verschijnt; z'n komst wordt geprofeteerd te 
Rome. Florette, Konstantijns dochter weet al te voren, dat 
ze in Seghelijn haar bruidegom zal begroeten, en als de heilige 
man met z'n relieken de woonplaate van de Christenvorst 
nadert, beginnen drie dagen van te voren al de klokken van 
Rome te luiden als voorgevoelende welke roem de Eeuwige 
stad met z'n glorieuse intocht zal verwerven. 



De keizersdochter Florette, beleeft, terwijl Helene en Seghe- 
lijn te Jeruzalem, op aanwijzing van de meergemelde Judas 



Segbelgn van Jernzalem. 405 

Macchabeüs, het kruis ontdekken, 'n geschiedenis op eigen 
hand, vol van de avontuurlikste en grilligste voorvallen. 
Gaures, 'n hoveling, die bij de oude keizer Konstantijn is 
achtergebleven, en die al meer op z'n geweten had, weet 
zich vertrouwd bij Seghelijns in zwangerschap achtergelaten 
echtgenoot te maken, voert haar en haar kameniers — de 
zeven moeders der vroede jongelingen, — in 'n eenzaam woud, 
onthaalt ze daar op 'n ruime maaltijd, en weet ze doormid- 
del van 'n slaapdrank in 'n diepe rust te dompelen. Nu neemt 
hij de kans waar, doorsteekt de zeven kameniers en doet 
Florette oneerbare voorstellen. De ongelukkige vrouw die de 
dood boven de schande verkiest, wordt aan de haren aan 'n 
boom gehangen, en eerst als hij hoefgetrappel hoort, gaat de 
onverlaat op de vlucht. Hij die nadert, is 'n zekere hertog 
Gautier, die zich haast de vrouw te bevrijden. De dader die 
onmiddellik wordt nagespoord, is evenwel niet meer te vinden. 
Florette, die er de voorkeur aan geeft, haar naam voorlopig 
te verzwijgen, wordt door öautier mee naar z'n hof genomen, 
waar haar door allen de hoogste eer wordt bewezen. Een der 
hovelingen. Fortier, evenwel, die 'n aanslag op haar eer wil 
beproeven, maar door de hertog verrast en voor 'n zekere 
tijd in de doos wordt gezet, zoekt baar val. Terwijl zij met 
's hertogen broer Antidotes, in gezelschap is, weet Fortier in 
't geheim 'n vergiftigde peer in haar schoot te laten vallen, 
welke vrucht, bij haar opstaan over de vloer rolt en 'n voor- 
werp wordt van spel en scherts. Stoeiend weet de ridder 
eindelik de peer te bemachtigen, doet er 'n beet in, en sterft 
onmiddellik. Fortiers toeleg, dat de hertog in Florette de 
daderes van 'n sluipmoord zal zien, gelukt terstond; hoogst 
verbolgen laat hij de bedroefde en ontstelde vrouw opsluiten, 
en ontbiedt zo spoedig mogelik z'n raden om over de valse 
misdaad van z'n ondankbare gast kort en goed recht te doen. 
De baronnen komen en Fortier begint z'n aanklacht. In de 
rechtspraak, die zich tans ontwikkelt, en die met grote voor- 
liefde en met veel levendigheid wordt verhaald, treffen we 'n 



406 J. Koopmans. 



gevoel voor recht en 'n aanwezigheid van eervolle motieven 
aan, welke ons in dit werk van langen adem, met veel wat onze 
smaak niet meer kan voldoen, ruimschoots kan verzoenen. Flo- 
rette verweert zich, en wekt het medelijden op van de raads- 
heren. Alleen Fortier en de hertog staan op hun stuk. Fortier zelfe 
wil haar door martelingen tot bekentenis dwingen ; er zou, — 
doelt hij listig op de zeven eertijds door Qautier gevonden ont- 
zielde jonkvrouwen — misschien wel meer uit haar te halen 
wezen. Nu treedt 'n oude ridder van tachtig jaar voor haar op. 
Als de beschuldigde zelf mee heeft gestoeid om de peer, meent 
hij, — en in haar toestand is haar trek naar vruchten allesins 
gewettigd, — dan is het zo goed als zeker, dat zij onkundig is 
geweest omtrent het venijn in het fruit. Eer nog was 's her- 
togen broer te berispen geweest, door aan die vrouw het be- 
geerde ooft te willen onthouden. — Maar de hertog wil van 
geen praatjes gediend zijn en korte wetten maken. Haar tijd 
is er geweest, besluit hij. — In geen geval, weerlegt stout 
de grijze Sebastiaan ; geen vrouw, hoe groot haar misdaad 
ook is, zal in zwangere toestand gevonnist worden. Laat ze 
heengaan, naar haar kerker terug; en wee die de wet en 't 
recht van 't hof wil schenden 1 Eer zouden we allen sterven 
voor 't recht, eer we toestonden dat de vrucht in demoeder 
verloren gingl „Wat heeft ons dat kint misdaan?" — Voor 
't laatst doet Fortier 'n poging. — „Dat ey de moord heeft 
„begaan, is zeker; zij moet dus ook de straf ondergaan. Welnu, 
„geef uw oordeel, haar zullen we dan het leven nemen, en 
„het kind uit haar lichaam verlossen!" — „Om het ontijdig 
„te laten sterven, schurk?" bijt de grijsaard hem toe. „Dat 
„is vals verraad, en 't schijnt dat je meer van de zaak moet 
„weten dan deze vrouw zeggen kan. Schande over zulke ver- 
„radersl" — „Dank de hemel, ouwe liegbek, dat je afgeleefd 
„bent," smaalt Fortier, „was jejonger, dan daagde ik je uit." — 
„Daag mij daü uit voor m'n vader," roept de zestienjarige 
Germein, „en ik zal je laten bekennen dat jij de moord hebt 
„begaan!" — „Vader en zoon zijn beide voor genade? Daar 



Segheiyn van Jeruzalem. 407 

„schuilt wat achter 1" grynst Fortier. - „Vader en zoonzyn 
„mij beide vijandig. Zo niet, ze wreekten mede mijn broeders 
„dood I" besluit de hertog. ~ Maar Germein laat zich niet van 
z'n stuk brengen: hij wil de eer van z'n vader verdedigen. 
Ook de grijsaard dringt de hertog absoluut als z'n eis op, dat 
deze volgens recht en wet zal handelen, en of de vrouw zal 
loslaten, óf zal gedogen dat 'n ridder die voor haar onschuld 
opkomt, z'n plicht doet. „Niet waar, baronnen?" roept hij. 
En de baronnen stemmen toe. Nooit mag, zeggen ze, de her- 
tog de wet breken; zolang zij er zijn, zullen ze elke inbreuk 
krachtig met de daad weerstaan. Niemand, vervolgen ze, weet 
iets af van de moord, waarmee de vrouw is bezwaard; als 
er een is, die 't anders weet, kan hij z'n aanklacht met z'n 
zwaard verdedigen. — Fortier moet dus het krijt in. Eerst 
echter beproeft hij z'n hoogste troef uit te werpen. — „Her- 
„tog," roept hij, „zijt ge zo weinig heer en meester in uw 
„eigen land, dat gij de dood van uw broeder niet wreken 
„moogt? Wees wijzer, en laat u niet dwingen. Doe als 'n 
„landsvorst van moed ; hang er 'n stuk of vier op, of sla ze 
„'t hoofd van de romp. Zo krijgen ze 't nodige respekt voor 
„ui" — Daar stuift Qermein tegen hem op, pakt hem beet, 
en slaat hem in 't gezicht. De hertog kiest partijj, en wil de 
stoutmoedige jongeling doen hangen. Maar de baronnen staan 
op, en eisen recht, niet alleen voor vader en zoon, maar ook 
voor zich zelf: Fortier heeft ze ruw beledigd. De hertog moet 
dus wel toegeven, en het recht neemt z'n loop. De kamp- 
plaats wordt in gereedheid gebracht; de schone Florette, ter- 
nauwernood gekleed, wordt er heen geleid; 'n groot houtvuur 
wordt aangelegd; als Germein het onderspit delft, zal zij 
worden verbrand, en hij zal worden gehangen. „Nu moge God 
„de Heer, die voor ons gekruisigd werd, hierin z'n recht laten 
„gelden !" voegt de verhaler er bij. En Florette, ondertussen, bidt. 
De kamp duurt van priemtijd tot de noen ; Fortier is meer 
mans dan Germein, maar de jongeling is zo gelukkig de over- 
hand te houden. Als de hertog verneemt dat z'n gunsteling 



408 J. Eoopmans. 



het af zal moeten leggen, wil bij zelf voor de verloren zaak 
in de bres springen. De vrouw, wil bij nu eenmaal, mag niet 
ontscbuldigd beengaan; de brandstapel is baar loon. Maar 
tegen de verstokte bertog komen de baronnen wederom op, 
en stellen bem op staande voet voor de beslissing, de vals- 
bescbuldigde in vrij beid te stellen. De bertog geeft toe, en 
Florette trekt alleen, met 'n paar lastdieren, nogmaals de 
wijde wereld in. 

Voor bet verbaal van baar verdere lotgevallen vragen we 
de lezer, ons te willen verscbonen. Ongelukkiger dan zij kan 
wel niemand bet treffen. Zij wordt misleid, bestolen en zelfe 
verkocbt; zij brengt weken lang op 'n zeescbip door, dag aan 
dag worstelende tegen 'n man die bet op baar eer beeft voor- 
zien; eindelik wordt ze scbipbreukeling, om ten slotte door 
Segbelijn en z'n tocbtgenoten, als ze uit Jeruzalem bet kruis 
naar Rome brengen, onderweg te worden opgevist. Ziedaar de 
rij van ongemotiveerde rampen, die in bet verbaal alleen dienen 
om de zucbt naar bet avontuurlike te bevredigen, en de, scboon 
wel wat twyfelacbtige, verdienste bebben, dat zij door de 
barbaarse straffen die er op volgen, gelegenheid geven het rechts- 
gevoel van de M.E. hoorders te bevredigen. Is na al die scbel- 
merijen, de cavailje gezamenlik, alweer onder het luiden van 
de klokken, met bet kruis in Rome teru^ekeerd, zijn de 
nodige ceremonieën en wijdingen volbracht, en is de wraak 
bevredigd, dan wacht het verhaal alleen nog maar op bet 
voorspelde einde, dat Segbelijn z'n vader en z'n moeder zal 
doden. Ook hier wordt, zoals we reeds opmerkten gebruik 
gemaakt van de zeer goedkope en telkens terugkerende truc 
van 'et verraad. Koning Prides, die kwaalachtig geworden is, 
hoort te Jeruzalem spreken van de heilige olie, waarbij in 
Rome alle zieken en gebrekkigen baat vinden; en 't komt 
hem voor, dat ook zijn krankheid er waarschijnlijk mee zal 
worden geholpen. Ook beeft hij langzamerhand genoeg van 
„Manet" gekregen, en hij toont zich geneigd, bij volkomen 



Seghelgn van Jemzalem. 409 



genezing, 'n aanhanger van Christus te worden. Blencbefleur 
verblijd over de wending die de zaken nemen, en vol hoop 
haar zoon na drie en twintig lange jaren, nog eens te ont- 
moeten, vergezelt Prides naar Rome, waar beide als pelgrims 
aankomen. Doch niemand verleent hun herberg, en met reden : 
Seghelijn, altijd nog de oude profeetsie indachtig, heeft aan 
de bevolking gelast, nimmer 'n reiziger uit Jeruzalem op te 
nemen, en Prides en Blencbefleur dwalen 'n tijdlang rond, 
totdat ze worden ingerekend en naar ^t keizerlike hof worden 
gebracht. Seghelijn zelf is afwezig; Florette ontvangt de 
vreemdelingen, troost ze, vraagt ze minzaam naar 't een en 
ander, en niet lang duurt het, of zij weet dat de pelgrims 
die in haar stad heul en genezing zijn komen zoeken, niemand 
anders zijn dan de ouders van Seghelijn. Hartelik is nu hun 
begroeting ; zij omhelzen elkander ; de keizerin kust haar vader 
en haar moeder herhaalde malen. Dit ziet 'n zekere Gordes, 
en van het tedere onderhoud meent hij het zijne te moeten 
denken. Als Seghelijn van de jacht thuis komt, wordt hij 
door de verklikker aangesproken, en moet hij vernemen, dat 
z'n trouwe Florette 'n minnaar in haar vertrekken heeft ont- 
vangen. Nog gelaarsd en gespoord snelt hij naar binnen, waar 
Prides en Blencbefleur, vermoeid van de reis en van de 
emoties, zich ter ruste hebben begeven, en Prides, verblijd 
dat hij 'n zoon rijk is, en vol berouw over z'n voormalige 
hardheid. God om vergeving van z'n zonden bidt. Daar nadert 
Seghelijn de sponde, menende in het slapende ouderpaar de 
schenders van z'n huwelikstrouw te zien, trekt z'n zwaard 
en doodt z'n moeder en z'n vader, 's Hemels last is volvoerd. 
Een engel verschijnt en zegt dat z'n taak is vervuld. Het rijk 
van Jeruzalem heeft gedaan, laat zich uit deze roeping ver- 
klaren; met Seghelijn, de erfgenaam van de oude wet, komt 
'n nieuwe aöra. Ook kunnen we er vrede mee hebben, dat hier 
'n streven bestaat om aanschouwelik te maken, dat het de 
nieuwe bedeling zelf is welke noodzakelikerwijs aan de oude 
bedeling 'n einde moet maken. Maar daarmee is niet de voort- 



410 J. Eoopmans, S^helgn yan JeruzaleoL 

zetting van de bekatombe verklaard in de dood van Florette 
en de moord op Gordes. Als Florette namelik ziet, wat er 
gebeurd is, mag ze niet in de bemelse bescbikking berusten, 
zoals 't de echtgenoot van 'n beilig handlanger in Qods raadsbe- 
sluit zou betamen, maar ze sterft onmiddellik van rouw. Evenzo 
wordt in Qordes niet 'n werktuig gezien in de uitvoering van 
'n Qoddelik bevel, maar bloot 'n verrader, die dadelik van 
kant wordt geholpen. Hier is het epos niet vast van lijn, niet 
vol karakter. Ondertussen heeft Florette's dood aan de ander 
kant weer 'n opening gelaten voor de vervulling van 'n andere 
voorzegging, bij Seghelijns geboorte, namelik dat de held van 
't stuk als n heilig man zal sterven. Na 't verscheiden van 
Florette toch, doet Segbelijn het Roomse rqk over aan Eon- 
stant^n de jonge, trekt zich terug als heremiet, brengt vijftien 
jaar in penitencie door, wonende op 'n boom, en wordt, na door 
de stervende Celestinus tot z'n opvolger te zijn aangewezen, als 
paus Benedictus de drager van de driedubbe kroon. Door z'n heilig 
leven, zeiden we reeds, werd hij tot loon in de hemel verheven. 



Ofschoon de roman 'n werk is van lange adem, is hij met 
'n bekwame hand en in vloeiende taal geschreven. De ver- 
haaltrant is vooral bij spannende momenten recht levendig; 
uitmunten doen hierin, de strijd van de vissersknaap, het 
grote toernooi, de gevechten tegen de reuzen-ooms, Bonacroy 
en Grloriclaudes ; het door ons opgemerkte rechtsgeding, en ten 
slotte het twistgesprek tussen de zeven jonkvrouwen, wie 
van haar de ruimste plaats in 't hart van Seghelijn zou 
innemen. Het is 'n idyllies schilderijtje te midden van 'n 
onafzienbaar fresco van houwdegens en bloedplassen. 

J. KoOPMANS. 



ma 



MEVR. KOOISTRA HAAR GIDSSTUK. 



In de Augustus-aflevering van De Qids plaatste Mevr. J. 
Kooistra, 'n boeiend geschreven opstel over Het recht van de 
phantasie^ en de opleiding van den onderwijzer^ waarvan wij onze 
lezers 'n korte inhoud wensen te geven. 

De schrijfeter begint met hare lezers te herinneren wat 
fantasie is: het vermogen, en de werkzaamheid, van uit be- 
staande voorstellingen door willekeurige combinaties nieuwe 
voorstellingen te vormen. Daarbij onderscheidt ze, en ver- 
duidelikt dit verschil met 'n voorbeeld, — vrije of intuïtieve 
verbeelding van navdgende verbeelding. Navolgende verbeelding 
heeft iemand die in staat is, onder het horen van de woorden 
van 'n ander, dezelfde voorstellingen als de spreker te vor- 
men; intuïtieve verbeelding heeft hij, die z'n voorstellingen 
zelf, zonder de leiding van anderen schept. Deze nu, is de 
fantasie bij uitnemendheid. 

In 't dageliks gebruik voelen we het onderscheid neergelegd 
in de woorden voorstellingsvermogen en fantasie. Wie het eerste 
niet heeft, kan 'n ander slecht volgen; wie geen fantasie 
heefb, zoekt niet bij intuïtie. 

Hoger dan de navolgende, staat de intuïtieve verbeelding. 
De eerste doet iemand de weg van anderen gaan; met de 
intuïtieve verbeelding breekt hij zich eigen banen. Zij geeft 
toekomstbeelden, die de mens met l^den en slaven, met 
duisternis en nuchterheid in de wereld verzoenen; zij wijst 
het godsdienstig gemoed op 'n beter leven; zij doet meeleden 
en meevoelen het leed van 'n ander. 



412 J. Eoopmans. 



Geen mens, zonder intuïtieve verbeelding. Qeen kind, zel&. 
Het kind vooral, heeft ze. En — zonder haar geen denker; 
veel meer dan de geleerde werkt de denker intuïtief; hij die 
geleerd, het intuïtieve vermogen mist, kan de door anderen 
gedolven schatten opstapelen, kan als compilator verbluffen 
en verblinden door mooie citaten, — de denker schept uit 
de gedolven schatten nieuwe; en hij mag wellicht minder 
goed hebben opgestapeld en opgenomen dan de geleerde, hij 
is er door in beweging gebracht, leeft 'n ganse gedachtenreeks 
door, en wordt gevoerd tot het scheppen van nieuwe oor- 
spronkelike denkbeelden. 

Zonder intuïtieve verbeelding geen organiseerend vermogen, 
geen initiatief, geen ontdekkingen en uitvindingen, dan die 
men dankt aan het toeval. Vooral 'n scheppend kunstenaar 
van beteekenis wordt men eerst door veel intuïtie. Het genie 
is de hoog intuïtieve geest, „waarin voortdurend rijk en forsch 
„de gedachten en gevoelens opborrelen uit onbekende diepte, 
„om in breede, stoute stroomen naar buiten te bruisen." 

Daarnaast staan de kleine genieën: „de stille weldoeners, 
die altijd bij intuïtie vinden het juiste woord, — de troos- 
tende, bemoedigende daad." 

De verbeelding, ofschoon voor 'n goed deel bepaald door de 
aanleg, kan geoefend worden; naarmate de voorstellingen 
toenemen, kunnen we er meer fantasiebeelden uit vormen, 
en de intuïtie neemt toe naarmate er vaker 'n beroep op 
wordt gedaan. Zelfs kan in de eene richting iemands beeldend 
vermogen toenemen, terwijl hij op 'n ander gebied nauweliks 
in staat is met z'n verbeelding 'n ander te volgen. 

Als de verbeelding 'n heerlijke gave is, en tevens geoefend 
kan worden, is 't de plicht van de opvoeding, het kind in 't 
verbeelden te oefenen, vooral in 't intuïtief verbeelden, dat 
aan 'n kind z'n oorspronkelikheid geeft. Alleen er is 'n ge- 
vaar. Voor nieuwe beelden (b. v. 'n leeuw) moet genoegzaam 
voorstellingsmateriaal aanwezig zijn. Voorts moeten fantasie- 
beelden niet als reéle waarnemingen beschouwd worden (als 



Mevr. Eooistra haar Gridsstak. 413 

bij 't zogenaamd zien van spoken) als wanneer verbeelding in- 
beelding wordt. En ten slotte moeten de waarnemingen wor- 
den beheerst, opdat er ook over de zuiverheid en zedelike rein- 
heid van hun nieuwe voorstellingen kan worden gewaakt! 

De verbeelding komt in ons onderwijs niet tot haar recht. 
De schrijfster neemt tot voorbeeld 'n aanschouwings-les, waarbij 
'n plaat met 'n poes, die 'n schoteltje melk omstort, voorde 
klas wordt gehangen. Wat wordt er gedaan? De aandacht 
wordt bepaald bij de voorwerpen op de plaat: de poes, haar 
omtrek, haar oren, haar poten, enz. daarna bij 't schoteltje, 
de melk en wat dies meer zij. Als eindelik de onderwijzer 
komt bij 't moment, dat het eerst de aandacht trok, Ae^ 6t£fon- 
dere op de plaat^ is de aandacht al lang weg. Waarom niet 
by 't biezondere begonnen ? Als wij op 'n plaat de ledige stoei 
zien, treft ons dan eerst de stoel, z'n omtrek, de poten, de 
tafel en verdere voorwerpen ? Toch zeker wel eerst de leegte 
het gemis^ de droeve toon, en wat hiervan de oorzaak is! De 
plaat werkt op onze verbeelding l En mag dat dan niet bij 't 
kind? De zaak is, „dat wij de kinderen honderd dingen leren, 
„die ze al lang weten of anders morgen zullen weten zonder 
„onze hulp; wij zeuren over allerlei toevalligheden, over on- 
„beduidendheden, en vergeten datgene waarop al het andere 
„z'n licht moet uitstralen. Wij rafelen te veel uit, werken te 
„weinig suggestief. Als de belangstelling al zonder ons toedoen 
„is gewekt en de kinderen zelf het centrum hebben gevonden, 
„zelfs dan nog willen wij vaak niet door hen laten leren, 
„geen gebruik maken van die warmte; — wij willen te veel 
„onze eigen weg volgen, of liever de weg die anderen vóór 
„ons zijn opgegaan en die wij nu ook al te gedwee, al te 
„volgzaam, al te werktuigelik bewandelen." 

Voor 't aanschouwingsonderwijs worden veel platen ge- 
bruikt. Om te leren zien, zegt men; zij moeten uit hetgeen 
ze waarnemen, besluiten tot de vorm, de a&tand en de be- 
trekkelike grootte der dingen. En vele platen zijn ook ge- 



414 J. Eoopmans. 



maakt voor het aanbrengen van kennis. Maar dit mag niet 
het enige zijn. De plaat moet ook spreken tot de verbeelding, 
leven, beweging in de kinderziel brengen, en door de Êintasie 
werken op het gemoed. En 'daarvoor bestaan geen geschikte 
platen. Hierin is verbetering zeer gewenst. Ook zouden repro- 
ducties van schilderden, en mooie platen uit illustrasies dienst 
kunnen doen. Nu en dan zou er bij afwisseling een in de 
klasse kunnen worden opgehangen. Op 't punt van kinderlek- 
tuur, acht de schrijfster, blijkt dat we 'n beter tijdperk zijn in- 
getreden. Sommige kinderboeken zijn in hun soort kunstwer- 
ken. — Ook kan 'n voorwerp dienst doen, bij dit vormend 
onderwijs. Een appel b. v. behoeft men niet alleen, te eien^ 
te haren (de pitjes), te t^oeZen, te ruiten en te proeven^ maar 
er is meer. In de appel zit ook 'n mysterie. Dit b. v. : hoe 
komt de appel aan de boom? En dit: Hoe wordt de kleine 
pit 'n appelboom? — Wel is waar, is menig geheim niet te 
ontsluieren voor de kinderen, ook zelfs niet voor ons, en 'n 
waarheid is dat wij de mysterieön alleen maar kunnen terug- 
brengen op vromere, — „maar toch heeft het z'n waarde, 
„verwondering, vaak bewondering voor allerlei mysterie te 
„gevoelen; en daarenboven: het streven naar ontdekking heeft 
„grote waarde, ook al wordt hét niet met volledig sukses 
„bekroond." 

En dan neemt de schrijfster eens de gieter. Niet om over 
de vorm, en de kleur en de klank te spreken, maar om te 
gieten^ en om te vragen hoe het komt dat de gieter dit zo 
mooi kan. De kinderen onderzoeken dit, leren zo de zaken 
kennen, maar niet meer materialisties als bij anderen, doch 
„ze groeperen om dat ene heerlike visioen, dat telkens even 
werkelikheid wordt: om het gieten zelf." 

Het onderwijs is te verbeeldingloos. En dit verbeeldingloze 
bereikt bij 't aanschouwingsonderwijs z'n toppunt. Voor de 
kinderen is het 'n herhaalde teleurstelling, 'n pijniging. En 
de onderwijzer die geen betere weg dan de sleurw^ weet, is 
de slachtoffer van 'n verkeerde methodiek. Alleen het spreken 



Mevr. Eooistra haar Gridsstnk. 415 



tot de verbeelding is de tooverstaf, die de ware belangstelling 
levendig houdt. 

En nu is de scbrij&ter het vertéUen genaderd. Dit vooral 
spreekt sterk tot de verbeelding. Twee opmerkingen wenst 
de schrijfster er bij te maken. Vooreerst: de verbeelding be- 
moeit zich vooral met het biezondere „De man had maar 
twee centen op zak," spreekt meer tot de verbeelding dan 
„hij had maar weinig op zak." Het kind wil bizonderheden, 
typering, wil de personen en gebeurtenissen als 't ware vóór 
zich zien, wil aanschouwelikheid, plastiek. Daarom, moet ook 
de onderwijzer de personen en gebeurtenissen helder en scherp 
voor z'n eigen geest hebben, en ze scherp aftekenen voor de 
kleinen. — Voorts, wat de inhoud betreft, — er moet tnerg 
in de verhalen zitten. Ook moeten het mensen zijn met mer^, 
die er in voorkomen. Vooral bewonderen kinderen moed. 
Lichamdike moed, uitkomende in 't onversaagd strijden tegen 
gevaren die men onder de ogen moet zien, en zeMïke moed. 
Moed toch is een van de eerste eigenschappen van 'n per- 
aoonlMieid. En de school moet kweken de moed om zich zelf 
te zijn, ondanks de te verwachten nadelige gevolgen. En 
vooral hierom, omdat kinderen zo gevoelig zijn voor de toe- 
juiching en de afkeuring van hun makkers, die o zo wreed 
kunnen zijn. En er moet voor de kinderen iets hoger zij n dan 
de goedkeuring van anderen. Daarom doet de persoonlikheid 
van de opvoeder in dezen zo veel tot de vorming af. 

Ook bij voortgezet onderwijs, b. v. in de vad. geschiedenis 
moet worden gesproken door 't ftiewkferc. Een beschry ving van 
'n Batavieren-gezin pakt meer dan 'n beschrijving van 't leven 
der Batavieren. Daarom vormen zozeer de historiese roman, 
en de dramatiese poëzie door hun aanschouwelikheid. Men denke 
aan de Maria Stuart van Schiller? De geschiedenis moet zijn 
'n reeks van taferelen, die zich meester maken van de ver- 
beelding ! En tot de verbeelding moet worden gesproken door 
't bieisonderel Een biezondere voorstelling zet meer vast dan 



416 J. Koopmans. 



'n algemene. En dit is zo in alle ondenoys] By taalwetten 
en bij natuurwetten! Pakkende voorbeelden en interessante 
proeven lichten het duidelikste toe. 

De fout in ons onderwijs is, dat we aan de scheppings- 
drang niet de nodige leiding, niet eens aanleiding, en nog 
minder het materieel geven. Fröbel schijnt voor niet te hebben 
geleefd. Wij bevorderen geen eigen initiatief; nivelleren te 
veel. Wii houde graag orde, hechten aan kennis, meer dan 
aan geestelike groei. Wij trekken de lijnen van leiding te 
precies. Wij willen dat de kinderen de sterk gesplitste moeie- 
likheden één voor één zullen overwinnen^ en 't is juist de 
zaak dat de kinderen zoveel mogelik zelf leren vinden, waar 
de moeielikheden zitten. De opvoeding moet er op uit wezen, 
niet om de problemen leren op te lossen, maar om te leren, 
de problemen zelf te stellen. De kinderen moeten zelf het 
doel bepalen. Bij zelf waarnemen, zelf-denken, en zelf-doen, 
moet nog iets bij : nl. edf verzinnen. „Geef zoveel mogelik 
„aanleiding tot de ruimte aan het initiatief!" 

Nog even de leervakken aanroerende, wijst de schrijfeter 
op het opvoedende van vry-tekenen^ waarbij hier en daar de 
verbeelding wakker moet worden geroepen; op het vrij-bouwen 
bij 't Fröbelen, en op het Meteen van de tekeningen! Juist 
door 't verschil in kleur en tint leren de kinderen de vormen 
waarnemen. De lei wil de schrijfster behouden ; er is wel iets 
te zeggen voor het voorbijgaande, voor de probeersels! En 
gaan de torens van blokken ook weer niet omver? En 't 
zelfde vrije werken is ook op te merken bij handenarbeid^ en 
ook bij 't spdl 

En dan het mooie slot van dit eerste stuk. Wat moet bij 
dit opleiden tot eigen initiatief, de taak zijn van de onder- 
wijzer? Hij moet hebben 'n doel, 'n wil, 'n organiserend 
talent, rustende op 'n intuïtieve verbeelding. Hij moet de 
plaat, die hij wil bespreken, waarnemen, en dan verder weten 
hoe hij moet handelen, om ook bij de kinderen 'n overeen- 
komstig gevoel te wekken. Zo ook bij de vertelling. Hij moet 



Mevr. Kooistra haar Gridsstnk. 417 



inleven in de kinderwereld, en zo de kunst waarmee hij de 
verbeelding wil vormen, vruchtbaar maken, om te verstaan 
en te genieten. Hij moet gebrekkige fantasiebeelden, in 
woorden, en op papier, leren herkennen; invallen kunnen 
volgen en kontroleren, en het kind z'n fouten leren zelf te 
verbeteren. Zijn woord moet pakken, z'n vragen moeten haken 
in de kinderziel. Hij moet ze brengen tot hun kinderiedealen, 
die van zelf hoger zullen worden. 

„Voor dit alles moet hij veel navolgende en intuïtieve ver- 
beelding bezitten. 

„Veel induïtie is nodig voor de paedagogiese takt." 

Dat is: „de geschiktheid, om steeds op 'n gegeven ogenblik 
juist dat te spreken of te doen, dat te zwijgen of te laten, 
waardoor men op het kind de op dat ogenblik beoogde goede 
invloed uitoefent." 

De volgende maal komen we op het slot van het mooie 
artikel terug. 



T. EN L. XII. 28 



INDIESE LETTERKUNDE. 



„Waarom bestaan er zooveel Nederlandsche chrestomathieön, 
en geen enkele Nederlandsch-Indische ?" vraagt de heer S. 
KalfifOi ^^ ^^i nieent dat het antwoord opgemaakt kan wor- 
den uit deze andere vraag van kapitein J. P. Schoemaker: 
„Getuigt het niet van verregaande onverschilligheid ten aan- 
zien van ons eilandrijk aan gene zijde van den evenaar, dat 
de Nederlandsche jeugd, die volgepropt wordt met de geschie- 
denis der vreemde en oudere volken, zoo goed als niets leert 
van onze zeer belangrijke en roemrijke koloniale historie?" 

Het zou dus hier weer wezen onbekend maakt onbemind. 

Maar hoe dan te verklaren wat de heer K. als een feit be- 
schouwt, dat er een „geheele Indische letterkunde'' bestaat, 
die nog wel buitengewoon „rijk en verscheiden" is? Een 
bloeiende indiese letterkunde en een onverschillig nederlands 
publiek zijn moeilik te rijmen. De klacht is niet nieuw dat 
we te weinig van Indié en z'n geschiedenis weten, maar het 
goede op letterkundig gebied dat uit Indieê tot ons kwam of 
dat in Nederland over toestanden en mensen in onze kolo- 
nieén werd geschreven, werd hier altijd met behoorlike be- 
langstelling ontvangen; zowel in de Tijdspiegel als in het 
Tweemaandelijksch Tijdschrift — om van onze letterkundige 
periodieken er twee te noemen, die niet met dezelfde literaire 
katechismus zijn opgevoed — werden romans uit de Indiese 
samenleving gunstig beoordeeld ; zelfs vrij onbetekenende 
„Indiese" romans behoren tot de gangbare lektuur in alle 



1) Oost-Indisch Landjuweel, verzameld door S. Kalff. Haarlem, H. D. Tjeenk 
Willink en Zoon. 1902. 



J. L. C. A. Meyer, Indlese Letterkunde. 419 

bibliotheken en lee^ezelschappen. En eindelik: in veel bloem- 
lezingen kwamen al stukken voor uit de werken van Ver- 
kerk Pistorius, Groneman, van Rees, Melati van Java, Mul- 
tatuli, Junghun, P. J. Veth, Annie Foore, van Hoëvell en 
van nog veel andere schrijvers, die in 't boek van de heer 
K. niet genoemd zijn. 

't Blijkt dus dat er niet gebrek aan belangstelling is, maar 
dat de samenstellers van bloemlezingen de Indiese schrijvers 
over Indieö beschouwd hebben als nederlandse auteurs. En dan 
bestond er voor hen geen reden om stukken uit de werken 
van die auteurs in een afzonderlike bundel te verenigen, om- 
dat bij het verzamelen geen rekening gehouden wordt met de 
woonplaats van de schrijvers of met de landen of volken waar- 
over ze schrijven, maar alleen met het gehalte, de betekenis 
van hun werk. 

Bovendien erkent de heer K. zelf dat „indien men alleen 
met de aesthetica wilde te rade gaan, alleen met die Indische 
werken welke uitblinken door meesterschap over den vorm, 
of rijkdom van gedachten, of adel van voorstelling, door akade- 
mischen stijl of door vernuft van goeden huize," dat dan 
„de bloemen nog te schaarsch [zouden] zijn," 

Wat de heer K. miste en wat hg nu in zijn „Landjuweel" 
heeft trachten te geven, is dus een bloemlezing van een 
andere aard dan de nederlandse waarvan hij spreekt; is een 
boek waarin stukken uit verschillende eeuwen worden aange- 
troffen en van allerlei gehalte en genre ; uit romans en natuur- 
beschrij vingen, uit reisverhalen, geschiedkundige opstellen en 
levensschetsen, en zelfs uit archieven. 

Dat alles wordt geacht bijeen te behoren omdat het han- 
delt over Indieê, indiese toestanden, of personen die zich in 
Indieê naam gemaakt hebben. 

Zo komen in het „Landjuweel" b. v. Schaepman en Con- 
science voor, de een als feestredenaar over Jan Pietersz Koen, 
de ander als schrijver van „Batavia" — naast Potgieter als 
dichter van „Bronbeek". Maar ook vinden we er een uitvoering 



420 J. L. C. A. Meger, Indiese Letterknnde. 

uitsteeksel uit een contract van 1786 betreffende „de leveran- 
tie van een Regement aan de O. I. Compagnie" ; een keur van 
1642 „van droncken drincken ende tavarnen"; een „getuig- 
schrift aan een O. I. predikant"; een „plakaat" van 1755 over 
„uitschrijving van een bede-dag" ; en een hele rij van stukken 
die niet gekozen zijn om vorm of stijl, en die gewoonlik niet 
in aanmerking komen voor een „letterkundige" verzameling. 

De titel „Landjuweel" *) en de vermelding van de Indiese 
letterkunde in de voorreden zouden iets anders doen verwachten. 
Een boek als dit moest uit vijf, uit tien delen bestaan en uit- 
gebreider proeven bevatten om een bruikbaar hulpmiddel te 
zijn bij de studie van land- en volkenkunde, sosiologie en let- 
terkunde. Want voor ieder van die wetenschappen geeft het 
wat, voor géén genoeg. En voor een leesboek over Indieê be- 
vat het te veel dat alleen uit een archaeologies of ander 
wetenschappelik oogpunt van belang is. 

De verzamelaar kan hier tegenover stellen dat hij alleen 
„eene opwekking en eene wegwijzing haar den kolonialen 
letterschat" heeft willen geven; de laatste zin van de voor- 
rede geeft het recht het „Landjuweel," ondanks die te veel 
zeggende titel, als een uitvoerig prospektus te beschouwen. 

„Zoo deze weinige vruchten uit den Indischen ,fruytkorf naar 
smaak mochten wezen," zegt daar de heer K, „welnu, ze 
groeiden gelijk de pruimpjes van den kinderdichter, ,aan een 
boom zoo vol geladen' — en die nog vaak geschud kan worden." 

En dan is hier voor wie het nog niet mochten weten aan- 
getoond, dat er stof genoeg is voor een „lijvig" boek, dat 
„Uit en over Indië" zou kunnen heten, en dat al naar de 
smaak en de bedoeling van de verzamelaar een lees- of een 
studieboek zou kunnen zijn, en een wetenschappelik of een 

litterair karakter zou kunnen hebben. 

J, L. C. A. Meijer. 

1) Een herinnering aan de letterkundige feestelike wedstrijden van de Rede- 
rijkers in de 15de en 16de eeuw. 



ENGELSCHE GEDICHTEN, DOOR STARTER 

NAGEVOLGD. 



Een artikel van den Heer A. E. H. Swaen in de laatst 
verschenen aflevering van het Tijdschrift voor Ned. taal- en 
letterkunde (dl. XXI blz. 149—150) geeft mij aanleiding, dit 
onderwerp te dezer plaatse eenigszins uitvoerig te behan- 
delen. Ik doe dat hoofdzakelijk aan de hand van W. Chap- 
pell's Poptdar ntusk of the old time; a cóUection of ancient 
songs^ ballads^ and dance tunes^ iUustrative of the nationcd mu- 
sic of JEngland^ London w. d. *) Ofschoon wijlen Prof. Land 
in het Tijdschrift der Vereen, voor Noord- Ned. Muziekgesch. 
op dit schoone en met veel eruditie bewerkte boek meerma- 
len de aandacht heeft gevestigd, schijnt het toch niet zoo 
algemeen bekend te zijn, als het wel verdient. Een schat van 
Engelsche liederen en melodieën wordt er in aangetroflfen met 
talrijke critische opmerkingen Het werk is chronologisch ge- 
rangschikt en geeft bij ieder tijdvak een inleidend overzicht. 
Ook in onze liederboeken is de schrijver geen vreemde : Vale- 
rius en Starter noemt hij herhaalde malen. 

Allereerst enkele opmerkingen omtrent bovengenoemd arti- 
kel, waarin de heer Swaen Starters Of in een Dagh^ in een 
Maend^ in een loer vergelijkt met het Engelsche What if a 



4) Volgens Grove's Dictionary of music and musiciana in 1855—59 versche- 
nen. Een nieuwe zeer gewijzigde editie, door Prof. H. E. Wooldridge onder den 
titel ,,01d English Popular Music" in 1892 uitgegeven, kwam mij niet ter hand. 



422 M. M. Eleerkooper. 



day^ or a mcvWh^ or a yea/r^ van Thomas Campion en tot de 
conclusie komt, dat het eerste couplet van den Boet-sangh 
een getrouwe vertaling is van het Ëngelsche origineel, maar 
overigens tusschen de twee liederen geen verband bestaat. 
Die naam Boet-mngh^ nog wel met ouderwetsche spelling, zou 
doen vermoeden, dat de dichter zelf het gedicht zoo genoemd 
had; wij danken dien echter aan het vindingrijke brein van 
den uitgever Dr. J. van Vloten, die aan vele liederen, zonder 
het echter te vermelden, zelf gekozen benamingen gaf. Voorts 
heeft de schrijver verzuimd te vermelden, op wiens gezag 
het medegedeelde berust: Thomas Campion, die terecht de 
dichter genoemd wordt van het Ëngelsche lied, overleed niet 
in 1620, maar in 1619, altijd volgens W. Chappell, aangezien 
in het register van „St. Dunstan's in the West" te Londen 
op den 1^1^ Maart 1619 de begrafenis van ,,Thomas Campion 
Doctor of Physicke" genoteerd is. In de groote Dictionary of 
NcUiofuU Biography (London, 1886) en in Qrove's Dictionary 
i. V. lezen wij hetzelfde. Ook is het jammer, dat de schrijver 
niet vermeld heeft, waar hij het Ëngelsche lied gevonden 
heeft. Terwijl hij beweert, dat het slechts twee coupletten 
heeft, geeft Chappell er vijf, waarvan de tekst op weinige 
punten van de in het Tijdschrift geciteerde lezing afwijkt. 
Blijkbaar is de eerste het meest betrouwbaar. Vergelijken wij 
b. V. deze regels: 

May not the change of a night or an hour. 
Cross thy delights with as many sad tormentings 

met Starters vertaling: 

't Verandere kan, van een uyr of een paer, 
Ki'uysschen u vreughd weer met soo veel bitterheden. 

dan zien we, dat delighis aan het Nederlandsche vreughd be- 
antwoordt, niet, zoo als de heer Swaen geeft, desires. 
Ik deel daarom het zangerige lied in zijn geheel mede: 



Engelsche gedichten, door Starter nageyolgd. 423 

What if a day, or a month, or a year, 

Crown thy delights with a thousand sweet contentings, 

May not the change of a night or an hour, 

Cross thy delights with as many sad tormentings, 

Fortune, honour, beauty, youth. 

Are but blossoms dying; 

Wanton pleasures, doting love, 

Are but shadows flying. 

All our joys are but toys, 

Idle thoughts deceiving; 

None hath pow'r of an hour 

Of his life's bereaving. 

Th' earth's but a point of the world, and a man 
Is but a point of the earth's compared centre : 
Shall then the point of a point be so vain, 
As to triumph in a silly point's adventure? 

All is hazard that we have, 

Here is nothing biding; 

Days of pleasure are as streams 

Through fair meadows gliding. 

Weal and woe, time doth go, 

Time hath no returning; 

Secret Fates guide our states 

Both in mirth and mourning. 

What if a smile, or a beek, or a look, 
Feed thy fond thoughts with many vain conceivings: 
May not that smile, or that beek, or that look. 
Teil thee as well they are all but false deceivings? 

Why should beauty- be so proud, 

In things of no surmounting? 

All her wealth is but a shroud, 

Nothing of accounting. 



424 M. M. Eleerkooper. 



Then in tbis there's no bliss, 
Which is vain and idle, 
Beauty's flow'ra have their hours, 
Time doth hold the bridle. 

What if the world, with a lure of its wealth, 
Raise thy degree to great place of high advancing ; 
May not the world, by a check of that wealth, 
Bring thee again to as low despised changing? 

While the sun of wealth doth shiie 

Thou shalt have friends plenty; 

But, come want, they repine, 

Not one abides of twenty. 

Wealth (and friends), holds and ends. 

As thy fortune rise and fall: 

Up and down, smile and frown, 

Certain is no state at all. 

What if a grip, or a strain, or a fit, 

Knch thee with pain of the feeling pangs of sickness : 

May not that grip, or that strain, or that fit, 

Shew thee the form of thine own true perfect likeness ? 

Health is but a glance of joy, 

Subject to all changes; 

Mirth is but a silly toy, 

Which mishap estranges. 

Teil me, then, silly man, 

Why art thou so weak of wit. 

As to be in jeopardy, 

When thou mayst in quiet sit? 

(t.a.p. I. pag. 311—312.) 

Chappell vond het gedicht met den titel " A Friend's Advice, 
in an excellent ditty, concerning the variable changes in this 
world" (printed by the assigns of Thomas Symcocke) als plano- 



Engelsche gedichten, door Starter nagevolgd. 425 

druk in de Roxburgh CoUection op het Britsch Museum te 
Londen, dl. I, 116 en II 182 en met het opschrift „The in- 
constancy of the world" in The Golden Garland of Frincély 
Delights^ third edition, 1620. Ofschoon woorden noch muziek 
in Campion's werken aangetroffen worden, is toch het lied, 
misschien ook de melodie, op het gezag van een tijdgenoot, 
aan hem toe te schrijven. Ik wijs er nog op, dat de zang- 
wijze dezelfde is als die van het bekende lied op het ontzet 
van Bergen op Zoom, tegenwoordig door Prof. Loman's editie 
van Liederen uit Valerius' Gedenck-danek zoo populair ge- 
worden. 

In het thans uiterst zeldzame liederboekje, L Startars^ (sic) 
Lust-hoofken^ getiteld, vóór de authentieke uitgave van den 
Frieschen Lusthof te Utrecht in 1621 verschenen, wordt boven 
een lied de „voyse" aangeduid door van het oorspronkelijke 
Engelsche gedicht het geheele eerste versje op te geven. Men 
kan dus vergelijken: 

My Mistres sings noon *) other song 
But stil complains I doe her wrong 
Belief her not for it is not so 

For I did but kiss her 

For I did but kiss her 

For I did but kiss her 

And so let her go. 

Starter gaf dit op deze wijze weer : 

lek weet niet wat mijn Vrijster schort 
Sy klaecht dat ick haer eer vereert 
Maer ick heb haer daer in niet misdaen. 

Want ick haer maer soende. 

Niet schandelijcks doende. 



1) Oude spelling voor none. 



426 M. H. Kleerkooper. 



Want ick haer maer soende 

En liet haer doe gaen. (t. a. p. blz. 120— 121). 

Men ziet, dat bü zich niet slaafe aan zijn voorbeeld hield, 
maar, in plaats van tweemaal, den voorlaatsten regel van 't 
Engelsche lied slechts eens herhaalde, terwijl hij daarvóór nog 
een anderen dichtregel inlaschte. Jammer genoeg heb ik de 
overige coupletten van My Mistres sings noan oiher song niet 
kunnen vinden. W\j zouden dan ook hier kunnen nagaan, of 
zij door den Prieschen dichter vertaald z\jn. Noch bij het voor- 
gaande, noch bij de liederen, die hier volgen, is dit het geval. 

In dezelfde collectie op het Britsch Museum (I, 388) vindt 
men een ander lied, eveneens door Starter gedeeltelijk nage- 
volgd. Het is getiteld: „A pleasant new Ballad of Daphne: 
To a new tune" Printed by the assignees of Thomas Sym- 
cocke. 

Ziehier den tekst, zooals Chappell hem, gemoderniseerd, geeft 
(t.a.p. I pag. 388-889). 

When Daphne from fair Phoebus did fly, 
The west wind most sweetly did blow in her face, 
Her silken scarf scarce shadow*d her eyes, 
The God cried, O pity! and held her in chace. 
Stay, Nymph, stay, Nymph, cries ApoUo, 
Tarry, and turn thee, Sweet Nymph, stay, 
Lion nor tiger doth thee follow. 
Turn thy fair eyes, and look this way. 

O turn, O pretty sweet. 

And let our red lips meet: 

Pity, O Daphne, pity me, &c. 

She gave no ear unto his cry, 
But still did neglect him the more he did moan; 
Though he did entreat, she still did deny. 
And earnestly pray him to leave her alone. 



Engelsche gedichten, door Starter nagevolgd. 427 

Never, never, cries ApoUo, 
Unless to love thou wilt consent, 
But still, with my voice so hoUow, 
FU cry to thee, while life be spent, 
But if thou turn to me, 
'Twill prove thy felicity. 
Pity, O Daphne, pity me, &c. 

Away, like Venus's dove she flies, 

The red blood her buskins did run all adown, 

His plaintive love she still denies, 

Crying, Help, help, Diana, and save my renown. 

Wanton, wanton lust is near me, 

Cold and chaste Diana, aid! 

Let the earth a virgin bear me, 

Or devour me quick a maid. 

Diana heard her pray, 

And turn'd her to a Bay. 

Pity, O Daphne, pity me &c, 

Amazed stood ApoUo then, 
While he beheld Daphne turn'd as she desir'd, 

Accurs'd am I, above gods and men, 
With griefs and laments my senses are tir'd. 
Parewei! false Daphne, most unkind, 

My love lies buried in thy grave. 
Long sought I lové, yet love could not flnd, 
Therefore is this thy epitaph: 
„This tree doth Daphne cover, 
That never pitied Lover." 
Farewell, false Daphne, that would not pity me, 
Although not iny love, yet art thou my Tree. 

Het eerste couplet is door Starter wel niet letterlijk maar 
toch zóó weergegeven, dat we de trekken van het oorspron- 
kelijke nog zeer goed kunnen herkennen. 



428 M. K. Eleerkooper. 



Doen Daphne d'overschoone Maegbt 
Van ApoUo haer vlucht nam ten Bosscbewaert in, 

En van hem snel wierd naegejaeght. 
Hy liep en hy riep vast: O schoone Goddin! 
Toeft wat, toeft wat, weest niet verbolghen, 

En waerom loopje? iou selven besind: 
Leeuwen, noch Beyren, noch Tygers dy volgben; 
Maer 't is ApoUo die u so bemind: 
Wild u erbarmen yet, 
Acht ghy mijn karmen niet? 
Laet ghy mijn Qodheyd dan inde ly? 
Hebt deernis, o Daphne! hebt deernis met my. 

(Priesche Lusth. 4^6 dr. blz. 165 vlg.) 

Verder is er van vertaling of zelfs navolging van het 
Engelsch niets te bespeuren. Alleen hierin komen de beide 
liederen nog overeen, dat, terwijl bij Ovidius aan wiens Meta- 
marphoses de stof voor dit gedicht ontleend is, Daphne haren 
vader Peneus en de aarde om hulp smeekt, Starter haar 
laat uitroepen: 

Kuysche Diana komt, 

evenals de onbekende Engelsche dichter: 

Cold and chaste Diana, aid! 

Overigens heeft de Priesche dichter gebruik gemaakt van 
den Latijnschen tekst: ook het Engelsche hed doet ons 
trouwens bij wijlen daaraan denken. Waar ApoUo bij Ovidius 
met nadruk zijn eigen lof zingt: 

Cui placeas, inquire tamen. non incola montis, 
Non ego sum pastor, non bic armenta, gregesque 
Horridus observo. nescis, temeraria, nescis, 
Quem fugias, ideoque fugis. mihi Delphica tellus 
Et Claros et Tenedos Pataraeaque regia servit. 



Ëngelsche gedichten, door Starter nagevolgd. 429 

luppiter est genitor. per me quod eritque fuitque 
Estque, patet: per me concordant carmina nervis. 

Inventum medicina meum est, opiferque per orbem 
Dicor, et herbarum subiecta potentia nobis. 

zegt de zonnegod bij Starter: 

De geen daer ghy so schuw van vlucht, 
Is Harder, noch kinckel, die 't vee hoed, of weyd : 

Maer 't is een God die door de lucht 
De gulde glans van sijne stralen uyt spreyd. 

d' Opperste lupiter is mijn Heer vader, 
Claros, en Delphos, en Tenedos staen 

Tot mijn gebied en bevel allegader, 
lek ben de Son, mijn suster de Maen. 
Kruyden en bloemen „die 
lek nau te noemen ;,sie 
Locken mijn stralen alleen uyt d' aerd: 
Mach dit u niet locken? O schoon' u bedaerd! 

Noyt word ick oud, staeg blijf ick jong. 
Mijn hayr en vergrijst noyt: maer blijft even geeP), 

En dat mijn stem; wanneer ick song 
By de negen Musen, en 't spel van mijn Veel 
V (o mijn Daphne!) mocht komen ter ooren, enz. ^). 

Het laatste couplet van dit gedicht is waarschijnlijk ge- 
ïnspireerd door Van Manders Wtlegghingh Op den Metamor- 
phosis Pub. Ouidij Nasonis: 

De droeve Phoebus bleeck van rouw. 
Omhelsde met tranen de lieve Lauw'rier, 



1) MeUmorph. I vs. 512->518 en 521—522. 

2) Hier =: blond. 

3) Vgl. ook nog coupl. 4 reg. 7 en 8 met Met. I, 547 en coupl. 5 reg. 2 en 
reg. 12 met Met. I, 555 en 556. 



430 M. K. Eleerkooper. 



En seyd, o Boom! beeld van mgn vrouw! 
Blyft altijd jong, en een vyand van 't vyer, 

Sparteld en klaterd, wanneer men u blad'ren 
Werpt in het vyer, doet als Daphne deed, 

m 

Doen haer het vyer van mijn minne wou nad'ren, 
Strijd dan, als Daphne my weder-streed. 

Leert daer de Maeghden door. 

Als men haer jaeght, het oor 
Nimmer te buygen naer gayle lust: 
En daer op heeft Phoebus den boom eens gekust ^). 

Het is merkwaardig, dat van een ander lied, ook in ge- 
melde verzameling te vinden (I, 330) onze dichter eveneens 
slechts de eerste strophe nagevolgd heeft. Ik bedoel „The 
Obsequy of Faire Phillida : with the Shepherds' and Nymphs' 
Lamentation for her losse. To a new court tune" Bij Chappell 
(I 319-820) luidt het aldus: 

The fairest nymph the valleys 

Or mountains ever bred, 

The shepherd's joy, 

So beautiful and coy 

Fair Philida is deadi 

On whom they oft have tended 

And caroFd in the plains. 

And for her sake, 

Sweet Roundelays did make, 



1) t. a. p. Ed. Haarlem 1604, fol. 8vo. 

De bediiydinge hier van is dese, dat Daphne vliedende d' oncuyssche Liefde, 
aenwijst, dat een Maeght, die haer Maeghdlijcke eere sorghvuldich bewaert, blijft 
jeughdich, en behoudt een geduerigh goet welrieckende gherucht, ghelijck den 
Lauwer ghestadich groen, goeden reucke van hem gheefl : Want sulck moet de 
Maeghdlijcke reynicheyt oock wesen onverandert, om spoedich in eeren te bloeyen : 
En even alsoo den Lauwer in *t vyer geworpen wesende groot getier maeckt, 
schijnende al brandende de vlamme te wederstrijden, sulck moet wesen den aerdt 
van een eerlijcke Maeght, de vlamme der oncuysheyt wederstaende, oock met ghe- 
crijt, als sy met eenigh ghewelt onbehoorlijck tot oneeren wort versocht, of ghe- 
dwonghen. 




Engelscbe gedichten, door Starter nagevolgd. 431 

Admir'd by youthful swains. 

But cruel &te, the beauties envying 

Of tbis blooming rosé, 

So ready to disclose, 

With a frost unkindly 

Nipt the bud untimely, 

So away her glory goes. 

The sheep for woe go bleating, 

That they their goddess miss, 

And sable ewes, 

By their mourning, shew 

Her absence, cause of this. 

The nymphs leave off their dancing, 

Pan's pipe of joy is cleft, 

For great bis grief, 

He shunneth all relief, 

Since she from him is reft. 

Come, fatal sisters, leave your spools, 

Leave weaving altogether, 

That made this flower to wither. 

Let envy, that foul vipress. 

Put on a wreath of cypress, 

Sing sad dirges altogether. 

Diana was chief mourner 

At these sad obsequies, 

Who with her train 

Went tripping o'er the plain, 

Singing doleflil elegies. 

Menalcbus and Amintas, 

And many shepherds moe, (= more) 

With mournful verse, 

Did all attend her hearse, 

And in sable saddles go. 



432 li. M. Eleerkooper. 



Flora, the goddess that us'd to beautity 

Fair Phillis' lovely bowers 

With sweet fragrant flowers, 

Now her grave adorned, 

And with flowers mourned, 

Tears thereon in vain she pours. 

Venus alone triumphed 

To see this dismal day, 

Who did despair 

That PhiUida the fair 

Her laws toauld ne*er obey. 

The Uinded boy his arrows 

And darts were vainly spent; 

Her heart^ alas^ 

Impenetrable leas^ 

And to love toould ne*er assent. 

At which affront^ Citharea repining^ 

Caus^d DecUh with his dart 

To pierce her tender heart; 

But her noble spirit 

Doth stich joys inherü^ 

As from her shaü ne*er depart. 

In den Frieschen lusthof vinden wij een Klaegh-Liedty Over 
d'on-rype doodt van PhyUis. Het begint op deze wijze: 

D' Vytmuntenst' Harderinne, die onder 's Hemels kap 

Op aerden heeft tot heden toe geleeft 

In deught en wetenschap, 

In hoogbegaefde zinnen, in leden wel gesteld, 

In watmen roemt 

Voor schoon, of schoonheydt noemt, 

Leydt door de Doot gevelt. 

Het wreede Noodlot (den menschen onmijdlijck) 

Geen genaed gebruyckt: 



Engelsche gedichten, door Starter nagevolgd. 433 

Maer doodt eer 't recht ontluyckt, 

Met een vorst onlijdlijck 

't Roosje dus ontijdlijck 

D'wijl het op het schoonste ruyckt. 

(Friesche lusth. 4de dr. blz. 194). 

Het tweede en derde couplet, waar Starter deerlijk uit den 
toon van een klaaglied valt, kunnen wij buiten bespreking 
laten; in het vierde en op het einde van het vijfde is de 
invloed van het Engelsche lied echter duidelijk op te merken. 
Wordt daar in de derde strophe Diana vermeld als "chief 
mourner At these sad obsequies" en in de laatste Venus 
zegepraal beschreven, Starter noemt beiden in één adem en 
het slot van zijn lied is onmiskenbaar een herinnering aan 
den Engelschen lijkzang. Men vergelijke maar eens met het 
boven door mij gecursiveerde: 

Diana sy beminden, en Venus socht haer aen 

Met list, met konst, op dat sy in haer gonst 

Mocht met haer Soontje staen: 

Maer sy kost nimmer vinden een plaets in Phyllis hart 

't Was, blijft Diaen, 

En Venus hy sult gaen, 

't Welck haer te bitter smart: 

Want Venus kond de smaed niet gedogen. 

Dies heeft sy de dood 

Gebeden en genood 

Die van sijnder bogen 

Heeft een pijl getogen, 

Die mijn Phyllis hart doorschoot*). (t. a. p. blz. 195) 

Welke conclusie valt er voor ons uit het medegedeelde te 



1) Het slot van 't vijfde : 

.... haer groote deughden, 
Haer eerbare vreughden 
Zijn alt\)d onsterffel\jck. 

T. en L. xii. 29 



434 M. H. Eleerkooper. 



trekken ? Mij dunkt deze : Starter had de liederen hier of in 
zijn geboorteland hooren zingen. Met de melodie hadden de 
aanvangscoupletten zich in zijn geheugen geprent. Zooalsook 
bij ons het „Wilhelmus" en het „Wien Neerlandsch bloed" 
veelal slechts voor een deel gekend worden, was hem de rest 
dier liederen bijna geheel ontgaan of onbekend gebleven. Ook 
daar, waar wij van een vertaling niets kunnen bespeuren, 
moeten wij dus den invloed van de Engelsche poëzie op den 
Prieschen dichter in aanmerking nemen : een invloed, die zich 
uit in den geheelen gedachten- en gevoelssfeer, waarin zich de 
dichter beweegt, in dat onnaspeurlijke, dat ick-en-weet-niet- 
wat, waardoor het kleinste stofje nog de vroegere aanraking 
van den amber verraadt. Het is daarom, dat ik in het boven- 
staande de liederen in extenso heb medegedeeld. 

Bij het bladeren in Chappell's werk komt ons meermalen 
Starters poëzie in den zin en alleen een grondig kenner van 
den Oud-Engelschen liederschat en dien van den Frieschen 
zanger kan zich ten volle rekenschap geven van het verband 
tusschen beide. Lezen wij in het Engelsche werk de ver- 
handeling over „catches" (beurtzangen), dan denken wij onwil- 
lekeurig aan de eigenaardige proeven daarvan in den Frieschen 
lusthof. In het voorgaande is het onderwerp, dat ik hier heb 
aangeroerd, zooals men begrijpen zal, slechts zeer fragmen- 
tarisch besproken. 

De Heer Swaen zelf had reeds in een vroegeren jaargang 
van het Tijdschr. v. Ned, Taal- en Letterk. (Dl. XVI blz. 
121 — 128) het verband aangetoond, dat er bestaat tusschen 
een episode in een tooneelstuk van 1602 „How a man may 
chuse a good Wife from a bad" en Starters „Menniste vry- 
agie." De vrouwelijke „puritan" werd onder de handen van 
onzen dichter een „soet Menniste Susje." Een trek van het 
jolige gedicht wordt ons door een opmerking van Chappell 
duidelijker. Waar hij over "Puritanism in its effects upon 
music and its accessories" spreekt, vertelt hij ons ook in het 
voorbijgaan, dat zij een wezenleken of voorgewenden afkeer 



Engelsche gedichten, door Starter nagevolgd. 435 

van het kussen hadden, (II, 407), toenmaals in Engeland als 
vriendschappelijke begroeting en bij het dansen zeer in zwang. 
Vandaar, dat Starter zijn „Menniste Susje" ook „seer hoffelijk 
quam groeten met een kusje" en ^ haar naderhand, wanneer 
zij „opsen Fries een soen" krijgt, zeggen laat: 

„ey laet dat wesen, 
Men moet het klappen van langh-tonghde menschen vreesen !" 

Daar de hulpmiddelen, die mij ten dienste staan, mij in 
dezen het antwoord schuldig blijven, kan ik niet nagaan, of 
de liederen op de wyzen: 

O doe not, doe not kil me yet for 

I am not, etc. (Boertigh., blz. 24) 
Was Bommelalire so pretty a play, etc. (id., blz. 29) 
en 

Y have waked the Winters Nights 

(Friesche lusth, blz. 205, 

waarin ik navolgingen van Engelsche liederen meen te zien, 
ook de bovenstaande gevolgtrekking versterken. 

Misschien mogen deze bladzijden er toe bijdragen de aan- 
dacht der beoefenaars onzer letteren nog wat meer op den 
merkwaardigen zanger van losse en bevallige liederen en 
„volkstümliche" kluchten te vestigen. 

Amsterdam, Juli 1902. M. M. Kleer^ooper. 

NASCHRIFT. 

Van deze gelegenheid maak ik ook gebruik, om hun, die 
zeldzame of onbekende drukken van Starters werken bezitten 
of van het bestaan daarvan kennis dragen te verzoeken, mij 
dit mede te deelen. Met een toezending ten behoeve der biblio- 
graphie van den dichter zal men mij ten zeerste verplichten^ 

M. M. K. 



KLEINE MEDEDELINGEN OVEK BOEKWERKEN. 



Uandbuch der grieehischen Laut- und Formenlehre. Eine Ein- 
fahrnng in das sprachwissenschaftliche Studinm des Grieclii- 
schen von Dr. Herman Hirt. (Sammlnng Indogermanischer 
Lelirbücher, heransgegeben von Dr. Herman Hirt). Heidelberg, 
1902. (Pr. 8 Mark). 

Met genoegen voldoe ik aan het verzoek der Bedaktie van Taal en 
Letteren om deze nieuwe G-riekse spraakkunst bg haar lezers in te 
leiden. Een bespreking van onderdelen der verklaring van Griekse taal- 
versch^nselB zou in dit tydschnft niet op z^n plaats zgn, en tot een 
zelfstandige beoordeling van Hirt's opvatting van het Indogermaans 
moet ik m§ onbevoegd verklaren. 

Deze grammatika heeft de bedoeling niet slechts voor te bereiden tot 
linguistiese studie van het Grieks, maar ook tot de studie van het Indo- 
germaans. De schryver heeft, als uitgever van een reeks Indogermaanse 
spraakkunsten, zelf de bewerking van het Grieks voor 't eerste deel der 
serie op zich genomen, omdat de Griekse taal zoo velerlei heeft be- 
houden wat aan een vroeger stadium van ontwikkeling herinnert. Hirt 
richt zich dan ook niet uitsluitend tot linguïsten in engeren zin. Daarom 
laat hy enige inleidende hoofdstukken voorafgaan, en geeft h^ een 
kleine bibliografie van z^n onderwerp, 't Is te begrepen dat hierb^, en 
in 't gehele werk, vooral Duitse schr^vers worden aangehaald; waar 
een enkele maal een werk van andere nationaliteit wordt genoemd, ge- 
schiedt het meest zonder de karakteriserende woorden waarmee de Duitse 
boeken worden getekend. Zoo staan naast elkaar Henry's Précis de gram- 
maire comparée en Eiemann-Goelzer's bgna gelgkluidend werk, zonder 
enige toelichting, ofschoon in opvatting de schr^ vers ten minste evenveel 
verschillen als Brugmann van Kühner-Blass. Bg de SprachpaychoUh 
gische Vorbemerkungen hadden wel (vooral voor „An&nger," die voor 
alles aan duidelikheid behoefte hebben) de Antinomiea linguistiquea 
van Yictor Henry (Parys, 1896) vermeld mogen worden, een boekje dat 



Kleine mededelingen over boekwerken. 437 

vier jaar voor 't verschenen van Wnndt's Die Sprache, in beknopte 
vorm verschillende hoofdpunten van een overeenkomstige taalbeschonwing 
in 't licht stelde. Wnndt zelf heeft trouwens nimmer notitie van z^n 
Franse voorganger genomen, zelfs niet nadat hem in een recensie van 
't eerste deel van z^n boek op 't werkje gewezen was. 

Is' Hirt's Einführung dnidelik en uitvoerig genoeg voor mensen die 
zich niet met linguistiese studies hebben bezig gehouden? Ik zou het 
betw^felen. Wel onderstelt de sohr. weinig big z^n lezers, en begint 
hg ab OTO, maar toch gebruikt hfl mtdmkkingeii als „das sogenannte 
Schwa indogermanicum/' „de wet van Yemer", enz. die, zó zonder 
nadere verklaring, a&chrikkend werken. In sommige gevallen zou 't 
voldoende geweest z^n de lezer te verwezen naar de soms honderd 
blz. verder te vinden paragraaf waar de vreemde term haar verklaring 
vindt (de wet van Yemer b. v. wordt reeds op blz. 85 genoemd, 
en eerst op blz. 181 uiteengezet). Zulke fouten in de samenstelling 
z^n bg een tweede druk te verhelpen, en dan dient ook de pen 
gehaald door een paar dwaze uitdrukkingen, als „von dem Beginne 
unserer Überlieferung an . . . . ist . . . . die griechische Sprache schon 
fertig" (blz. 2) en „die indogermanische Grrundsprache war vollkom- 
men ausgebildet" (blz. 12). Dat is, zoo gunstig mogelik uitgelegd, 
een allerslordigste manier van spreken. Dieper wortel heeft de fout dat 
by 't opnoemen der bronnen voor de kennis van de uitspraak van 't 
Grieks geheel gezwegen wordt van de voornaamste, 't Nieuwgrieks. 
Deze paragraaf zou ik geheel omgewerkt willen zien en gebaseerd op 
de overweging dat de kennis der uitspraak van elke niet meer gesproken 
taal in laatste instantie berust op 't geen we weten van een levende 
taal. 't Eesultaat van 't onderzoek langs die weg zou voor 't Grrieks 
precies 't zelfde z^n als waartoe Hirt komt, maar 't volgen van die 
betere methode moet juist voor dit boek een billike eis heten. 

Immers juist om de voortreffelike methode kan men deze gramma- 
tika aan alle leraren dringend aanbevelen. Gresteld eens dat de uitkom- 
sten die in Hirt's Der indogermanische Ablaut (Straatsburg, 1900) zgn 
neergelegd, en die voor 't Grrieks in dit boek z^n uitgewerkt en toe- 
gepast, door nader onderzoek zeer belangrik gew^zigd werden, dan zou 
nog om de w^ze van behandeling deze grammatika van buitengewone 
betekenis zgn. Ewalifikaties die voor verklaringen moeten doorgaan 
vindt men b^ Eixt niet; met de betekenis wordt evenzeer rekening 
gehouden als met de vorm (zie b v. § 453); 't groote desideratum in 
de spraakkunst van Grustav Meyer, een hoofdstuk over het aksent, is 
hier vervuld, ja Hirt's gehele opvatting van de vorming der Grriekse 
taal komt eigenlik neer op de rol die aan 't aksent wordt toegekend, 
en die de schr^ver met bewonderenswaardige denkkracht en geleerdheid 
in haar ontwikkeling heeft gevolgd. Hoe helder wordt, om slechts ëen 



438 Kleine mededelingen over boekwerken. 



paragraaf nit vele te noemen, by Hirt's behandeling de vorming der 
tgden van 't werkwoord (§ 392). 

Een filoloog die *t werk van Hirt bestudeerd heeft, liefst nadat hg 
door een gemakkeliker te begrypen schryver als Yictor Henry daartoe 
is voorbereid, moet de vrucht daarvan plukken by zyn onderwgs. Hg 
sal er niet toe komen om de nieuwe wysheid aan de jongens van 't 
gymnasium te vertellen — naar myn mening ten minste behoren die, 
vooral in de lagere klassen, meer tot vlug begrypen van gemakkelike 
teksten dan tot historiese verklaring van taalvormen opgeleid te worden — 
maar zgn denkwyze zal er door worden geïnflueneeerd. In de hoogste 
klasse kan men dan bg de herhaling van de grammatika eens een paar 
capita selecta wat uitvoerig en degelik behandelen. Men zal dat moeten 
doen zonder van zgn leerlingen te eisen dat zy dat nieuwe onthouden 
en er op een gegeven moment, 't noodlottig eksamenuur, iets van weten 
te vertellen, — anders verliest by de beste toehoorders 't onderwerp al 
veel van zyn ideale bekoring. Neen, men moet het doen in het ver- 
trouwen dat alle leerlingen, door verstandig onderwgs in 't bezit van 
een juist taalinzicht, nu ook enig besef krygen van het verhevene der 
taalwetenschap en de gestadige bevestiging van haar uitkomsten, en 
in de hoop dat by enkele het verlangen gewekt wordt om aan de 
Akademie zelf de historiese en vergeiykende grammatika te beoefenen. 

Noordwyk aan Zee, Aug. 1902. D. C. Hesselino. 

Handbuch der Lateinischen Laut- und Formenlehre, £ine Ëin- 
fuhrung in das sprachwissenschaftliche Studium des Lateins 
von Dr. Ferdinand Sommer, Frivatdozenten an der Üniverdtat 
Leipzig. Heidelberg 1902, Carl Winter's üniversitatsbuch- 
handlung. 

Het volgende wil niet meer zyn dan een korte aankondiging. Ik 
behoor tot degenen voor wie dit boek bestemd is, nl. : „alle, die sich 
auf diesem Gebiet (se. der lateinischen Sprachforschung) orientieren 
wollen, ohne dazu eingehendere linguistische Studiën zu machen" en ik 
zou niet gaarne ook zelfs maar den schyn willen aannemen my be* 
voegd te achten tot een kritiek van dit werk, dat voor mg een kostelgk 
leerboek is. 

De namen van den schrgver en van hem, onder wiens auspicieën 
de Sammlung indogermanischer Lehrbücher wordt uitgegeven (waarvan 
deze grammatica de „3^^'' Band" is), nl. Hirt, doen al dadelgk met ver- 
trouwen de hand uitsteken naar dezen gids op zeer moeilgk terrein. 
Tot dusver was onze beste gids het bekende boek van lindsay, waaruit 
ongetwgfeld menig „classicus" met my veel geleerd heeft en dat ook 



Kleine mededelingen over boekwerken. 439 

Tolgens Sommer het beste „znsammenfasaende Werk über lat. G^m- 
matik" is. Alleen beeft h^ er deze aanmerking op: „Dasprabistorisob* 
yergieiohende Moment tritt der Bebandlnng des bistoriscben LatnnB 
gegenüber etwas in den Bintergmnd." Op de bladzgde waar Sommer 
dit schrift, geeft by tevens een korte, scherpe karakteristiek der meeste 
„Sammelwerke" op dit gebied. (Voor Nederlandsche bestndeerders van 
Sommer's boek zon men by pag. 656 nog op Earsten's nnttig boekje 
over De Uitspraak van het Latifn willen w^zen). Het komt m^ voor 
dat Sommer zeer jnist karakteriseert. 

Wat nn zijn boek wil? Het is een werk, dat den beginner een alge- 
meen begr^peiyk overzicht van den hnidigen stand der Latgnsche taal- 
stndie wil geven, en de tweede alinea der voorrede maakt het dnidel^k 
waarom m. i. dit boek bevattelgker is dan lindsay. Sommer schrift 
daar: Wer bei der vergleichenden nnd historischen Behandlnng einer 
indogermanischen Einzelsprache mit dem Spraohzustand der andem 
Zweige oder gar mit einem so hypothetischen Ding wie der indoger- 
manischen Ursprache als mit gegebenen Thatsachen rechnet, wird gerade 
beim Nenling nicht überall anf Yerstandnis treffen; ich hielt es daher 
fiir ein Hanpterfordemis, nötigenfolls dnrch eine knrze Darlegimg anch 
der anszerlateinischen Yerhaltnisse klar zn machen, warnm man einen 
Lant oder eine Eorm der gemeinsamen indogermanischen Mnttersprache 
znschreibt n. s. w. ; meines Erachtens ist in diesem Pnnkt ein Wort zn 
viel fiir den angegebenen Zweck immer noch besser als ein Wort zn wenig, 
nnd so bin ich anch fiir WiederhoLnngen znweilen nicht znrückgesohreckt." 

By het gebmik-maken van de verschillende indogermaansche talen 
heeft S., vooral in de vormleer, vóór alles telkens naar het Grrieksch 
verwezen, en de kennis van deze taal alleen vooronderstelt hy by de 
gebmikers van zyn boek. Het Keltisch laat hg — hóewei hg aan- 
hanger is der Kelto-Italische hypothese — zooveel mogeiyk ter zgde, 
„seiner schwierigen Lantverhaltnisse wegen." Kiet altyd was hem dit 
mogeiyk, en beslist niet by de behandeling van het r-mediopassivnm : 
zooveel hy kon, heeft hy de allemoodzakeiykste niteenzettingen in de 
aanmerkingen gegeven. De behandeling van dit mediopassivnm is zeer 
helder en belangwekkend. In een aanmerking stipt Sommer even aan: 
de onhoudbaarheid der door de ondere taalwetenschap aangenomen ver- 
klaring van de Lat. -r nit het pron. refl. -se door apocope van -« na 
voorafgegaan rhotacisme, daar dit laatste wél in het Latgn en het 
ümbrisch, maar niet in het Oskisoh en het Keltisch voorkomt. 

By de behandeling der klankleer is S. uitgegaan van den ondst be- 
reikbaren toestand: de indo-germaansche grondtaal. £en temgschxyden 
van het Latyn nit zon een historische behandeling, die hier waar het 
om zniver physiologische ontwikkeling ging, de eenig gerechtvaardigde 
was, rechtstreeks onmogeiyk maken. 



440 Kleine mededelingen over boekwerken. 

B^ de Yormleer is hg echter anders te werk gegaan: „Hier hatte ein 
Zngmndelegen der nrsprachlichen Yerhaltniase die Grammatik mit nnnö- 
tigem Ballast besohwert, ist doch bekannt, wie sehr gerade das Latein 
Tom altererbten Stand der Dinge abgewichen ist nnd wie oft wir eben 
nnr den Endpunkt einer Keihe von einzelnen, oft znsammenhangslos nnd 
spmngweise erfolgten Ëreignissen vor nns haben. Es was daher geraten, 
ein^Eush die historischen Thatsachen soweit mögUch zn denten nnd vom 
indogermanischen Formensystem nnr das ünnmganglichste zn besprechen. 
Ich glanbe jedenfalls, anf dem angegebenen Wege dem praktiaehen Be- 
dürfnis am besten gerecht geworden zn sein, liegt es doch gerade in 
der Eormenlehre nicht im Interesse des Lemenden, zn erfahren, was tor 
interessante Überreste ans alter Zeit irgendwie verknöchert im Lateini- 
schen bewahrt geblieben sind, sondem wie der lebendige Formenschatz 
dieser Sprache znstande gekommen ist." Ik veroorloofde m^ dit lange 
citaat, omdat deze beschonwing my zoo volkomen jnist schgnt. 

Zooveel mogel^k heeft S., ten einde van bekende begrippen te knn- 
nen nitgaan, vastgebonden aan de traditioneele rangschikking der stof 
in de schoolgrammatia, zoo o. a. door de motie en comparatie der adiec- 
tiva en de behandeling der nnmeralia, die toch ook binnen het gebied 
der stamvorming vallen, te laten aanslniten bg de flexie der nomina. 

Met literatnnr-opgave is hg niterst spaarzaam, omdat veel citeeren 
hem voor zgn doel niet noodig scheen. De beginner wil z. i. vóór alle 
dingen slechts in de feiten der historische grammatica ingewgd wor- 
den : hg vindt hier alleen wat S. persoonlgk voor juist hondt. Citaten 
geeft S. d4n alleen, wanneer over een kwestie eerst onlangs gehandeld 
is of waar hg een elders nitvoerig behandelde kleinigheid niet al te 
zeer „im einzelnen" weergeven wilde, en ten slotte ook waar in nog 
onbesliste kwesties tegenover S's inzicht gewichtige bedenkingen staan. 
Ook in polemiek heeft hg zich tot het allernoodigste beperkt. 

Zeer nuttig is de opgave der diakritische teekens. In hoofdzaak volgt 
Sommer Brugmanns Grundrisz. 

De inleiding behandelt helder en scherp-belgnd het begrip der „La- 
tgnsche" taal, den indogermaanschen taaistam, den Italischen taaltak, 
de overige volken en talen van het schiereiland der Apenngnen, de 
positie van het Italisch in den kring der Indogerm. talen waarbg de 
Kelto-Italische hypothese even ter sprake komt, de uitwendige geschie- 
denis en ontwikkeling van het Latgn, de hulpmiddelen tot het historisch 
onderzoek der Latgnsche taal, het Latgnsche alphabet. Bg het vermel- 
den der oudste opschriften (pag. 23, aanm.) had S. even kunnen aan- 
stippen dat het Duenos-opschrift tot dusver nog geen tevreden-stellende 
verklaring heeft gevonden. 

Dan volgt de „Lautlehre." Eerst eenige „principielle Fragen", daarna 
Yokalismus en Konsonantismus. Mooi Igkt mg in dit hoofdstuk de be- 



Kleine mededelingen over boekwerken. 441 

handeling van den ^ Ablaut,'* waarover wij door Lindsay in zyn § 51 
onderricht worden. Het is aanbevelenswaardig hierby te bestudeeren de 
behandeling van den Ablaut in Hirt^s Griechisehe Laut- und Fortnen- 
lehre, nuttig vooral om de geschiedenis der leer van den Ablaut. 

Ik vestig nog de aandacht op de behandeling van het accent, op het 
tweede hoofdstuk van „Konsonantismus" : y,Kombinatorischer Lautwan- 
del in Konsonantengfuppen^^ en op het voor my zeer belangwekkende 
kapittel: „Lautliche Ferdnderungen der Wörter im Satzzusatnmenhangj 
over de rol der ^Satzphonetik*^ of SandhV* — ik noem nog in het byzon- 
der § 176 Satzdoubhiten im hiatoriachen Latein." En — zoo is er meer. 

In het hoofdstuk Kombinatorischer Lautwandel vond ik dat Sommer 
p^or in verband brengt met padyatB, Uhlenbeck (£. W. p. 168) brengt 
het in verband met piyati. Wie heeft geiyk? 

Ik hoop dat in een der eerste nummers van het „Museum" een be- 
voegd beoordeelaar Sommer's werk zal bespreken. Zeker — het boek 
zal wel niet volmaakt zyn, maar ik geloof dat het de nauwkeurige 
bestudeering van alle beoefenaars van het Latyn ten volle verdient. 

N. J. Bevebsbn. 

Jan, Jannetje en hun jongste kind, Zwolsche herdrukken onder 
redactie van Dr. E. Buitenrust Heltema, N. A. Cramer, J. H. 
Yan den Bosch, door J. H. van den Bosch. Zwolle, Tjeenk 
Willink 1902. 

Wat de Verklaring betreft, — ik heb op de exegese van het stuk — 
byna berucht om zyn moeielikheden — lang het oog gehad; maar, al 
is my langzamerhand veel duidelik geworden, ik vlei my niet alles te 
hebben opgehelderd. Ik houd my vriendelik aanbevolen voor op- en 
aanmerking. Eis was het, te verklaren uit de aktuele dingen van het 
jaar '40; hiertoe heb ik myn best gedaan, maar by nieuwe nauw- 
keurige lektnur en verder onderzoek (ik raadpleegde b.v. niet de grote 
bladen van die tyd), zal Potgieters Manifest aan de Natie steeds aktu- 
eler biyken. 

Dit woord over de Inleiding. Ik sch/eeef die in 1896. Had ik ge- 
schreven in de tegenwoordige tydsbedeling, ik zou voor de vraag ge- 
staan hebben of ik my al of niet te onthouden had, van over de aard 
van het Patriotisme zelf te handelen. Patriotisme en Patriotisme zyn 
twee, zyn drie. Er is zelfe Patriotisme, dat toegediend als gif. Ik zou 
Potgieters alleredelste hartstocht voor zyn volk, als verschynsel, hebben 
kunnen ontleden, en in zyn betekenis waarderen. In Potgieters dagen 
was het Patriotisme de uit weemoed en geloof geboren bezieling van 
het idealiaeerende jonge geslacht. Tegenwoordig is „patrioties te zyn" de 



'/ 



442 Kleine mededelingen oyer boekwerken. 



Ieu8 van het reaktionnaire Behond. Ik heb daar nn nt>^ over gesproken. 
Zon 't goed geweest z^n? In elk geval zal onze jengd nit JanenJa$i^ 
netje (men neme de Inleiding eerst !), omtrent Patriotisme èn Patriotisme 
iets knnnen leren. 

A n g. 19 2. (Uit het Voorbericht.) 

Het Aanschouwing sonderwij 8 in de Lagere School en op de Be- 
waarschool^ door A. Rauwerda. Zwolle, Tjeenk Willink 1902. 

£en mooi boekje dat veel geeft te overwegen en te betrachten. 

Maar dan moeten de handen nit de monwen. Elke les vraagt z'n 
voorbereiding, in de volgorde van de te nemen waarnemingen, in 't 
byeenzoeken van materiaal: iets, wat onze aanschonwings-platen met 
handleidingen weliswaar, op 'n andere manier, ook vragen. Maar hier 
is loon naar werken: belangstelling en snkses; omdat hier spreekt de 
daad, en nogmaals daad. Geen zoete dromende kindertjes dns; maar 
opgewekte en zeU-medewerkende kindertjes. Hier is de geest van Pesta- 
lozzi aan 't woord. 

De schryver begint met aan te tonen dat by het tegenwoordige aan- 
schonwingsonderwys in 't geheel geen methode is. De font er in is, dat 
er geen geleideiike gang in is, geen opklimming in moeieiykheden. Zoals 
het tegenwoordig nog veel gedaan wordt, moeten de kinderen leren 
van 'n voorwerp verschillende eigenschappen op te merken, en omdat 
te leren, eisen we van hen, dat ze die eigenschappen reeds knnnen 
waarnemen. Alles : wat ze moeten leren wordt meteen reeds verondersteld, 
dat ze kunnen. Dit is geen onderricht. Onderricht is, dat in de onder- 
zochte moeielikheden, die aan het kind gezegd worden, 'n zodanige rang- 
schikking wordt gebracht dat de leerling geleldelik tot de knnst wordt 
gebracht, welke met het aanschonwingsonderwys moet worden beoogd: 
de vrije waarneming van de verschillende eigenschappen van 'n wille- 
kenrig voorwerp. Niet, van de reeds aanwezige vaardigheid te doen 
blifken, is hier de vraag; niet, door van de reeds aangeleerde kunst ge* 
bruik te maken, leert men waarnemen; het doel is, de kinderen zo goed 
mogelik te leren waarnemen. Het doel is dus allerminst, kennis aan te 
brengen, of grondslagen te leggen voor andere vakken: 'n bezigheid, 
zegt de schryver, waaraan alleen by de andere opvatting van de taak 
van de onder wyzer sprake kan zyn. 

Naast het leren waarnemen, moeten de kinderen ook leren, wat ze 
waarnemen, goed te zeggen: omdat het spreken 'n middel is waardoor 
we gemeenschap knnnen krygen tnssen onze voorstellingen en die van 
anderen. Ook hierin heeft dns nitteraard 'n opklimming van moeielik- 
heden plaats. 



Kleine mededelingen over boekwerken. 443 

Om ons in te laten zien, hoe het doel van 't aanschonwingsónderw^s 
wordt bereikty merkt de schr^yer onder het uitwerken van enige geval- 
len op, dat het totaal der aansohoa wingen combinaties en variaties z^n 
van 'n beperkt aantal grondvoorstellingen. fiesnmeerende, vindt h^ dan 
noodig om 'n kind in staat te stellen aan 'n voorwerp iets waar te 
nemen en 't waargenomene in 'n zinnetje te zeggen, 1®. de helderheid 
van het zaakbeeld, 2^ de helderheid van het klankbeeld, 3^. de snelle 
^/sociatie van deze twee en 4^ de techniese vaardigheid in 't spreken. 
Katnnrlik z^n eerst niet alle mogelike zaakbeelden noodig te weten, 
vooraleer 'n kind begint 'n voorwerp te zien; evenmin heeft het nodig 
al de 26 letters van 't alfabet nodig te weten, alvorens met 't leren 
lezen te beginnen. 

Hoe moet de onderwgzer nu doen! Voorzeggen? Neen. Aan wy zen of 
laten aanwezen? Ook hier z^n bezwaren. „G-esteld de onderwijzer wil 
„de voorstelling „rond" doen ontstaan en wiyst (of laat een leerling 
„w^zen) rondom den rand van den van z^n deksel ontdanen ketel. 
„Welken waarborg heeft de onderw^zer nn, dat des leerlings geest zich 
„juist bezig houdt met de voorstelling „rond" en niet met de kleur van 
„het koper, de verdikking van den rand, of met het hengsel-om, dat 
„z^n vinger daarb^ ontmoet, of met vorm en kleur van den vinger, 
„die het ronde aanwgst, misschien ook met een zwarte vlek, die zich 
„op den nagel bevindt?" Ër moet dus 'n middel bedacht worden om 
op het éne uit het-samenstel van de voorstellingen in het bijzonder de 
aandacht te vestigen. Dit middel nu ziet de schr^ver in het vertonen 
van de tegenstelling van de op te merken voorstelling. H^ w^st ons 
op voorbeelden uit het dageliks leven. Hy geeft ons ook 'n voorbeeld 
uit de klasse, op welke manier de voorstelling „rond" is aan te brengen 
of te versterken. Deze oefeningen zyn werkelik interessant. Allerlei 
variaties worden er by genoemd. Nu eens wordt de ronde, en hg tegen- 
stelling tevens de vierkante uit karton, hout, glas, enz. genomen, dan 
weer andere soort oefeningen, en ook spreekoefeningen, gehouden, zodat 
zonder ophouden de zaak- en klank- beelden worden geassocieerd. Op- 
merkenswaard ook is, hoe met de verkregen voorstellingen kan worden 
gewerkt. Zo laat hy door de voorstelling rond een aantal andere voor- 
stellingen in 't bewustzyn te voorschyn roepen. Of ook, een aantal zeer 
verschillende voorstellingen kunnen de voorstelling rond bewust doen 
worden. Om 'n cirkelgang te noemen: de voorstelling rond wekt die 
van rijksdaalder^ deze van zilver^ deze van «t^arewpt/p/c; ennu komen 
achtereenvolgens sigaar^ rooken, lucifers^ doosje, aanstrijkers^ ontplof- 
fing, brandwonde, zalf, potje, rond. Een voorbeeld, dat 'n voorstelling 
in allerlei richtingen andere voorstellingen bewust kan doen worden. 
Eerst dan is die voorstelling ons volledig eigendom. 

Hierby laten wy het. Er is nog veel moois in te leren en na te 



444 Kleine mededelingen over boekwerken. 

volgen. Wy beschonwen dit boekje als 'n keerpunt in ons aanaohon- 
wingsonderw^s. De boeken over methodiek, en de programma's vfui 
kweek- en normaalscholen znllen hiermee rekening moeten honden. 

Alleen nog 'n vraag. Is bg 'n volgende uitgaaf de jonge onderw^ser 
niet gediend met 'n laatje van de benoodigdheden die de schrgver zelf 
in de praktyk heeft gebruikt? £n zou 't niet gemakkelik z^n voorde 
gebruiker, te weten, waar 't een en ander met weinig kosten is op 
te doen? 

J. K. 



INHOUD VAN TIJSCHRITEN. 

De Arbeid^ 4e jaarg. afl. 6, o. a.: Lu ei e de Vries, Twee Vertel- 
lingen. — Edw. B. Koster, Lente. — J. B. Verschuere, 
My meringen van een kind. — Betsy Juta, Sneeu wjacht. — 
V. de Meyere, Vlaamsche Kronieken. — W. van Weide, 
Gedichten. — G. H. P. Jr., Twee Schetsen. 

4e jaarg. afl. 7, o. a.: Lode Baekelmans, De aftocht der 

Veertig. — Eichard de Cneudt, Verzen. — Herman 
W a 1 1 h a , Kleinen. — Victor de Meyere, Gedichten. — 
Just. Havelaar, Tusschen twaalf en een. — Arie Verhoef, 
Potina Nux; Dankbaarheid van het Onbekende; Endor; Uw ziel; 
Eroos en Eoos. — V. de M., Jan van Droogenbroeck. 

4e jaarg. afl. 8, o. a. : Henry Bakels, Een zomer. 



L. Schutter, Uit het vleesch dat zwak is. — M. Blokzgl, 
Broeder Henricus. — Ary Delen, Verzen. — Frits Moer- 
man, Zomerfoor. — Bichard de Cneudt, Sonnetten. 

BoarCs Geillustreerd Magazifn, afl. 38, Aug. 1902, o. a. : L. T. M e a d e 
enBobert Eustace, Verhalen van de „Gold Star'* Stoomboot- 
Maatschapp^, Het cyfer met den menscheiyken sleutel. — Anna 
de Savornin Lohman, Het Secretaresje. 

De XXe Eeuw^ afl. 7, Juli 1902, o. a. : Albert Verwey, Brieven 
van Huet aan Van Vloten. — J. E v erts Jr., Boerengezin. — 
Frederik van Eeden, Verzen. — Henriëtte des 
Tombe-Drabbe, November. — J. van de Water, Voor 
All. — J. Koopmans, Oats' Sinne- en Minnebeelden. — H. 
B o u m a , Salon. 

8e jaarg. afl. 8, Aug. 1902, o. a. : C^riel Buysse, Paatros. — 

Albert Verweg, Brieven van Huet aan Van Vloten. — Dr. 
E. A. K o 1 1 e w y n , De Spelling van De Vries en Te Winkel. — 
H. Eoland Holst-Van der Schalk, Uit „De nieuwe Gre- 
boort.'' 



InliOTid van Tgdschriften. 445 

De XXe eeuw, 8e jaarg. afl. 9, Sept. 1902, o. a.:Jac. van Loo^, 
Feesten. — Earel van de Woestgne, Verzen nit den 
„Boomgaard der Yogelen en der Ymchten. — Frederik yan 
Eeden, Over woordkunst. — Frans Coenen Jr., Laatste 
morgen. 

Elaevier^s G^l Miiandschrifi^ 12e jaarg. no. 9, Sept. 1902, o. a. : J. 
C. Sonneborn, De Viooltjes. 

Ang. 1902, o. a.: Mej. J. Kooistra, Het recht van dephan- 

tasie. I. — D r. P. L e e n d e r t z J r.. Het eindexamen der Gymna- 
sia. — Dr. W. Gr. C. B g V a n c k , Profielen. I. ; Pistoja, een Itali- 
aansch humorist van de 15e eenw. — Hëlène Lapidot h-S w ar t h, 
Grhazelen. — Mr. J. N. van Hall, Dramatisch overzicht. (Adriaan 
van Oordt, Floris V). 

De Oids^ Afl. Sept. 1902, o. a.: Angusta de Wit, De godin die 
wacht. — Prof. B. Symons, Poëzie en Arbeid. — Mej. J. 
Eooistra, Het recht van de phantasie, en de opleiding van den 
onderw^zer. — Prof. W. L. van Heiten, Over spelUngvereen- 
vondiging. — W. F. Gouwe, Triton's Bmiloft. — Carel 
Scharten, ***. 

De Nieuwe Oids^ Afl. 11, Juli 1902, o. a. : G. van Hulzen, Uit 
Davos. — Reyneke van Stuwe, Judith. — Willem Kloos, 
Verzen. — Dr. H. J. Boeken, Verzen. — J. Eigenhuis, 
De aardbeikoopers. 

Afl. 12, Aug. 1902, o.a.: Willem Kloos, Verzen. — J. 

Reddingius, Verzen. — ld., Boschv^ver. 

18e jaarg. afl. 1, Sept. 1902, o. a. : Herman Robbers, 



Verjaardag. — Willem Eloos, Verzen. — Reyneke van 
Stuwe, Een verloving. — J. Reddingius, Een middag. 

De Navorschery 52e jaarg. afl. 6/7, o.a.: L. L. Merens, Voor de 
Internationale taal. 

52e jaarg. afl. 8, o. a. : M. M. K 1 e e r k o o p e r, J. J. Starter. — 

W. P. J. O ver meer. De Bink steken. 

Nederlandj no. 8, o.a.: Is. Quérido, Moderne werkers: Frans 
Coenen. 

no. 9, o. a. : Frits van Raalte, Nachtleven. — Mevr. v. 

Hasselt- Willems, Leed. — Virginie Loveling, Boe- 
renidylletje. — Richardt de Cneudt, Simpele liekens. 

Noord en Zuid^ 25e jaarg. afl. 7, Juli 1902, o. a. : H. van Leeu- 
wen, De 'Boekzaal der geleerde wereld. 

Tifdschrift (MU. Ned. Letterk.), XXI, 2. C. G. N. d e V o o g s , Een 
ongedrukte bundel refereinen van 1524 (Vervolg). — J. W. Muller, 
Bontsche maat. — W. L. v. H e 1 1 e n , Naar aanleiding van den 
Vierden Martgn, vrs. 742 — '4. — ld.. Het slot van den Esmoreit. — 



446 Inhoud van Tydschriften. 

H. J. Psilander, Ooit. — J. Oimberg, Bydragen tot de 
Middelnederleutidsclie woordknnde. — G-. J. Klokman, Zoo kond 
als een bot. — A. £. H. S w a e n , Starters Boet-sangh. — B. P. 
J. M. B o n w m a n S. J., £en klein Middeinederlandsch gedicht. — 
J. Verconllie, Emmerappel. ~ H. K e r n , Waldanaine, wal- 
dandaini. — F. A. S t o e 1 1 , H. L. Spieghel's Zinspel Nnma ofte 
Am'ptsweygeringe. — S. M n 1 1 e r fl z., Uzalia-Terschelling. 

De TijdRpiegel^ no. 8, o. a. : H. £ n n o van Gr e 1 d e r , Eenige op- 
merkingen over ons onderwas. — R. D. Kanta, Eobert Hamer- 
ling, de dichter van het'Schoone. 

no. 9, o. a. : Dr. A. J. D o m e 1 a N i e n w e n h n i e , Phantasie 

en fatalisme. — B. P. van der Yoo, De plant in het volksleven. 

Volkskunde^ Tigdschr. v. Ned. Folklore, 14e jaarg. afl. 11 en 12, o. a.: 
A. de C o c k , Kaar 't klooster Affligem. — Spreekwoorden en zegs- 
w^zen afkomstig van onde gebruiken. — Leugenliedjes. — Dr. Gr. 
J. Boekenoogen, Nederl. sprookjes en vertelsels. 

Woord en Beeld^ Juni 1902, o. a. : J. Eigenhuis, De Poëet, — 
JeannetteNghuis, Stemming, Lngubre nacht. 

Juli 1902, o. a. : Styn Streuvels, Sint Jozef. — W. 

Kal ma, Yers. 



NIEUWE BOEKEN. 

Barnpuw (J. A.), Textkritische Untersuchungen nach dem Gebrauch 
des bestimmten Artikels und des schwachen Adjectivs in der alteng- 
lischen Poesie. Leiden, E. J. Brill. 8o. (Proefschrift). 
Bibliotheek (De nieuwe) voor de jeugd. Eed. : J. Stamperius. 
Heusden, L. J. Veerman. XVIe serie. No. 2: A. Kengersen, Het 
stoelenmattersjong. Met illu9tratiën van Jan Sluyters. 

ing. f —,75, geb. f 1,10 

(Nieuwe) voor zondagsschool en huisgezin. Red. : H. W. S., 

mevr. Wildeboer, mej. Maclaine Pont. Haarlem, Vincent Loosjes, kl. 8o. 

Bruin (Servaas de), Vermakeiyke herdrukken. Amsterdam. Gebrs. 

Koster. 8o. f —,90 

I. Dwarsky kers- ver zen. Bokkesprongen van ouden en jongen. — 

n. Eealistische schetsen. — IIL Kokjes in onzen maatschappel^ken 

dierentuin. 

F e i t s m a (S. K.), De vlugge Fries. Handleiding om zonder onder- 

wyzer in korten tijd friesch te leeren lezen, schreven en spreken. 

Kampen, Ph. Zalsman. kL 8o. f — ,60 



Nieuwe boeken. 447 



Flandria's Novellen-Bibliofcheek. per no. f — ,10 

No. 22 Jnli 1902. Hendrik de Marez, Haar zoon. 
No. 23 Ang. 1902. Jhr. Napoleon de Pauw, De opstand van 1540. 
F 1 i e r (A. van der), Uit fel bewogen tgd. N^kerk, G-. F. Callen- 
bach. 8o. f 2,50 

Handelingen van het XXYIe Nederlandsch taal- en letterkundig 
congres, gehouden te Ngmegen, den 26 — 29 Augustus 1901. N^megen, 
L. C. G-. Malmberg. 8o. 
Historie (Een seer ghenoechlike ende amoroeze) van den eedelê 
Lantsloet en die scone Sandr^n. Gouda, G. van G-hemen, (c. 1486). 
[VGravenhage, Martinus N^hofP]. 4o. m. af b., facsimile. Gecart. f2,50 
Hoog A z. ( W. d e), Studiën over de Nederlandsche en Engelsche 
taal- en letterkunde en haar wederzydschen invloed. Dl. I. Dordrecht, 
J. P. Revers. 8o. f 2,50 

Leven (Dat) van Kunera. Dit boecxken vercoopt men in die stadt 
van Ebenen, Z. pi. en j. (c. 1515). [*s-Gravenhage, Martinus Nghoff]. 
4o. m. afb., facsimile. Gecart. f 2,75 

Luik (£. S.), Genesius en Artemius. Laatste vervolging der christenen 
onder Diocletiaan in het jaar 303 te £ome. 's-Hertogenbosch, G. Mos- 
mans Zoon. 4o. f 1,75, geb. f 2,50 

M a g a z y n (Geïllustreerd Nederlandsch-Indisch). Keur van novellen, 
schetsen, pittoresken, reisbeschry vingen, historische verhalen, allerlei 
uit het leven in Nederlandsch-Indië. Lectuur voor iedereen. Eed. : 
C. Bgl de Vroe. Ie jaargang. 1902. No. 1. 's-Gravenhage, Comman- 
ditaire venn. „Nederland-Indisch magazyn." [Firma W. J. van Hoog- 
straten]. 4o. Per. jrg. (24 nrs.) f 4,50 
Melati van Java, Twee zusters. Een boek voor meisjes, met illu- 
straties van W. van der Nat. Amsterdam, Van Holkema & Waren- 
dorf. 8o. Geb. f 1,90 
Novellen-bibliotheek (Warendorf's). Amsterdam, Van Hol- 
kema & Warendor£ 8o. 

No. 151. Gerd Harmstorf, Tusschen de leeuwen. f — ,10 

O o s t i n g (J.), Practisch handelswoordenboek . . . Tweede, herziene en 

vermeerde druk door J. W. Kuiper ... G. B. van Goor Zonen. 8o. 

Per afl. f —,60 

Pantheon (Klassiek letterkundig), Zutphen, W. J. Thieme & Cie. 

12o. Per no. f —,30 

No. 135|36. P. Cz. Hooft, Erotische gedichten. Met inleiding en 

aanteekeningen van C. C. van Slooten. 

No. 53. Bloemlezing uit den HoUandschen Spectator van Justus 
van Effen. 3e stuk. [Nieuwe druk]. 

No. 106. J. van Vondel, Leeuwendalers, lantspeL Met inleiding, 
aanteekeningen en woordeniyst van dr. F. A. Stoett. [Nieuwe druk]. 



' 



448 Nieuwe boeken. 



Schrgyers (Klassieke). Amsterdam, S. L. van Looy . 8o. 

Tacitns Germania. üit het latgn door dr. B. H. Steringa Euyper. 

f —,40 
Smissaert-Boogaert (Mevr. P.), Yronwensilhonetten. Amers- 
foort, G. J. Slothouwer. 80. f 2,50, geb. f 2,90 
Stoett (Dr. F. A.), Nederlandsche spreekwoorden en gezegden ver- 
klaard en in het fransch, duitsoh en engelsch vertaald. Zutphen, W. 
J. Thieme & Ge. f 2,50, geb. f 2,90 
Yersohuur (A.), Klankleer van het Koord-Bevelandseh. Amsterdam, 

Ten Brink & De Yries. 80. 
Volksboeken (Nederlandsche), Opnieuw uitgegeven vanwege de 
Maatschappg der Nederlandsche letterkunde te Leiden. Leiden, Boek- 
handel en drukkerig voorh. £. J. Brill. 80. 

I. Den droefliken strgt die opten berch van Roncevale in His- 
panien gheschiede daer Rolant ende Olivier metten fluer van ker- 
stenrgc verslagen waren. Naar den Antwerpschen druk van Willem 
Yorsterman uit het b egin der XYIe eeuw, uitgegeven door dr. G 
J. Boekenoogen. f — ,90 

W g k (N. va n). Der nominale Genetiv singular im Indogermanischen 
in seinem Yerhaltnis zum Nominativ. Zwolle, De Erven J. J. Tgi. 80. 

f 1,50 
Zangstukken (Nederlandsche) met klavierbegeleiding uitgegeven 
door het Willems-fonds. XlXe reeks. Gent, J. Yuylsteke. gr. 4o. 



Braune (Wilh.), Althochdeutsches Lesebuch. M. Glossar. 5. Aufl. 
Halle, Max Niemeyer. gr. 80. M. 5, — 

Eckhardt (£d.). Die lustige Person im alteren englischen Drama 
(bis 1642). BerHn, Mayer & Muller. 80. M. 15,— 

Palaestra TJntersuchungen u. Texte aus der deutschen u. eng- 
lischen Philologie. XYII. 
Bein (Wilh.), Padagogik in systematischer DarsteUung. 1. Bd. : Die 
Lehre vom Bildungswesen. Langensalza, Hermann Beyer & Söhne. 
Lex. 80. M. 10,—, geb. M. 12,— 



DE BESTE UITSPRAAK. 



Hier zal men een bijdrage O vinden tot de oplossing van 
een bizonder moeilik vraagpunt, nl. dat van de zuiverheid 
van uitspraak: Wat is de beste uitspraak, — waaraan is die 
te erkennen en waarom is een zekere vorm boven een andere 
te verkiezen? 

Veel taaivorsers zijn geneigd die vraag geheel ter zijde te 
laten en te zeggen dat dit met de taalwetenschap niets te 
maken heeft. De taalgeleerde als zodanig onderzoekt alleen 
dat wat feitelik gevonden wordt zonder na te gaan wat zou 
moeten zijn; de ene uitspraak is voor hem van evenzo veel 
waarde als de andere, <üs die maar feitdik voorkomt Hij bekijkt 
de vormen niet met de blik van een moralist of een rechter, 
maar op dezelfde koude onpartijdige wijze als de botanist die 
zich voor onkruit evenzeer interesseert als voor de nuttigste 
speserijen. Voor de taalgeleerde is elke uiting van de mense- 
like taal een waardig voorwerp van onderzoek, — of dit nu 
een wereldtaal is met een belangrijke literatuur of dat de 
taal in kwestie misschien alleen maar gesproken wordt door 
de een of andere barbaarse kleine negerhorde. Evenzo zal hij, 
als 't een bepaalde kultuurtaal geldt, alle feitelik voorkomende 



1) Door mij bewerkt met substitutie van Nederlandse voorbeelden voor Deense 
naar Hoofdstuk IV van Jespersen's Fanetik; zie T. en L. 1902, blz. 166, vv. 

Het hier in voorkomende voornaamwoord van de eerste persoon doelt natuurlik 
meest op de schryver, — waar *t in verband met toevoegingen of wijzigingen 
van de hand van de bewerker op deze laatste slaat, zal dit uit de samenhang 
genoegzaam big ken. 

T. en L. xii. 30 



450 H. Logenum. 

vormen onderzoeken en ze trachten te verklaren, maar hq 
zal zich niet ophouden met 't vergelijkenderwijs bepalen van 
hun onderlinge waarde en zal er zich dus niet over uitlaten 
welke vorm als de IcorreUste boven een andere verkozen zal 
moeten worden. Zonder twyfel is dit standpunt berechtigd; 
voor de eigelike taalwetenschap is de vraag wat zijn moest 
in elk geval van ondergeschikt belang in vergelijking met die 
wat feitelik is. De theoreticus ontmoet hier zo als elders een 
respekt voor wat geobserveerd is, voor de werkelikheid, dat 
groter is dan voor iets anders. H\j zou zijn werk slecht doen 
als hij niet onderzocht hóe men spreekt, zonder ook maar 
enigsins er om te geven of 't zo gekonstateerde ook afwqkt 
van wat hij volgens de ene of andere teorie als juist heeft 
menen te moeten beschouwen. Wat bestaat, heeft recht van 
bestaan, — al zou dat recht van bestaan ook niets anders 
zijn dan een recht om opgemerkt te worden als een eenmaal 
bestaand wetenschappelik feit. 

Maar te ver gaat de taaivorser als hij daaruit besluit dat' 
het dus onberechtigd of wetenschappelik is over juistheid van 
uitspraak te spreken en de vraag op te werpen : is een zekere 
feitelik bestaande taalvorm beter of korrekter dan een andere. 
Zeer duidelik vinden we dit standpunt bij Osthoflf uitgedrukt 
(in: Schriftsprache und Yolksmundart, 1883 p. 26) die zegt: 
„Es giebt überhaupt, dies kann nicht genug betont worden, 
in dem Auge unbefangener, echt historischer Sprachbetrach- 
tung kein richtig und falsch einer Sprachform." Maar zel&al 
denken niet weinige grote taaivorsers er zo over moet ik 
toch zeggen: hy die meent dat de vraag naar ,,richtig und 
Êdsch" met de wetenschap niets te doen heeft, die spreekt 
zelf onwetenschappelik en gaat uit van een verkeerde opvatting 
van 't wezen der taal. Er zijn taal vorsers geweest en daar- 
onder vele die terecht een grote naam hadden, mannen zo 
als Bask, Schleicher en Max Muller, die meenden dat de taal 
een voorwerp van natuurstudie was, die zich volgens vaste 
wetten ontwikkelde, geheel onafhankelik van 's mensen wil 



De beste uitspraak. 451 



en dat de taalwetenschap dus een natuurwetenschap was. 
Nu beschouwt men deze opvatting als geheel verouderd. De 
taal is zonder twijfel een werking die in de mens voorvalt 
en dan noch wel een die niet zoals de bloedsomloop of adem- 
haling of de spijsvertering instinktief geschiedt, zo dat die 
niet aangeleerd behoeft te worden; integendeel moet elk in- 
dividu de taal aanleren, anders bestaat die voor hem niet. 
Maar daaruit volgt dat er sprake van zijn kan en moet, om 
tussen verschillende taalvormen te kiezen, om te verwerpen 
of aan te nemen, zowel van de kant van een leraar als van 
een lerende, even als hij die eens een taal geleerd heeft, heel 
goed later, onbewust zo wel als bewust, zich een nieuwe 
vorm aan kan wennen in de plaats van een andere die hij 
vroeger gebruikt heeft. En daaruit volgt in de tweede plaats 
dat de taal vorser tegenover 't onderwerp zijner studie anders 
staat of altans kan komen te staan dan een astronoom of 
een botanicus. Heeft de astronoom de loop van een planeet 
nagegaan en gekonstateerd, dan is zijn werk daarmee in zo 
ver gedaan dat 't nonsens en volkomen overbodig zijn zou, 
als hij de wenselikheid ging bespreken dat de planeet zich 
langs andere banen bewegen zou. Zo gaat 't ook met de bo- 
tanicus: hij konstateert dat de Veronica twee meeldraden 
heeft en daarmee basta. Maar hier zien we al enig verschil: 
qua tuinman kéxï de botanicus tot zekere hoogte altans, in- 
grijpen om de natuur van de planten te veranderen; met 
kunstmist of op andere wijze kan hij de plant tot 'n nieuw 
leven roepen; hij kan nieuwe variëteiten te voorschijn roepen 
en dan kunnen ze werkelik komen te staan voor de vraag 
naar wat wenseliker, beter is, — of 'n nieuwe peersoort aan 
sappigheid gewonnen heeft of niet, kan ons volstrekt niet on- 
verschillig zijn. 

Maar de taal gaat in dit opzicht noch verder, want die 
bestaat alleen om en wegens de mens, — 't geen men noch 
van sterren noch van planten zeggen kan — en de taal ont- 
staat niet van zelf maar moet in elk individu opnieuw te 



452 H. Logeman. 

voorschijn geroepen worden, door 't aanstekelik werkend 
voorbeeld d. w. z. door nabootsing. Een kind dat steeds door 
stomme mensen omringt is, zal nooit leren spreken, en ik 
geloof dat, als de omgeving van een kind op een zekere eigen- 
aardige wijze spreekt, 't kind ook op die en op geen andere 
wijze zal leren praten. Daar men dus feitelik zowel op zijn 
eigen als op een andermans taal inwerken kan, moet de taai- 
vorser zich wel by de vraag ophouden over de onderlinge 
waarde van de taalvormen en kan hij er zich niet met de 
redenering van de astronoom van afinaken dat 't niets geeft 
omdat hjj er toch niets aan veranderen kan. 

Een tweede denkbare reden om aan de vraag voorbij te 
gaan houdt ook geen steek, — n.1. die dat 't onverschillig is 
welke vorm men kiest omdat 't toch alles een pot nat is en 
op 't zelfde neer komt. De taal speelt voor een ieder zulk 
een enorme rol in 't dageliks leven dat de betekenis er moei- 
lik van overschat kan worden, — 't is dus voor 't individu 
volstrekt niet 't zelfde welke taal hy geleerd heeft. Om een 
uiterste te nemen, — zou 't niet zonde en schande zqn om 
een kind dat in Nederland opgroeien moet van de omgang 
met Nederlanders uit te sluiten en niets dan Hottentots of 
Japanees te leren ? Maar zel& m de moedertaal is 't volstrekt 
niet onverschillig welke taalvormen iemand leert, — hij zal 
er dikwels genoeg onder lijden in zijn later leven als hij er 
niet van beginne af aan gewend is een zuivere en zo goed 
mogelike taal te leren. Iedereen is 't hier mee eens, waar 
men de geschreven taal op 't oog heeft, maar geldt dit niet 
evenzeer van het gesproken woord? Hoeveel mensen zijn er 
niet voor wie 't van groot belang is zijn gedachten monde- 
ling in 'n mooie en heldere vorm te kunnen uitdrukken? 
Stel dat men een mooi gedicht 's hoorde voorlezen met de 
Amsterdamse f voor v, de Haarlemse ei voor ee of zel& de 
nasalis sonans der oostelike provinsien voor de n in vormen 
die in de schrijftaal op en uitgaan? 

Niet alleen op de preekstoel en in 't gerechtshof maar ook 



\ 



ip 



De beste uitspraak. 453 



in 't dageliks leven is 't van groot belang welke uitspraak 
men aangeleerd heeft. En als een vreemdeling Nederlands 
wenst te leren zal niemand 't in zijn hoofd krijgen hem de 
bovengenoemde eigenaardigheden, of bv. de Friese t of de 
Haarlemse dikke l aan te doen leren. En als wij bv. Frans 
of Engels willen leren, komt 't er natuurlik voor ons op aan, 
de beste uitspraak te pakken te krijgen en mogen we ons 
volstrekt niet tevreden stellen met een uitspraak die de 
Fransen of Engelsen zelf niet, in alle opzichten, als goed 
zouden karakteriseren. 

Maar als dan aan verschillende naast elkaar bestaande vor- 
men ook verschillende waarde gehecht wordt, dan is dit niet 
een zaak die de taal vorser du haut»de sa grandeur kan be- 
schouwen als iets dat hem volstrekt niet aangaat. Al wil hij 
ook niet als leraar optreden, — al wil hij zich alleen maar 
teoreties voor de taal verschijnselen interesseren, dan zou ik 
toch denken dat deze vraag werkelik bij een goed begrip 
hoort van waarin 't leven van een taal bestaat, — nl. dat 
zekere vormen bij behouden worden en als goed en mooi be- 
schouwd worden, andere daarentegen als lelike en niet-deftige 
binnendringers. Houdt de taaivorser met dit moment geen 
rekening, dan kan het gebeuren dat hij met enkele taaiver- 
schijnselen geen weg weet. Waarom de ene van twee oor- 
spronkelik naast elkaar staande vormen wel blijft leven en 
de andere niet, k&n hem niet duidelik zijn. En vooral zal 't 
hem een raadsel blijven, hoe een schrijftaal en een algemene 
taal ontstaan kan en de zege kan behalen indien niet voort- 
durend 't moment hem voor de geest staat dat verschillende 
vormen verschillend gewaardeerd worden door hen die zich 
van de taal bedienen. Dus zal hij boven en behalve wat hij 
verder te doen heeft, ook noch moeten onderzoeken in hoe- 
verre die waardering berechtigd is en hij zal moeten trachten 
die waarderingen onder zekere hoofden te brengen, — er 
zekere prinsiepes voor aan te wijzen. 

Dat de meeste taal vorsers hier in 't geheel niet aan doen 



454 H. Logeman. 

is aan verschillende oorzaken te wqten, — ten eerste aan 
die zekere richting waarover we reeds spraken volgens welke 
de taal een voorwerp van natuurstudie zijn zou ; vervolgens 
aan de omstandigheid dat men zich zo lang in de eerste plaats 
met de oude, zogenaamde dode, talen afgaf. Hier was veel te 
verklaren en kon men gemakkelik rezultaten verkrijgen maar 
hier viel uit den aard der zaak de vraag wat als juist te be- 
schouwen is samen met de kwestie wat feitelik voorkwam. 
Eindelik mogen we hierbij 't feit niet uit het oog verliezen 
dat men dikwels de dialekten tegenover de geschreven taal 
overschat, doordat men daarin een massa overblijfsels van 
oudere taalvormen vindt maar daardoor er licht toe komen 
kan de misschien evei) talrijke nieuwe formaties over het 
hoofd te zien, — ook doordat men in de volkstaal in veel ge- 
vaUen een meer gelijkmatige ontwikkeling kan waarnemen 
en regelmatiger vormen aantreft dan in de, altijd enigsins 
gemengde, geschreven taal. Denkt men daarbij aan de manier 
waarop onze historiese en vergelijkende taalwetenschap zich 
ontwikkeld heeft — en misschien zich ontwikkelen móest 
om zo ver te komen als die gekomen is — dan kan men 
begrijpen hoe 't komt dat een leek nooit om een antwoord 
op onze vraag verlegen is en ons dadelik weet te vertellen 
dat deze of die vorm alléén goed is en dat een zekere andere 
afechuwelik is en absoluut te veroordelen; — terwijl de taai- 
vorser óf de vraag ontwijkt door te verklaren dat 't hem qua 
taaivorser niet aangaat, — of wel, inziende dat de vraag 
niet zo gemakkelik te beantwoorden is als de leek meent 
(bv. omdat ook hij opgemerkt heeft dat er werkelik afwijkende 
vormen bestaan), moet hij 't voorzichtige, maar enigsins onvol- 
doende, antwoord geven dat de wetenschap de vraag noch 
niet onderzocht heeft zo dat hij zich noch geen opienie heeft 
kunnen vormen. De leek daarentegen zal meestal brutaalweg 
beweren dat „fatsoenlike mensen zo spreken" terwijl hij 
misschien nooit de uitspraak van andere goed bestudeerd 
heeft, ja zelfs misschien geen idee van zijn eigen uitspraak 



De beste uitspraak. 455 



heeft. De meeste mensen verbeelden zich nl. dat ze veel 
„korrekter" spreken dan ze werkelik doen, — ofdat ze altijd 
een zeker woord zó uitspreken als ze zich bewust zijn dit 
onder sterke nadruk en bij uitzondering te doen. De foneticus. 
zal dit dikwijls genoeg bemerken en inzien dat hij er niets 
aan heeft iemand te vragen hoe hij dit of dat woord uit- 
spreekt. In zoo 'n geval krijgt men een kunstmatige uitspraak 
te horen, — meestal die waarvan de spreker meent dat die 
om de een of andere reden „korrekt" is. De manier om te 
weten te komen hoe een woord werkelik door een zeker 
persoon uitgesproken wordt is kalm te wachten tot 't toe- 
vallig gebruikt wordt of wel er de spreker langs een omweg 
toe te brengen 't woord te gebruiken bv. ^) door op een 
woord te wijzen dat even verder in de tekst voorkomt, — 
dan wordt dit woord onnatuurlik uitgesproken, — „mooi" 
en „korrekt", maar, wat daaraan voorafgaat, gewoon en na- 
tuurlik, 't Komt er maar op aan, de spreker niet te doen 
zien waarom 't de foneticus te doen is. 

Zelfs een foneticus van professie merkt zelf niet altijd pre- 
sies hoe hij spreekt, — zo vertelt Sweet dat hij nooit ge- 
weten had dat hij zelf an idear of mine zeide, — hoewel hij 
't dikwels bij andere opgemerkt had, totdat op een zeker 
ogenblik iemand hem vroeg waarom hij in die woorden een 
r invoegde^. Een paar jaar geleden besprak ik met enige 
studenten de uitspraak van zekere woorden waarin de o dik- 
wels lang in plaats van, zo als veelal, kort uitgesproken 
wordt. Niemand wilde van die lange vokaal horen maar bij 
't volgend kollege vertelden ze mij dat ze, al bij 't naar huis 
gaan, er een van hun op betrapt hadden en dat ze zich nu 



1) Door mij hieraan toegevoegd. 

2) Ik Yoeg hier een merkwaardige parallel bij. In de winter van 1887 — 88 
toen ik Jespersen voor 't eerst te Oxford ontmoette, hoorde ik bij hem dezelfde 
uitspraak en maakte hem daarop opmerkzaam. Hij wist er niets van en was 
aangenaam verrast te merken dat hij, volkomen onbewust, zich die uitspraak 
had aangewend! 



456 H. Logeman. 

overtuigd hadden dat de lange klinker in de genoemde ge- 
vallen vrq algemeen was. Beijer vertelt (Herrigs Archiv dl. 77) 
dat hü een Engelsman van goede stand eens vroeg hoe asked 
uitgesproken werd. Het antwoord was : natuurlik alleen [askt] 
dus mét [k]. Maar een ogenblik later had Beijer 't genoegen 
die zelfde Engelsman in het vuur van het gesprek drie keer 
achter elkaar te horen zeggen: So he [a-st] him and [a-st] 
and [a-st] again, — dus juist zo als hij (Beijer) 't bij Sweet 
gelezen had. De Engelsman was zo verstandig te lachen toen 
hij er opmerkzaam op gemaakt werd dat zijn teorie zo weinig 
met zijn praktijk overeenstemde. 

En over de uitspraak van andere te oordelen is dikwels 
noch moeiliker dan over zijn eigen, — behalve natuurlik 
als 't zeer sterk afwijkende vormen betreft. Ik zal maar een 
voorbeeld noemen. In 't najaar van 1887 waren Western 
en een ander bij een zeer veelzijdig ontwikkeld Engelsman, 
professor aan het „University College". In een van de boeken 
van Sweet zag hij de uitspraak van always aangegeven als 
[a-lwiz] en Professor waarschuwde tegen deze uitspraak die 
Western beweerde bij deftige mensen gehoord te hebben. 
Men kwam overeen bij Mevrouw in appel te gaan om 't ge- 
schil te beslechten, — Professor had n.1. haar uitspraak steeds 
als iwnderffdhf correct aangeprezen. Zij vroegen haar toen ze 
binnen kwam een zekeren zin voor te lezen die zo ingericht 
was dat zij denken moest dat 't om een ander woord te 
doen was. En zij sprak steeds dlwiz uit, — tot haar mans 
meer dan komiese vertwijfeling. Deze voorbeelden zijn van 
belang, niet zo zeer om te doen zien hoe moeilik 't is de 
juiste uitspraak te horen als om te waarschuwen tegen een 
al te spoedige veroordeling van een vorm als vulgair of zo 
iets. Voor men een oordeel velt over de uitspraak van een 
woord moet men eerst nauwkeurig en onpartijdig onderzoe- 
ken of die werkelik voorkomt en zo ja door wie en onder 
welke omstandigheden die vorm dan gebruikt wordt. 

Na deze inleidende opmerkingen kunnen we tot de vraag 



fc 



De beste uitspraak. 457 



overgaan : wat is de beste Nederlandse uitspraak, — waaraan 
kan men erkennen of een zekere vorm aan te bevelen is of 
te verwerpen, — waardoor kunnen we ons, bij de beantwoor- 
ding van die vraag, laten leiden ? De verschillende antwoorden 
die men gewoonlik op deze vragen krijgt, zullen hier krities 
onderzocht moeten worden. Ten eerste hoort men — en onder 
leken zeker als voornaamste argument — dat de uitspraak 
zich naar het schriftbeeld te richten heeft. De leek die met 
wanhoop in 't hart de grote kloof ziet die daar tussen uit- 
spraak en spelling gaapt, weet in de regel geen andere uit- 
weg dan de uitspraak te veranderen om de gewenste 
overeenkomst tot stand te brengen. Met andere woorden 
moeten we niet, als een portret niet lijkt, de schilder vragen 
het te veranderen, maar liever het gezicht van de afgebeeldde 
persoon trachten op 't portret te doen lijken 1 

En toch is dit een argument dat men altijd weer te horen 
krijgt als de vraag om juiste uitspraak te berde komt. 't Woord 
nu wordt gespeld n, u, dus moet 't nu en niet nou uitgespro- 
ken worden. De een zegt dergelijk^ de ander: d&rgébh. Zonder 
enige kwestie zal de eerste zich op de geschreven ij beroe- 
pen. Daarop zou men kunnen antwoorden dat er toch zeker 
vele gevallen zijn waarin niemand, zelfs zij niet die 't meest 
op de letter afgaan, zekere letters uitspreken presies zo als 
zij daar staan. Zo zal hoogstwaarschijnlp: iedereen 't wel 
gevaarlijk vinden (en niet zeer aannemelijk als ik 't voor- 
stelde) om te beweren dat de ij in deze woorden zijn volle 
klank heeft, — 't zou al te potsierli/k klinken en mijn voor- 
stel zou jammerl^'k verworpen worden. Wil een Noord-Enge- 
lander ons vertellen dat either cnther uitgesproken moet worden 
omdat 't zo geschreven wordt waarbij hij aan üeig'W denkt, 
dan antwoordt zijn broeder uit 't Zuiden dat hij 't %ther uit- 
spreekt ook omdat 't zo geschreven wordt waarbij hij 
aan to receive, denkt. En wie weet of Dr. Johnson toen hij 
zijn bekend antwoord gaf op de vraag: „Moet 't a^Uher ot 
Hher uitgesproken worden?" — n.1. neither — niet aan een 



458 H. Logeman. 

woord als weight dacht. De Zuid-Engelander — en Dr. John- 
son! — zouden in hun repliek misschien gelyk schijnen te 
hebben als wij n.1. ter beoordeling van een uitspraak geen 
andere kriteria hadden dan de schriftvonn. 

In menig geval zal de schrijfwijze als richtsnoer voor de 
uitspraak ons in de steek laten al was 't maar alleen omdat 
de letters verschillende betekenis hebben. Stel 'nu dat iemand, 
op grond van de -ch in de (nu verouderende — of mag ik 
zeggen verouderde?) spelling van mensch^ zou willen beweren 
dat we ook, zo als hoogstenkele doen, mem-ch moeten uitspre- 
ken, dan zitten we met de moeilikheid dat we niet uit de 
schrijfwijze op kunnen maken of de palatale c%, als in Duits 
ich^ of de gutturale als in Duits ach gebruikt moet worden. 
En in 't algemeen kan men hier bijvoegen dat, wat we van 
de historie van de ortografle weten, ons nu niet presies aan- 
leiding geeft met veel vertrouwen aan te nemen dat de op 
een zekere tijd opkomende schrijfwijze nu ook werkelik de 
feitelik bestaande ,beste' uitspraak van die tijd weergeeft. 

„Neen," zegt dan ook een ander, „neen, de tegenwoordige 
schrijfwijze kan geen richtsnoer zijn, maar wel de geschiede- 
nis van het woord in kwestie. De if van -lijk is de oude 
klank die altijd geschreven geworden is, — 't woord staat 
met „gelijk" in verband, waar we de ij altijd uitspreken, — 
aiqui ergo is de ij de enigste uitspraak die de historie ons 
aanwijst. En deze redenering is histories wetenschappelik en 
dus juist." C'est parfaitement vrai, excepté que c'est tout Ie 
contraire, — de redenering is n.1. zo ónhistories en ónwe- 
tenschappelik mogelik. Hoogstens zou men er mee kunnen 
bewijzen dat de ij (of iets dat daar in klank dichtbij stond) 
vroeger uitgesproken was! Maar absoluut niets voor de 
tegenwoordige tijd. Want waarom zouden we dan nu juist 
ons naar die taalperiode richten en niet noch een paar hon- 
derd jaar teruggaan? Daar was een tijd dat dit sufiSx niet 
lijk maar liek werd uitgesproken. Moeten we daarom nu liek 
gaan zeggen? Of zou dat Idiek klinken? En we zouden er 



» 



De beste uitspraak. 459 



dan met dezelfde redenering toe komen niet meer mens uit 
te spreken of mens-ch of zelfs mensk maar .... ja, waar zou- 
den we uitscheiden? Daarmede valt het kriterium van de 
geschiedenis van een woord naar de grond, — er zit niet 
anders op dan te onderzoeken wat we nu eigelik ze^enl 

Met andere woorden : De vraag naar de zuiverste uitspraak 
kan niet met behulp van de taaihistorie beantwoord worden, — 
in de eerste plaats omdat er geen de minste reden is waarom 
wij, 20ste eeuwers ons zouden richten naar de uitspraak van 
vroeger, al was 't alleen maar omdat we even goed 300 of 
500 jaar terug zouden kunnen gaan als 100 of minder. Ten 
tweede omdat de taaihistorie niet zo duidelik spreekt dat we 
dikwels alleen uit de moderne vormen tot de oudere kunnen 
besluiten en omdat we er eigelik zo weinig van weten daar 
we de taal van vroeger alleen maar kennen door 't ver- van- 
volkomen medium: het schrift. 

Maar al is nu de vormgeschiedenis van een woord niet als 
zodanig als een kriterium aan te zien, wil ik daarmee niet 
zeggen dat die in sommige gevallen niet een woord in orthoe- 
piese vragen mee kan spreken. Men is in 't algemeen geneigd 
kortere vormen te beschouwen als verbasteringen van langere. 
Maar als de geschiedenis nu uitwijst dat die langere vormen 
analogie formaties zijn en dat de kortere daarentegen de 
oudere zijn, dan hebben we daarin een basis, — natuurlik 
niet om op grond hiervan zonder verdere vorm van proses 
de kortere vormen de voorrang te geven, maar om in elk 
geval onpartijdig te onderzoeken welke vormen de voorkeur 
verdienen. 

Zo is dan ons voorlopig rezultaat negatief, n.1. dat nóch 
de schrijfwijze, nóch de taaihistorie ons als zoodanig een 
richtsnoer zijn kan voor de ,beste' uitspraak. Zulk een richt- 
snoer moet in de moderne uitspraak zelf gevonden worden, 
de vraag is maar: in welke uitspraak? 

Iemand uit 't Oosten van ons land kunnen we piep en 
vaader horen zeggen, — de Hagenaar of Amsterdammer zal 



460 H. Logeman. 

pijp en vader zeggen. Zonder enige kwestie behoren de twee 
laatstgenoemde vormen wel, en de twee eerstgenoemde niet 
tot de „algemene spreektaal" waarnaar we zoeken. Zo zou 
men geneigd kunnen zijn de oplossing van ons raadsel in het 
plaatselike te vinden en te zeggen dat d^r waar men pijp 
en vader zegt n.1. in de Hoofd- en Residentiestad wordt 't 
best Nederlands gesproken. Maar daarmee komen we niet 
verder. Want in diezelfde residentiestad kunnen we vteder 
horen en in de hoofdstad wordt 'n uitspraak als paap voor 
pijp^ hosa *) (vgl. ga na hoBs, kom op de slees, da za'k je doeke) 
met andere eigenaardigheden maar al te dikwels gehoord, — 
terwijl er daarentegen buiten die plaatsen vele te vinden 
zijn op wier uitspraak niet de minste aanmerking te maken 
is. Onder die omstandigheden gaat 't niet aan een plaatselik 
moment .aan te nemen voor de beste uitspraak. 

Zeer dikwels hoort men een ander kriterium opgeven, 
niet zo zeer voor Nederland misschien als voor andere landen, 
n.1. dat men op het „ schouw- tooneel der wereld" d. w. z. op 
de planken de beste uitspraak kan horen. Natuurlik is dit niet 
zo op te vatten dat elke uitspraak die daar, zelfs in de beste 
Nederlandse teaters, gehoord wordt, maar voetstoots door 
vreemdelingen als voorbeeldig mag worden opgevat. Ten eerste 
vallen alle gevallen weg waar de rol zelf een uitspraak mee- 
brengt die b.v. een „provinciaal" moet karakteriseren of 
iemand — wie dan ook — in 'n belachelik daglicht moet 
stellen, zo b.v. als een Haags modepopje met haar gemaakte 
uitspraak op 't toneel verschijnt. Want zeer dikwels bedie- 
nen goede toneelspelers, meer of minder bewust, zich van 
fijne uitspraak- verschillen als een middel tot karakterisatie 
van de persoon die ze voor moeten stellen, even als ze daar- 
voor stem, de gang, gestes em, nodig hebben. En 't is zeer 
moeilik voor elk spesiaal geval de grens te trekken tussen 
wat wel en wat niet als algemeen-geldig buiten 't toneel 



1) Met oe wordt de (bu van *t p. coeur afgebeeld. 



De beste nitspraak. 461 



d. w. z. buiten die bepaalde rol aan te bevelen is. En dat 
't toneel feitelik voor Jan en alleman ook niet 't richtsnoer 
is, in dit opzicht, blijkt ten duidelikste uit het feit, dat de 
uitspraak der akteurs heel dikwels gekritiseerd wordt, — niet 
alleen in de pers maar ook in 't publiek; wie is 't niet ge- 
beurd klaagliederen te hooren aanheffen over de onverdragelike 
onachtzaamheid van sommige toneelspelers wat de uitspraak 
betreft. Maar dit kan dan toch niet anders betekenen dan 
dat 't toneel de norm niet vertegenwoordigt, — dat is een 
vooropgestelde teorie die aan niets in de werkelikheid beant- 
wordt. Neen, — de akteurs moeten zich "de beste uitspraak" 
buiten 't teater aanwennen en die in hun kunst aanwenden, 
waar geen spesiale omstandigheden een afwijking van deze 
regel eisen, 't Kan dan ook moeilik anders zijn, — ^de' goede 
uitspraak kan alleen daar te vinden zijn, waar die natuurlik 
opkomt. Aan te bevelen kan dus alleen maar die uitspraak 
zijn, die op de een of andere natuurlike teruggaat. 

Er komt hier noch iets bij — iets wat alleen zij volkomen 
zullen kunnen begrijpen, die een scherpgeoefend oor bezitten — 
n.1. dat de uitspraak van een zelfde toneelspeler van een en 
't zelfde woord volstrekt niet altijd de zdfde is, — net zo min 
trouwens als in de natuurlike uitspraak van niet-akteurs I 
Men kan nee en neen\ fan^ fvan en van\ dergdijJc^ dergehk^ 
goddehk en choddelak enz. enz. naast elkaar horen, — alles 
hangt af van 't ogenblik, vooral van de meerdere of mindere 
mate van nadruk die 't woord in de zin heeft — en wel 
verre van er de akteurs een verwijt van te maken dat ze 
"zich niet konsekwent aan een uitspraak houden" is 't te 
prijzen omdat ze zich op die manier niét in hun vrije bewe 
ging gehinderd zullen voelen. Alles pleit er n.1. voor dat men 
op de "planken die de wereld representeren" ook wat de 
taai-behandeling aangaat, zo nauwkeurig als 't maar enigsins 
kan, 't leven in al zijn bonte menigvuldigheid nabootst. Maai' 
't komt er op aan hier even te konstateren — wat n.1. uit 
't voorafgaande volgt — dat hij die de toneeluitspraak als de 



462 H. Logeman. 

^^^^»^^^— ■ ■ ^1» ■■■■■ ■ ■ ■■■■■ Mlll» , .1^ ■■■■.. — ■ I ■ ■,■■■ ■ ^^^— ^^^ ■» — ■!■ ^ 

hoogste autx)riteit zou wensen op te stellen, elk ogenblik 
op gevallen stoten zou, waar de twijfel alleen door nauw- 
keurig onderzoek en spesiale studie verdreven kan worden. 

Neen, — zeggen dan ook andere — de "beste" uitspraak 
wordt niet op die of die plaats gevonden, — maar wordt bij 
de hogere standen gevonden, — in tegenstelling met de "vul- 
gaire" taal, gesproken door de "gewone" luiden op 't land en 
in de stad. Hierin ligt zeker een greintje waarheid; naast de 
dialekten die werkelik op plaats-verschil berusten, bestöat er 
werkelik tegenwoordig een verschil dat op de sosiale toestan- 
den berust. De hogere standen spreken anders dan de lagere 
en wel grotendeels zo, dat een "deftig" mens daarbij niet 
onder de invloed staat van de plaats waar hij geboren en 
getogen is. Het verschil tussen de taal van een Geldersman 
en 'n Zuid-Hollander, uit de deftige stand onderling, zal min- 
der groot zijn in de regel dan dat tussen de taal van die 
zelfde Geldersman en die zelfde Zuid-Hollander aan den ene 
kant en hun minder beschaafde, hun sosiaaMager staande 
distrikt of liever dialekt-genoten. Maar ook hier weer is 't erg 
lastig de juiste grens te trekken en te zeggen: dat wat uit 
een sosiaal oogpunt daarboven staat spreekt goed, — wat 
daaronder staat spreekt vulgair. En moet nu de uitspraak van 
iemand die vandaag tot professor benoemd wordt of tot in- 
specteur van het geneeskundig staatstoezicht, maar dadelik 
als uitstekend gekentekend worden? Dit kan natuurlijk de 
bedoeling niet zijn, — maar zelfs als we bedenken dat zij 
die van de hogere standen in dit opzicht spreken, 't oog 
hebben op wat daar als gewone uitspraak voorkomt, — zelfs 
dan gaat 't noch niet op. Want al komt 'de' goede uitspraak 
in de hogere standen iets meer voor dan in de lagere, 't is 
zeker niet omdat de spreker tot die hogere stand hoort 1 

En we komen al niet veel verder als we in plaats van dit 
uiterlike moment: de plaats in de maatschappij, 't innerlike 
nemen en zeggen: de uitspraak van de ontwikkelden is het, 
die algemeen navolging verdient. Want wie hoort tot de 



De beste uitspraak. 463 



"ontwikkelden" - en wie niet? Dat heeft niemand ons noch 
gezegd en 't zou ook moeilik vallen dit nauwkeurig te be- 
palen. Zijn er niet vele wie we dit predikaat niet zouden 
willen ontzeggen en die — dit voelen we — toch werkelik 
geen goed Nederlands spreken? Er zijn er van de andere 
kant niet vele wier Nederlands niets te wensen overlaat 
maar die met de beste wil van de wereld toch niet ** ontwik- 
keld" genoemd kunnen worden? 

Zo schijnen we dus voor een dilemma te staan: wa^ die 
goede uitspraak te vinden is hebben we noch niet aan kun- 
nen geven en toch vodi iedereen dat er werkelik zo iets als 
een algemene uitspraak bestaat. Want zo al niet altijd, — 
dan toch vrij dikwels zal men 't er over eens zijn dat dit 
'goed' is en dé>t "verkeerd", — ik heb hier 't oog op spesiale 
gevallen : de uitspraak van 't een of ander woord of de ene 
of andere klank. Weir voor weer^ — iedereen zal 't er over 
eens zijn dat dit niet algemeen, niet 'goed' is, en dat dit te 
vermijden is; niemand zal de oa in vaoder (vader) of de ï in 
pin (pijn) goed keuren. En we zullen 't er wel alle over eens 
zijn dat hij die van een "Ueillik meissie" spreekt, dat 'n "koppie 
melluk op de chrond heift Uate falie" er een uitspraak op 

na houdt al even lelik als 't meisje zelf. Maar hoe komt 

dat? en hoe kunnen we beslissen wat dan eigelik 'goed' en 
'niet goed' is? 

In de Literatuur van 't vak worden de bovengenoemde ge- 
zichtspunten dikwels door elkaar of naast elkaar aangetroffen 
en we mogen wel met een zucht vragen of er eigelik wel 
een oplossing van de vraag mogelik is? 

Ik voor mij geloof 't wel en meen dit algemeen beschaafde 
Nederlands te kunnen definiëren als die uitspraak welke niet 
laat horen uit welk gedeelte van Nederland de spreker stamt, 
m. a. w. hij spreekt 't beste Nederlands, die zich geen enkele 
dialekt-eigenaardigheid laat ontsnappen. Men ziet dat deze 
definitie geen rekening houdt met de plaats waar die beste 
uitspraak gevonden wordt, — een gesprek gevoerd door iemand 



464' H. Logeman. 

♦ 

in Amerika geboren met een uit Java heeft in 't ^beste' Ne- 
derlands plaats als er maar geen enkele uitspraak-eigenaardig- 
heid is die w^st op Amerika of Java of welke provinsie van 
Nederland dan ook. Ook spreekt deze definiesie niet van stand 
of ontwikkeling van de spreker, — dit is alles bij dit vraag- 
stuk iets uiterliks, feitelik iets van de tweede rang; iets dat 
wel invloed hebben kan omdat iemands taal nu eenmaal 
sterk onder de invloed van zqu omgeving staat, maar dat 
toch niet een kriterium genoemd worden kan dat de doorslag 
geeft. 

Daarentegen zegt de definiesie ongeveer 't volgende: Zo 
lang je zó spreekt, dat een fijn opmerker je niet in een be- 
paald deel van 't laud kan lokaliseren, en uit je taal niet 
horen kan waar je geboren en getogen bent, en niet merkt 
dat je taal onder de invloed van die streektaal staat, — 
zolang spreek je ,goed' Nederlands, — ,beschaafd' Nederlands 
of hoe men 't noemen wil. Komt er daarentegen in je uit- 
spraak iets voor — een klank of een woord — waaruit de 
horer op zou kunnen maken dat je in Haarlem of in Deven- 
ter of in Gent geboren of opgevoed bent dan is uw uitspraak 
in dat opzicht niet navolgenswaardig, niet ,goed' Neder- 
lands. „In dat opzicht", — want 't kan best z^n dat je 
anders uitstekend spreekt. Menigeen spreekt zo dat men lang 
naar ze luisteren kan, zonder iets verdachts te merken, tot 
dat ze op eens, soms door de kleinste kleinigheid, verraden 
waar ze vandaan komen, — iemand die u vertellen zou : „ik 
bin van Amsterdam" doet onnodige moeite, — hq had er 
de plaatsnaam af kunnen laten I Een Zuid-Nederlander, al 
spreekt hij ook noch zo ,goed' (Noord-)Nederlands zal zich 
altijd — althans met hoogstzeldzame uitzonderingen ^) -^ 
verraden door zijn lange vokalen, zijn palatale ^'s in plaats 
van onze gutturale, behalve natuurlik door zijn woordekeus. 
Ja, — ergens horen we nu eenmaal alle thuis, en hoe goed 



1} Ul ken er persoonlik maar één, — Professor Vercoullie. 




Be beste uitspraak. 465 



sommige in de regel hun dialekteigenaardigheden verbergen, — 
op 't onverwachts komen ze zo nu en dan eens te voorschijn. 
Dit meer of min bewust , verbergen' er van is juist 't gevolg 
van onze ,ontwikkeling' — bij niet-ontwikkelden komen ze 
n.1. veel gauwer te voorschijn; é,ls ze daar al ooit verdwij- 
nen — en dit kan alleen plaats hebben door een alweer be- 
wust óf onbewust geoefende kontrole van onze geest ; vandaar 
dat in een ogenblik van passie, of van verdriet de ,algemene' 
taal plaats maakt voor dialekt. Dit heeft b.v. Daudet uit- 
stekend gevoeld : als in „L'immortel", de Académicien Astier- 
Béhu, die altijd mooi Frans spreekt, plotseling ontdekt dat 
zijn vrouw hem bestolen heeft, laat Daudet hem opeens in 
zijn dialect vervallen: „Volé! Je suis volé .... ma femme 
m'a volé pour son flls" .... et son ftirieux délire roulait pêle- 
mêle avec des jurons paysans de sa montagne: Ah! la 

garso .... Ah! li bougri " En ik zelf kan hier 't geval 

van mijn vader bijvoegen, die, hoe ouder hij werd, meer en 
meer Amsterdamse eigenaardigheden in zijn taal mengde ter- 
wijl hij vroeger ongemeen zuiver, „beschaafd" *) gespro- 
ken had. 

Hoewel 't wegens wat voorafgaat wel overbodig zijn zal, 
kan 't misschien toch geen kwaad hier even tegen een moge- 
like, verkeerde interpretatie van onze definitie te waarschu- 
wen. Iemand die zozeer onder de invloed van verschillende 
dialekten staat dat hij b.v. Groningse en Zeelandse en Utrechtse 
eigenaardigheden vertoont, — ja van hem kan men ook zeg- 
gen dat uit zijn taal niet op te maken is waar hij vandaan 
komt, maar mijn lezers zullen wel begrepen hebben dat dit 
de bedoeling niet is; zo iemand spreekt juist geen ogenblik 
de ,algemene' taal, maar een waarvan 't eigenaardige — om- 



1) De ^beschaafde* taal, — heeft myn lezer zich wel rekenschap gegeven van 
't feit hoe dit woord beschaafd, met z\jn na noch doorzichtige beeldspraak, de 
hier boven aangegeven teorie steant? Hoe meer de ,schaar (van de omgang met 
andere) eigenaardigheden heeft wegge-effend, des te meer nadert de uitspraak 't 
ideaal van 't ,zuivere* Nederlands. 

T. EN L. zn. 31 



466 H. Logeman. 

gekeerd — juist dëarin bestaat dat die op al die streken 
wijst waarvan de spreker de inwerking gedeeltelik ondervon- 
den heeft. De eenheid — 't ,aus einem guss'-zyn — dat men 
van een taal verwachten kan, ontbreekt hier geheel. 

Dat er nu werkelik zulk een algemeen Nederlands bestaat 
in de hier aangegeven betekenis is niet twijfelachtig, zel&al 
zou er niemand te vinden zijn die het a 1 1 ij d spreekt, 
zonder zo hier en daar even te verraden waar hq vandaan 
komt We zagen 't al hiervoor: hoort men een man uit 
't volk spreken dan is 't vrij wat gemakkeliker te horen waar 
hij vandaan komt — soms als hij nauweliks de mond open 
gedaan heeft — dan bij iemand uit de hogere standen. En 
't is niet moelik te zien waarom. De taal is een uiting 
die door andere begrepen moet worden, — de taal 
van een individu is altijd meer of min onder de invloed van 
die van zijn omgeving, waardoor ten dele 'n onmiddelbare 
instinktive nabootsing, ten dele de noodzakelikheid zich doet 
gelden om zich aan de hoorders aan te passen, — men wil 
nl. liefst volkomen verstaan worden. De landlui zijn fei- 
telik noch aan hun woonplaats gebonden, — zo ook al niet 
meer wettelik gJsbae addicti zo als vroeger — zelfs nu noch 
is er menige boer te vinden die van de wereld niets gezien 
heeft dan een paar dorpen I Van zo iemand is de omgang tot 
een minimum beperkt en is de taal uit den aard der zaak 
zeer lokaal gekleurd. Neem daarentegen 't geval van een van 
de „deftige lui" bv. uit dezelfde streek die geheel 't land 
bereist, die geregeld 's winters in een van de grotere steden 
woont, waar ook weer veel lui van alle delen des lands samen 
komen om zich wetenschappelik, muzikaal of technies te ont- 
wikkelen en waar dientengevolge „beter" Nederlands gespro- 
ken wordt. Uit den aard van de zaak heeft zo iemand even- 
veel — zo niet meer — omgang met mensen uit een andere 
dan z'n eigen streek. Zijn familie — in tegenstelling met 
onze vriend van daar straks — woont over 't hele land ver- 
spreid. En zo ontwikkelt zich van zelf grotere smijdigheid, — 



De beste uitspraak. 467 



een langzaam zich onttrekken aan de lokale eigenaardigheden. 
En Wat ik hier van de , voor namen' en ,rijken' zeide, geldt 
ook van de ontwikkelden. Want die ontwikkeling zal wel 
altijd *t gevolg zijn juist daarvan dat men een tijd lang uit 
zijn „buitenbuurtje" weggeweest is, juist bv. in een van die 
steden waar ik zo even over sprak. Is dan de leertijd voorbij 
dan zoekt en vindt zo iemand dikwels zijn arbeidsveld in een 
heel andere hoek dan waar hij van daan komt. Bovendien 
zal dit nivellatie proses ook bij iedereen plaats vinden die uit 
den aard van zijn beroep met allerlei mensen in aanraking 
komt. Aan een bekend feit mag in dit verband even herinnerd 
worden: een zeeman spreekt minder „dialekt" dan een boer! 
In steden zal men zich met grotere koppigheid aan de plaat- 
selike taal-eigenaardigheden vasthouden, indien de stad alleen 
maar met de dichtstbij liggende streken betrekkingen onder- 
houdt ; in een klein landstadje zal men langzamerhand dialekt 
eigenaardigheden (natuurlik te beginnen met 'tjonge geslacht) 
zien verdwijnen wanneer er 'n stoomtramverbinding of zo 
iets tot stand komt. Als de voornaamste brandpunten voor 
het bedoelde taal-afelijten zijn natuurlik de grote steden te 
noemen en het is duidelik waarom. De bevolking is daar 
't minst stabiel, — in de grote steden zijn er persentsgewijs 
altgd veel meer inwoners die er niet geboren zijn dan in 
kleine landstadjes of dorpen. 

Uit alles wat hieraan voorafgaat zal gebleken zijn dat die 
zekere momenten — door mij verworpen als criteria over 
de ,beschaafde' uitspraak; nl. de taal van de hogere standen ; 
de ontwikkelden enz. — dat die momenten volstrekt niet van 
alle belang ontbloot zijn al konden we ze dan ook niet op 
zich zelf als criteria gebruiken. Wij kunnen niet zeggen 
dat bv. de taal van de hoofdstad (en van de residentie) per 
sö, igöed* Nederlands is, — maar zeker is 't dat er in de 
grotere steden naar verhouding meer ,beschaafd' Nederlands 
te horen is dan op 't platteland omdat dö^r zo veel lui uit 
andere plaatsen bij elkaar komen. De taal van de hogere 



468 H. Logeman. 

standen is als zodanig geen norm, — maar feitelik heeft 
zich bü hun de algemeene taal meer ontwikkeld dan bg de 
mindere man; en 't zelfde geldt voor de ontwikkelden. Die 
norm is 'n ideaal door weinige altyd geheel bereikt, — maar 
een dat iedereen bewust of onbewust voorzweeft en dat by 
de deftige ontwikkelde standen eerder bereikt wordt dan bij 
de mindere, de „onbeschaafden". 

't Zal nu ook duidelik z^jn dat die algemene taal niet ont- 
staan is door dat men zich bewust werd dat die of die vorm 
beter zou z^n dan andere; feitelik heeft die algemene taal 
bestaan vóór die als norm erkend werd. Langzamerhand moet 
die zich uitgebreid hebben en vaster van vorm geworden zijn 
voor dat die als voorbeeld erkend werd voor andere dan die 
't spraken. 

Bij deze schets heb ik geen rekening met 't schrift ge* 
houden, als factor b\j de toestanden die die algemene taal in 
't leven hebben geroepen. Dit deed ik met opzet, — de ont- 
wikkeling zou nl. zeker in dezelfde richting gegaan zijn zelfö 
als we ons konden voorstellen dat 't Nederlands tot nu toe 
geen geschreven taal had gehad, — maar dat die alleen maar 
mondeling voort was geplant. Feitelik ontwikkelt zich nl. een 
algemene taal op presies dezelfde wijs ook al wordt die niet 
opgeschreven, — als maar de hoofdvoorwaarde aanwezig is 
namelik : voortdurende mondehnge gedachten uitwisseling door 
lui uit verschillende streken. Wij hebben nl. in onze taal 
gevallen genoeg die doen zien hoe de uitspraaknorm vol- 
komen onafhankelijk is van de geschreven vorm. De o ia stok 
en bok bv. is dubbelzinnig en toch zal niemand bok met de o 
van stok uitspreken zonder voor geaffekteerd te gelden of de 
o van bok bij stok gebruiken zonder uitgelachen te worden. 
En uit ochtend dat ochnt luidt (om geen duizend andere te 
noemen) bl^kt dat de gesproken taal vormen als alleen heer- 
send erkent, die niet in de schriftvorm uitgedrukt liggen. 
Geheel en al zonder betekenis voor de uitspraak is de spel- 
ling van een woord niet, — 't pas genoemde woord kan men 



De beste uitspraak. 469 



door de een of andere pedant ochtend{t) horen uitspreken, — 
in deze tijd nu de school zo veel meer dan vroeger bezocht 
wordt heeft de schoolmeester die niet altijd zijn plicht be- 
grijpt, zijn invloed veel doen gelden met dit gevolg, dat een 
onnatuurlike boek-uitspraak de natuurlike volksuitspraak 
verdringt. Die schoolmeester — maar gelukkig zijn niet alle 
zo — vergeet wel 's dat de spreektaal n®. 1 en de schrijf- 
taal n^ 2 is. 

Ik veronderstel dat m'n lezers me wel toe zullen geven 
dat zulk een algemene taal — altans iets wat er zeer dicht 
bij komt — werkelik bestaat en waarschijnlik zal hij ook 
wel erkennen dat mijn formule niet meer is dan de bewuste 
uitdrukking voor dat wat ons onbewust voorzweeft, — als ik 
zeg dat die of die Amsterdams of Rotterdams spreekt, wordt 
dit niet altijd als een soort verwijt gevoeld? — maar 't zou 
toch noch kunnen zijn dat hij twijfelend vroeg waarom dan 
die zekere beschaafde taal 'beter' is dan een van die dialekten ? 

In de 5de aflevering van jaargang 1895 van dit tijdschrift, 
zullen mijn lezers een opstel "Taalverval of Taalontwikkeling" 
kunnen vinden, waarin ik zekere teoriöen van Jespersen over 
de oorsprong van de taal heb trachten uiteen te zetten naar 
aanleiding van zijn nu welbekend "Progress in Language". 
Een van de voornaamste daarin door hem verdedigde — en 
naar mijn opvatting: bewezen — stellingen is: "dat die taal 
't hoogst staat, die met de minste middelen 't best z'n doel 
bereikt." Op 't eerste gezicht kan 't schynen alsof die in 
tegenspraak is met de teorie omtrent de algemene taal versus 
de dialekten, — in de dialekten toch komen vormen voor die 
verder geavanceerd, verder afgesleten zijn dan in de beschaafde 
taal. Wat moet b.v. uit dit oogpunt beschouwd, 't Afrikaans- 
Hollands een prachtige taal schijnen, vergeleken met 't Hol- 
lands! Zo zou men, deze twee teoriöen met elkaar in verband 
brengend, kunnen denken dat wij Afrikaander-Hollands als 
"beter" dan Nederlands zouden moeten beschouwen. 

Niets zou verder van m'n bedoeling zijn. Dat een taal 



470 H. Logeman. 

''hoog staat" is — zo als uit 't verbapd daar blaken zal — 
zo op te vatten dat men daar 't meest mee uitrichten kan 
d. w. z. dat men daarmee 't best verstaan kan woe- 
den. Zeker, in sommige opzichten staat Engels hoger dan 
Hollands, — 't Chinees misschien wel hoger dan die twee, 
maar niemand zou daarom willen beweren dat, gebruikt als 
communicatiemiddel met Nederlanders, 't Engels of 't 
Chinees boven 't Nederlands staat? De gehele moderne 
taaiopvatting leidt juist tot dit resultaat, tot deze beschou- 
wing, dat 't doel van de taal is als middel van commu- 
nicatie met andere te dienen; de taalwetenschap is 'n 
sosiale wetenschap volgens de jongste geleerden, de vorm 
moet niet stijf, pedant-onveranderlijk zijn maar steeds ver- 
anderen naar gelang van de behoeften van de hoorders, 
't Woord van Goethe is ook op de taal van toepassing: 
Eines schickt sich nicht fdr Alle. 

En dan moeten we tot de konkluzie komen dat het „dia- 
lekt-vrije", „algemeene", „beschaafde" Nederland daarom 't 
beste is oindat 't 't beste middel is om verstaan te worden. 
Ja, ik weet 't wel, — als ik iemand uit de buurt van Maas- 
tricht tegen kom, zou ik natuurlik 't best doen zijn dialekt 
te spreken om zeker te zijn verstaan te worden. Maar dat 
kan nu eenmaal niet, — en dan heb ik zeker meer kans 
begrepen te worden met mijn „beschaafde" taal — dat hij 
dan toch wel enigsins zal kennen — dan met Gronings of 
Zeelands. En meestal weet men niet dadelik waar een man 
vandaan komt, — afgezien van 't feit dat niet iedereen alle 
dialekten kan kennen, — en ook dan is 't ,algemene' Neder- 
lands voor te trekken. Vooral is dit 't geval waar men 
in 't publiek moet spreken, op 't toneel, op de preekstoel of 
waar dan ook, — altijd zal dan, door de lui uit de verschil- 
lende streken die men al licht voor zich heeft, de ,besph3,afde' 
taal 't best verstaan worden. 

Die is dus daarom 't ,best' omdat die ons de meeste kans 
geeft overal verstaan te worden ; óók — maar dit ligt buiten 



De beste uitspraak. 471 



onze klank-studiön — omdat die zich juist ontwikkeld heeft 
onder en door hen die 't meest gereisd hebben, 't meest ge- 
hoord en gezien hebben, met vele mensen omgang gehad heb- 
ben en die zich door de meest-omvattende gedachten „be- 
schaafd" hebben*). 



Gent, Juni 1902. 



1) Hierop zal in de volgende jaargang volgen een analoge studie over „de beste 
uitspraak in vreemde talen" waarin de hier geschilderde toestanden voornamelik 
in 't Frans, Engels en Duits in 't kort getekend zullen worden en verder een 
hoofdstuk over de beste uitspraak bij verschilpunten i n een en dezelfde ,be- 
schaafde' taal. 



JAN LIGTHART, LETTERKUNDIGE STUDIËN L 



{De kleine Johannes, door Fiederik van Eeden). Te Gro- 
nbgen bg J. B. Wolters, 1902. 

De heer L. causeert op onderhoudende wijze over het boek 
van Frederik van Eeden en zorgt door een zeer gedetailleerde 
bespreking voor een duidelike verklaring. Hij heeft daarmee 
een goed werk gedaan, want velen voelden wel de algemene 
betekenis van dit mooie sprookje, maar in alle delen helder 
was 't hun niet. Vele trekjes er uit leken in 't begin op 
zichzelf staand, buiten het verband van 't geheel. Maar wie 
onder hen aandachtig gingen herlezen en rustig indenken, 
ontdekten telkens nieuwe schoonheden, merkten vooral ook 
op de eenheid en het verband. Zo moest, met het toenemen 
van het inzicht, de bewondering groter worden en tot liefde 
groeien. Zo kon zich ten slotte de mening vormen: „Alles 
in „De kleine Johannes" is werkelikheid, volkomen werkelik- 
heid. Evenwel niet in dien zin, dat de voorstelling in 't boek 
de preciese, de scherpbelijnde en helgekleurde weerkaatsing 
zou wezen van eenige realiteit, .... Maar wel aldus opgevat, 
dat ze de vertolking, de dichterlijke afbeelding is van 't geen 
waarachtig is geschied." (pag. 5). 

Dit is de grondslag, waarop een goede verklaring van „De 
Meine Johannes'' behoort te worden opgebouwd, eu waaraan 
de heer Ligthart zich houdt bij de bespreking van het vol- 
gende plan: 



•H 



Jan ligtliart, Letterkundige Studiën I. 473 

a. De groei der dichterziel tot het tgdperk van den man- 
neiyken leeft^d. 

b. Windekind en bet gouden sleuteltje. 
e. Wistik en het ware boelqe. 

Robinetta en het Roodborstje. 

d. Pluizer met zijn vriend Hein en dokter Cijfer. 

e. Windekind of Jezus? 

Uit de goed doordachte Inleiding vestigen wij de aandacht 
op de vergelijking van de droeve, zoekende mensenziel, die 
flauwe heugenis heeft aan iets zonnigs en schoons dat in 
lange, donkere droomnacht is weggeneveld, met de zoekende 
kinderen, die in een groot en dicht woud gans alleen waren 
en niet wisten van de oorzaak van hun wondervreemd komen 
in dit oord. (pag. 17—20). Van nauwkeurig indenken in de 
stof getuigt het gedeelte dat behandelt „de eerste tijdperken 
van den groei onzer ziel" (pag. 21—27), waarin dit goed- 
gevoelde: „Zuiver geluk is onzichtbaar van klaarheid." 

De toelichting zelf is met veel zorg bewerkt. Wij wijzen 
op Johannes' overgang van Windekind tot Wistik (pag. 
68-76). Uitstekend verklaart de Schr. ook (pag. 117-119), 
steun zoekende in de ,Rei' uit „EUen*^ (Veel — veel wit 
madelieven staan), hoe Johannes' oog door Pluizer gericht 
.moest worden op de donkere aarde, om door leed en pijn te 
stijgen tot heerlikheid, en flink verdedigt hij, dat daartoe ook 
noodzakelik was de tocht door de rustplaatsen der doden 
(pag. 149—152). Menskundig is de opmerking (pag. 131), dat 
in het overgangstijdperk van jongeling tot man de geest zich 
veel bezig houdt met het denken aan sterven en dat niet 
slechts doodsgedachten, maar ook doodsverlangen opbloeit in 
de tot zelfbewustheid stijgende ziel : „De melancholie van het 
ontnuchterde idealisme vindt iets zoets, iets vertroostends 
in den Dood." 

Volkomen bevredigend is ook de verklaring van het slot 
uit Van Eeden's boek, waar Johannes kiezen moet tussen 
Windekind^ die het gouden sleuteltje in de hand heefb en die 



474 Jaoob £k. 



met de duistere Dood in het vaartuig op de brede vuurbaan 
komt aandrijven — en de Ongenoemde met z\jn blik van 
„eindeloos ecLchte toeemoed^^: 

„Sterven in den schoonen droom ^ hiernamaals de Waarheid 
te zullen aanschouwen*' 6f de Hoogste Liefde te volgen en 
zo „den killen nachtwind tegemoet (te gaan), den zwaren 
weg naar de groote duistere stad, waar de menschheid was 
en haar weedom". (De kleine Johannes^ pag. 192), 

Besprekingen van kunstwerken zoals „De Ueine Johannes" 
er een is, kunnen van drieerlei aard z|jn. 

Vooreerst kan de konceptie en de wijze-van-zeggen zulk 
een machtige invloed op de lezer uitoefenen, dat hij z'n be- 
spreking of verklaring gaat schrijven met zoveel liefde en 
geestdrift, dat hij als 't ware zelf een nieuw kunstwerk 
schept, al is het dan ook niet van zo hoge kwalieteit als het 
boek waar hy 't over heeft. 

Daarentegen kan het werk hem ook zo sterk hebben aan- 
gegrepen en in z'n ziel getroffen, dat et hem stil maakt en 
hij nu in uiterst sobere, maar vaak sterk gecondenseerde, 
taal z'n toelichting zegt. 

Geeft de eerste wijze van werken iets hartstochteliks aan 
de uitlegging en laat-ie kleinigheden dikwels onverklaard, 
tenvijl hij er naar streeft om door het opwerpen van een 
schitterende apotheoze, als in stormloop, de geestdrift van 
de lezer voor het oorspronkelike werk te wekken, de tweede 
manier maakt de toelichting rustig en klaar, zegt die in een- 
voudig gebouwde zinnen, geeft er iets meer overdachts aan, 
maar laat toch — zij 't ook meer onopzettelik — de inge- 
nomenheid uitkomen. Dit is wel de bespreking die het best 
past bij „De Ueine Johannes^\ want „rust is de groote indruk, 
die het werk achterlaat" *). 

Op de derde wijze wordt het werk behandeld in de ver- 



1) Kloos, Veertien jaar Litteratuurgeschiedenie^, tweede deel pag. 47. 



Jan Ligthart, Letterkundige Stndiên I. 475 

sleten taal van ouwe boeken, een taal waarin de woorden 
wel alle in hun presiese betekenis bedoeld en gezegd zijn, 
maar die niet de indruk wekt, als gaf de verklaarder nu een 
toelichting zoals die alleen maar van hem in 't biezonder te 
wachten was, een verklaring dus, waarin de rijke individua- 
liteit van de beide eerste soorten gemist wordt en waarvan 
het hoofdkenmerk iets vlaks is, omdat er slechts mat-gezegde 
sporen van ontroering of geestdrift in zijn op te merken. 
Zonder twijfel ontbreekt aan deze manier het kenmerk der 
artisticiteit, dat de beide eerste in zo hoge mate bezitten en 
dat ze een waas van voornaamheid geeft. 

Wat Willem Kloos ^) en Henri Borel ^ over „De Ueine 
Johannes'' gezegd hebben, deed mij denken aan de tweede 
manier en ook het boek van de heer Ligthart liet door z'n 
eenvoudig „Voorwoord" een toelichting van die soort ver- 
moeden, maar het spijt mij te moeten zeggen, dat dikwels 
de gedachte aan de derde gewekt werd, hoewel ik soms het 
streven naar de tweede meende op te merken. 

Ik geef hiervan nu éen voorbeeld uit vele: 

De schrijver verhaalt hoe 't de mens plotseling duidelik 
worden kan, „dat hij behalve werkzaam lid van een kleinere 
of grotere samenleving, ook nog is: sterveling in een onbe- 
grensd heelal." (pag. 10). En dan vervolgt hij : „U weet den 
avond nog... ." Hierin ligt nu die mooie eenvoudigheid, die 
door de naïeve wyze van zeggen hoog artistiek wordt. „Ik 
weet den avond nog ... ." Dat is de allerzuiverste uiting van 
het puur voelen der komende, betekenisvolle gebeurtenis, die 
met stijgende ontroering, weer te vinden in de taal, straks 
zal worden gezegd. Met die enkele woorden wordt de lezer 
gestemd en voorbereid en zal hem straks, in een machtige 
klimax, de gewichtigheid van dat grote feit volkomen helder 
geworden zijn. 



1) Veertien jotar Litteratuurgeachiedenk, II, pag. 46. 

2) Studiesy pag. 33—34. 



476 Jacob Ek. 



„Ifc weet den avond nog^ toen dege uHtarheid . . . ." Dit uxiarTieid^ 
een woord met zo bepaalde betekenis, dat onmiddelik doet 
denken aan een stelling of een stelsel, aan redenering dus, 
verstoort de geüoébiniruk^ door de aanhef van de 2dn gewekt. 
Hier is dus disharmonie, die was voorkomen als er eenvoudig 
dit had gestaan. 

„2% toeet den avond nog^ toen deee waarheid me helder en 
krachtig bewust werd. 'k Was Bestien jaar en keerde van een 
avondles huiswaarts (naar huis!). Zooais gewoonlik blikte ik op 
mijn eenzame wandeling naar boven^ naar den sterrenhemd. 

Sterk hindert bier vooral het woord blikte; iedereen zal het 
hier aanstonds als boekewoord voelen, en, omdat et niet uit 
de ziel ontsprongen kan zijn bij heel fijn en zuiver navoelen 
van wat die avond gebeurde, het als rethories verwerpen. 
Bovendien verzwakt zooais gewoonlijk de toch al niet sterke 
indruk door de voorgaande zin gewekt, omdat alle — nu noch 
licht gespannen — aandacht had moeten geconcentreerd op 
diè avond! De lezer ziet hier de zware terugval van 2 naar 
3 en kan in de onmiddelik daarop volgende zinnen noch voor- 
beelden van diezelfde — ik zou haast zeggen — ruwheid van 
taal opmerken O* 

Dit is geen woordenzifterij, vooral niet omdat ik de aan- 
gehaalde zinnen zeer streng neem in het verband van hun 
omgeving. Waar immers de heer Ligthart daar en in wat er 
volgt het erop gaat toeleggen, om de lezer door z'n gevod 
(zie de hele pag. 11 en de eerste helft van 12!) en niet door 
zijn verstand tot de erkenning te brengen van de machtige 
omkering, veroorzaakt door dat nieuwe, vreemde, aangrij- 
pende: jjde mens sterveling in een onbegrensd heelal^^ en waar 
hij daarop zijn Inleiding bouwt, hadden wij mogen verwachten. 



1) Men zie ook noch : „*t Was of de sterren loslieten van 't uitspansel en me 
naderden; notderden in letterlijken zin'^ (pag. 11). Hoe kan de schr., navoelend 
hoc hij werd „aangegrepen door (een) schitterend wonder," dat hem in „mach- 
tige ontzetting'* deed sidderen, dit zo schoolmeesterachtig zeggen I 



Jan Ligthart, Letterkundige Stadiën I. 477 

dat dit gewichtige deel ook door z*n taal de lezer zou stemmen 
en meevoeren. 

Het is waarschijnlijk de vrees geweest, dat zijn verklaring 
van „dit zonderlinge ding" noch aan duidelikheid te wensen 
zou overlaten, die de heer Ligthart er toe dreef, z'n mening 
eenvoudig te zeggen. Maar hij heeft er bij het schrijven blijk- 
baar niet aan gedacht, dat die eenvoud een rijke mate van 
artisticiteit niet hoefde uit te sluiten, en dat die zo uitste- 
kend bij een kunstwerk als „De Meine Johannes^^ had gepast. 

Ten slotte noch deze opmerking: 

De heer Ligthart ziet wel 't onzinnige van „'t grammati- 
caal woordgeslacht, dat bij den meester hoog staat" (pag. 47 
noot) en dat hem, als alle dood onderwijs, belet de zid van 
z'n jongens te leren kennen. 

Met dit inzicht in de kwestie is bij een volgende „Letter- 
handige Studie*' van hem, stellig te verwachten dat die ge- 
schreven is in de vereenvoudigde spelling! 

Dordrecht. Jacob Ek. 



TURELUURS. 



De uitdrukking tureluurs^ het ia om iurduurs te worden^ komt 
niet voor in de lexikografiese werken van Franck, Stoett, 
Vercouillie, de Beer en Laurillard. Van Dale vermeldt een- 
voudig: „het is om tureluursch (dol, gek) te worden". Wel 
vindt men bij Franck en Vercouillie het woord turduur^ 
„onomatop. van 't geluid der fluit," en bovendien bij de eerste 
schrijver de uitdrukking uit egn turdure geraken^ die tans 
echter, even als 't Franse perdre aon turdu waaraan ze ont- 
leend schijnt, in onbruik is geraakt. Franck verklaart de 
zegswijze met „uit de maat, uit den gelijkmatigen gang 
komen." Het is niet zeker of hij met die verklaring ook een 
nadere toelichting van ons tureluurs^ tureluurs worden bedoeld 
heeft. In het Taalhmdig Woordenboek van Weiland (1810) is 
die bedoeling duidelik. Daar leest men op turduur: „Enkel 
gebruikelijk in de spreekwijze uit zijn tureluur zyn^ geraken ... . 
Van hier heeft men in de gemeenzame verkeering 't bijv. nw. 
tureluursch gevormd." Op 't eerste gezicht zou men mischien 
kunnen menen dat Weiland ook met dat tweede deel van zijn 
bewering gelijk heeft, maar bij enig nadenken blijkt dat zijn 
woorden ons niet kunnen helpen. Immers men kan niet zeg- 
gen dat wie uü zijn tureluur is geraakt, tureluurs wordt, 
zomin als van iets dat niet in den haak is, dat het haaks is, 
of van iemand die de aarde verlaten heeft dat hij aards is. 

Ik acht het waarschijnlijk dat het woord tur duurs een ad- 
jektief is dat behoort by de naam van een fabelachtig land, 



Tureluurs. 479 



het land Turelure, waar alles verkeerd gaat. In den Oudfran- 
sen roman Aucdssin et Nicolette lezen we hoe de held en de 
heldin komen in 't land Torelore, waar de koning in 't kraam- 
bed ligt en zijn vrouw bij 't leger is *). Daar wordt een slag 
geleverd waarbij de strijdende partijen elkaar bestoken met 
gebakken appelen, eieren, kaas en paddestoelen; wie 't best 
het water in de doorwaadbare plaatsen troebel maakt, wordt 
voor de beste ridder gehouden, 't Volk verwondert er zich 
over dat Aucassin zijn lieve Nicolette omhelst enz. Aan de 
uitgaaf die Suchier van deze roman heeft bezorgd (Paderborn, 
1899), ontleen ik dat, volgens Sainte-Palaye (1697 — 1781) ies 
amours du bon vieux temps (blz. 48), met dit land wordt be- 
doeld de stad Aiguemortes (Eaux Mortes) „port de mer^) au 
temps de Saint Louis qui encore aujourcThui est appdé vul-gaire- 
ment pays de Turelure^ è, cause des singularités qui regardent 
Ie pays et ses habltans." Een adjektief, gevormd van zulk 
een plaatsnaam zou uitstekend passen ter verklaring van de 
Nederlandse uitdrukking, want wie door een vervelend werk, 
door plagen of lang wachten tureluurs wordt, verliest zijn 
gewone kijk op de dingen, hij raakt buiten zich zelve, hij 
wordt er „anders" van, gelijk men in de zelfde betekenis 
zegt. En als analogon van zulk een bijv. naamw. naar de 
naam van een plaats genoemd, kan men aanhalen ons hels 
in: H is om hels te worden. 

Mijn onderstelling omtrent de oorsprong YB.n tureluurs zou 
natuurlik heel wat dichter tot een afdoend betoog naderen, 
indien ik in een volksboek of een liedje de bekendheid ook in 
onze streken van een land Tureluur kon aantonen. Naar zulk 
een aanwijzing heb ik te vergeefs gezocht, - voor zover 



1) Het is bekend dat men sporen van 't gebruik der „couvade" over bijna de 
gehele aarde verbreid vindt. Suchier, die straks genoemd zal worden, haalt een 
voorbeeld aan uit de mndl. roman van Heinric en Margriete van Limborch 
(VIII, 842—852). 

2) Dit is onjuist, 't was hoogstens een port d'embarcation. Zie een art. over 
Aiguemortes in de Revue dea deux Mondes van 15 Febr. 1874. 



480 D. C. Hesaeling, Tarelnors. 



men naar zo iets zoeken kan. Ook een vertaling van de 
Oudfranse roman, waardoor de Nederlandse spreekwijs in 
zwang kon zyn gekomen, schynt niet bestaan te hebben, ten 
minste niet in druk. Maar als men er aan denkt dat zulke 
uitdrukkingen en vertelsels vooral mondeling zich op de won- 
derlikste wijs verbreiden, zal men die afwezigheid van bewijs- 
plaatsen wel als een leemte maar niet als een bezwaar ge- 
voelen, 't Idee van een „verkeerde wereld", waarin alles 
anders toegaat dan bij ons, is uit prenten, kinderboekjes en 
liedjes genoeg bekend. Dezer dagen heb ik nog een kind 
horen zingen: 

Ze roeren het kind, 

En ze wiegen de pap. 

En 't water staat in brand; 

De koning van Spanje 

Heeft een hemd van Oranje, 

Met een pimpelpaarse rand enz. 

De wijs en de woorden van dit rijmpje klonken modern, 
maar 't onderwerp is oud. 

't Verband tussen 't woord turelure^ deuntje — „refrain de 
chanson, zegt Littré, et usité seulement dans cette locution: 
c'est toujours la même turelure" — en de naam van 't land 
Turdurey zal wel hierin zyn gelegen dat men de plaats waar 
zoveel vreemde dingen gebeuren spottend naar een niets- 
zeggend refrein genoemd heeft, zo iets dus als bij ons zou 
zijn „'t land van Tralala". 

D. C. Hesssling. 



EEN ONUITGEGEVEN SAMENSPRAAK 
VAN BILDERDIJK. 



In de zomer van 1805 zagen te Brunswijk bij Reichard 
enige rechtsgeleerde verhandelingen van de balling Bilderdijk 
het licht, onder de titel Observationum etEmen- 
dationum liber unus*). Die uitgaaf was voor het 
grootste deel bezorgd door de staatsraad von Zimmermann, 
die Bilderdijk een genoegen hoopte te doen. De goede bedoe- 
ling werd op prijs gesteld; maar de uitvoering van het plan 
bezorgde de schrijver van deObservationes et Emen- 
datie nes heel wat ergernis. Vooreerst had Zimmermann 
niet het beste uit de koUektie gekozen. Dè.t zou nu nog te 
dragen geweest zijn, want ook het niet-beste was altijd nog 
goed. Maar hoe allerakeligst was de uitgaaf verzorgd! Het 
werk werd slordig, met lelike letter, gedrukt op „erger dan 
kommenypapier". Die Jammerlyke moffen!" Ze konden ook 
niets. Trouwens niet te verwonderen van bewoners van het 
„domst en geestloost land", 't Was daar alles even achterlik. 
Wetenschap achterlik, achterlik kunst. Kunst? Van Duitse 
poëzie behoorde „onder de genen die smaak en verstand 
hebben, geen gewag meer te zijn". Arme Göthe en Schiller. 

Bilderdijk trachtte zich in 't onvermij delike te schikken. Zijn 
boek zag er treurig uit. Maar zonder Zimmermann's (finan- 
ciöle) hulp was het wellicht nooit verschenen. En half ge- 



1) Op het titelblad het jaartal 1806. Vgl. echter Brieven II, 40 en 41. 
T. EN L. XII. 32 



482 £. A. Eollewgn. 



troost, maar met sterke herinnering nog van zijn drift over 
't lorrige doen van de zetter, schreef hij 't hier volgende 
vermaaklike dialoogje ^). 

DE DRUKPERS. 
Dra me. 

De Sghbijveb. 

Letter- 
Zetter, 
Booswicht, Ketter, 
Slangenbroed 1 
Domme Mof, en stomme Knoet I 
Ja, du theurer, braver Vetter, 

Die mij bloed. 
Bloed en etter 
Zweeten doet ! 
Dasz das liebe Donnerw etter 
Dich verpletter'. 
Met uw' gantschen Drukkrenstoet ! 
Zet me toch de regels nettetl 

Spel me toch de woorden goed! 
Eer ik naar uw vliering kletter. 
En u trommel voor den snoet. 

De Zetteb. 

Jo, mien Err, nun isset betteri 
Sehn Sie noer: auf diese blatter 

Stehtjoolles, ollesjoetl 
Aber der Herr Menschenfretter 

Haben gar zoe heiszes. bloot. 



1) Het hs. in myn bezit 



, Een onuitgegeven samenspraak van Bilderd^k. 483 

De Schbuvek. 

Heiszes ^) bloed! — En heet dat drukken, 
Hoofd der krukken? 

Niet een regel staat er recht! 
Eeine (sage ich) dieser Zeile 

Steht gerade, Henkersknecht! 

De Zetteb. 

Jo, das geht so mit der Ëile; 
Sonst ist olies gÉLr nicht slecht. 

De Schrijver. 

Zie die voor- en tegenzijden! 

Dat moest passen als een hair. 
Wie kan zoo'n geknoeisel lijden? 

Geen twee regels op elkaar! 

De Zetter. 

I! das lasst sich nicht vermeiden, 
Wenn es auch gegoszen war. 

So was kann ich Ihn' beêiden: 
Es verziehet sich so g^r. 

De Schrijver. 

Lomper honden zag ik nimmer: 

Alles doen zij even dom! 
Ezels zijn zij, ja nog slimmer. 

De Zetter. 

Jo, das saagt der Premder immer, 
Ond doch weiss ich nicht, warom! 

Brunswijk 
180B. 



1) H e i s z e s. In het hs. H i t z i g. In de vorige regel stond ook eerst h i t- 
zig, dat door B. in h eis zes veranderd is. 



484 B. A. Eollewgn, Een onnitgegeyen samenspraak. 

Bilderdqk had over 't algemeen weinig talent voor het 
komiese. Vooral in het humoristiese genre heeft hg niet uit- 
gemunt. Z|jn kijk op de dingen was niet onbevangen, niet 
ongelntresseerd genoeg, 2qjn gemoedstemming doorgaans te 
somber. Verbeeldt hij zich een enkele maal gelukkig te zijn, 
te genieten, dan wordt hij door overdrijving onnatuurlik. 
Z^n scherts is meestal niet aardig, soms kinderachtig. Hy 
weet ook niet wat hq zwijgen moet ^). 

Zo is het bg hem in den regel. Maar er zqn zeldzame uit- 
zonderingen. En daartoe behoort, tot zekere hoogte, 't hier 
afgedrukte versje. Er staan overvloedig scheldwoorden in en 
onhebbelikheden, maar we voelen toch dat de dichter glim- 
lacht achter zqn grimmig masker. Er is een gewild vertoon 
in van wanhoop, waar iets komies doorheenschemert. 

En 't slot is heel goed. 

R. A. KOLLEWIJN. 



1) Ik heb dit nader aangetoond in m^n B i 1 d e r d ij k II, 475 vgg. 



KLEINIGHEDEN. 



XXII. 

RINGVINGEB? 

Met glijdt een silvre Trouw van sijn' aen haren duym\ 
Sij voelt en voelt het niet; als waer' de Ring te ruym, 
Of sy melaets van hand. 

HuYGENS ed. Worp II, 33 (1628); 

En nu de huiv'ring, die 't ontmoeten 
Der overwelbeminde kust 
— Waarin misschien de dierste al rust! — 
Voorafgaat, neen! het wuivend groeten 
Van Guurtjens kleine, blanke hand, 
Wier pink weerschittert van zijn pand! 

Potgieter, Liedekens van Bontekoe 
(Reis van B. 1618-25); 

De gouden hraceUt werd uit den donkren hoek, 
Waar ze eerst verbannen was door barschen vadervloek, 
In eer hersteld. Hij zelf haakt nu het huwUjksbandje 
Vast om haar arm, en kust het hem geschonken handje. 

De Génestet, De Sint-Nikolaasavond^ 
CX, 1 vlg. (1849); 

drie bewijzen uit verschillende tijd voor een afwyking van 



486 Kleinigheden. 



't gewone gebruik bij verloving; op een vierde doelt Cats 
in zijn Houwdick^ Bruyt vs. 465 vlg. : 

Maer waerom desen ringh niet daer het dient gesteken, 
En van een goet gebruyck moetwillens afgeweken? 
Het was, gelijck het blijckt, de vinger naest de pinck 
Aen wien het trou-juweel in ouden tijden hinck; 
Die heeft een hooger magt, op wei-gegronde reden, 
Die heeft een beter recht, voor al de kleyne leden, 
Te dragen dit kleynoot, een pant van ons gemoet, 
Dat nu door enckel pracht de voorste vinger doet: 
Men hout, dat even hier een ader is gelegen. 
Die met een fijne strael komt in de borst gesegen, 
En als er eenigh dingh aen desen vinger roert. 
Dat wort van stonden aen het herte toegevoert. 



XXIII. 

VREEMDELINGEN. 

De Génestet's Vreemdelingen (bl. 216 der Volksuitgave) zijn 
gevolgd naar Heine: 

De Protégé naar Buch der Lieder^ Die Heimkehr n®. 66, 
Aan Zee „ „ „ n®. 8, 

In 't Bosch „ „ Lyr. Intermezeo n®. 58, 

Verliefd „ „ Die Heimkehr n^. 56, 

Getrouwd „ „ „ q9. 74, 

een bewijs, wanneer dat nodig mocht zijn, voor Tible's: hij 
had een diepe vereering voor zijn (Byron's) genie, evenals 
voor dat van Heine, hoewel . . . noch de dartelheid van den 
geestigste der duitsche dichters bij hem navolging, noch diens 
sombere levensbeschouwing bij hem weerklank vond {Levens- 
schets van P. A. DE GÉNESTET). 

Schiedam. G. Engels» 



% 



ARCHAEOLOGIE. 



Die festen daten für das letzte stadinm der germanischen Lantyer- 
schiebnng, far die verscliiebung der tenues, sind mir nnter den handen 
wider zerronnen. Ein nener beweis, wie viel sicherer die arobaologie 
gegenüber der spracligeschiclite m besiedlnngstragen entscheidet. 

Die Germanen meiden so lange als möglich den eintritt ins gebirge. 
Sie steken bereits nm 1000 v. C. in der nahe des Harzes, im geblete 
der Bode (hansnmen von Asohersleben n. Hoym), aber noch im 8. jh. 
finden sich nngermanische skelettgraben bei Wemigerode, Asohersleben, 
Oschersleben, n. südlicher bei Giebichenstein, Eorbetha, Durrenberg, 
Stedten bei Schraplan, Quesfort, n. weiter durch ganz Thüringen, zu 
einer zeit also, da die Germanen am linker Saalenfer anfwarts bis nahe 
an die Ünstmtmandnng reichen nnd der einflnss ihrer knltnr sogar in 
Schlöben bei Jena n. in Köstritz bei G^ra fiihlbar wird (8 — 7 jh.). Die 
Fnnie, deren name sprachlich so wichtig erscheint, ist im 5. jh. bereits 
überschritten, Gotha nnd Gera aber im 5 — 4 jh. noch nicht erreicht, 
Gera bleibt sogar noch im 3 jh. in den handen der Kelten. Ebenso 
zeigt der Südharz noch im 5.-4. jh. nngermanische siedelnng. Aehn- 
iich steht es im nordwesten, wo die germanische besiedlnng, wie die 
fnnde zeigen, weit früher stattgefnnden hat, als ich noch 1895 ans 
sprachlichen gründen schliessen zu mussen glanbte. Die Weser wird 
im 9. — 8. jh. schon südlich des 53 grades überschritten (an der mün- 
dnng noch früher); gleichzeitig oder noch etwas früher das Emsgebiet 
von der mündnng bis an die hannöversch-westfalische grenze, endlich 
die hollandischen provinzen Drenthe nnd Groningen besetzt, wahrend 
am Dümmersee noch spater sich nngermanische clemente zeigen. Im 
5. — 4. jh. sind die gegenden zwischen oberster sbnnte nnd sbase er- 
reicht, ebenso nnter nmgehnng des Tentobnrger waldes das mittlere 
Lippegebiet. Man sieht, dass, wenn Müllenhoffs ansicht, die flnssnamen 
anf -apa seien keltisch, richtig ware, man mit der aussage der archaolo- 
gischen fande arg ins gedrange kame. Ich habe darum, wie mancher andere 
gelehrte ans anderen gründen, die Müllenhoffsche ansicht ans archaolo- 



TURELUURS. 



De uitdrukking tureluurs^ het is om tureluurs te worden^ komt 
niet voor in de lexikograflese werken van Franck, Stoett, 
Vercouillie, de Beer en Laurillard. Van Dale vermeldt een- 
voudig: „het is om tureluursch (dol, gek) te worden". Wel 
vindt men bij Franck en Vercouillie het woord tureluur^ 
„onomatop. van 't geluid der fluit," en bovendien bij de eerste 
schrijver de uitdrukking uit aijn tu/rdure geraken^ die tans 
echter, even als 't Franse perdre son turelu waaraan ze ont- 
leend schijnt, in onbruik is geraakt. Franck verklaart de 
zegswijze met „uit de maat, uit den gelijkmatigen gang 
komen." Het is niet zeker of hij met die verklaring ook een 
nadere toelichting van ons tureluurs^ tureluurs worden bedoeld 
heeft. In het Taalhmdig Woordenboek van Weiland (1810) is 
die bedoeling duidelik. Daar leest men op turduur: „Enkel 
gebruikelijk in de spreekwijze uit zijn, tureluur zijn^ geraken ... . 
Van hier heeft men in de gemeenzame verkeering 't byv. nw. 
tureluursch gevormd." Op 't eerste gezicht zou men mischien 
kunnen menen dat Weiland ook met dat tweede deel van zijn 
bewering gelijk heeft, maar bij enig nadenken blijkt dat zijn 
woorden ons niet kunnen helpen. Immers men kan niet zeg- 
gen dat wie uU zijn tureluur is geraakt, tureluurs wordt, 
zomin als van iets dat niet in den haak is, dat het haaks is, 
of van iemand die de aarde verlaten heeft dat hij aards is. 

Ik acht het waarschijnlijk dat het woord tur duurs een ad- 
jektief is dat behoort bij de naam van een fabelachtig land, 



Tnrelunrs. 479 



het land Turelure, waar alles verkeerd gaat. In den Oudfran- 
sen roman Aumssin et Nicoleite lezen we hoe de held en de 
heldin komen in 't land Torelore, waar de koning in 't kraam- 
bed ligt en zijn vrouw bij 't leger is *). Daar wordt een slag 
geleverd waarbij de strijdende partijen elkaar bestoken met 
gebakken appelen, eieren, kaas en paddestoelen; wie 't best 
het water in de doorwaadbare plaatsen troebel maakt, wordt 
voor de beste ridder gehouden, 't Volk verwondert er zich 
over dat Aucassin zijn lieve Nicolette omhelst enz. Aan de 
uitgaaf die Suchier van deze roman heeft bezorgd (Paderborn, 
1899), ontleen ik dat, volgens Sainte-Palaye (1697-1781) Les 
amours du bon vietix temps (blz. 48), met dit land wordt be- 
doeld de stad Aiguemortes (Eaux Mortes) „port de mer^) au 
temps de Saint Louis qui encore aujourd'hui est appdé vul-gaire- 
ment pays de Turelure^ è, cause des singularités qui regardent 
Ie pays et ses habitans." Een adjektief, gevormd van zulk 
een plaatsnaam zou uitstekend passen ter verklaring van de 
Nederlandse uitdrukking, want wie door een vervelend werk, 
door plagen of lang wachten tureluurs wordt, verliest zijn 
gewone kijk op de dingen, hij raakt buiten zich zelve, hij 
wordt er „anders" van, gelijk men in de zelfde betekenis 
zegt. En als analogon van zulk een bijv. naamw. naar de 
naam van een plaats genoemd, kan men aanhalen ons hels 
in: H is om hels te worden. 

Mijn onderstelling omtrent de oorsprong Ya.n tureluurs zou 
natuurlik heel wat dichter tot een afdoend betoog naderen, 
indien ik in een volksboek of een liedje de bekendheid ook in 
onze streken van een land Tureluur kon aantonen. Naar zulk 
een aanwijzing heb ik te vergeefs gezocht, - voor zover 



1) Het is bekend dat men sporen van 't gebruik der „couvade" over bgna de 
gehele aarde verbreid vindt. Suchier, die straks genoemd zal worden, haalt een 
voorbeeld aan uit de mndl. roman van Heinric en Margriete van Limborch 
(Vni, 842—852). 

2) Dit is onjuist, 't was hoogstens een port d'embarcation. Zie een art. over 
Aiguemortes in de Revue des deux Mondee van 15 Febr. 1874. 



480 D. C. Hesseling, Tureluurs. 



men naar zo iets zoeken kan. Ook een vertaling van de 
Oudfranse roman, waardoor de Nederlandse spreekwijs in 
zwang kon zijn gekomen, schijnt niet bestaan te hebben, ten 
minste niet in druk. Maar als men er aan denkt dat zulke 
uitdrukkingen en vertelsels vooral mondeling zich op de won- 
derlikste wijs verbreiden, zal men die afwezigheid van bewijs- 
plaatsen wel als een leemte maar niet als een bezwaar ge- 
voelen, 't Idee van een „verkeerde wereld", waarin alles 
anders toegaat dan bij ons, is uit prenten, kinderboekjes en 
liedjes genoeg bekend. Dezer dagen heb ik nog een kind 
horen zingen: 

Ze roeren het kind, 

En ze wiegen de pap. 

En 't water staat in brand; 

De koning van Spanje 

Heeft een hemd van Oranje, 

Met een pimpelpaarse rand enz. 

De wijs en de woorden van dit rijmpje klonken modern, 
maar 't onderwerp is oud. 

't Verband tussen 't woord turelure^ deuntje — „refrain de 
chanson, zegt Littré, et usité seulement dans cette locution: 
c'est toujours la même turelure" — en de naam van 't land 
Turdure^ zal wel hierin zijn gelegen dat men de plaats waar 
zoveel vreemde dingen gebeuren spottend naar een niets- 
zeggend refrein genoemd heeft, zo iets dus als bij ons zou 
zijn „'t land van Tralala". 

D. C. Hesseling. 



EEN ONUITGEGEVEN SAMENSPRAAK 
VAN BILDERDIJK. 



In de zomer van 1805 zagen te Brunswijk bij Reichard 
enige rechtsgeleerde verhandelingen van de balling Bilderdijk 
het licht, onder de titel Observationum et Emen- 
dationum liber unus*)* Die uitgaaf was voor het 
grootste deel bezorgd door de staatsraad von Zimmermann, 
die Bilderdijk een genoegen hoopte te doen. De goede bedoe- 
ling werd op prijs gesteld; maar de uitvoering van het plan 
bezorgde de schrijver van deObservationes etEmen- 
dationes heel wat ergernis. Vooreerst had Zimmermann 
niet het beste uit de koUektie gekozen. Dkt zou nu nog te 
dragen geweest zijn, want ook het niet-beste was altijd nog 
goed. Maar hoe allerakeligst was de uitgaaf verzorgd! Het 
werk werd slordig, met lelike letter, gedrukt op „erger dan 
kommeny papier". Die Jammerlyke moflfen!" Ze konden ook 
niets. Trouwens niet te verwonderen van bewoners van het 
„domst en geestloost land", 't Was daar alles even achterlik. 
Wetenschap achterlik, achterlik kunst. Kunst? Van Duitse 
poëzie behoorde „onder de genen die smaak en verstand 
hebben, geen gewag meer te zijn". Arme Göthe en Schiller. 

Bilderdijk trachtte zich in 't onvermqdelike te schikken. Zijn 
boek zag er treurig uit. Maar zonder Zimmermann's (finan- 
ciële) hulp was het wellicht nooit verschenen. En half ge- 



1) Op het titelblad het jaartal 1806. Vgl. echter Brieven II, 40 en 41. 
T. EN L. XII. 32 



484 E. A. Kollewgn, Een onnitgegeyen BameiiBpnak. 

Bilderdyk had over 't algemeen weinig talent voor het 
komiese. Vooral in het humorisüese genre heeft hij niet uit- 
gemunt. Zijn kijk op de dingen was niet onbevangen^ niet 
ongelntresseerd genoeg, z^n gemoedstemming doorgaans te 
somber. Verbeeldt hij zich een enkele maal gelukkig te zijn, 
te genieten, dan wordt hij door overdrijving onnatuurlik. 
Zgn scherts is meestal niet aardig, soms kinderachtig. Hü 
weet ook niet wat h\j zwijgen moet *). 

Zo is het bij hem in den regel. Maar er zqn zeldzame uit- 
zonderingen. En daartoe behoort, tot zekere hoogte, 't hier 
afgedrukte versje. Er staan overvloedig scheldwoorden in en 
onhebbelikheden, maar we voelen toch dat de dichter glim- 
lacht achter zijn grimmig masker. Er is een gewild vertoon 
in van wanhoop, waar iets komies doorheenschemert. 

En 't slot is heel goed. 

R. A. KOLLEWIJN. 



1) Ik heb dit nader aangetoond in mgn B i 1 d e r d y k II, 475 vgg. 




KLEINIGHEDEN. 



XXII. 

RINGVINGER? 

Met glijdt een silvre Trouw van sijn' aen haren duym; 
Sy voelt en voelt het niet; als waer' de Ring te ruym, 
Of sy melaets van hand. 

HuYGENS ed. Worp II, 38 (1623); 

En nu de huiv'ring, die 't ontmoeten 
Der overwelbeminde kust 
— Waarin misschien de dierste al rust! - 
Voorafgaat, neen! het wuivend groeten 
Van Guurtjens kleine, blanke hand. 
Wier pink weerschittert van zijn pand! 

Potgieter, Liedekens van Bontekoe 
(Reis van B. 1618-25); 

De gouden bracelet werd uit den donkren hoek, 
Waar ze eerst verbannen was door barschen vadervloek, 
In eer hersteld. Hij zelf haakt nu het huwlijkshandje 
Vast om haar arm, en kust het hem geschonken handje. 

De Génestet, De Sint-Nikolaasavond^ 
CX, 1 vlg. (1849); 

drie bewijzen uit verschillende tijd voor een afwijking van 



486 Kleinigheden. 



't gewone gebruik bij verloving; op een vierde doelt Cats 
in zijn Houwdick^ Bruyt vs. 465 vlg. : 

Maer waerom desen ringb niet daer het dient gesteken, 
En van een goet gebruyck moetwillens afgeweken? 
Het was, gelijck het blyckt, de vinger naest de pinck 
Aen wien het trou-juweel in ouden tijden hinck; 
Die heeft een hooger magt, op wei-gegronde reden, 
Die heeft een beter recht, voor al de kleyne leden. 
Te dragen dit kleynoot, een pant van ons gemoet. 
Dat nu door enckel pracht de voorste vinger doet: 
Men hout, dat even hier een ader is gelegen. 
Die met een fijne strael komt in de borst gesegen, 
En als er eenigh dingh aen desen vinger roert. 
Dat wort van stonden aen het herte toegevoert. 



XXIII. 

VREEMDELINGEN. 

De Génestet's Vreemdelingen (bl. 216 der Volksuitgave) zgn 
gevolgd naar Heine: 

De Protégé naar Buch der Lieder^ Die Heimkehr n®. 66, 

Jan Zee » » n ^^' 8, 

In 7 Bosch „ „ Lyr, Intermezzo n®. 58, 

Verliefd „ „ Die Heimkehr n®. 56, 

Getrouwd n n n ^^^ ''^i 

een bewijs, wanneer dat nodig mocht zijn, voor Tible's: hü 
had een diepe vereering voor zgn (Byron's) genie, evenals 
voor dat van Heine, hoewel . . . noch de dartelheid van den 
geestigste der duitsche dichters bij hem navolging, noch diens 
sombere levensbeschouwing bij hem weerklank vond {Levens- 
schets van P. A. DE Génestet). 

Schiedam. G. Engels. 



ARCHAEOLOGIE. 



Die festen daten fiir das letzte stadium der germanischen Lantver- 
schiebxing, för die verschiebang der tenaes, sind mir nnter den handen 
wider zerronnen. Ein nener beweis, wie viel sicberer die arohaologie 
'gegenüber der sprachgeschichte m besiedlnngsfragen entscheidet. 

Die Germanen meiden so lange als möglich den eintritt ins gebirge. 
Sie stehen bereits nm 1000 y. C. in der nahe des Harzes, im geblete 
der Bode (hansnmen von Asobersleben n. Hoym), aber noch im 8. jb. 
finden sich nngermanische skelettgraben bei Wemigerode, Aschersleben, 
Oscliersleben, n. südlicher bei Giebichenstein, Korbetha, Durrenberg, 
Stedten bei Schraplan, Qnesfort, n. weiter darch ganz Thüringen, zn 
einer zeit also, da die Germanen am linker Saalenfer anfwarts bis nahe 
an die XJnstratmiindnng reichen nnd der einfluss ihrer knltnr sogar in 
Schlöben bei Jena u. in Köstritz bei Gera fühlbar wird (8 — 7 jh.). Die 
Fnnie, deren name sprachlich so wichtig erscheint, ist im 5. jh. bereits 
überschritten, Gotha nnd Gera aber im 5-— 4 jh. noch nicht erreicht, 
Grera bleibt sogar noch im 3 jh. in den handen der Kelten. Ebenso 
zeigt der Südharz noch im 5. — 4. jh. nngermanische siedelnng. Aehn- 
iich steht es im nordwesten, wo die germanische besiedlnng, wie die 
fande zeigen, weit früher stattgefanden hat, als ich noch 1895 ans 
sprachlichen gründen schliessen zn mussen glanbte. Die Weser wird 
im 9. — 8. jh. schon südlich des 53 grades überschritten (an der mtin- 
dang noch früher); gleichzeitig oder noch etwas früher das Emsgebiet 
von der mündnng bis an die hannöversch-westfalische grenze, endlich 
die hoUandischen provinzen Drenthe nnd Groningen besetzt, wahrend 
am Dümmersee noch spater sich nngermanische clemente zeigen. Im 
5. — 4. jh. sind die gegenden zwischen oberster sbnnte nnd sbase er- 
reicht, ebenso nnter nmgehnng des Tentobnrger waldes das mittlere 
lippegebiet. Man sieht, dass, wenn Müllenhoffs ansicht, die flnssnamen 
anf -apa seien keltisch, richtig ware, man mit der anssage der archaolo- 
gischen fnnde arg ins gedrange kame. Ich habe darum, wie mancher andere 
gelehrte ans anderen gründen, die MüllenhofPsche ansicht ans archaolo- 



ossnaraen seigen 
ermanisobe, nie- 
e ; 2. die Unkei- 
I widerholnngen 
Rufgegeben. — 
1 nm die wende 
hl in Torcliriat- 
iet an der Elbe 
I steUnng dieeer 
;. — Scbleden 




KLEINE MEDEDELINGEN OVER BOEKWERKEN. 



Aangename Uurtjes^ Yertellingen voor jongens en meisjes, 
onder redactie van Ch. Krienen. — Heusden, L. J. Veer- 
man. 8 afl. k f 0,45; 2 dln. & f 1,90, geb. f 2,25. 

„De Redactenr stelt zich voor te leveren een „Vertelselboek" dat 
lectnnr zal bevatten voor kinderen van 7 — 9 jaar (Serie A); 9 — 11 
jaar (Serie B); 11—15 jaar (Serie C)." 

„In tegenstelling met vele bestaande vertellingen, die zich slechts 
leenen tot voorlezen, kan deze serie aan 't kind zelf in handen worden 
gegeven. 

We hopen, dat vele vertellingen in onze Serie door de gebruikers 
niet alleen worden „nitgelezen", maar dat de inhond hnn belangrgk 
genoeg vooricomt, om deze met de kinderen nader te bespreken. 

Tot heden zegden m^ de volgende antenrs hun medewerking toe: 

Lotiise Ahn., Snze Andriessen, N. van Hichtnm, E. C. Honbolt, 
Thérëse Hoven, C. Joh. Kievit, H. J. v. d. Kraan, H. J. Krebbers, 
A. C. Kuiper, G-. Gt. Krienen. W. Mets Tz., Fr. v. d. Schaaf, en N. 
M. Schild. 

Uit 't voorbericht. 

De namen van de medewerkers deden me het gezondene eens doorlezen. 

Voor zover daarover te oordelen is, l^kt me deze onderneming goed. 
't Is vlot geschreven. Niet al te mal nederlands, al kon het hier en 
daar beter. Heyermans zou het beter doen. En Brandt van Doome. 
En Emants. 

't Zal een goeie concurrent wezen over tal van boekjes en tgd- 
schriftjes voor de Jeugd, 



■w^ 



I 

I 





490 Inhoud van Tydschriften. 



INHOUD van Tgdscliriften. 

De Nieuwe Gida^ Afl. 2, Okt. 1902, o. a.: Herman Robbers, 
Verjaardag. — Willem Kloos, Verzen. — Frans Coe- 
n e n J r, , Bnnrtechetsjes. — J. Reddengins, Een verloying. — 
J. H. de Veer, Verzen. 

De XXe Eeuw^ 8e jaarg., afl. Okt. 1903, o-a. : Nico van Snch- 
telen, Primavera. — Ary Prins, De Heilige Tocht. — Al- 
bert Verwey, Zomernacht. — J. Everts Jr. , Boeren-gezin. — 
L. van Deyssel, Acolie of de wind door den Grnlden Winckel. — 
H. Bonma, In 't Stadje. 

De Gids, No. 10, Oct. 1902, o.a.: Augnsta de Wit, De Godin 
die wacht. — G. Bnsken Huet, Komen onze sprookjes en ver- 
tellingen nit Indië? — Dr. D. C. Hesseling, Grieksche en 
Nederlandsche spreekwoorden. — Dr. W. G. C. B^vanck, Pro- 
fielen II. William Hazlitt, een Engelsch humorist van de 19e eeuw. — 
Hëlène Lapidoth-Swart h. Sonnetten. 

Boon' 8 Géïll. Magazijn, No. 39—40, Sept.— Okt. 1902, o. a, : L. T, 
Meade en Robert Enstaoe, Verhalen van de „Gold Star" 
Stoomboot-Maattchappg. De kaart van rgstpapier. — Jan Stork, 
De Pianostemmer, Blgspel in één bedryf. — J. R. G. Vos, Een 
keizerlgke banneling. — L. T. Meade en Robert Ens- 
taoe, Verhalen van de „Gold Star" Stoomboot-Maatschappg, In de 
kaken van den hond. — Panl Hyacinthe Loyson, Het 
Evangelie des Bloeds. Drama in één bedrgf. 

Woord en Beeld, September 1902, o.a.: Hildegard, Menschen 
van hnn tgd. — J. B. Schepers, Uit Friesland. 

Nederland, Afl. 10, Oct. 1902, o.a.: Mr. M. G. L. van Log hem, 
Geen dmiven van doornen. — Johanna Steketee, Onrast. — 
Vera, Een offer. 

Noord en Zuid, No. 8 en 9, Ang. en Sept. 1902, o. a. ; Van Heems- 
kerk, Van een jonkman, die eene jonkvrouw in zee droeg. — A. B„ 
De Philosophische Eieren. — J. ter Gonw, Taal en zeden onzer 
vaderen, toegelicht door eenige onde kluchtspelen. IX Dienstboden. — 
Dr. G. A. Nanta, Staring's „Leerling van Pankrates" en zign 
bron. — Dr. J. Bergsma, Straffeloos onder palmen gaan. — 
Dr. G. A. N a n t a ^ Naar aanleiding van Staring's „Het versch^nseP'. 



Kien we boeken. 491 



NIEUWE BOEKEN. 

A n k TL m (L, van), Ter herhaling. Taal- en styioefeningen voor de 
hoogste klasse der lagere scholen, herhalingsscholen en de scholen 
voor voortgezet onderwgs, grootendeels ontleend aan de jongste toe- 
latingsexamens voor kweek- en normaalscholen, hoogere burgerscholen 
en gymnasia. Groningen, P. Noordhoff. 80. (VIII, 87 blz.). f — ,35 

Bibliotheek (De nieuwe) voor de jeugd. Red. : J. Stamperius. 
Heusden, L. J, Veerman. 80. 

Per serie (6 deeltjes), gecart. f 3,60, geb. f 5,10 

Afz. deelen „ f 0,75, „ f 1,10 

XVIe serie. No. 3: H. Oost, (ïeroepen. Een verhaal uit den 

Zuid-A£rikaanschen vryheidsoorlog. Met illustratiën van W. K. de 

Bruin. (99 blz., m. 3 pltn.). 

Bibliotheek (Nieuwe) voor zondagschool en huisgezin. Red. : H. 
W. S., Mevr. Wildeboer en Mej. Maclaine Pont. Haarlem, Vincent 
Loosjes. kl. 80. 

Biesterveld (P.), Het echt menschel^ke. Hoe het is gezocht en 
waar het is te vinden. Rotterdam, D. A. Daamen. 80. (VII, 177 blz.) 

f 1,25, geb. f 1,75 

Borei (Henri), Levens-honger. Eene studie. Amsterdam, L. J. 
Veen. 80. (Vm, 215 blz.). f 2,50, geb. f 2,90 

Eigenhuis (J.), Beproefden. Amsterdam, H. J. W. Becht. I60. (III, 
255 blz.). 

Hel ten (W. L. van). Die altostniederfrankischen Psalmenfragmente, 
die lipsius'schen G-lossen und die altsüdmittelfrankischen Psalmen- 
fragmente. Mit Einleitung, Noten, Indices und Grammatiken. Gronin- 
gen, J. B. Wolters. 80. HerTeU: DieGramatiken(IV,blz. 117— 122). 

f 1,90 

Houbolt (Eduard C), Van herdersknaap tot kr^gsman. Historisch 
verhaal uit den tgd van Frederik Hendrik. Geïllustreerd door B.H. 
Bolink. Enschede, W. van Enter. 80. (VI, 164 blz., m. af b. en 2 
pltn.). . f 1,25, geb. f 1,60 

Huisman (Arnold), Goud I Tooneelspel in 4 bedreven. Amsterdam, 
Grebrs. Koster. 8vo. (44 blz.). f —,60 

Hulzen (G. van), Cinematograaf, Trilbeelden. Amsterdam, L. J. Veen. 

Kat Pzn. (P.), Een bundel styioefeningen. Zutphen, W. J. Thieme 
& Cie. 80. (in, 82 blz.). f —,60 

Kloppers (P. J.), „Alles zal rech kom !" Schetsen uit den str^d 
tusschen Boer en Brit. Met [12] illustratiën. 's Gravenhage, J. N. 
Voorhoeve, gr. I60. (157 en 2 blz.). f 1,25, geb. f 1,65 

Museum, Maandblad voor philologie en geschiedenis. Red.: P. J. 



492 Nieuwe boeken. 



/ 



/ Blok, J. S. Speyer, B. lirnons, 10e jaargang. 1902/3. No. 1. Ldden, m 

' A. W. Sgthoff, gr. 4o. Per jrg. (12 nrs.) i 0,90 ' 

Nes (W. van), Verwoeste leyens. Ngkerk, G. F. Callenbacli. 8o. 
(253 blz., met 4 pltn.). f 1,50, geb. f 1,90 

Nonbnys (W. Gr. van), uren met schrgvers. Stadiën en critieken. 

Amsterdam, Yan Holkema & Warendorf. 8o. (UI, 258 blz.). 
S a b b e (J n 1 i u s), Peter Benoit. Zgn leven, zgne werken, zgne be- 
teekenis. Gtent-Antwerpen, De Nederlandsche Boekhandel. 8o. Met 
2 portr. f 1,50 

Stellwagen (A. W.), Eoomsche woorden en uitdrukkingen der 
roemscbe kerk. Verzameld en toegelicht. Groningen, J. B. Wolters. 
8o. (Vn, 228 blz.). f 2,25 

IJniversiteitsgids, 1902 — 1903. Op verzoek van het rectoren- 
college, uitgegeven door dr. P. C. Molhuysen. Leiden, Boekhandel en 
Drukkerg voorheen E. J. Brill. kl. 8o. (XLI, 144 blz.). Geb. f 1,— 
Yan alle tgden. Onder redactie van C. G. Eaakebeen en Jan 
ligthart Groningen, J. B. Wolters. 4o. 

No. 2. Beatrgs. Naar het Haagsche handschrift uitgegeven door 

C. G. Eaakebeen, met een paraphrase door Jan Ligthart en een 

penteekening door M. Stuber. (68 blz.). f —,40 

Yerstraeten (A. M.), Yondel's meesterstuk Lucifer. 4e uitgaaf^ 

bezorgd door J. Salsman. G^nt, A. Si£Eer. 
Y o o r den coupé. Utrecht, A. W. Bruna & Zoon. 8o. Per nr. f — ,10 

Per dL (6 nrs.) f —,60, geb. f —,90 



UIT POTGIETER's PROZA. 



In het Voorbericht van zijn uitgaaf van Potgieter's /an, 
Jannetje en hun jongste hind houdt de heer Van den Bosch 
zich aanbevolen voor op- en aanmerking. Het is dus mis- 
schien de moeite waard hier de volgende kleinigheden even 
te noteeren. Het bl. 40, reg. 29 door P. aangehaalde „Bidt 
en Werkt", Ora et Labora, is, zooals de commentator terecht 
opmerkt, niet van bijbelschen oorsprong. Het is de oude kern- 
en kenspreuk der Benedictijnen. Zie Steil wagen, Boomsche 
Woorden^ bl. 55. — In de Aant. bij pag. 44, reg. 16, kan 
worden verwezen naar de volgende plaats uit De Zusters^ 
bl. 86: „Spoedig tot luitenant benoemd, daar hij zich als 
adelborst op een paar kruistogten in de Oostindiën loffelijk 
onderscheidde, school in Dirk de oorzaak zijner smarte niet." 
Waarschijnlijk moeten we bij de ontboezeming van Jan tot 
zijn kinders dus ook wel aan een tocht naar Indiê denken, 
ofschoon de mogelijkheid van de andere verklaring niet ge- 
heel buitengesloten is. — Bl. 56 is sprake van de „zangster, 
die wel wat dartel zag, maar toch niet onbeschaamd was." 
Dezelfde uitdrukking wordt door Potgieter gebezigd in Lief 
en leed in het Gooi^ bl. 224: 

„Het was het tooneel van Hoofts minnezangen, .dat zich 
voor ons uitbreidde. Het was de lusthof der Muze, van wie 
ik gaarne met zijne woorden zou willen getuigen: Zy mgh 

T. EN L. XII. 33 



494 K. PoU. 

ivai dertél^ maar ey was niet onbeschaamt" De versregel komt 
voor in Hooft's Brief uit Florence aan d'oude Amsterdamsche 
kamer : In LieftT hheyende en wordt door Potgieter toegepast 
op de HoUandsche Muze, maar Hooft zegt het van Italia, de 
vrouw die zich aan zijn verbaasde oogen vertoonde, bij ge- 
legenheid van een wandeling langs den Arno. Vgl. Noord en 
Zuid^ 19e Jaarg., bl. 461. 

In de eerste Aflevering van dezen Jaargang, bl. 86, vraagt 
iemand een verklaring van de volgende plaats uit Potgieter's 
Proza bl. 410: „Hebt gij ooit gehoord dat eenig inspecteur, 
eenig president, eenig minister — het toongevend Frankrijk 
geeft ook de titels — dat een van deze aan zijn gasten den 
too venaar voorstelt, die hen allen in gedienstige geesten herschiep^ 
smerige Jan met zijn vaderlief en zijn evatje?'' 

De bedoeling van de gecursiveerde woorden is natuurlijk 
dat de gasten door het goede diner dat ze genoten hebben in 
een stemming zijn geraakt om hun gastheer in alles ter wille 
te zijn, hem bij de verwezenlijking van zijn plannen te steunen. 
Men denke aan een minister, die een wetsvoorstel er graag 
door wil hebben en sommige leden van de Tweede Kamer 
aan een diner vereenigt om ze op zijn hand te krijgen, of- 
schoon Potgieter elders beweert dat de leden van de Tweede 
Kamer kunnen dineeren — en oppositie blijven. Zie De Zus- 
ters bl. 148. 

Ten slotte wensch ik hier een paar mij gestelde vragen uit 
het RijkS'Museum te Amsterdam te beantwoorden. Bl. 323 lezen 
we: „Parma ontbreekt; Albertus en Isabella vindt gij, als 
ge ze zoekt, maar geen trofeën der overwinning bij Nieuw- 
poort; — ge aanschouwt in de tente des veldheers zoomin 
den Admirant van Arragon, als den koning van Sumatra ; — 
misdeelde Maurits, die slechts Oidenbarneveldt tegenover u 
hebt! — misdeelder burgerij!'* 



Uit Potgieter's Proza. 495 



Met den Admirant van Arragon wordt Franciscus de Men- 
dosa bedoeld, die in den slag bij Nieuwpoort was gevangen 
genomen en in den herfst van 1600 het tochtje op den zeil- 
wagen mee maakte van Scheveningen naar Petten. Zie Liede- 
kens van Bontekoe, Met den koning van Sumatra doelt Pot- 
gieter op het gezantschap van den Atjehschen Sultan, dat in 1602 
in ons land kwam, verschillende steden bezocht endoorMau- 
rits werd ontvangen in het kamp voor het belegerde Grave. 
Bij Wagenaar, De Jonge enz. is er wat over te vinden, ter- 
wijl Banck in zijn boekje over onze verhouding tot Atjeh en 
Wap in een maskeradeprogramma over dit onderwerp allerlei 
bijzonderheden mededeelen. 

BI. 352 vlg. schrijft onze auteur: „— doch laat mij terug- 
keeren tot de burgerij, zoo als Vondel haar beschreef. Over- 
heid en gemeente, hoe herleeft zij voor ons in zijn lof- en 
lierdichten! — weezen verzorgende, wetende, dat niemand 
den vader der weezen derft, die weezen in hun verlatenheid 
troost; — wapenen zastmtastende, ter handhaving van ons 
gezag op zee, die de vrijheid veiligde, toen de vaste grond 
haar ontzonk; -- de erfvijanden van den uitheemschen dwin- 
geland de erfvrienden van den inheemschen vorstenstam ver- 
klarende, als zij de keizerlijke kroon den achterkleinzoon 
biedt." Met de laatste woorden doelt Potgieter op het bezoek 
door Maria de Medicis, de weduwe van Hendrik IV, in 1638 
aan Amsterdam gebracht. (Men lette op „het weldadig, het 
strijdhaftig, het feestvierend, het kunstlievend Amster- 
dam", in de volgende periode, bl. 353). Maria de Medicis werd 
in gezelschap van de prinses van Oranje feestelijk onthaald 
te Amsterdam; er hadden toen allerlei vertooningen plaats, 
waaronder de volgende: „De gordijnen werden toegeschoven 
en de vertooning, veranderd zijnde, kwam keizer Maximiliaan, 
in keizerlijk gewaad, Amsterdam beschenken in tegenwoor- 
digheid der keurvorsten, met de Keizerlijke wapenkroon." 
Maximiliaan had in 1489 Amsterdam het recht verleend de 
keizerskroon boven haar wapen te voeren als belooning voor 



496 K. Poll, Uit Potgieter's Proza. 



de hem kwijtgescholden schuld van f 60.000. Dit schenken 
van de keizerlijke kroon werd nu vertoond aan „den achter- 
kleinzoon", den naneef, de burgerij van 16S8. De erfvijand is 
dus Frankrijk, de uitheemsche dwingeland natuurlijk Spanje. 
(Denk aan Frans I en Karel V). Zie verder Vondels Gedichten 
ed. Van Lennep-Unger. 

Leeuwarden. K. Poll. 



BOEKAANKONDIGING. 



Nederlandsche Spreekwoorden, 
Spreekwijzen^ Uitdrukkingen en 
Gezegden^ naar hun oorsprong 
en beteekenis verklaard door 
Dr. J. A. Stoett. 

II. 

Waar 't geldt een woordenboek, is volledigheid niet te be- 
reiken; er kan alleen naar worden gestreefd en er móet naar 
worden gestreefd, als een boek als bovengenoemd maar een 
begin is, waarop kan worden voortgebouwd. Dr. Stoett weet 
dit natuurlijk even goed als ieder onzer en koestert dan ook 
de hoop, dat anderen hem iets van hunnen schat zullen 
mededeelen, dat kan strekken tot verbetering en volmaking 
van zijn werk. In zooverre is dat heel hoffelijk tegenover 
de critiek en des te minder is het daarom te begrijpen, 
waarom de verzamelaar op zeer eigenaardige wijze een ge- 
deelte wegmoffelt of verdonkeremaant van wat zij hem in 
't belang der zaak en uit liefhebberij onder de oogen bracht. 
Dit belet mij echter niet nogmaals met mijn aanteekeningen 
en opmerkingen voor den dag te komen, overtuigd als ik ben, 
dat onbevooroordeelde vakmannen ook gaarne wat opsteken 
zullen van een dilettant, als het op zich zelf genomen maar 
bruikbaar is. 

Het is opvallend en toch uit den aard der zaak zeer natuur- 
lijk hoe betrekkelijk weinig spreekwijzen ten slotte blijken 
uitsluitend Nederlandsch te zijn. Ieder oogenblik haast wordt 



498 Boekaankondiging. 



de ijverige snuflfelaar verrast door de een of andere vondst, 
waardoor het probleem van den oorsprong van zoo'n gezegde 
uit het aan de oppervlakte liggende gebied der historische 
nasporing overgebracht wordt naar het gebied van de tot den 
dieper liggenden ondergrond dóórdringende taalphilosophie. 
Het vraagstuk van het gelijktijdig voorkomen van dezelfde 
of gelijksoortige uitdrukkingen hier en daar, moet het eigen- 
lijke voorwerp zijn van het werkelijke wetenschappelijke 
onderzoek. Zoolang hier nog geen „wetten" zijn geformuleerd, 
is er eigenlijk weinig meer verricht dan min of meer geleerd 
compilatiewerk. Bovendien moeten wij niet vergeten, dat het 
bij een groot aantal der zuiver inheemsche spreekwoorden en 
spreekwijzen weinig beteekent of men ze al ettelijke hon- 
derden jaren naar achteren schuift: hun oorsprong ligt niet 
in hun opkomen in de litteratuur, maar in de ziel der sprekers. 

Ter aanvulling van het te beschouwen materiaal hieronder 
nog het volgende, 

1. Geene a voor een b kennen. 

Vgl. Qui ne sache A ni B (Molière, Femmes Sav. V, 3). 

3. Wie a zegt, moet ook b zeggen. 

Ook Mrs. Beecher— Stowe, de bekende schrijfster, heefteen 
dergelijke spreekwijze: if you say A in this matter^ you^ vegot 
to say B (Flügel, i. v. A). 

9. Het aandeel van den leeuw of het leeu- 
wenaandeel. 

Is behalve „het geheele bezit van iets" ook het grootste 
deel en in de moderne talen overgegaan als: la part du lion^ 
der Löwen (an)teil en the lion^s share. 

15. Aan kalk en. 

Bekend is ook overJcalken — overschrijven, waarvoor pas in 
zwang is gekomen bij de Indische jongens het zeer teeken- 
achtige: overchineesen. 

34. Dat het een aard heeft. 

Vgl. Basz es eine Art hot. 

38. Iets kennen als het ABC. 



Boekaankondiging. 499 



Vgl. It wotdd really seem as if many of our newspapers toere 
toritten by infants who had not yet learned their polüicai ABC 
(Rev. of Rev. 15 May 1900) en ook: the ABC of Elizabeihan 
prosody (W. Shakespeare, Van Dam-Stoflfel, p. 407). 

47. Een achterdeur (t je) openhouden. 

Vgl. ook: se ménager une porte de derrière. 

81. Twaalf ambachten, dertien ongelukken. 

Vgl. voor het getal twaalf: duodecim artium est (Sartorius). 

101. Iemand liefhebben als den appel z ij ner 
o o g e n. 

Ook the apple of one's eye (fig.). 

110. Lange armen hebben. 

Het Fransch heeft ook : avoir les bras longs = „avoir beau- 
coup d'influeuce, puissance" (Robertsen, Dict. Idéologique). 

134. Bakvis ch. 

De nieuwste verklaring is die van B. ErckhofF: back is een 
verbastering van bach = „jong, klein" (Keltisch- waalsch). 

Bakvisch dus oorspronkelijk = jonge visch. 

167. Iemand beethebben. 

Vgl. ien bij H foetsje krije het Eng. to pull a person's leg? 

189. Zich beslapen op iets. 

Vgl. 1 toill sleep upon (over) it en het Fransche: dormir sur, 

226. In de bocht springen. 

Dat bij deze uitdrukking niet altijd gedacht is aan „een 
met een staketsel omheinde ruimte" blijkt uit: 

Och, dat hij doot was, hoe wou ik in de bocht springen 

(Van Vloten, Het Ned. Kluchtsp. II, p. 144). 

264. Hooge boomen vangen veel wind. 

Dezelfde gedachte in breedsprakige kanseltaai in het Ags: 
Thaet treow^ thonne^ the wiexth on thaem wudubearwe^ thdlt hit 
Mifaih up eofer edll tha othru treowu and braet hit^ thonne sem- 
ninga storm gestent^ and se stranga wind^ thonne bith hit stoüh- 
licor gewaeged and geswenged thonne se other wudu (Wul&tan, 
Homilies n®. 49). 

274. Een bord voor het hoofd hebben. 



500 Boekaankondiging. 



Ygl. em herderen aenschijn (Ned. Eluchtsp. I, 110) met: a 
hnmrn face = un front éCairain. 

279. Bot vangen. 

Ook in Limburg (Ned.) is bats hopen bekend in de Vlaam- 
sche beteekenis: een doorloopende gang bijv. heet botsgang 
(in de kazematten). 

3S9. Dertien in een dozijn. 

Vgl. B n^y en a pas treige a la dotizaine. 

S40. De deur openzetten voor iets. 

Ook Montesquieu heeft: c^était ouvrir la porie bien large è 
la cahmnie. 

871. De dood in den pot. 

Opmerkelijk is het, dat in het Eng. decUh in the pot staat 
voor „ongezond" en „verborgen gevaar". 

874. Iemand doodverwen. 

Ook het Eng. heeft (in eig. zin) dead-cólour. 

881. In iets doorkneed zijn. 

Heinsius heeft doorslq>en (Verm. Avont. p. 14, Zwolsche 
Herdr.). 

485. Van de gaffel in de greep vallen. 

Vgl. met : „iemand van bed op stroo helpen" het Eng. from 
the bed on the straid, 

486. Gal. 

Vgl. met „zijn pen in gal doopen" : to dip the pen in gaü. 

498. Een gat stoppen. 

Ook het Eng. heeft to stop a gap = een schuld (met geleend 
geld) betalen. 

527. O^elaarsd en gespoord. 

Het Eng. heeft booted and spwrrad (Roget, Thesaurus of Engl. 
Words and Phrases) in dezelfde volgorde. Eigenaardig is het, 
dat enkele soortgelijke Engelsche uitdrukkingen de volgorde 
omkeeren. Bekend genoeg is het Eng. ladies and gentlemen 
naast ons heeren en dames. Verder heeft men upon bread and 
water = op water en brood ; het litteraire bread and cheese = 
kaas en brood(volk), terwijl het in de noordelijke dialecten 



Boekaankondiging. 501 



weer is cheese and bread; bread and biMer = hotei en brood, 
in het Schotsch daarentegen evenals bij ons; unth bag (sack) 
and pack = met pak en zak ; front bed and board = van tafel 
en bed ; fast and hose = los en vast, hoewel verschillend in 
gebruik ; in holes and corners = in hoeken en gaten ; weights 
and measures = maten en gewichten. Zoo ook all wéU and 
good = alles goed en wel ; more or less = min of meer ; far 
and near -■= heinde en ver, vroeger varre ofte naer ; aU this = 
dit alles, maar in 't Ags. ook weer this eall (Sweet, Ags. 
Reader p. 5). Even onvast als in 't LsitijnhiiY.noctesetdies — 
hoewel steeds diem noctemque — en in onze taal weer en wind 
(wind en weer — Den Hertog, Sprklr. III, p. 85) is het onder 
n^. 2124 wijd en eijd aangehaalde Ags. wide and side^\A} Sweet, 
Stud, Biet. of Ags, opgegeven als side and toide i. v. wide en 
als mdan and sidan i. v. sidan^ terwijl ook Cynewulfs Elene: 
side ond wide (r. 277 uitg. Zupitza) heeft. Heel wat van der- 
gelijke collocaties komen in 't HoUandsch en Engelsch overeen, 
maar de allittereerende bijv. nmw. frank en free^ bijv. his 
frank f ree manner (Dickens, Bleak House p. 171 Househould 
Ed.) schijnen in 't Eng. niet samengeklonken te zijn tot een 
formule. 

568. Weten te geven en te nemen. 

Hierbij nog de opmerking, dat de Engelschen ook spreken 
van a give and take pólicy. 

575. Zoo gewonnen, zoo geronnen. 

Ook het Duitsch heeft: Wie gewonnen^ so eerronnen. 

648. De haren rijzen mij te berge. 

Vgl. Mir steigt das Haar zu Berge. 

652. Eigen haard is goud waard. 

Eigener Herd ist Ooides Wert. 

710. Iemand den handschoen toewerpen. 

Ygl. nog: to throw the gaunüet^ glove; to take up the ghve. 

717. Hansje in den kelder. 

Flügel geeft in zijn Eng. Duitsch gedeelte: Hans — in(en) — 
kelder (schertsend) = „Hanschen im Keiler". ^ 



502 Boekaankondiging. 



727. Waar *t hart vol van is, etc. 

Vgl. Ook de Ferguut: 

Die mont sprect dat int harte leit (r. 660). 

749. Heet zijn op iets. 

In 't Eng. =^io he het on... . 

845. In zgn hum z|jn. 

Als hum = humeur kan naast ddi = ddicaat ook nog verge- 
leken worden : gym^ gim = gymnasium ; soos = sociëteit ; prof = 
professor ; rees = resident ; sik = secretaris ; doos = dos-i-dos ; 
ric = Victoria ; pAoto = photographie ; ^ypo = typograaf ; sief= 
syphilis, enz. 

848. Het ijs breken. 

Ygl. rompre la glacé = „commencer une explication delicate, 
faire cesser un silence embarrassant." 

896. De kaart kennen. 

Ygl. savoir la carte du pays. 

906. Een kalf leggen. 

Vgl. ook nog to calve = „sich übergeben, kalbern" (Flügel). 

925. Eene stem in het kapittel hebben. 

Ook in 't Eng.: to have a voice in the chapte